Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen
Part 10
Maar men behoeft niet zoo ver naar buiten te gaan om mooie plekken te vinden. Vlak bij de stad, in twintig minuten met een electrische tram te bereiken, ligt Camp's baay en Sea point, waar men eveneens een prachtig zeegezicht heeft. Vooral bij opkomende zee en wanneer de zee een beetje woelig is, kan men daar uren staan droomen, wanneer de hoogopkomende golven tegen de rotsen te pletter slaan en tot hoog in de lucht een uiteengespatte, wit schuimende massa naar boven werpen, om daarna om en over de rots zich in haast te verspreiden.
Die niet van zee en bergen, doch meer van bosch en veld houdt, kan hier ook genieten. Al de hier vlak omliggende, met tram of trein in tien à twintig minuten te bereiken dorpjes zijn het best te vergelijken met Bussum, Hilversum, Baarn enz., behalve dat zij buiten hun mooie villa's en bosschen en wandelwegen, steeds een mooien achtergrond van fraai gevormde bergen hebben en dat bloem en plant hier in veel grooter verscheidenheid en schoonheid voorkomen.
Men zegt ons hier, dat Kaapkolonie de mooiste van de vier Staten van de Unie is en dat alleen Natal voor een deel in natuurschoon de kolonie nabijkomt. Niettemin verkeert de Kaapkolonie thans in geen goede financieele en economische conditie, omdat in den laatsten tijd alles zich in Transvaal schijnt te concentreeren. Tal van huizen, zoowel in de stad als in de buitenwijken, staan leeg en alle neringdoenden klagen over slechte tijden. Handel en scheepvaart schijnen zich meer naar 't oosten van het land te verplaatsen en men hoort zelfs door sommigen beweren, dat Kaapstad eenmaal een doode stad zal worden.
Onze tijd is hier nu langzamerhand verstreken, morgenochtend gaan mijne landgenoote en ik per trein van hier, mrs. Catt met hare landgenoote gaat per boot, en wij zullen ons Donderdag in Port Elisabeth weder vereenigen.
Ik heb de spoorreis verkozen, omdat ik daardoor meer van het land kan zien en in de gelegenheid ben een bezoek aan Olive Schreiner te brengen. In Port Elisabeth zullen wij ook ongeveer een week blijven, tal van vergaderingen zijn reeds voor ons uitgeschreven. Daarna gaan wij naar Grahamstown, Bloemfontein en Kimberley. Dan nemen wij eenigen tijd rust; dat wil zeggen, dan gaan wij geheel alleen veertien dagen voor pleizier op reis en gaan dan naar de Victoria-falls in Rhodesia, die als het grootste wereldwonder beschouwd worden. Wanneer wij van daar terugkomen, gaan wij naar Pretoria, Johannesburg, Pieter Maritzberg en Durban, waar reeds overal de voorbereiding voor onze komst in vollen gang is.
Van onzen tocht door Rhodesia stellen wij ons zeer veel voor, alles wat wij er van hooren, doet onze verwachting stijgen. Maar nu wachten ons eerst veertien dagen van hard werken, met vele vergaderingen, recepties, tea's, etc.
22 Aug. 1911.
DE REIS NAAR PORT ELISABETH EN BEZOEK BIJ OLIVE SCHREINER.
Dinsdagmorgen 22 Augustus 1911 om 11.30 zou de trein vertrekken, die ons van Kaapstad naar de Aar en vandaar naar Port Elisabeth zou brengen. Reeds vroeg waren wij in de weer om al onze zaken te pakken, onophoudelijk gestoord door de komst van dames en heeren, die ons nog voor het laatst de hand wilden drukken en ons bloemen en bonbons voor de reis aanboden. Wij zouden zeer zeker den trein gemist hebben, als wij niet, op het laatste oogenblik aan het station komende, tal van gedienstige vrienden daar vonden, die voor onze bagage zorgden en ons naar den op het punt van vertrek staanden trein brachten. Daar was in het midden van den trein een eerste klasse wagen voor ons gereserveerd en er werd mij een brief overhandigd van den directeur der Z.-Afrikaansche spoorwegen, die ons op onze geheele reis door Z.-Afrika van grooten dienst zal zijn. De inhoud van den brief luidt: "dat in het centrum van den trein een eerste klasse wagen gereserveerd moet worden voor dr. Aletta Jacobs en mrs. Boersma, waar zij in Z.-Afrika met den trein reizen en dat voor deze dames bijzondere zorg moet worden gedragen gedurende hare geheele reis". Ook mrs. Catt ontving voor zich en hare landgenoote zoo'n brief.
