Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen

Part 27

Chapter 273,931 wordsPublic domain

Over deze menschen heb ik al eens geschreven, toen ik ze voor het eerst in Zanzibar zag; hier zien wij ze in grooten getale, zoodat hun verschijning reeds geen bijzonderen indruk meer maakt. En toch moeten ze voor een Europeaan opmerkenswaardig zijn. Die mannen met hunne zachte, melancholieke, vrouwelijke gelaatsuitdrukking, hun lange, zwarte, bijna blauw-zwarte haren, die in golvingen of krullen, over hun schouders hangen, of in een wrong op het achterhoofd bevestigd en met een groote schildpad-kam afgewerkt zijn, en die gekleed zijn in sarong en kabaai, de sarong soms voor een gewonen nauwen damesrok plaats makende, zijn toch een bijzonder soort menschen. Op hun gezicht afgaande, stel ik hen veel hooger dan b.v. den Arabier. De Sinhaleezen hebben over het algemeen verstandige, denkende gezichten en zij missen geheel dat sensueele in hunne gelaatsuitdrukking, dat vooral den Arabier zoozeer vertoont.

Was het omdat het Zondag was en er nu door velen niet zooveel als anders gewerkt werd, dat wij daarom in de volksbuurten zooveel langharige mannen in gebukte houding voor hunne woningen zagen zitten en achter hen hurkende vrouwen--wij zullen ten minste veronderstellen, dat dit hier eene echtelijken liefdedienst gold--die, evenals de apen, die lange haren trachtten te zuiveren van het wild, dat er waarschijnlijk in rondhuppelde? Het is ook mogelijk, dat de Zondag er niets mede te maken heeft.

Maar dit was niet het eenige merkwaardige, dat wij op onzen weg zagen. Wij zijn hier in den winter, maar aan boom, blad, bloem en vrucht is dat niet te bespeuren. Alles ziet er uit als in den hoog-zomer, en wel een, die een bijzonderen rijkdom aan bloemen en vruchten levert. De kokosnootpalmen, die hier veel mooier en frisscher lijken dan in Oost-Afrika, de bananen, de broodboomen en de boomen met jakvruchten (ik weet nog niet wat dat voor vruchten zijn), vormen hier heele wouden en vooral de Banyanboom--ik geloof, dat die op Java Waringin heet--, waarvan één exemplaar den geheelen tuin kan overschaduwen, maakte den weg, waarlangs wij gingen, schaduwrijk en koel. Een van de Banyanboomen, waarvan de luchtwortels weder stammen waren geworden van eenige meters in omvang, had zoodoende een omvang verkregen van meer dan vijf-en-twintig meter.

Verder zagen wij de kaneeltuinen, mijlen ver uitgestrekte velden met laag boom- en struikgewas, doch elk struikje was een kaneelboompje, waarvan niet alleen het blad, doch vooral de stam en stengel sterk naar kaneel ruikt en nog meer smaakt. Wij zagen sagoboomen, notemuscaatboomen en kruidnagelboomen, alle voor een deel in bloei, voor een ander deel in vrucht staande. Maar meer nog dan dit alles verlustigden wij ons in het gezicht van die vele mooie, groote, bonte vlinders, die zich hier in dit bloemenrijk zoo geheel tehuis gevoelen. En even gaarne verwijlden onze oogen op de vele naakte kindertjes, die aan den weg speelden in het gewaad, dat zij bij de geboorte hadden medegekregen. Velen zijn reeds door de toeristen bedorven, zij steken bedelend hunne handjes op en prevelen eenige onverstaanbare woorden. Maar er waren onder hen, die op zoo'n nieuwe wijze hun bedelend stemmetje deden hooren, die al naast den wagen voortrennende, 'n aardig kinderliedje zongen en dan plotseling hunne schalksche oogjes tot mij opheffende, zeiden: "you are my Mamma, my dear Mamma, give me a cent for a new dress", dat zij er mij toe brachten mijn principe te verloochenen, om in dat opgeheven, bruine handje een penningske te stoppen. Het was ook zoo warm en het was midden op den dag, mijne hersens waren een beetje in gesmolten boter-toestand, anders had ik zeker de in mijn oog groote fout niet begaan, om een kind, door het geven van een giftje, tot bedelen aan te moedigen. Maar die naakte kleine meisjes, met hare mooie snuitjes, die een nieuwe japon noodig hadden en die mij Mamma noemden, hadden mijn hart verteederd en..... in zoo'n hitte kan men er toch ook eigenlijk geen principes op nahouden.

