Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen

Part 28

Chapter 283,784 wordsPublic domain

Alle Engelsche schrijvers over Ceylon wijden een deel van hun boek aan de theeplantages en aan de onovertreffelijke theefabricatie. Steeds las ik, dat dit hier op zooveel beter wijze geschiedde dan in China of op Java, waar het geheele proces voor degenen, die er in werkzaam zijn, zoo wreed is. Dat prikkelde mij dus, om hier een groote theeplantage te bezoeken en het theemaken van het begin tot het eind na te gaan. Wij waren daarvoor hedenmorgen reeds weder zeer vroeg uit de veeren en reden met zonsopgang naar Gampola, een oud stadje, door inboorlingen bewoond, met vele historische herinneringen. Van hieruit waren gemakkelijk verschillende theeplantages te bereiken. Het theeplukken was in vollen gang toen wij aankwamen, want de vrouwen en kinderen--deze laatsten allen boven tien jaar oud--beginnen den dagtaak direct bij het aanbreken van den morgenstond. Mannen waren bezig met 't snoeien der boompjes en het schoonhouden der velden. Het leek mij een gezond en gemakkelijk werk wat die vrouwen en kinderen verrichten. Tegen tien uur hebben zij allen ongeveer de mand, die op hun rug gebonden is, volgeplukt en gaan dan naar de fabriek. Daar wordt de inhoud nog eens nagelezen, de groote bladeren eruit verwijderd en een te groot steeltje afgeplukt. Dit doen ook de vrouwen. De bladeren worden dan door mannen op de droogzolders gebracht en uitgespreid om gedroogd te worden en ondergaan dan verder een geheel machinale behandeling. Het krullen der blaadjes, het zuiveren en sorteeren der verschillende soorten, het verpakken, enz. geschiedt alles machinaal en de fabriek, die wij zagen, was in elke afdeeling zoo ruim, zoo zindelijk en zoo goed geventileerd, dat er van wreedheid of van ongezondheid geen sprake kon zijn, als, hetgeen wij natuurlijk niet konden constateeren, de behandeling der zwarte werkers en werksters ook een goede is. Want mij werd verteld door een gast in dit hotel, dat de opzichters soms zeer onmenschelijk met de ondergeschikten omspringen, door hen het volle loon te onthouden als zij niet genoeg geplukt hebben of soms voor een klein misdrijf in 't geheel geen dagloon uitbetalen en door nu en dan gebruik te maken van de zweep. Het loon wat de theeplukkers als regel ontvangen is 25 cents per dag, d.w.z. 25 Ceylonsche centen, die ongeveer 20 Hollandsche centen vertegenwoordigen. Daarvoor werken ze van 's morgens 6 tot 11 en 's middags van 1 tot 5 uur. Dat lijkt een heel kleine belooning, maar in aanmerking genomen de weinige behoeften dezer menschen, is zij niet zoo klein. Tenminste alle vrouwen en meisjes, die wij aan het werk zagen, hadden armen en beenen en vingers rijk bedekt met ringen, de oorlellen van onder tot boven vol versierselen, het middenschot van de neus en beide neusvleugels prachtig geornamenteerd, en vier, vijf of meer verschillende kettingen om de hals. Een groot deel van hetgeen zij verdienen, wordt blijkbaar in lichaamsversierselen omgezet. Ik zal nu later kunnen nagaan hoe de Javaansche theeplanters hun zaken hebben ingericht, of daar inderdaad van wreedheid bij de theefabricage sprake kan zijn.