Dit maakt het reizen voor ons hier veel gemakkelijker en het heeft veel te beteekenen, omdat wij nu de nachten in den trein rustig kunnen doorbrengen en niet bevreesd behoeven te zijn, dat onze deur telkens wordt opengegooid om een nieuwen passagier uit of in te laten. Als men bedenkt, dat Port Elisabeth, nog behoorende tot de Kaapkolonie, en op de kaart nog geen duimbreed liggende van Kaapstad, twee nachten en bijna twee dagen eischt om er te komen en dat wij verder op onzen weg misschien wel twintig nachten in den trein moeten doorbrengen, dan begrijpt men hoe ingenomen wij met het bezit van dezen brief zijn. Onze vice-consul, de heer Loopuyt, en de reeds vroeger genoemde sir James Innes, hebben zich blijkbaar voor deze attentie groote moeite getroost. Met Kaapstad achter ons moet ik verklaren, dat wij daar onvergetelijke dagen hebben doorgebracht, dat de gastvrijheid en vriendelijkheid der bewoners geene grenzen kent en dat wij tevens het gevoel met ons kunnen medenemen, dat wij daar nuttig werk verricht hebben en enthousiasme hebben gewekt voor de groote zaak, waarvoor de vrouwen in de eerste plaats hebben te strijden, het vrouwenkiesrecht. De dank, die ons daarvoor van alle kanten werd aangeboden, de verslagen en berichten over ons verblijf in Kaapstad in alle couranten en de brieven met uitnoodigingen, die ons nog steeds uit alle oorden van Z.-Afrika bereiken, zijn ons voor dat laatste een bewijs.
De reis van Kaapstad naar de Aar is waard per spoor gedaan te worden. Men gaat dan door een zeer mooi gedeelte van de Kaapkolonie. De eerste uren gaat men afwisselend door een streek met fraai gevormde hooge bergen, alle met dat eigenaardige blauw-violette waas omgeven, waarover ik reeds vroeger schreef en dat waarschijnlijk 'n gevolg is van den plantengroei op de bergen; dan weder gaat men door mooie dalen met mimosabosschen, thans in vollen bloei, of met hooge, nu in frisch blad staande, eucalyptusboomen, met peperboomen en rijk met vrucht beladen sinaasappel- en citroenboomen, met schapen, koeien en paarden in de weiden. Maar ook de heidevelden, vol met de meest verschillende heideplanten in bloei, een geheel ander beeld vertoonende dan onze heide, leveren aangename afwisseling. Tegen vier uur bereikten wij de Hex-rivierbergen, alléén op de toppen met een dikke laag sneeuw bedekt. Met een locomotief voor en een achter den trein werden wij de steile hoogte opgesleept en kon men zich een oogenblik in een van de fraaie gedeelten van Zwitserland wanen. De vorming der bergen is hier echter anders dan in Zwitserland en ook die in Noorwegen evenaart zij niet. Z.-Afrika's bergen hebben hun eigen vorm en vooral ook hun eigen charme, die met niets, wat ik tot dusver in bergstreken zag, te vergelijken is.
Maar wat voor ons even interessant is als de mooie natuur, die wij passeeren, dat zijn de Kaffer-kraals, die wij voorbijtrekken, de dikwijls vlak aan den spoorweg grenzende struisvogel-farms, en de soms zeer eenzaam liggende groote boerenhofsteden.
Toen wij Woensdagochtend in den trein ontwaakten, bevonden wij ons midden in de Karoo (spreek uit "Keroe"). Toen ik in Kaapstad de beteekenis van dat woord vroeg, wilde men mij volstrekt inpraten, dat het een Hollandsch woord was, maar ten slotte wist een van de professoren van de Z.-Afrikaansche Hoogeschool mij toch in te lichten. De Hottentotten noemen 'n verdord boschje of boompje haroo, en daarvan is door de Europeanen ten slotte het woord karoo gemaakt. Dit is gemakkelijk te verklaren, als men bedenkt, dat in Oost-Indië de h veelal wordt uitgesproken als g en de Oost-Indische Compagnie hier vroeger veel menschen aan wal zette. De Karoo is 'n groote woestenij, waarop bijna niets dan kleine stoppels en allerlei soort cactussen groeien. Dor en droog ziet zij er uit, doch met de bergen op den verren achtergrond, en de soms prachtig in bloei staande cactussen en aloëplanten, biedt zij toch genoeg afwisseling.