Het was ongeveer één uur, toen wij in het Lavinia-Hotel aankwamen. Onze bruine mannen hadden de 7 mijlen afstand zonder rusten in geregelden draf afgedaan en zij waren van oordeel, dat nu de Ladies 'n tiffin namen, wij hen ook daartoe in de gelegenheid moesten stellen. Zij voegden er schalks aan toe, dat de lunch in het hotel drie rupees (een rup. = 80 cts.) kost, maar dat zij wel ergens konden gaan, waar zij maar 3 sh. (1 sh. = 60 cts.) hadden te betalen. Toen ik hun vroeg of zij niet een billijker restaurant voor zich konden vinden en ik ze één rupee gaf voor dat doel, sprongen ze in de lucht van de pret en toen wij hen om half drie weer lieten voorkomen om ons terug te voeren, wreven zij over hunne buikjes om ons duidelijk te maken, dat het zoo lekker had gesmaakt. Zij hadden in dien tijd ook even in de zee een bad genomen en mijn paardje had zijn lange haren nu koket in een rol rondom zijn hoofd gelegd, zooals tegenwoordig bij ons zoo vele jonge meisjes haar kapsel dragen. Vlak van achter had hij er een blauwe lap tusschen gevoegd, zoodat het precies een meisjeskop was.

Het Lavinia-Hotel is aan de uiterste punt van een rots in zee gebouwd en daardoor aan drie zijden door de zee omgeven. Vooral om zijne vischlunchen is het hotel beroemd. Een dozijn verschillende vischschotels werden ons achter elkaar voorgediend, allen even fijn en de meeste zelden-voorkomend.

Langs een geheel anderen weg keerden wij huiswaarts en waren tegen vijf uur in het Bristolhotel terug.

Nadat wij Maandagochtend al onze boodschappen verricht en ons reisvaardig gemaakt hadden, vertrokken wij naar Kandy. Al spoedig waren wij twee het roerend eens, dat Ceylon 't hof van Eden moet geweest zijn. Toen wij de stad uit en meer landwaarts gekomen waren, zagen wij niet alleen de natuur, zooals die ons in 't Paradijs wordt geschilderd, maar zagen wij ook de mannen en vrouwen in Adam's en Eva's costuums van uit den tijd, na het eten van de verboden vrucht. De groote bladen die hier in menigte te vinden zijn, zijn er als 't ware voor aangewezen. Sedert wij Rhodesia verlaten hebben, hebben wij onder de Afrikaansche bevolking niet zoo'n volkomen naaktheid meer gezien. Wij waren er reeds een beetje aan ontwend, daarom trof het ons hier op Ceylon te meer. Het is echter in dit klimaat het meest praktische costuum.

De geheele weg van Colombo naar Kandy is uiterst loonend. Wij zagen dan eens uitgestrekte rijstvelden met de rijsthalmen in de verschillende graden van ontwikkeling, dan weder groote bosschen kokosnootpalmen, bananenpalmen, vijgeboomen en nog zooveel meer. Er zijn op dien weg alleen twintig verschillende palmboomen te zien. De kokosnootboom lijkt mij het nuttigst van al deze boomen voor de inlandsche bevolking. Niet alleen wordt de vrucht op allerlei wijze gebruikt, maar ook de bladeren doen dienst voor allerlei zaken. Hier is nog onze ouderwetsche huifkar heel veel in gebruik, de groote, naar voren en achteren overhangende huif is geheel gemaakt van de gevlochten bladeren van den kokosnootpalm. Men vlecht er ook manden van en zij worden op allerlei wijze dienstbaar gemaakt tot het aanbrengen van schaduw. Wij zagen er geheele tenten van gemaakt, het tehuis van vele inlanders. En nog op allerlei andere wijzen zagen wij deze groote bladeren gebruiken. En van de noot wordt de bast, het vleesch en de melk op honderderlei wijze aangewend. Van kokosnoot en bananen alleen leven hier vele menschen. En daar deze ook voor huisvesting en toiletartikelen niet veel hebben uit te geven, heeft armoede natuurlijk hier al hare verschrikkingen verloren.

