Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen
Part 11
Mrs. Catt hield eene van hare zeer overtuigende redevoeringen en bevestigde daarmede niet alleen, ook voor de bewoners van Port Elisabeth, hare reputatie, een eerste spreekster te zijn, doch overtuigde de weifelende mannen en vrouwen van de noodzakelijkheid van onzen strijd en van de gunstige gevolgen, die de invoering van vrouwenkiesrecht voor staat en gezin met zich zal brengen. Na hare rede voelden vele vrouwen, dat het hare plicht is aan dien strijd deel te nemen, of ten minste door haar lidmaatschap te bewijzen, dat zij het met deze beweging eens zijn.
Den volgenden dag sprak ik alleen ook voor een overvolle zaal, doch nu uitsluitend uit vrouwen bestaande, over de zedelijkheidskwestie in verband met vrouwenkiesrecht. Deze vergadering ging uit van de Christelijke vrouwenvereeniging, die strijdt voor zedelijke verheffing. Ook na deze lezing traden tal van vrouwen tot de bestaande vrouwenkiesrechtvereeniging toe.
Nog verschillende huishoudelijke vergaderingen met bestuur en leden werden door ons gehouden, om den vrouwen den weg te wijzen den strijd met vrucht te voeren, terwijl nog een vergadering in Uitenhage gehouden werd, waar Mrs. Catt alleen sprak, omdat daar geannonceerd was, dat ik in het Hollandsch zou spreken, doch de daar wonende Hollanders, of liever de taal sprekende Afrikaanders, niet opgekomen waren. Er was bovendien ook geen tijd voor twee spreeksters dien avond, omdat wij nog met den laatsten trein naar Port Elisabeth terug moesten.
Niet alleen met woorden, doch ook met geschenken van allerlei aard, bedankten de vrouwen van Port Elisabeth ons voor onze hulp. Zij zeiden, dat zij zich als kinderen gevoelden, die gaarne den goeden weg wilden bewandelen, doch vóór onze komst niet goed geweten hadden, hoe dien te vinden. Zij zullen nu flink aan het werk gaan en hopen spoedig vruchten te kunnen plukken, die zij dan niet zullen genieten zonder aan ons te denken.--Alles groeit snel in Zuid-Afrika; een boom, in 't eene jaar geplant, geeft een of twee jaar later dikwijls reeds vruchten, misschien gedijt de vrouwenkiesrechtbeweging er even vlug.
Na er juist een week vertoefd te hebben, vertrokken wij Donderdag 31 Aug. des morgens ruim 8 uur. Ons doel was nu Bloemfontein, het kleine, vriendelijke stadje, de hoofdplaats van Oranje-Vrij staat, dat wij na eene reis van vier-en-twintig uur bereikten. De afstanden zijn hier groot en de treinen gaan niet zeer snel, zoodat wij nog menigen nacht in den trein zullen moeten doorbrengen. De treinen zijn echter zeer comfortabel ingericht en op vertoon van onzen introductiebrief kregen wij ook nu weder gereserveerde compartimenten. Geen oogenblik vonden wij de reis te lang; wij passeerden onophoudelijk iets, dat onze aandacht trok, doordat het land nieuw voor ons is.
In den beginne amuseerden wij ons met het gezicht op de tallooze struisvogels, die soms vlak langs de spoorbaan in hunne door ijzerdraad afgezette, oneindige vlakten ronddoolden en af en toe in groote groepen met den trein meerenden, alsof zij een race met den trein wilden houden. Soms zagen wij de struisvogelhanen hunne vrouwtjes het hof maken, door een zwierige wals voor haar uit te voeren, waarbij zij dan de vleugels uitspreidden, ze een beetje op en neer wuifden en ons een pracht van fraaie vederen vertoonden.
