Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen

Part 3

Chapter 33,825 wordsPublic domain

Het was een prachtige avond, die oud en jong naar buiten had gelokt. De vreemdelingen, die anders in Rättvik in grooten getale aanwezig zijn, waren òf niet gekomen, òf met den overvollen trein, dien wij juist hadden zien vertrekken, heengegaan. Wij bevonden ons bijna uitsluitend onder de bewoners van het dorp. Van den melancholieken geest, dien men den Zweden in het algemeen en den bewoners van het Siljansdal in het bijzonder toeschrijft, was niet veel te bespeuren. De jonge mannen en de jonge meisjes stonden overal in afzonderlijke groepjes bijeen, doch in hunne grage blikken was duidelijk te lezen, dat zij van weerszijden onderlinge toenadering wenschten; maar niemand durfde de eerste te zijn.

Hoewel wij, Hollanders, toch aan nationale kleederdrachten wel gewend zijn, waren wij over de kleederen der Dalecarliesche boeren en boerinnen verrast. Zij waren bijna zonder uitzondering in hun nationaal costuum en de enkele gewoon gekleede man of vrouw toonde ook overigens genoeg verschil met hen, om onmiddellijk te concludeeren, dat die geen inboorling kon zijn.

De vrouwen droegen allen op hunne, meestal stroogele haren, waarvan de zedig om het hoofd gelegde vlecht met een wit satijn lint doorvlochten was, een zwart puntig, met rood omzoomd kapje, dat iets coquets en jeugdigs aan het uiterlijk gaf. De veelkleurige gestreepte voorbaan van de rok, waarin rood en groen den boventoon voerden, gaf met de witte blouse en het rood of groen gebloemd keurslijfje een frisch geheel.

De mannenkleeding was meer origineel dan mooi. Van achteren leken de mannen allen, met hunne slappe hoedjes, lange soepjassen, korte kuitbroeken en lage schoenen, op groote en kleine pastoortjes, doch van voren bezien, was de kleeding verrassend leelijk. De lange soepjas was geheel met een breeden rooden rand omzoomd en hing los om het lijf. Een blauw, ook met rood omzoomd vest, tot boven aan den hals dicht; een gele kniebroek van zeemleder, waaraan bij de knie drie vuistdikke roode pompons bengelden, zwarte kousen en lage schoenen vormden het costuum van de Rättviker Dalecarliër.

Een oogenblik stonden wij hen en zij ons nieuwsgierig aan te staren, toen vatten wij het eerst moed en begonnen een praatje. Op onze vraag of er misschien een van hen Duitsch of Engelsch verstond, begonnen de jonge mannen als gekken te lachen. Met open monden, krom van de pret, sloegen zij zich op de knieën, om te doen uitkomen, hoe mal ze onze vraag vonden, doch onder de meisjes waren er een viertal, die moedig naar voren kwamen en ons mededeelden, dat zij onderricht in de Engelsche taal ontvingen en die taal een beetje konden spreken en verstaan. Het deed ons feministisch hart goed ook hier weder, als in zoo menig ander geval, de hoogere beschaving en ontwikkeling bij de vrouw uit het volk te vinden.

Al spoedig vernamen wij dat binnen enkele oogenblikken op 't marktplein een bal, of laat mij liever danspartij zeggen, gegeven zou worden. Elken Zondagavond, en somtijds ook Zaterdagsavonds, heeft dit in den zomer plaats. Langzamerhand zagen wij steeds meer groepjes jonge lieden in die richting afdruipen. Natuurlijk wilden wij daarvan getuige zijn. Een jonge boer, van ongeveer 30 jaar, die drie jaar in Amerika was geweest en, zooals ik later vernam, tot de notabelen van Rättvik behoort, had zich bij ons gevoegd en gaf de inlichtingen, die wij wenschten.