Een kort eindje ging de trein langs een oranjeboomhoeve, waarvan de boomen alle in bloei en in vrucht stonden, die de heerlijke geur door de open wagonvensters zonden. Toen wij hooger kwamen, passeerden wij telkens schilderachtige dorpen van inlanders, die hun heele huishouding buitenshuis voerden. Wij zagen nu ook meer dan in Colombo de in oranje-geel gekleede en geheel kaal geschoren Boeddhistische priesters. Hun kleeding bestaat alleen in een grooten gelen doek, die rondom de lenden gaat en daar in een sierlijken zwaai over den rechterschouder geslagen is. Verder loopen zij allen met een bijzonder grooten waaier, die, wanneer hij is opengeslagen, een zeer groote schelp gelijkt, waarachter de mannen zich geheel kunnen verschuilen en zich voor de inwerking van de heete zonnestralen kunnen behoeden. Het Boeddhisme, dat in Engelsch-Indië aan het uitsterven is, vindt hier nog vele aanhangers, alhoewel de vorm in den loop der eeuwen reeds veel gewijzigd is. De Boeddhistische priesters mogen ook hier op Ceylon niet huwen, maar zij behoeven niet in armoede en gebrek te leven, zooals in Burma. Daar mogen zij 's morgens vóór twaalf uur niets eten of drinken en moeten zij elken morgen eerst hun voedsel langs den weg bedelen; hier bezitten de priesters echter veel grond en gebouwen en behooren zij tot de kapitalisten. Zij bedelen hun voedsel niet, de offeranden worden in de tempels gebracht, maar of de priesters dat in plaats van hun eigen goed toebereid eten gebruiken, wist men ons niet te vertellen.

Van uit den tijd dat Ceylon tot onze koloniale bezittingen behoorde, is niet heel veel overgebleven. Men heeft hier alleen een zeker soort menschen, die 'n Hollandschen voorvader hebben gehad en zich daarom "burghers" noemen en die zich hooger voelen, misschien ook zijn, dan de inboorlingen. Ook het Ceylonsch geld vertoont eene opmerkelijke overeenkomst met het onze, als men een rupee, die maar 80 cents waarde heeft, met onzen gulden vergelijkt. Een halve rupee is precies gelijk aan ons 50 centsstuk, een kwart rupee met ons kwartje en de tien-cents,--zij spreken ook van centen en verdeelen hun rupee in honderd centen,--met ons dubbeltje. Ook de koperen cent is aan de onze gelijk, alleen 't nikkelen stuiverstukje is hier vierkant met afgeronde hoeken.

Om half zes kwamen wij heden in Kandy aan, waar de temperatuur veel frisscher en deze avond, terwijl wij in den tuin onder een ouden Banyanboom zitten te schrijven, overheerlijk is. Hier in Kandy zijn verscheidene goede groote hotels, de menschen komen hier om eenige maanden te blijven.

De prijzen in de hotels, in aanmerking genomen wat men er voor geeft, zijn hier bespottelijk laag, zij zullen zeker later, als de trek naar Ceylon voor menschen, die er eenigen tijd blijven, grooter is geworden, aanmerkelijk stijgen.

Kandy, dat eens de hoofdstad van Ceylon was en ruim 1600 voet hoog ligt, heeft niet alleen geschiedkundige bekendheid, maar wordt het schilderachtigste plekje van het geheele Britsche keizerrijk genoemd. Om dit echter te genieten moet men 's morgens vroeg opstaan, want in het midden van den dag is het te heet, alleen 's morgens en in den laten namiddag maakt men hier uitstapjes, en daarom moet ik voor hedenavond eindigen, anders kan ik morgen vroeg onmogelijk bij tijds gereed zijn.

Wij zaten hedenochtend reeds om zeven uur in de Victoria, die ons naar Paradenya, zeven mijlen afstands van Kandy, zou voeren, om daar de Koninklijke Botanische tuinen in oogenschouw te nemen. Wij waren de eerste bezoekers; er was nog slechts één jonge man, die tot de staf van employé's behoort, die zich direct aanbood, om ons tot gids te dienen. Hij was een Burgher, zijn naam klonk echter niet in het minst Hollandsch. Met dit ontwikkeld jongmensch als geleider, leerden wij spoedig vele van de interessante palmen en boomen en heesters kennen, die wij in de laatste dagen op onzen weg gezien hadden. Wij hadden o.a. een tot hoog in de lucht zich verheffenden palm gezien, die van boven een groote pluim van bloesems vertoonde; het bleek nu, dat dit de Taliputpalm is, die slechts eens in de 100 jaren bloeit en dan daarna meestal sterft. Zelfs hier in de botanische tuinen, waar een geheele avenue van deze prachtige palmen bestaat, komt het hoogst zelden voor, dat er een van gaat bloeien. De roode katoenboom stond er overal in vollen bloei, de cacaoboom stond voor een deel in bloei, voor een ander deel vertoonde hij ons zijn roodbruine rijpe vruchten. Wij zagen er de verschillende soort rubberboomen, waarvan er zijn, die door hunne op een slang gelijkende, boven den grond zich vormende wortels, een zeer fantastisch gezicht opleverden. Een bosch van zich hoog verheffende bamboestammen vertoonde een eigenaardig beeld, doordat zich van boven aan hunne toppen trossen vertoonden, die als vruchten geleken. Toen onze geleider echter met een zware stok tegen de bamboestammen sloeg, vlogen op eens al deze vruchten hoog in de lucht en bleken het honderden groote vleermuizen te zijn, die daar aan hunne pooten met de koppen naar beneden hingen, dikwijls vijf of meer zich aan elkander vastklemmende. Hier worden die beesten vliegende vossen genoemd; zij zijn veel grooter dan onze vleermuizen.