Wij wilden Gampola niet verlaten zonder eerst een kijkje in het stadje genomen te hebben. Het loonde de moeite. Niet alleen zagen wij er zeer oud en zeer origineel steenhouwwerk, overblijfselen van oude tempels, maar wij zagen er een koperen plaat, waarop eene heele geschiedenis gegraveerd was. In 't kort is het verhaal zoo, dat in 1804 koning Wickrama Daja Sinha den tempel van Gampola een groot geschenk in grond en goud aanbood en het eindigt aldus: "Zijne Majesteit heeft het genoegen, dit aan te bieden, zooals bij den mond van de godin Saraswati is geuit, en hij geeft deze gift in een gelukkigen tijd, zittende op een gouden troon, in den vorm van Sakkraya in de stad van Senkanda Sailabidhana Siriwardhanapura, welke overvloeit van rijkdommen; en deze gift is gegeven op Maandag, den tweeden dag van de opkomende maan in de maand Medindina, in het jaar 1726, genaamd Raktaksa. Hij, die plukt, breekt, of snijdt, een blaadje of grasspriet of eenig hout of vrucht, of iets wat thans aan Buddha behoort, zal herboren worden als een pretaya (een vertaling van dat woord ken ik niet, maar 't zal wel wat verschrikkelijks zijn), doch iedereen, die eenige offeranden brengt, zal voorspoed genieten en in Nirvana treden. Hij, die met geweld iets neemt van hetgeen Buddha toebehoort, met de bedoeling het zich toe te eigenen of het aan anderen te geven, zal in een worm op een mesthoop veranderen voor een tijdsduur van zestigduizend jaren".

Niettegenstaande deze verschrikkelijke bedreiging is nu 5 jaren geleden het gouden beeld van Buddha gestolen, dat aan goud ongeveer 25.000 gulden waarde bezit. De dief is nooit gevonden; de goe-gemeente is vast overtuigd, dat die ook nooit gevonden zal worden, omdat de politie onder de menschen zoekt en de dief natuurlijk reeds lang in een worm op een mesthoop is veranderd.

Nadat wij na de lunch eerst een paar uren gerust hebben, begaven wij ons op weg naar het museum, wat nog niet veel te beteekenen heeft. In één opzicht vond ik het toch interessant, omdat ik er veel terugvond wat afkomstig moet zijn van onze Hollandsche voorvaders en omdat de oude Kandysche industrie, die in dit museum nog wordt uitgeoefend, in veel opzichten door de onze moet zijn beïnvloed. Er waren o.a. oud-Hollandsche bedplanken, stoven, schoengespen, lepel- en vorkrekken, pannen en potten, etc. Ik kocht er eenige zaken, die ik nu nog zag maken, alle met de oude, primitieve instrumentjes van voorheen en die elkeen voor oud-Hollandsch werk zal aanzien.

Wij hadden nog juist tijd om vóór zonsondergang de winkels van Kandy te bezoeken, waar de echte Ceylonsche edelsteenen verkocht worden en waar men niet, zooals in Colombo, met kooplieden te doen heeft, die zes- of zevenmaal den prijs vragen van dien, waarvoor zij geleverd kunnen worden. Er waren prachtige saphiren, smaragden, robijnen, amethyst, paarlen, enz., en, in aanmerking genomen de prijzen, die men daarvoor in Europa vraagt, bespottelijk goedkoop.

Den derden dag vertrokken wij met den ochtendtrein naar Nuwara Eliya (spreek uit Nurelia), op eene hoogte van 6200 voet gelegen, waar het heerlijk koel en gezond is. Den geheelen weg over, de treinreis duurde vijf uren, gingen wij door theeplantages, waar overal het werkvolk druk aan den arbeid was. Het was een prachtige tocht, met grootsche berggezichten. Ongeveer op het midden van de reis passeert men een plaatsje, dat Hatton heet en dat bekendheid bezit, omdat men van daaruit den berg, genaamd Adam's berg, bestijgt. Jaarlijks gaan duizenden pelgrims dien berg op, maar ook vele toeristen komen hier om op den top van den berg, van waar men een onbeschrijfelijk mooi uitzicht moet hebben, te beklimmen. Waarom die berg zoo belangwekkend is? Dat is natuurlijk niet alleen een gevolg van het mooi vergezicht, dat men op den top kan genieten, maar omdat die berg een heilig karakter draagt, in de geschiedenis van vele oude godsdiensten een groote rol speelt en het onderwerp is geweest van veel onderzoek en nog grooter godsdiensttwisten. Op den top van den berg is namelijk duidelijk het afdruksel te zien van een voetstap, maar van een voet die een reuzenmensch moet hebben toebehoord. Nu zeggen de Mohammedanen, dat dit de voetstap van Adam is, de Buddhisten beweren, dat Buddha daar gewandeld heeft en de voetstap van hem afkomstig is en de Hindu's beweren, dat Siwa, een hunner drie godheden, die voetstap toebehoort.