Het marktplein is een groote ronde vlakte, midden in een uitgestrekt dennenbosch. In het centrum van deze open vlakte was een houten dansvloer gelegd, met een verhooginkje voor het korps muzikanten. Dit korps bestond uit vier blaasmuzikanten, die, phantastisch, geheel met een witten sluier omhuld, ter bescherming tegen de vele lastige muskieten, hunne voor den dans lokkende tonen de lucht ingalmden. Hoewel er van de muziek genoeg kracht uitging, om menig voetje, zoowel van de jonge mannen als van de jonge meisjes, ongedurig te maken, werd het toch tien uur, alvorens de eerste paartjes den moed hadden het bal te openen. Het waren al weder de meisjes van wie het initiatief uitging. Toen de eerste paartjes begonnen waren, volgden de anderen spoedig en weldra was de dansvloer dicht bevolkt met de dansende, bont gekleede jeugd. Dat was inderdaad een zeer schilderachtig schouwspel en in deze bonte, wiegelende groep, deden de gele zeemlederen broeken en de lange, met rood omzoomde, losse jassen der mannen toch werkelijk mooi.

Nu er ook wat meer leven en onschuldige vroolijkheid in de glad-geschoren, blonde koppen der jonge mannen kwam, begon ik mij met hun uiterlijk geheel te verzoenen. Het effect van dit bonte tafereel werd niet weinig verhoogd door het eigenaardige avondlicht, dat ons omscheen. Niettegenstaande het reeds ruim elf uur was geworden, was het toch nog licht genoeg om met gemak een boek te lezen en vóór 's nachts één uur werd grooter duisternis niet verwacht.

Zooals het op een bal overal gaat, was het ook hier. Hoewel er niets gedronken werd, er was trouwens geen sterkedrank te krijgen, werd bij elke wals het troepje vroolijker en de dans geanimeerder en steeds vlugger en stampender werden de voetjes neergezet en de beentjes hooger van den grond gelicht. Het geheel had zulk een animeerenden invloed, dat ik moeite had mijne beide reisgezellinnen in bedwang te houden. Zij vertoonden alle neiging om zich in de armen van een Dalecarliër te vleien en een gracieusen rondedans aan zijn borst uit te voeren. Ware het niet, dat zij een week daarna op het congres nog hersenwerk te verrichten hadden, dan had ik hun dat kleine genoegen gaarne gegund; nu was het mijn plicht te zorgen, dat zij met een frisch hoofd naar Stockholm terugkeerden en dat niet hart en ziel in de lange jas van Axel of Erik of Olof achtergelaten werd.

Die lange dagen, die eigenlijk geen avonden hebben, herinnerden ons er alleen aan, dat wij ons in het hooge Noorden bevonden. De brandend warme zon op den dag, de zoele avonden, de overal in vollen bloei staande seringen en gouden regen bloeiende katoenboomen en uitgestrekte berkebosschen, (de ellendige muskieten ook niet te vergeten) hadden veeleer een zuidelijker indruk verwekt. Wanneer wij ons van het meer Siljan afwendden en ons oog op de overige omgeving lieten rusten, natuurlijk zonder de bont gekleede bevolking, konden wij ons verbeelden in den Gelderschen Achterhoek te zijn.

Mijne, in Amerika geciviliseerde, zegsman vertelde mij menige bijzonderheid uit het leven der Dalecarliërs en vooral van de bewoners van Rättvik. Over het algemeen is de bevolking arm, doordat de grond hoe langer hoe meer bij den dood der ouders in kleine brokstukken onder al de kinderen verdeeld wordt en ieder kind zijn eigen klein stukje grond krampachtig vast houdt, en niet te bewegen is het te verkoopen. De meeste boeren bezitten nu een stukje grond, waarvan zij niet leven kunnen, terwijl een boer, die een paard en vier koeien kan houden, tot de uitzonderingen behoort en voor zeer welgesteld doorgaat. Men was reeds lang begonnen in te zien, dat niet alle kinderen tot boeren en boerinnen moesten worden opgeleid en dat er getracht moest worden een deel der jeugd tot goede ambachtslieden te vormen. De verschillende gemeenten zijn echter te arm om goede ambachtsscholen te stichten; willen de jonge mannen en vrouwen een of ander vak leeren, dan moeten zij van huis gezonden en bij een vakman in een of andere stad in de leer gedaan worden. Dit heeft, zooals van zelf spreekt, voor ouders en kinderen menig bezwaar, bezwaren, die nog vergroot worden door het eene, alles overtreffend bezwaar, dat de jongens de opleiding tot een ander beroep dan boer als een degradatie beschouwen. In het uitoefenen van een ambacht vinden zij iets onvrijs, iets ondergeschikts, en de Dalecarliër, die voor alles zijn vrijheid bemint, meent die alleen als zelfstandige boer te kunnen handhaven. Liever trekken de jongens en meisjes naar Zweden's groote steden, of naar Amerika, om daar te gaan dienen en na eenige jaren met het overgespaarde geld in Dalecarlië terug te keeren, daar een stukje grond te koopen, om dan het leven eigenlijk te beginnen. Een Dalecarliër komt altijd in zijn geboorteplaats terug, hij kan zich op den duur in eene andere omgeving niet gelukkig gevoelen. Een Dalecarliër, een eenvoudige man, die in zijn jeugd zelf ook in Amerika geweest was, sprak over het in het najaar naar Amerika zenden van zijn oudste dochtertje even licht als wij een kind van Amsterdam naar Hilversum zouden zenden.