Later passeerden wij talrijke, voor ons nog zeer nieuwe, Kafferdorpen, waar de kindertjes in den echten natuurstaat rondliepen en de oudere bewoners net zoo veel kleeding aan hadden als voor onze begrippen van zedelijkheid noodig is. Sommige oudjes van dagen hadden het wel een beetje koud en hadden daarom een geelroode deken om de schouders geslagen. Het was mij reeds opgevallen, dat die geelroode kleur, geheel overeenkomende met de kleur van het zand in vele van die streken, een geliefkoosde kleur van de kleurlingen moet zijn, omdat ik zoovele van hen gekleed zag,--voor zoover hier van kleeding sprake kan zijn,--in het een of ander tooisel van die kleur. Men vertelde mij, dat de kleurlingvrouwen eenvoudig een witten lap nemen en dien in wat zandwater eenigen tijd laten liggen, om hem die fraaie geelroode tint te geven.
Niettegenstaande wij reeds om acht uur 's morgens in Bloemfontein aankwamen, werden wij toch aan den trein opgewacht door eenige bestuursleden van de vrouwenkiesrechtvereeniging, die ons naar het Hotel Bloemfontein brachten, waar kamers voor ons gereserveerd waren. De ontvangst was zeer hartelijk, men was blijde met onze komst.
Bloemfontein is een klein stadje met een bevolking van ongeveer 10.000 blanken en een dubbel aantal kleurlingen. Deze kleurlingen leven bijna uitsluitend in twee groote buitenwijken, die ieder een klein dorp op zichzelf vormen. Mijne Hollandsche reisgezellin en ik konden den lust niet weerstaan om, nadat wij ons wat verfrischt en ontbeten hadden, een kijkje te nemen in de dichtst bijzijnde wijk. Wij hadden ons voorzien van een grooten zak chocolaadjes, om de kinderen en vooral de moeders goed te stemmen, want ons voornemen was om eenige photographische opnamen te maken, indien dat mogelijk bleek. Wij troffen het uitstekend, want tegen dat wij in Wijhoek, dat is de naam van een van de wijken, aankwamen, ging juist de school uit. Eerst schonken de kinderen ons geen bijzondere aandacht, maar toen zij merkten, dat wij hen gadesloegen en mijne vriendin hare camera gereed maakte, kwamen een paar van de oudste meisjes naar mij toe en vroegen beschaafd "will that lady photo us?". Ik antwoordde in gedachte "ja" en direct daarop zei een der meisjes: "O, jij bent Afrikaander". Het bleek toen, dat die schoolmeisjes ven 10 tot 14 jaar allen drie talen spraken, het Engelsch, de taal, en haar eigen zeer gecompliceerde Kaffertaal.
Wij beloofden haar elk een chocolaadje, als zij een groepje wilden vormen en even staan wilden blijven om gephotographeerd te worden en gaarne voldeden zij aan ons verzoek. Het was een aardige groep, al die onvervalschte natuurkinderen, met lei en boeken gewapend en bijna allen pen of potlood in haar dik kroezige haren. Zij droegen allen, zoo te zeggen, een jurkje over het overigens bloote lichaampje.
Toen wij aan het chocolaadjes uitdeelen waren, kwamen van alle kanten moeders, met hare kleinen op den rug gebonden, een chocolaadje voor hare bébé vragen en spoedig waren wij met dat volkje in een interessant gesprek. De jonge meisjes moesten daarbij dikwijls voor tolk dienen, want het taaltje van de oudere dames konden wij niet altijd verstaan. Het bleek meestal iets goedigs of vriendelijks te zijn, wat zij ons te zeggen hadden, en zij wilden weten van welk land wij kwamen.