De papaws, die hier veel fijner en geuriger zijn dan in Zuid-Afrika en die, geloof ik, in Java papaya's genoemd worden, zagen wij in de botanische tuinen in elk stadium van ontwikkeling. Men noemt papaw hier "de arme lui's vrucht", maar ik beschouw hem op 't oogenblik nog als mijn lievelingsvrucht.

De jakvrucht, die wij in Colombo zoo in grooten getale hadden gezien, zagen wij ook hier in verschillende ontwikkelingsstadia; men vertelde ons, dat zij als groente dienst doet bij de rijsttafel.

Maar genoeg over deze prachtige tuinen, die na de Kew-Gardens in Londen, de prachtigste van de geheele wereld genoemd worden. Ik hoop later in Batavia gelegenheid te hebben, onze Koninklijke Botanische tuinen te zien en te kunnen uitmaken of die voor deze in Kandy moeten onderdoen, of dat wij hier met een beetje Engelsche bluf te doen hebben.

De rijtoer, die wij in den namiddag deden, werd door de kennis, die wij in den morgen omtrent de inheemsche boomen, en plantengroei hadden opgedaan, voor ons een veel interessanter en dikwijls moesten wij het rijtuig even laten stilstaan en uitstappen, om een in 't wild groeiende plant, waarvan wij des morgens de bijzonderheden hadden leeren kennen, nog eens nauwkeurig in oogenschouw te nemen.

Doch wat wij in den namiddag deden en zagen in een volgenden brief.

II.

Vanmiddag gingen wij eerst den voornaamsten rijtoer van hier maken, die vooral om zijn mooie vergezichten, die hij op verschillende punten aanbiedt, een zekere vermaardheid heeft verkregen en daarna lieten wij ons brengen naar de "groote zandrivier", om een kijkje te nemen naar het voor ons oog nog nieuwe schouwspel "het baden van de olifanten". Elken middag van drie tot half zes kan men op zekere plek in de rivier twintig heilige olifanten zien spelen en zich amuseeren in het ondiepe water. Heeft men in Egypte heilige kameelen, die slechts eens per jaar een heiligen plicht vervullen en daarvoor het geheele jaar door goed gevoed en verzorgd worden, op Ceylon heeft men heilige olifanten, die maar één dag in het jaar een heiligen plicht vervullen en daarvoor een staf van bedienden hebben, die hen met de grootste zorg en liefde alle andere dagen van het jaar verzorgen en dienen. Een eind verder in de rivier baden ongeveer ter zelfder tijd vele andere olifanten, die echter een verfrisschend bad verdienen, omdat zij een langen en zwaren arbeidsdag achter den rug hebben. Want ook voor het zware werk, waarvoor men zich in Arabië en Egypte bedient van kameelen, gebruikt men hier olifanten. Zelfs als paard doen zij dienst.