Wil men het meer Siljan in al zijn schilderachtige schoonheid leeren kennen, dan moet men een tocht maken met het bootje, dat in den zomer elken dag een toer rond het geheele meer maakt en tijd genoeg laat, om van de afzonderlijke dorpen een indruk te krijgen. Van 's morgen 8 tot 's avonds 10 uur dobbert men dan op het 280 K.M. in oppervlakte bestaande zeetje, waarvan de oevers steeds aan beide zijden in de verte zichtbaar blijven. De zachtglooiende hellingen, die de Zweden met trots bergen noemen, bevatten overal dun begroeide berken- of dennenbosschen, waartusschen de altijd donkerrood geverfde houten woningen een kleurig effect maken. Van mooie villa's of woningen, die min of meer welgesteldheid verraden, is in deze mooie omgeving geen sprake. Op mijn vraag aan een Oberstabsarzt, die met ons dit reisje maakte, waarom de rijke Zweden hier geen villa's hadden, gaf hij ten antwoord, dat Zweden niet zooveel rijke inwoners als Holland had, om in elk mooi oord villa's te kunnen bouwen.

In Mora bleven wij eten en hadden ook nog tijd een wandeling door het dorp te maken. Wij hadden nu tijd te bespieden hoe de Zweden het middagmaal innemen; getrouw trachtten wij te volgen, met het resultaat, dat wij nu tot de conclusie kwamen, dat een maaltijd gebruiken in Zweden "werk" beteekent en dat, wanneer men bijziende is, zooals een mijner metgezellinnen, men dan dikwijls wat op zijn bord krijgt wat men nu juist niet wilde hebben. Aan het alles, tot zelfs alle soort vleesch toe, bereiden met suiker, hadden wij ons al een beetje gewend, doch met de overvloed van vleesch- en vischsoorten en de schaarschte aan groenten en vruchten konden wij nog geen genoegen nemen.

Dicht bij Mora passeerden wij een paar van die meters- en meterslange houtvlotten, waaraan de meren in Noorwegen en Zweden zoo rijk zijn. Onafzienbaar lang en de breedte van het halve meer innemende, gingen die duizenden boomstammen, broederlijk door kettingen aan de buitenkanten te zamen gebonden, langzaam stroomafwaarts, om door het meer en daarna door de dalrivieren naar de Oostzee te stroomen, alwaar zij bij het begin in Skutskär worden opgevangen, om daar in een reusachtige machinale houtzagerij tot planken gezaagd en naar de verschillende landen verscheept te worden.

Wij keerden dien avond niet naar Rättvik terug, maar bleven in Leksand, een ander door toeristen zeer bezocht oord, doch waar nog meer de Zweden zelve heentrekken om hun rustige vacantiedagen door te brengen. In het kleine hotel, door Baedeker gerecommandeerd, vonden wij vriendelijke opname. Niemand sprak daar anders dan Zweedsch, doch onze Deensch kennende vriendin had zich onderweg zoo in de taal geoefend, dat zij nu volkomen als tolk kon dienen. Weder trof ons de buitengewone zindelijkheid, die door het geheele huis heerschte, en de bijzondere vriendelijkheid en goedhartigheid, waarmede men ons tegemoet kwam. Grappig was echter de combinatie van de blinkende en glimmende meubels in de vertrekken. Naast een hypermodern ijzeren ledikant, met sneeuwwit beddegoed, stond een, om te stelen, oud-Noorsch kastje, dat als beddekastje dienst deed. Verder eene oude bont geschilderde oud-Noorsche kist voor berging, een doodeenvoudig modern waschtafeltje en om het effect te verhoogen, een canapé, twee stoeltjes en twee pouffen, stijl Louis XV, blijkbaar afkomstig van een verkooping op een of ander oud kasteel. Onze rekening was den volgenden dag zoo laag, dat wij tot de conclusie kwamen, dat Leksand het oord zal zijn, alwaar wij ons voor eenigen tijd zullen begeven, om onze financiën weder in evenwicht te brengen, wanneer die door het vele reizen een beetje in de war mochten zijn geraakt.