Onderwijl wij ons met dat groepje onderhielden en eenige aardige photographische opnamen maakten, kwam een jonge man, netjes uitgedost, uit een der huisjes loopen en bleef schuchter op eenigen afstand van ons staan. Hij droeg geel lederen schoenen, een nauwen grijzen pantalon, dien hij met een paar knippen, zooals de heeren voor fietsrijden gebruiken, nog nauwer om de enkels had gemaakt. De pantalon werd met een damesceintuur om het midden opgehouden. Een bruin open jasje, een bont gekleurde cachenez en een grijze vilten hoed voltooiden dat toilet. O neen, hij balanceerde nog heel gracieus met een spiksplinternieuw wandelstokje; het geheele overige toilet droeg de sporen van kersvers uit een uitdragerswinkel gekomen te zijn. Hij riep ons iets toe, wat wij niet verstonden; daarop vroegen wij hem naderbij te komen en toen kwam het vriendelijk verzoek of Missus hem nemen wilde in dat ding, (hij wees op de camera), hij had voor 't eerst een nieuw pak aan, gekocht van het geld, dat hij, ik weet niet waar, in een mijn had verdiend. Mevr. B. besloot direct aan dat onschuldig verzoek te voldoen en vertelde hem op welken afstand hij moest gaan staan. Toen kreeg hij vertrouwen in ons en vroeg ons raad, "of 't mooier zou zijn als zijn jasje toegeknoopt of open stond, hoe hij den cachenez moest dragen en hoe zijn hoed moest zitten." Toen wij hem eindelijk met zijn toilet in 't reine hadden gebracht, was hij nog niet zeker hoe hij zijn stokje moest houden en hoe hij zijn gezicht moest trekken. Bij dat alles behielden wij beiden met groote moeite den noodigen ernst, maar toen intusschen nog een andere jonge man uit een ander hutje was komen aanloopen, met een oranje en rood gestreepte reisdeken om de schouders geknoopt, ons zeggende, dat hij vandaag voor 't eerst een doek droeg, die hij voor zijn eigen verdiend geld gekocht had en daarmede nu zoo graag door Missus genomen wilde worden, konden wij den ernst toch moeilijk bewaren. Ook aan zijn dringende bede werd voldaan en nu kwam het aardigste. Beide mannen vroegen ons waar de Missus woonden en wanneer zij hun prent konden halen. Wij vertelden hun, dat wij elk een prent zouden sturen, als zij ons nauwkeurig hun adres opgaven.
Met een potlood en op een stukje afgescheurd papier van een brief, in de negertaal geschreven, schreven de heeren Carrington Marrah en Jesetbelo hunne adressen en stelden ons die ter hand. Toen vroegen zij of zij niet vooruit moesten betalen, zij wilden dat gaarne doen en of wij anders goed ons adres wilden opgeven, opdat zij het geld konden sturen. Zij waren ten hoogste verbaasd, dat zij er niets voor hadden te betalen, en geloofden maar half, dat wij het met de toezending eerlijk meenden. Mevrouw B. vertelde hun toen nog eens, dat zij over eenige dagen beslist hun portret zouden ontvangen, en dat zij dan alleen aan het hun dan op te geven adres een bedankbrief moesten zenden.
Dat beloofden zij herhaaldelijk en met oogen, schitterende van trots en inwendige vreugde, namen deze zwarte broeders afscheid van ons en wij verlieten daarna deze voor ons hoogst interessante buurt.
2 Sept. 1911.
ONS VERBLIJF IN BLOEMFONTEIN.
Dienzelfden Vrijdagavond, den 2en September, woonden mevrouw B. en ik eene bijeenkomst bij, die meer dan iets anders ons den geest en het karakter van de Afrikaander bevolking van Oranje Vrijstaat deed kennen; een bijeenkomst, die in elk opzicht karakteristiek was, ons een inzicht gaf hoezeer de Afrikaanders hunne groote mannen weten te eeren en hoe diep de angel nog zit, hun door den oorlog in het vleesch geboord. Het was eene openlijke hulde van de Oranje Vrijstaatsche bevolking aan generaal Hertzog gebracht.