Volgens de Mohammedanen is Adam, toen hij uit den hemel gevallen of geworpen is, op den top van dien berg terecht gekomen en heeft hij daar 200 jaren op Eva gewacht. De voetstap moet dus van Adam afkomstig zijn. De Buddhisten weten echter beslist, dat Buddha op zijne zwerftochten ook Ceylon heeft bezocht en daar hij veel van de eenzaamheid hield, heeft hij gewis dien berg beklommen en daar vele van zijne overpeinzingen gehouden.

Doch de Hindu's weten met even groote zekerheid, dat Siwa, in een zijner menschelijke gedaanten, daar geweest moet zijn; zij hebben de maten van dien voetstap genomen van alle kanten en die alle vormen een volkomen overeenkomst niet de afdruksels van de voeten van Siwa.

Hoe het zij, de Hindu's, Buddhisten en Mohammedanen maken er nu geen herrie meer over, zooals de Christenen in Palestina, maar elk hunner vereert dien berg en nog meer dien voetstap op zijne wijze, en zij trekken broederlijk gezamenlijk opwaarts.

De weg om er te komen is 24 mijlen lang waarvan de helft per rijtuig of te paard kan worden afgedaan. De andere helft moet te voet worden afgelegd en de drie laatste mijlen zijn zeer steil en gaan over een bijna onbegaanbaren weg. Voor twee oudjes als mijne metgezellin en ik is de top dus onbereikbaar, want wij gaan er niet uit heilige devotie heen, zooals zoovele oude mannen en vrouwen doen, die het voor de hoogste zaligheid houden in het aangezicht van dien voetstap te sterven. Men vertelde mij, dat elk jaar vele oude pelgrims op den weg er heen sterven en dan door de andere pelgrims mede naar boven worden gedragen. Sommige zonen gaan er met hun ouden vader of moeder op den rug heen, keeren echter maar al te dikwijls alleen terug. Daar wij eerst Britsch-Indië, Burma, Java en Sumatra nog moeten zien alvorens wij tot dood gaan bereid zijn, moeten wij ons dus het genot om naar boven te klimmen ontzeggen.

III.

Nuwara Eliya is een plaats, die met St. Moritz in de Engadine in zomertijd kan vergeleken worden. Men leeft er in de zuiverste en prikkelendste atmosfeer, die men zich wenschen kan en de temperatuur komt zoowat met de zomertemperatuur in ons land overeen. Het is nog een paar honderd meter hooger gelegen dan St. Moritz. Met elk jaar neemt de toevloed van Engelsche bezoekers, die hier de wintermaanden doorbrengen, toe. Er zijn tal van goede, groote hotels, pensions en gemeubelde villa's. Het onderscheidt zich echter van St. Moritz door de weelderiger plantengroei.

Wij waren er heen gegaan, omdat de reis er heen zoo mooi is en omdat wij daardoor een goed beeld kregen van de uitgestrektheid van de theeplantages in Ceylon en toch ook even een kijkje wilden nemen in de plaats, die weldra in Europa de meest bekende van dit eiland zal zijn. Er zijn van daar vele mooie bergtoeren en rijtoeren te maken. De meest gerenommeerde, die leidt naar den voet van den berg Hakgalla en naar den Koninkl. Botanischen tuin--want ook hier is een gouvernementstuin--maakten wij. In dezen tuin worden de boomen en planten gekweekt, die een koeler klimaat behoeven, waaronder vele Europeesche planten. Maar al zag ik er varens zooals ook bij ons voorkomen, diezelfde varens waren hier tienmaal grooter en ik zag er zelfs een, die als boom fungeert. Ook de rhododendron, die hier in zeer groote hoeveelheid in het wild groeit, is een boom, en zelfs zag ik de margharites groeien aan een boom.

Van verschillende punten hadden wij een mooi gezicht op hooge bergtoppen en ook op mooie valleien. Betrekkelijk dichtbij is de plek, waar het kamp was, waarin de Engelschen de Afrikaansche Boeren gevangen hielden. Eén van deze Boeren leeft nog hier; 't is degene, die niet dien eed van trouw aan Engeland heeft willen zweren. Hij schijnt nu in Kandy een hofstede te hebben en daar te wonen. Als ik tijd heb, zal ik trachten hem een bezoek te brengen.