Evenals bij ons op Walcheren, zoo hebben de boeren en boerinnen van de verschillende dorpen aan het Siljanmeer, waarom Dalecarlië gegroepeerd is en waarom dit meer dan ook door de Dalecarliërs "het oog van Dalecarlië" genoemd wordt, ieder hun eigen kleederdracht. Die van Leksand deed ons zeer veel aan onze Marker-visschersvrouwen denken, hoewel de kleeding der mannen anders is en de Leksanders veel warmer kleuren gebruiken, wat in de omgeving, waarin zij leven, een bijzonder mooi effect maakt.

Mocht men in ons land eens leeren zich in hotels en winkels met behoorlijke rekeningen van vreemden tevreden te stellen en niet elken vreemdeling te beschouwen als een geschikt sujet om geplunderd te worden, wij, Nederlanders, zouden dan niet zoo dikwijls in den vreemde beschaamd staan, als men ons van deze eigenschap in ons land vertelt en wij uit eigen ervaring weten, dat deze gewoonte in Holland werkelijk bestaat. Ons eerste vierdaagsch uitstapje in Zweden heeft ons geleerd, dat men hier weet de vreemdelingen te trekken, door ze niet te exploiteeren.

OP WEG NAAR ABISCO.

Wij, bewoners van een klein, dicht bevolkt land, kunnen ons moeilijk een voorstelling van de uitgestrektheid van Zweden maken, als wij bedenken, dat Zweden ongeveer hetzelfde getal inwoners heeft als Nederland.

Hadden wij van Trelleborg naar Stockholm, in een recht naar het Noorden opgaande lijn, reeds ongeveer 12 uur in een sneltrein doorgebracht, van Stockholm naar Abisco, verder in noordelijke richting, in een expres-trein, die den afstand in den kortst mogelijken tijd volbrengt, moeten wij nu van Dinsdagavond zes uur tot Donderdagmorgen acht uur doorbrengen, dag en nacht doorreizende. Dit wil dus zeggen, dat wij b.v. sneller van Amsterdam naar Rome kunnen reizen, dan van Zweden's hoofdstad naar een der uiterste punten van het land.

Gelukkig zijn de Zweedsche wagons, en vooral de slaapwagens, zeer comfortabel ingericht en men kan hier, evenals in de Amerikaansche spoorwagens, op zoo'n langen rit allerlei werkzaamheden verrichten. Ik zit dan ook dezen brief in den trein te schrijven.

Nu ik meer over Zweden en de bewoners ga uitwijden, moet ik toch nog even op een stukje van het Congres van den Wereldbond terugkomen. Ik moet nog even met een enkel woord gewagen van de uitstapjes door ons allen gezamenlijk gemaakt naar Saltsjöbaden en Grypsholm en vooral van ons bezoek aan Upsala, met zijn oudste en grootste universiteit van Zweden. De twee eerstgenoemde tochten gaven ons een goeden indruk van de eenig mooie omgeving van Stockholm en van de plaatsen, waar de gegoede, misschien wel rijke, Zweden hunne zomerhuizen hebben. Zoowel aan de oevers van het Mälarmeer, als aan die van de baai der Baltische zee, bevinden zich tallooze kleine en groote villa's, soms echte zomerpaleizen. Van menige villa had men aan de oevers Bengaalsch vuur ontstoken, toen wij 's avonds met onze booten passeerden.

Dat het volk van Zweden, van hoog tot laag, de vrouwenbeweging sympathiek gezind is, daarvan kregen wij door deze en andere bewijzen een indruk.

Toen wij bijv. gedurende het congres in 90 open landauers, waarin alleen de vreemdelingen een plaats konden vinden, een tocht van 1 1/2 uur door Stockholm maakten, werden wij het meest toegejuicht in Stockholm's volksbuurten, waar men bijna algemeen naar buiten stroomde, ons toewuifde en succes wenschte. Het waren vooral ook de mannen uit het volk, de werklieden, die ons hunne goede wenschen toeriepen en van uit het gebouw van het Leger des Heils, waar, ons ter eere, de vlag was uitgestoken, hingen uit alle ramen de heilsoldaten, om ons met zakdoeken toe te wuiven.