Het geval, in 't kort weergegeven, is deze: Sedert 2 1/2 jaar bestaat in geheel Zuid-Afrika een wet, die de Engelsche en Hollandsche taal op één lijn plaatst en waarbij het onderricht in beide talen op de scholen verplichtend is gesteld. Elk kind van Afrikaanders kan tot op zekere hoogte van het onderwijs alleen in "de taal" onderricht worden en is daarna verplicht Engelsch te leeren, terwijl elk kind van Engelsche ouders tot op diezelfde hoogte in het Engelsch onderwezen kan worden en daarna verplicht is "de taal" te leeren. Deze wet is in hoofdzaak aan de bemoeiing van generaal Hertzog te danken. Nu schijnen eenige Engelsche schoolinspecteurs niet erg de hand aan die wet gehouden te hebben en zij zijn dientengevolge ook door toedoen van Hertzog ontslagen. Misschien hadden die heeren nog meer op hun geweten, wat echter niet bewezen kan worden. Generaal Hertzog heeft zich nu echter in een openbare bijeenkomst zeer onvoorzichtig over die heeren uitgelaten, met te zeggen: "Als hij alles zeide wat hij wist, dan zou hij hen voor altoos tot schande maken." De inspecteurs hebben daarop generaal Hertzog aangeklaagd voor laster, en hij zal ongetwijfeld veroordeeld worden, omdat hij niet kan waar maken wat hij geïnsinueerd heeft. Iedereen gelooft, dat hij gelijk heeft, maar aangezien men niet alles kan zeggen wat men weet, omdat de bewijzen niet zijn bij te brengen, ware het beter geweest, dat hij die woorden niet gebezigd had. Deze zaak is nu voor het gerechtshof aanhangig en de Afrikaanders wilden den geliefden generaal een bewijs van instemming met zijn woorden geven, hem openlijk toonen, dat, mocht hij veroordeeld worden, de Afrikaander bevolking hem blijft eeren en hoogachten en daarvoor was deze samenkomst georganiseerd.
President Steijn en mevrouw Steijn traden 's avonds als gastheer en gastvrouw op en aan hen werden alle binnenkomenden voorgesteld, of wanneer het oude bekenden waren, en dat was meestal het geval, dan werd hun ouden president en zijn vrouw hartelijk de hand gedrukt. Toen mevrouw B. en ik werden voorgesteld, verwelkomden hij en zijn vrouw ons hartelijk in Oranje Vrijstaat en zeide, dat hij met onze komst zeer ingenomen was, omdat hij 'n groote voorstander van vrouwenkiesrecht, ook voor de Zuid-Afrikaansche vrouw, is. Daarop zeide hij tot zijne vrouw: "Houdt dr. Jacobs daar naast u en stel al onze bekende helden uit den oorlog aan haar voor." Toen had ik het voorrecht achtereenvolgens de hand te mogen drukken en een paar vriendelijke woorden te mogen opvangen van zoovele helden, die in den Zuid-Afrikaanschen oorlog zoo moedig hebben gestreden en wier namen mij van uit dien tijd familiaar in de ooren klonken.
Toen eindelijk generaal Hertzog verscheen, ging 'n lang en oorverdoovend applaus in de zaal op en onmiddellijk volgden de heer en mevrouw Steijn hun grooten vriend. Toen zij op de tribune hadden plaats genomen en aan het applaus een einde kwam, zond president Steijn den heer Wessels, zoon van den ons allen bekenden Wessels, naar de zaal, om den burgemeester van Bloemfontein, de heer Ehrlich, te verzoeken, met mij op de tribune plaats te nemen, en daarna werden ook mevrouw B. en de dames, die ons gebracht hadden, verzocht daar te komen.