Om elf uur bracht de trein ons Woensdagmorgen in de Aar, de woonplaats van Olive Schreiner. Zij zelf stond ons, als een welkomstgroet, met een bos riekende viooltjes, uit eigen tuin geplukt, aan het station op te wachten. Haar nichtje, Dot Schreiner, de dochter van haar broeder, den vroegeren eersten minister van de Kaapkolonie, die wij reeds van uit Kaapstad kenden, vergezelde haar. De ontmoeting was als van oude bekenden, er behoefde geen ijs gebroken te worden; zij was mij uit hare geschriften eene geestverwante gebleken en door Londensche wederzijdsche vrienden was ook ik haar niet onbekend. Zij is eene kleine vrouw, en tamelijk gezet. Als zij in een levendig gesprek hare lieve oogen op mij vestigde, dan riep zij steeds het beeld van onze sympathieke Helene Mercier mij voor den geest. Onwillekeurig moest ik telkens vergelijkingen maken tusschen deze twee groote vrouwen. Ook bij deze talentvolle Zuid-Afrikaansche vrouw sprak uit elk woord hare groote, alles overheerschende liefde voor de menschheid. Liefde, die het sterkst spreekt voor alles wat hulp en steun noodig heeft; eene liefde, die den sterken en machtigen hunne fouten, tegenover zwakken en hulpbehoevenden begaan, vergeeft, omdat zij die aan niet-begrijpen toeschrijft; hare machtige pen gebruikt zij om de zwakken te steunen, door de sterken te doen begrijpen. Wel is haar vertrouwen in de menschheid geschokt door alles wat zij doorleefd heeft, doch alleen dan, wanneer zij over den Zuid-Afrikaanschen oorlog spreekt en alles wat men haar toen heeft aangedaan, ligt bitterheid in haar stem. Overigens hoopt zij nog steeds op een betere wereld, met mensch-menschen, wanneer eenmaal de gouddorst der menschheid verzadigd zal zijn en men zich een gelukkig bestaan alleen kan denken in eene omgeving met toestanden, die zooveel mogelijk elkeen een menschwaardig bestaan veroorlooven. O, wat zou zij gaarne al haar tijd en krachten geven om op hare wijze en met haar pen het Evangelie, zooals zij dat opvat, op aarde te verkondigen, als zij niet door ander werk in beslag werd genomen.
En door welk werk en hoe? Deze vrouw is niet rijk, zij bezit niet eens zooveel en verdient niet zooveel met haar pen, en haar man ook niet, dat zij behoorlijk in haar kleine woning bedienden kan houden. Zij woont in eene woestenij. De Aar ligt midden in de Karoo en het is een zeer klein dorpje, alleen bewoond door wat spoorbeambten, hier en daar verspreid wonende boeren en kleurlingen. Te midden van eene groote, stoffige open vlakte staat het kleine witte huisje van Olive Schreiner en haar man, omgeven door een tuintje, door hen zelven aangelegd en hen zelven onderhouden. Bedienden bezitten zij niet, eenige uren daags komt een zwarte vrouw het allervuilste werk verrichten. Brood kneden en bakken, de wasch doen, het huis schoon houden, het eten koken en bereiden, kortom alles wat in een primitieve huishouding gedaan moet worden, verricht hier Olive Schreiner. Des zomers is het in de Aar zoo heet, dat het er onhoudbaar is, en daar er geen boomen staan, om schaduw af te werpen, zendt de zon hare gloeiende stralen regelrecht op haar huisje. Om dan eenigszins beschut te zijn, gaat zij dikwijls, zoo vertelde zij ons, onder de tafel zitten en laat zij door 'n afhangend tafelkleed de warmte tegenhouden.
Op mijn vraag, waarom zij daar bleef wonen, zoo ver af van alle beschaving en ontwikkeling, en zoo eenzaam en ongezond, terwijl uit alles bleek hoe hare geest zich verzette tegen de haar opgedrongen omgeving, antwoordde zij treurig: "ik moet". Vóór den Zuid-Afrikaanschen oorlog bezat haar man eene farm in Transvaal en konden zij genoeg bedienden houden, zoodat zij veel van haar tijd aan schrijven kon wijden, maar in dien oorlog hebben zij alles, wat zij bezaten, verloren en nu oefent haar man den niet lucratieven werkkring uit van, in het Hollandsch uitgedrukt "makelaar in onroerende goederen". Zijn werkkring ligt in de Aar en omstreken en nu is zij gedwongen om daar te wonen, of alleen van haar pen te gaan leven en haar man te verlaten. Daaraan wil zij evenwel niet denken en met haar man in de Aar leven, beteekent voor haar al haar tijd aan het huishouden wijden en slechts in de zoogenaamd verloren oogenblikken de gedachten, waarvan haar hoofd vol is, neer te pennen.