Toen wij ons lang genoeg in den aanblik van die badende en spelende olifanten verlustigd hadden, die zich blijkbaar in het water amuseerden, legden wij een bezoek af aan den Tempel van Buddha, den tempel van den Heiligen Tand. Die heilige tand wordt verondersteld een tand van Buddha te zijn. De geschiedenis ervan is, dat toen Buddha 2500 jaar geleden, gecremeerd werd, eene vrouw in zijn asch vier gave tanden vond, die niet mede verbrand waren. Zij verborg die tanden in haar haarwrong en verkocht ze later voor zeer hooge sommen aan Buddhistische vorsten. Een er van kwam in het bezit van den regeerenden monarch van Kandy, die er een tempel voor liet bouwen, den tempel van den Heiligen Tand. Het bezit van dien tand werd den goeden burgers van Kandy echter herhaaldelijk betwist en omdat de Buddhisten geen oorlog mogen voeren, niemand en niets mogen dooden, en ook omdat de latere en verstandiger koning meende dat Buddha, die zich na zijn dood wilde laten verbranden, toch recht had geheel verbrand te worden, dus ook zijne tanden, werd op zijn bevel de tand van Buddha tot poeder gestampt, deze poeder daarna verbrand en de asch aan de vier windstreken prijsgegeven. Met groote praal en plechtigheid werd dat bevel ten uitvoer gebracht. Kort na den dood van dien vorst echter stond er een man op die beweerde de asch van dien tand weder verzameld te hebben en dat die asch opnieuw tot tand was geworden. Door de goê-gemeente werd dit geloofd en deze tand opgekocht en als tand van Buddha weder groote eer bewezen. In den loop der eeuwen is die tand herhaaldelijk door wijze regeerders verpulveriseerd, doch steeds kwam er na langeren of korteren tijd iemand, die de gepulveriseerde tand weder in zijn geheel ten verkoop aanbood. Sedert eenige honderden jaren nu is die tand niet meer verbrand. Hij ligt nu aan een gouden ketting in een zilveren kastje. Dat kastje staat in een ander zilveren kastje en dit gaat zoo negen maal door, totdat de laatste kast een vrij grooten omvang heeft verkregen. Deze laatste kast is geheel ingelegd en ook rondom behangen met de prachtigste robijnen, smaragden, saphieren en wat er meer voor kostbare edelsteenen mogen zijn. Elke opvolgende koning offerde er bij zijn leven of na zijn dood een of meer van zijne kostbaarheden aan. Rondom deze kast staan Buddhabeelden om de heilige schat, die meer op een tijgerklauw dan op een tand gelijkt, te bewaken, en er vóór staat een massief zilveren, fraai bewerkte tafel, die als offertafel dienst doet. Niemand komt in de nabijheid zonder verplicht te zijn te offeren. Is men met bloemenoffers, vooral lotusbloemen, tevreden als het leden van eigen gemeente betreft, van vreemdelingen verwacht men offers in klinkende munt en dat weet men hen duidelijk aan het verstand te brengen. In Kandy zijn 600 in gele doeken rondwandelende Buddhistische priesters en een soort klooster, waar nieuwe collega's gekweekt worden. De Buddhisten op Ceylon zijn geen zuivere Buddhisten meer. Door allerlei invloeden is hun godsdienst verbasterd. Ze gaan drie keer daags naar den tempel, de Mohammedanen vijf keer, en evenals dezen buigen zij zich herhaaldelijk geheel neder op den grond en zwaaien met hun lichaam als zij hunne gebeden prevelen.

Eens per jaar, in Augustus, gaat de zilverkast met heiligen inhoud een ronde door de stad doen. De heiligste van de heilige olifanten mag de kast dragen, terwijl de negentien andere olifanten ieder met een minder heilige kast belast worden. Zoo is er o.a. een gouden kast in den vorm van een graftombe, waarin een stukje hout bewaard wordt van den brandstapel waarop Buddha verbrand is. Dat is na den tand het heiligste stuk.

Rondom den tempel is een vijver, daarin zwemmen groote, vette schildpadden rond, die ook al "heilig" verklaard zijn. Deze beesten worden ook met groote liefde gevoed en verzorgd. En dan is er een boom, de bo-boom, waarvan verhaald wordt, dat het een tak was van den boom, waaronder Buddha in Burma zeven dagen zonder voedsel in gebeden doorbracht, en die bevolkt is met heilige apen. Takken van dien boom zijn overal heengezonden. In den grond gestoken, schieten zij wortel en blijven eeuwig leven. Het was onweersprekelijk een zeer oude boom, waaronder thans een Buddhabeeld zit om zooveel mogelijk de beteekenis van den boom aanschouwelijk voor te stellen en het was een nieuwe gelegenheid om den bezoeker geld af te zetten, want dit beeld nam offeranden in klinkende munt in ontvangst, ter instandhouding van het Buddhisme.