Ik werd nu eerst aan generaal Hertzog voorgesteld, met wien ik eenigen tijd kon praten. Ook hij is een groot voorstander van vrouwenkiesrecht en vertelde mij, dat hij het steeds in zijn toespraken tot het volk inlaschte, omdat hij meende, dat in Zuid-Afrika de vrouwen, meer nog dan de mannen, aan het denkbeeld moeten worden gewend, dat de vrouwen ook door het uitoefenen van politieke functiën den staat moeten dienen. Ook hij had reeds van ons bezoek aan Zuid-Afrika gehoord en was met onze komst zeer ingenomen. In Johannesburg, waar wij hem weder zullen ontmoeten, hoopt hij aan onze vergaderingen deel te nemen.
Ik had nu van de tribune af een mooi overzicht over de stampvolle zaal, die, zooals mij medegedeeld werd, tweeduizend menschen kon bevatten. Mannen en vrouwen uit alle rangen en standen waren daar bijeen, vele boeren hadden met hun vrouwen een langen afstand per wagen afgelegd, om toch dien avond van hun Afrikaander gezindheid te doen blijken. Ja, zelfs waren er vele van deze vrouwen met haar bébé's op den schoot, wien dan de weinige stoelen, die in de zaal waren, werden aangeboden, om zittende beter het kindje te kunnen dragen. Alle anderen stonden, kop aan kop, in de met bloemen en guirlandes versierde zaal.
Wat zag ik onder die allen vele gezichten, die mij de vroegere type van onze oude boeren te binnen riep. Wat een aantal mannen met lange baarden of met den ouderwetschen ringbaard waren daarbij. En die allen spraken "de taal", die langzaam gesproken, woordelijk door mij verstaan kon worden; doch, wanneer zij onder elkaar snel spraken, mij een geheel vreemde taal scheen.
Nadat door een koor van heeren en dames 't bekende lied "Vaderlandsliefde" gezongen was, waarin uiteengezet wordt, dat alleen hij, die zijn land en volk mint en boven alles stelt een groot man kan zijn, stond president Steijn op en sprak de aanwezigen toe. Hij moest een oogenblik wachten alvorens hij kon beginnen te spreken, zoo lang en warm werd hij toegejuicht. Het was duidelijk, dat deze groote man een groote plaats in de harten van zijn volk inneemt. Hij begon zijn ernstige speech met een echt Afrikaander aardigheidje. Hij zeide, dat, wanneer een Kaffer-boy erg zijn best doet en de tevredenheid van zijn baas verwerft, de baas hem dan 's avonds dikwijls tracteert op "een pruimpie en een soopie". Hij meende, dat de Oranje Vrijstaters dien avond ook bijeen gekomen waren, om hun boy, generaal Hertzog, hun tevredenheid met de uitoefening van zijn taak te toonen en hem op hun wijze "een pruimpie en een soopie" aanboden. Daarna zette hij het werk van generaal Hertzog uiteen, wat hij eerst in den oorlog en later in de regeering van de Zuid-Afrikaansche Unie voor zijn volk gedaan heeft, en hoe hij in elke hoedanigheid, die hij bekleedt, steeds de liefde voor zijn volk toonde en de Afrikaander-belangen boven alles stelde. Aan het einde van zijn toespraak zeide hij, dat hij zijn volk er op moest wijzen te trachten, de nieuwe omstandigheden, waaronder zij te leven hebben, moedig onder de oogen te zien, de belangen van geheel Zuid-Afrika steeds het hoogst te stellen en niet te vergeten, dat hoewel hun in dien moeilijken tijd veel is wedervaren, er toch ook veel goeds uit is voortgevloeid.
Toen hij geëindigd had en weer was gaan zitten, begon opeens spontaan de talrijke menigte het oude Oranje Vrijstaatsche volkslied te zingen, waarbij niet alleen tal van mannen en vrouwen in de zaal een traan uit het oog wegpinkten, maar dat ook den president Steijn zichtbaar weemoedig stemde.