Toen wij Maandagmorgen in Upsala aankwamen, als gasten van de afdeeling van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht aldaar, waren wij niet weinig verrast, van bijna elke woning de Zweedsche vlag te zien wapperen en onze verwondering en waardeering steeg, toen wij zagen, dat van het gemeentehuis vele vlaggen wapperden en deze hulde ons bereid was op uitdrukkelijk verzoek van den burgemeester van Upsala.

Hadden wij ons gedurende het geheele congres kunnen verlustigen in den aanblik van een twintigtal jonge meisjes, die in hunne witte japonnetjes en met de studentenpet coquet op haar weelderigen haardos, als pages dienst deden, in Upsala werden wij opgewacht door 'n heel leger van zulke geestverwantjes, die met niet weinig trots ons in hunne mooie universiteit rondgeleiden en ons de vele inrichtingen in het belang van het onderwijs lieten zien. Ruim 200 vrouwenstudenten telt de universiteit van Upsala en ook onder de docenten zijn verschillende vrouwen.

Niet alleen is in Zweden alle onderwijs vrij, van het lager tot het hooger en hoogste onderwijs, maar voor zeer arme studenten zijn ook in de verschillende clubgebouwen kamers beschikbaar, waar zij gratis huisvesting en voeding vinden. De studenten zijn er verdeeld in clubs, zooals ook bij ons, maar zij kiezen hun club niet zelf, zij worden ingedeeld bij de club van hun provincie. Zij betalen in deze clubs geen contributie, alles is voor hen van hoogerhand ingericht op de meest praktische en comfortabele wijze. Zij hebben er hun eigen leeszaal, conversatiezaal, kunnen er goed en billijk hunne maaltijden gebruiken en hebben er een groote zaal om er 's avonds te dansen, te musiceeren, onderling voordrachten te houden, of zich op andere wijze te vermaken. Meisjes- en jongens-studenten zijn er collegiaal bijeen. De meisjes-studenten hebben echter bovendien nog een eigen studentenclub, waar alleen meisjes-studenten in opgenomen kunnen worden, en waar zij van uit alle provinciën vereenigd zijn, evenals er ook vele zulke jongensclubs bestaan.

Merkwaardig is zeker, dat er aan de acacdemie ook een professor in de muziek is aangesteld, die in hoofdzaak zangonderricht geeft, waaraan alle studenten verplicht zijn deel te nemen. Vandaar zeker, dat de meisjes-studenten, en de oud-studenten, de dames-doctoren in de verschillende vakken, ons bij de feestelijkheden op het congres herhaaldelijk vergastten op hunne tallooze studentenliederen, en dat na afloop van het diner in Upsala, de vele met ons aanzittende heeren-professoren, docenten etc. ons zoo mooi vele oude Zweedsche liederen te hooren en te genieten konden en wilden geven.

De lunch in Upsala werd ons aangeboden in den botanischen tuin, in de open lucht, en als bijzonderheid daarvan moet ik even opmerken, dat alle ons daar aangeboden en zoo lekker gevonden gerechten, taarten, vleezen, koeken etc. etc. door een of andere der strijdsters voor vrouwenkiesrecht zelf gemaakt waren. Werd daarmede niet getoond, dat de strijd voor vrouwenkiesrecht, die zooveel meer tijd en energie van de vrouw in beslag neemt, als later het uitoefenen van het kiesrecht zal blijken te vorderen, de vrouwen toch niet ongeschikt maakt goede huisvrouwen te zijn, die het kooken en bakken, waarvoor de mannen zoo bang zijn, daarbij niet verwaarloozen of verleeren? Menig recept voor gerecht of taart, welke ons daar was aangeboden, werd ook door Hollandsche huismoeders, die dit congres bijwoonden, gevraagd. Als belooning voor de vrijheid, die de mannen haar toestonden, om voor dit congres naar Zweden te gaan, zullen zij hen zeker na de terugkomst op een nieuw en lekker schoteltje onthalen.