Den volgenden dag gingen wij naar Kandy terug. Daar trachtten wij uit te vinden, wat er voor het onderwijs der jeugd wordt gedaan. Het was echter Zaterdag, vele scholen waren gesloten of gaven geen geregeld onderwijs. Onze inlichtingen waren dus zeer onvolledig. Het meeste onderricht wordt hier overal op Ceylon nog op zendelingsscholen gegeven, die door de regeering gesubsidieerd worden, maar alle tot hoofddoel hebben van de Boeddhistische en Hindoesche kindertjes Katholieke of Protestantsche Sinhaleezen of Tamils te maken.

"Dat is ons hoofddoel", zeide mij een juffrouw, aan het hoofd van een meisjesschool staande; "daarvoor zijn wij hier, maar dat neemt niet weg, dat toch het gouvernement toezicht op het onderwijs houdt, zoodat 't ook goed is".

Tot voor betrekkelijk korten tijd werd het onderricht der meisjes hier nog geheel verwaarloosd. Er waren in 1901 nog slechts 6% der meisjes, die lezen en schrijven konden. Door de zendelingsscholen is hierin groote verbetering gebracht. De dochters van alle hoofden op Ceylon ontvangen nu onderwijs; wij waren in de school, waar zij allen vereenigd zijn en reeds van haar 4e jaar af worden opgenomen. Ongeveer 60 van die meisjes waren er intern. Een paar ouderen onder haar waren met drie Engelsche juffrouwen als onderwijzeressen aangesteld.

De leeftijd, waarop de meisjes over geheel Ceylon trouwen, is een veel hoogere dan die in Syrië en Egypte. Vóór haar 16e jaar trouwt er bijna geen enkele en in de laatste jaren is die leeftijd nog stijgende. Dat komt door de hoogere ontwikkeling. De beter onderwezen jonge mannen, waarvan er vele naar Engeland gaan om hunne opvoeding te voltooien, willen goed ontwikkelde vrouwen tot hunne echtgenoote en van deze is de opvoeding dikwijls niet vóór het 18e of 20e jaar voltooid.

Toen ik 's middags in het hotel informeerde of in Kandy een Zuid-Afrikaansche boer woonde, wist mij elkeen direct te zeggen, dat de prison-boer, zoo wordt hij hier genoemd, even buiten Kandy een farm heeft, dat hij getrouwd is en een dochtertje bezit. Zijn farm schijnt echter niet genoeg op te leveren, daarom werkt hij in Colombo, doch komt dikwijls in Kandy om naar zijn farm om te zien. Het was Zaterdagmiddag en waarschijnlijk zou ik hem wel tehuis vinden. Ik nam een rickshaw en liet mij er brengen. Het was langs een zeer mooien landweg, die naar de woning van James Gibson leidde en zijne kleine hoeve was ook zeer schilderachtig gelegen. De prison-boer was echter niet daar, een vriendelijke oude man met een dochter namen de taak van huisbewaarders waar. Toen deze oude man vernam, dat ik een Hollandsche was, vertelde hij, dat ook hij een "burgher" was. Zijn vader was in het begin der vorige eeuw hier gekomen. Hij heette echter Cooley, maar zijn naam was verbasterd, zijn vader's naam was Kohle geweest. Het kwam mij voor, dat de vader eerder een Duitscher dan een Hollander kon geweest zijn, maar ik hield die gedachte voor mij, omdat de man er blijkbaar op gesteld was een "burgher" te zijn. Ik moest een kopje thee blijven drinken en met een mooie bouquet rozen uit den tuin keerde ik huiswaarts. Op mijn terugweg passeerde ik een huisje, waar twee oudjes knusjes in de veranda zaten te keuvelen. Met groote letters stond op de deur van het hek "Pieter de Vos", "Weltevreden". Dat moeten een paar Hollanders zijn, dacht ik, liet mijn rickshaw halt houden en ik stapte het hek binnen. De oude heer kwam mij tegemoet, doch toen ik hem in 't Hollandsch begon aan te spreken, bleek het, dat de goede man mij niet verstond. Ik begon dus in het Engelsch te vragen of ik hier niet een Hollandsche familie ontmoette en direct kreeg ik een bevestigend antwoord, maar zij waren "burghers" en hadden het Hollandsch verleerd. Ik moest echter mede naar zijne vrouw en vernam weldra, dat ik hier met een oud-Hollandsche familie te doen had, die er een stamboek op nahielden en trots op hun afkomst waren. In 1642 waren de gebroeders Pieter en Olivier de Vos uit Brugge op Ceylon gekomen, en hadden er zich metterwoon gevestigd. Zij hadden hunne vrouwen ook uit Brugge laten overkomen en deze twee families hebben in den loop der jaren een groote nakomelingschap gekweekt. De jongeren uit die families spreken allen Hollandsch en zijn mede-oprichters van den bond van burghers, die niet lang geleden op Ceylon gevormd is. Het was jammer, dat de zoon en dochters van dit echtpaar niet thuis waren en ik geen tijd had op hun thuiskomst te wachten; ik had gaarne van hen wat meer over de burghers van Ceylon vernomen, dan hetgeen de oudjes mij er van vertellen konden. Volgens hen verkeeren de burghers over het algemeen niet in financieel schitterende omstandigheden, hoogstens behooren zij tot de min of meer gegoede middenklasse.