Toen las de jonge dr. Pretorius, die de leiding van dien avond in handen had, een veertig telegrammen voor, genomen uit meer dan honderd, alle van mannen en vrouwen uit verschillende steden van de Zuid-Afrikaansche Unie, die het betreurden niet tegenwoordig te kunnen zijn, doch die per telegram toch van hunne sympathieke gevoelens wilden blijk geven. Hiervan waren sommige heel geestig gesteld en brachten veel vroolijkheid teweeg. Daarna las de heer Wessels een adres voor, onderteekend door twaalfduizend "burgers en burgeressen" (zooals de heer Wessels zich uitdrukte) van Oranje Vrijstaat, dat alles in een album, dat aan generaal Hertzog werd ter hand gesteld, was saamgebonden.
Dit adres, dat te lang is hier in z'n geheel te worden vermeld, gaf niet alleen den waren geest weder, die de mannen en vrouwen hier bezielt maar sprak meteen van de hooge gevoelens van liefde, eerbied en achting voor de groote mannen van Zuid-Afrika en bovenal voor generaal Hertzog.
Daarna stond Hertzog zelf op en sprak hij de aanwezigen toe. Ook hij werd hartelijk en langdurig toegejuicht en toen hij zijn speech, die van vaderlandsliefde tintelde, geëindigd had, viel onmiddellijk het koor weder in en zong het Zuid-Afrikaansche volkslied.
Toen was het tijd voor een gezellig samenzijn. Mij viel de groote eer tebeurt aan den arm van president Steijn, mevrouw Steijn volgde met generaal Hertzog, en mevrouw B. met den burgemeester, naar een andere zaal geleid te worden, waar ons met eenige groote mannen en vrouwen uit de aanwezigen een banquet werd aangeboden. De overige aanwezigen ontvingen ververschingen in de zaal. Al de gerechten en dranken, en ook de bloemversieringen in de zaal, waren door de Bloemfonteinsche vrouwen persoonlijk gemaakt en aangebracht, en door Bloemfonteinsche jonge meisjes werden wij bediend.
Zaterdagmiddag had om drie uur de eerste van onze vergaderingen plaats, ten huize van de presidente van de vrouwenkiesrechtvereeniging. De aanwezigen waren allen genoodigden en bij de uitnoodiging was medegedeeld, dat ik dien middag in het Hollandsch over vrouwenkiesrecht zou spreken. Ik had dan ook dien dag alleen het woord en tevens het succes, dat vele aanwezigen zich na afloop van mijn toespraak als lid der bestaande vereeniging opgaven en beloofden Maandagavond op de openbare vergadering, waar mrs. Catt en ik samen zullen spreken, tegenwoordig te zullen zijn.
Des Zondags waren wij allen de gasten van den burgemeester van Bloemfontein, die ons op zijne uitgestrekte farm een mooi tuinfeest aanbood. Deze farm is ongeveer op een afstand van een uur rijden buiten Bloemfontein gelegen en gaf ons een goed idee van de grootte van zulke ouderwetsche hoeven, van de tallooze koeien, paarden en ander gedierte, dat daar leeft en van de vele Kaffer-bedienden, die er gehouden worden, en haast een klein dorpje op zichzelf, rondom de hoeve, vormen. Even vriendelijk als men ons per rijtuig had afgehaald, bracht men ons 's avonds weder naar Bloemfontein terug. Wij hadden dien dag weer met tal van Bloemfonteinsche inwoners kennis gemaakt.
Maandagmorgen om twee uur werd ons door een vijftigtal van de voornaamste dames van Bloemfontein een lunch aangeboden, die ons van den goeden smaak en de vriendelijke gevoelens van deze vrouwen overtuigde. Vele van die vrouwen brachten ons onmiddellijk op de hoogte, dat zij geen voorstandsters van vrouwenkiesrecht waren, doch dat zij niettemin blijk wilden geven van haar dankbare gevoelens tegenover ons, die hier waren gekomen om haar vatbaar te maken voor datgene, dat, naar onze opvatting, in haar belang en dat van haar land zou zijn. Na deze inleiding vonden mrs. Catt en ik het noodig, om ook aan deze lunch ieder een korte rede te houden om deze vrouwen te trachten te overtuigen, dat zij dwaalden, en het gelukte ons, velen van haar inderdaad van die dwaling te overtuigen.