Had ik op mijn reis naar Stockholm, en van daar naar Dalecarlië, en zelfs langs de oevers der meren om Stockholm, den indruk verkregen, dat Zweden liefelijk mooi, doch niet imposant is, dat het zelfs niets specifiek Zweedsch heeft, dat het mij nu eens herinnerde aan gedeelten in Holland, dan weder aan sommige streken in Engeland, op mijn reis door Lapland krijg ik geheel andere indrukken. Op dezen tocht worden, hoe verder noordelijk wij komen, de bosschen dichter, de meren grooter en talrijker, watervallen vertoonen zich, en in plaats van heuvels, zooals aan de oevers van het meer Siljan, zijn hier inderdaad bergen zichtbaar. Dit alles ziet men toch ook in Zwitserland, Schotland en Noorwegen en andere berglanden, doch hier vertoont het nu een bijzonder, een Zweedsch karakter. De bergen zijn hier niet zoo hoog als in die andere berglanden, maar tot aan den top, dicht met pijn- en berkeboomen begroeid, nu en dan plotseling overgaande in een groote open vlakte, wat altijd een meer is. Van uit den trein ziet men niet, of die bergen bewoond zijn. Wanneer wij nu en dan een dorpje passeeren, zijn het altijd enkele houten huisjes, die dicht bij een meer gebouwd zijn. Ik had mij voorgesteld dezen tocht nu en dan te onderbreken en langs een der zijbaantjes de kustplaatsen te bezoeken. Dit werd mij echter door iedereen ontraden, om de eenvoudige reden, dat er niets bijzonders te zien zou zijn, dat die dorpjes alleen bewoond worden door een arme visschersbevolking, die niets eigenaardigs vertoont en dat er geen geschikt nachtlogies te bekomen is. Van één plaats spijt het mij bijzonder, dat ik er nu niet en dus wel nooit komen zal. Als men jarenlang zoo elken dag in de courant onder de weerberichten Haparanda ziet staan, als de plaats waar metereologische opnemingen geschieden, en men komt er dan, om zoo te zeggen, rakelings langs, dan voelt men zoo'n lust om het eens even aan den lijve te voelen, hoe de temperatuur, al is het dan ook in het midden van den zomer, daar op onze body inwerkt. Om er echter te komen, zou ik in Boden uit den trein moeten stappen, op een zijlijntje in drie kwartier naar Lulea sporen en van daar per boot in zes of acht uur naar Haparanda stoomen.

Noch in Lulea, noch in Haparanda, zou ik een geschikt hotel vinden en wat voor mij meer zegt, de boot die van Lulea naar Haparanda en terug gaat, is geen boot, waarop men eenig comfort mag verwachten. 't Zijn eenvoudige goederenbooten, waarmede ook de visschersbevolking heen en weder trekt. Dit alles zou ik misschien toch nog er voor over gehad hebben, indien niet mijn tijd, die ik voor dezen tocht besteden kan, krap gemeten is en men mij voorspeld heeft in Abisko en Narvik mooiere en interessanter zaken te zullen beleven. Ik verkeer dus in hoop, en wordt die niet verwezenlijkt, dan maak ik, terugkomend, dat slippertje nog.

Het is nu acht uur 's avonds, de zon staat nog zoo hoog aan den hemel, alsof zij nog lang niet denkt onder te gaan. Nog een nacht verder sporen en dan gaat zij inderdaad in het geheel niet meer onder, of liever gaat onder om in hetzelfde oogenblik weder op te gaan.

In den trein zittende, moet ik toch met een enkel woord melden, wat elken reiziger uit den vreemde hier onmiddellijk moet opvallen. Ik schreef reeds over de comfortabel ingerichte spoorwegcoupées en vooral de comfortabele slaapgelegenheden met gelegenheid om zich 's morgens behoorlijk te verfrisschen. Ook de toiletten worden bijzonder zindelijk onderhouden, zoodat men er 's avonds nog even goed als 's morgens gebruik van kan maken. Dat men daar toch in ons land eens meer aandacht aan wijdde! Bijzonder valt ook de beleefdheid van alle beambten op; hier in dezen expres-trein spreken alle beambten ook behoorlijk Duitsch. Vandaag is gedurende den geheelen dag een restauratie-wagen aan den trein, waar ook alles weer even zindelijk en goed bereid opgediend wordt.

Ik ga nu nog op het balcon van den trein een beetje van den mooien avond met daglicht genieten, alvorens te gaan slapen, en hoop in een volgenden brief van Abisco en Narvik, de eindstations op deze route, te vertellen.

LAPLAND.