Daarbij komt, dat hare gezondheid zeer zwak is en door de ontberingen en zenuwstorende invloeden in haren verbanningstijd zeer veel heeft geleden. Zij is zeer asthmatisch en haar hart werkt niet goed. De atmosfeer in de Aar, droog en stoffig en heet, werkt niet gunstig op haar gestel. Zij was zeer dankbaar voor ons bezoek. Zoo nu en dan eens met geestverwanten te mogen spreken, eens weder wat nieuwe indrukken op te doen, was al het genot, dat haar nog af en toe ten deel viel. Hoe troosteloos mij haar heele omgeving en haar levensomstandigheden ook leken, zij zelve was, althans dien dag, zeer opgewekt en welgemoed. Zij had hare couranten en vriendenbrieven en leefde in gedachte het leven mede van de vrouwen in de geheele wereld. De groote strijd voor politieke rechten had niet alleen hare volle sympathie, maar zij voelde, evenals ik, dat deze strijd eerst ten einde volbracht moest worden, alvorens de vrouwen aan iets anders mogen denken. Zij zag met haar grooten vooruitzienden blik al de groote gevolgen, die de politieke vrijmaking der vrouw voor den Staat en het gezin te beteekenen zal hebben. Telkens trachtte zij mij over te halen om in Zuid-Afrika te blijven, totdat daar deze strijd gewonnen zal zijn. Zij was van meening, dat de Afrikaansche vrouw, vooral de Boerin, het kiesrecht maar behoeft te wenschen, om het in Zuid-Afrika een voldongen feit te doen worden en zij meende, dat ik, als Hollandsche, in staat zou zijn, die Boerenvrouwen te overtuigen. Terwijl wij bij haar zaten, telegrafeerde zij naar eene vriendin van haar in Graaff Reinet, een plaats niet ver van Port Elisabeth, om toch vooral eene bijeenkomst te beleggen en mij uit te noodigen, daar te komen spreken. Daar wonen vele Hollanders en daar is een centrum van tegenstand.
De levensgeschiedenis van Olive Schreiner is, in een paar woorden samengevat, deze: Zij is de dochter van een Duitschen vader en Engelsche moeder en in Zuid-Afrika geboren. In haar jeugd bracht zij een tijd in Londen door voor hare opvoeding. Later kwam zij, in 1880, weder naar Londen en bleef er toen bijna tien jaren. In dien tijd leerde zij vele groote mannen en vrouwen, vooral op literair gebied, persoonlijk kennen. Havelock Ellis, Bernhard Shaw, Eduard Carpentier, Zangwill, etc. zijn hare trouwe vrienden, met wie zij nog een levendige correspondentie onderhoudt.
Maar ook onder de Engelsche suffragettes heeft zij vele goede vrienden. Met Emmeline Pethick Lawrence en haar man dweept zij. Zij noemt zich gelukkig, omdat zij nog heeft mogen beleven den strijd, die door de militante strijdsters voor vrouwenkiesrecht in Engeland gestreden wordt. Zij was 't zich altijd bewust, maar zij had niet gedacht 't te zullen beleven, dat vrouwen voor een groote zaak op groote wijze konden strijden, en in dien strijd haar mooi vrouwenkarakter behouden. "Deze strijd is grootsch," zeide zij, "omdat hij zooveel offers eischt van de tegenwoordige vrouw, en de vruchten er van ten goede zullen komen aan de vrouw der toekomst. En wat dezen strijd nog grootscher maakt, is, dat de vrouwen uit de hoogere kringen der samenleving betrekkelijk de grootste offers brengen, ter verkrijging van een beter leven voor de vrouwen uit de lagere kringen."
Laat mij verder gaan met Olive Schreiner's levensschets.
Toen zij ongeveer 1890 in Zuid-Afrika terug kwam, moest zij in eigen levensonderhoud voorzien. Zij werd gouvernante in 'n Boerenfamilie, waarvan zij de vier kinderen moest opvoeden. Daar leerde zij haar man kennen, den heer Cronwright, met wien zij in 1894 huwde. In dien tijd hadden reeds verschillende boeken en tijdschriftartikelen van haar het licht gezien en bezat zij reeds als schrijfster een gevestigden naam. Om die reden wilde haar man niet, dat zij om zijnentwille haar naam opgaf en besloot hij zich Cronwright-Schreiner te noemen, terwijl zij haar naam behield. Uit dit huwelijk werd één kind geboren, dat zeer jong stierf. Het verder verloop van haar leven, dat zij in den oorlog al haar bezittingen verloren, enz., heb ik reeds boven vermeld.