Eén zaak moet ik nog even releveeren, alvorens ik van de Buddhisten voorloopig afstap, omdat het ons een beeld geeft van hetgeen deze eenvoudige zielen onder de zeven hoofdzonden rekenen. Zij hadden ze buiten op de tempelmuren in beeld gebracht en aanschouwelijk voorgesteld, hoe de zondaren daarvoor na hun dood gestraft worden. De voornaamste zonde is het dooden. Die zich daaraan schuldig hebben gemaakt gedurende hun leven, worden na hun dood door duivels, die op de schilderij een heel fantastisch en wreedaardig voorkomen hebben met een lans of ander wapen door het hart gestoken en zoo moeten zij eeuwig blijven bloeden. De volgende zonde was, de burgers te veel belasting te laten opbrengen. Zoo iemand werd met een geldstuk in stukken gesneden. Het was een erg pijnlijk beeld, dat daarvan een afschildering gaf. De derde zonde was het liegen. De vierde, zijn ouders niet gehoorzamen. De vijfde, zich toe-eigenen wat hem niet toebehoort. De zesde, de kerk bestelen en de zevende, kwaadspreken van een kaste, die boven hem staat. Al die zonden worden hiernamaals gestraft met straffen, waarvan het middendoorzagen een van de zachtste is en waarbij duivels in verschillende vormen van wreedheid voorgesteld, de uitvoerders zijn.

Behalve de Sinhaleezen komen hier natuurlijk verschillende andere volksstammen voor, waarvan de laagste kaste mijne grootste belangstelling wekt. Hoewel men hier over het algemeen mooie menschen vindt, vallen toch deze menschen en vooral de vrouwen onder hen, door hare mooie geregelde gelaatstrekken, mooien lichaamsbouw en prachtige oogen op. Zij leven in hoofdzaak op een dagreizen's afstand van hier, maar verspreide groepen vindt men overal. Het zijn de Rhodiya's.

Van dezen volksstam wordt verhaald, dat hij zijn oorsprong dankt aan slechte voorvaders. Eeuwen en eeuwen geleden, lang vóór de Christ. jaartelling, leefde er op Ceylon een vorst, die veel van lekker eten hield, maar overigens een braaf man was. Zijne koks waren wel eens teneinde raad, wat zij hem toch alle middagen voor lekkernij zouden voorzetten. Op een middag hadden zij wat nieuws gevonden en de vorst vond dat zoo heerlijk, dat hij herhaaldelijk opnieuw zoo'n schotel bestelde. Maar op zekeren dag kwam het uit, dat wat de koning zoo lekker vond, versch geslachte kindertjes waren en daarover was hij zoo in heilige verontwaardiging geraakt, dat hij de schuldige koks en allen, die er aan hadden medegewerkt, bij zich liet komen en voor hen de grootste straf bedacht, die hij maar bedenken kon. Hij veroordeelde hen, dat zij als paria's in de maatschappij moesten voortleven, en dat al hun nazaten die straf deelachtig zouden worden. Zij moesten leven in de bosschen en mannen en vrouwen mochten nooit hun bovenlijf bedekken. Zij mochten niets leeren en nooit met andere menschen in aanraking komen. Als zij ooit iemand op hun weg ontmoetten, dan moesten zij minstens dertig meter boschwaarts gaan. Om die mannen nu in de gelegenheid te stellen zich voort te planten en zoo de straf eeuwigdurend te doen zijn, kregen zij successievelijk tot vrouw alle prinsesjes, die wat te warmbloedig waren en eens een vurigen blik geworpen hadden,--misschien ook wel wat verder waren gegaan--op den een of anderen man van lager afkomst. Zulke prinsesjes werden de ondeugende koks in de armen geworpen, en zoodra die er in geslaagd waren haar den gekauwden siri-pruim--een vieze aardigheid--tusschen de lippen te duwen, waren zij voor goed met haar getrouwd; dat beteekende dus zooveel als bij ons het burgemeestersbriefje. Eerst met de Britsche overheersching is aan die straf een einde gemaakt, maar bij de Ceylonsche bevolking doet het verhaaltje nog dienst, en staan die menschen nog op den laagsten sport van den maatschappelijken ladder. Uit de mooie Rhodiya'sche meisjes worden thans in de steden de dansmeisjes en nog erger en ergerlijker soort gemaakt, terwijl de Rhodiya'sche mannen in de steden meest als slangenbezweerders en goochelaars of toovenaars optreden. Maar ook nu nog durven de mooie Rhodiya'sche vrouwen zich 't bovenlijf niet bedekken, omdat dit hier tot beteekenis heeft van een hooger stand te zijn.