Zondagmorgen was het weder vroeg opstaan, want wij wilden Ceylon niet verlaten, zonder ten minste één van de "begraven steden" te hebben gezien. Wij gingen naar Anuradhapura. Het was wel zeven uur sporen noordwaarts van het eiland, maar wij hadden het er voor over en het bracht ons ook door een geheel ander deel van het land. Deze tocht heeft ons niet berouwd. Om twee uur kwamen wij ter bestemder plaatse. Hoe geheel anders was het hier dan wij op Ceylon tot dusverre gezien hadden. De plek waar nu weder Anuradhapura is herrezen, was 30 jaar geleden nog een dicht woud, waarin de wilde olifanten, tijgers, luipaarden, apen etc. de lakens uitdeelden en waar geen mensch woonde. Het was een dicht woud, waaronder de oude stad begraven lag. Er zijn nu vele boomen omgehakt, rijstvelden aangelegd, huizen gebouwd en er ligt een garnizoen militairen. Het hotel, een zeer primitief houten gebouw, bestaat nog maar twee jaar. Het kan een beperkt aantal gasten herbergen. Het staat midden in een woud van mooie, hooge boomen, waarin tal van aapjes zich amuseeren, die nu en dan in groote getale naar beneden komen en na een rondedans of ander spelletje gespeeld te hebben, gauw weder naar boven klimmen. Maar dat is natuurlijk niet het eenige aantrekkelijke geweest om deze reis te ondernemen, het zijn de opgravingen, of liever uitgravingen, die hier door het Engelsche gouvernement ondernomen worden en de resultaten, die zij opleveren. Hier zijn Boeddhistische tempels ontdekt, die de oudste en grootste van de wereld zijn en die nog duidelijk de inscripties vertoonen, waaruit men hun oorsprong en bestemming kan nagaan. Enkelen er van vertoonen nog zulk mooi steenhouwwerk, alsof 't pas kort geleden gemaakt was. De oudste van de thans gevonden tempels is door Koning Tissa gewijd aan den eersten apostel van het Boeddhisme op Ceylon, aan den Indischen koningszoon Mahinda en dateert van 311 vóór Christus. De grootste van de opgegraven tempels heeft zoo'n enormen omvang, dat uitgerekend is, dat uit de bouwsteenen een stad van 20.000 zielen kan worden opgebouwd. Hij is veel hooger en grooter dan de St. Paulskerk in Londen. De mooiste heeft mooi beeldhouwwerk, rust op honderden groote olifanten, die allen ivoren tanden moeten gehad hebben, waarvan echter bijna geen een gevonden is. Er zijn aan al deze gebouwen, want het zijn niet alleen tempels, zoovele en interessante legenden verbonden, dat het een genot is ze te zien onder den indruk der pas gelezen verhaaltjes.

Tal van tanks, watertanks, zijn ook ontdekt, die van nog ouder datum zijn dan de tempels, waarin de krokodillen nu lustig rondzwemmen en zich aan den vroeg opstaanden in vollen omvang vertoonen.