Maandagavond om acht uur was de groote stedelijke zaal reeds van onder en boven en in de deurgangen en overal, waar nog een man of vrouw 'n plekje kon vinden, om den voet te zetten, gevuld, toen wij, door den burgemeester voorafgegaan, de zaal binnentraden. De burgemeester presideerde die vergadering en op de tribune hadden naast ons de vrouw van den gouverneur en eenige andere vrouwen van positie plaats genomen. Ik sprak weder eerst een half uur in het Hollandsch, daarna mrs. Catt een uur in het Engelsch. Men applaudiseerde herhaaldelijk onder onze speech en aan het eind werden wij langdurig toegejuicht. Toen de burgemeester eindelijk, nadat er weder kalmte was gekomen, opstond en vroeg of er iemand van de aanwezigen was, die een woord van dank aan de spreeksters wilde brengen, stond het hoofd van de politie, de heer Du Toit, op, kwam op de tribune en sprak eerst in het Hollandsch en daarna in het Engelsch, niet alleen een woord van dank uit, maar lichtte onze toespraak met enkele voorbeelden uit zijne ondervinding in kwaliteit als hoofd der Bloemfonteinsche politie toe. Daarna stond een tweede heer uit de menigte op, om ook nog een woord van dank te uiten voor onze voorlichting, niet alleen voor de vrouwen, maar ook voor de mannen, in deze belangrijke kwestie. Niet alleen werd de vereeniging voor vrouwenkiesrecht in Bloemfontein dien avond vele leden rijker, maar het bestuur vertelde ons, dat zij krachtiger dan tevoren zullen werken om 't enthousiasme, voor deze zaak door ons gewekt, vruchtbaar te maken.
Dinsdagmorgen waren wij alle vier genoodigd, om de lunch te komen gebruiken op "Onze Rust", de hoeve van president en mevrouw Steijn. Toen mevrouw Steijn mij reeds Vrijdagavond die uitnoodiging gaf, vroeg ik haar, om dan dien dag geen andere gasten te noodigen, zoodat wij van het samenzijn met haar en haar man konden genieten. "Onze Rust" is op 12 mijlen afstand van Bloemfontein gelegen, die per auto in een uur kunnen worden afgelegd. Precies twaalf uur stapten wij voor de woning van den ex-president van Oranje Vrijstaat af en werden op "de stoep", zooals men de veranda voor het huis noemt, door den ex-president, zijn vrouw, de oude moeder van mevrouw Steijn en de twee oudste dochters welkom geheeten. Na ons van onze stofmantels, stofsluiers, etc. ontdaan te hebben, kwamen wij allen op de veranda bijeen en begon onmiddellijk een zeer levendig gesprek. Nadat de president ons eenige interessante bijzonderheden uit zijn leven, vooral ook met betrekking tot den oorlog, verteld had, begon mevrouw ons, op ons verzoek, haar leven en hare ondervinding uit den oorlogstijd te vertellen. Met spanning luisterden wij naar alles wat de moedige, verstandige vrouw in al die lange maanden van spanning door gemaakt heeft, en uit hetgeen wij hoorden, bleek ons nog eens opnieuw, hoe in dien oorlog, meer dan in eenig ander van de laatste eeuwen, de vrouwen de grootste wreedheden hebben moeten doorstaan, en de vijand de overmacht misbruikte, om op de arme achtergebleven vrouwen en kinderen zijn verliezen te wreken, of wel door de behandeling hun aangedaan, den mannen eerder tot overgave te dwingen.