Zulke vroege opstaanders waren wij, want wij wilden vóór de zon te heet zou branden in Mihintale aankomen en de 1840 treden opgeklommen zijn. De weg naar Mihintale is anderhalf uur rijden en voert over een zeer goeden weg dwars door een dicht bosch, waarin ratelslangen in ontelbare menigte voorkomen, waar beeren, tijgers en wilde olifanten vrij rondloopen en waar wij nog meer van zulk soort beestjes hadden kunnen ontmoeten. Elke inlander, die wij op onzen weg ontmoetten, was met een geweer gewapend om zich te verdedigen tegen mogelijke overvallen. Zelfs de vredelievende en niet doodende Boeddhist en de Hindoe gaan toch niet ongewapend door het bosch. Wij ontmoetten echter niets van dat alles, wij hadden zoo graag een avontuurtje gehad, alleen zagen wij prachtig mooie wilde hanen en hennen--het deed mijn hart goed te zien, dat ieder mooi haantje wandelde met één hennetje en toonde in natuurstaat monogaam te zijn,--wij zagen een soort groote bunsings, of hoe die beesten in het Hollandsch mogen heeten en midden op den weg stond een mooi gestreepte jakhals, die toen de koetsier 't rijtuig liet stilstaan, kalm bleef staan om ons op te nemen. Vogels zagen wij er in menigte, kleine, waarvan het lichaampje niet grooter dan de top van een pink is, mooie bonte en ook zeer groote.

Precies half negen stonden wij aan den voet van den berg, waaraan voor de Boeddhisten zoovele historische herinneringen verbonden zijn. Op dezen berg ontmoette koning Tissa voor het eerst Mahinda, de Indische koningszoon en Boeddhistischen priester, die hem tot het Boeddhisme bekeerde. De legende luidt, dat koning Tissa met groot gevolg op de jacht was en een elk ontmoette van buitengewone schoonheid, die hij niet onder schot kon krijgen. Hij volgde het beest op zijn vlucht, gebood zijne volgelingen achter te blijven, omdat hij alleen dit beest wilde overwinnen, dat op zeer geheimzinnige wijze telkens aan zijn schot ontkwam. Hij volgde het van rots tot rots, tot hij ten slotte op den top van den berg gekomen was, waar het beest op eens onzichtbaar werd, doch waar hij Mahinda in kluizenaarskleeding en in diep gepeins vond zitten. De elk was een priester, die in deze gedaante koning Tissa verschalkte en hem naar boven lokte om Mahinda te ontmoeten en toen plotseling weder in een priester veranderde.

Mahinda vertelde Tissa wie hij was en sprak tot hem over het Boeddhisme. Dit wekte de belangstelling van den koning, die weldra zijn geweer van zich wierp en zich aan de voeten van Mahinda nedervleide. Toen hij wat lang wegbleef, kwamen zijne volgelingen hem zoeken en waren niet weinig verbaasd hun jachtlievenden vorst op die wijze aan de voeten van een kluizenaar te vinden. Zij luisterden nu ook naar hetgeen Mahinda te vertellen had en velen van hen lieten zich daar met hunnen vorst tot het Boeddhisme bekeeren.

Dat deze berg nu tal van historische herinneringen bevat en voor hen, die een indruk van het Boeddhisme willen krijgen, de moeite waard is om te bestijgen, spreekt van zelf. Men moet bedenken, dat het Boeddhisme in Britsch-Indië aan het uitsterven is en nergens nog zoo welig tiert als op Ceylon. De weg naar boven is een gemakkelijke; de 1840 treden zijn voor een deel in de rotsen uitgehouwen, voor een ander deel door groote granietblokken gevormd. Bovendien is er op den weg naar boven telkens zooveel belangrijks te zien, dat dwingt om stil te staan, dat men boven is aangekomen eer men er aan denkt.

Den geheelen weg naar boven voert weder door een dicht woud, dat in den loop der eeuwen op deze steenrots gegroeid is. Hier zagen wij op onzen weg apen, die in rechtopstaande houding met het grootste gemak op mij neerzien en die niet de minste vrees toonden voor hunne menschelijke nazaten. En de boomen zaten vol van de soort, die wij in Artis en in de meeste dierentuinen aantreffen. Het was aardig, die beesten nu eens in hun natuurstaat te bespieden, wanneer wij ons een oogenblik op een rotsblok nederzetten om wat te rusten.