Den geheelen dag, tot wij 's avonds ongeveer 9 uur verder moesten gaan, brachten wij met haar door en wederzijds werd het betreurd, dat het bezoek niet langer kon duren. Er waren nog zooveel punten, waarover wij van gedachten wilden wisselen, nog zooveel vragen wilde zij doen, nog zooveel wilde zij weten van de positie der Nederlandsche vrouw en haren strijd voor verheffing, maar de dag was om, alvorens wij er goed aan dachten. Het afscheid was als van een paar oude, goede vrienden; treuriger echter, omdat het hoogstwaarschijnlijk een afscheid voor altoos is, en de vriendschap alleen door correspondentie onderhouden kan worden.
In den trein legden mijne reisgezellin en ik ons spoedig ter ruste, in de hoop een goede nachtrust te genieten. Wij sliepen veel beter dan den eersten nacht, aan de schokken en schommelingen van den trein eenigszins gewoon geraakt. Toen wij Donderdagmorgen ontwaakten, bevonden wij ons nog steeds in een groote, dorre omgeving, met onophoudelijk vlak langs den weg groote struisvogelhoeven. Hier en daar werden de eieren dezer vogels voor eenige pennies aan den trein ten verkoop aangeboden; wij hadden echter liever struisvogelveeren gekocht.
Nu en dan gingen wij weder Kafferdorpen voorbij en zagen wij de echte, nog door geen Europeaan bedorven en gekruiste, Zulu's en andere rassen. Toen mijne reisgezellin van een troepje Kafferkinderen een foto wilde nemen, op een plaatsje, waar wij om water in te nemen even stopten, gingen zij allen in een rij staan en riepen de andere vriendjes: "Kom, kom, missus wil neem es". Een stukje chocolade, aan elk hunner ter belooning gegeven, verdween onmiddellijk in de vuile mondjes van al de jongetjes, doch al de meisjes bekeken het, dankten ons met een lief lachje en verdwenen er mede naar moeder.
Om vier uur stoomde de trein Port-Elisabeth binnen en wij waren weldra omringd door eenige dames, die ons van den trein kwamen halen en naar 't hotel brachten. Men had ons alle vier 's morgens met de boot verwacht en dien dag een garden-party gearrangeerd in de mooie woning en tuin van den heer en mevrouw Macintosh, alwaar Mrs. Catt reeds was. In haast konden wij ons even wasschen en wat opknappen en nog vóór vijf uur waren wij reeds in het midden van Port-Elisabeth's high-life.
Het laat zich aanzien, dat ons verblijf in Port-Elisabeth niet minder druk en vermoeiend zal zijn, dan dat in Kaapstad.
ONS VERBLIJF IN PORT ELISABETH.
Port-Elisabeth is een geheel andere stad dan Kaapstad. Hoewel het slechts ongeveer 40.000 inwoners heeft, waarvan de kleinste helft kleurlingen zijn, gevoelen wij ons daar toch veel meer in Zuid-Afrika dan in Kaapstad.
De kleurlingen zijn er veel oorspronkelijker, leven meer in hun natuurstaat. Hollanders wonen er bijna niet. Het zijn Engelschen en Duitschers, die de blanke bevolking vormen. Natuurschoon is er niet veel. Ofschoon Port Elisabeth aan de Indische Oceaan ligt, mist het toch de mooie punten aan zee, die wij in Kaapstad konden bewonderen. Alleen aan de Schoenmakerskop vindt men eenige mooie rotspunten, die vooral bij opkomende zee, een mooi zeegezicht opleveren. De omgeving van Port-Elisabeth is heuvelachtig, doch hooge bergen mist men er. Het is er echter boschrijk, maar de bosschen bestaan in hoofdzaak uit laag geboomte.
Reeds in het hotel gevoelden wij ons in een andere omgeving. Werden wij in Kaapstad in het Mount Nelson hotel in eetkamer en slaapkamers uitsluitend bediend door Zwitsersche kellners en kamermeisjes, in het Grand Hotel in Port-Elisabeth bestaat het geheele dienstpersoneel uit kleurlingen. In de eetkamer was een geheele staf koolzwarte Indiërs, die in hunne witte kleeding met roode sjerpen, alleen de ober-kellner draagt een blauwe sjerp, en hunne witte hoofddoeken er zindelijk en netjes uitzien en veel attenter bedienen dan de soort waaraan wij gewoon zijn.
Het is duidelijk zichtbaar, dat Port Elisabeth van jonger datum is dan Kaapstad, alles ziet er nog zooveel nieuwer en frisscher uit. Er heerscht ook meer algemeene welvaart. Het gaat den menschen hier over 't algemeen goed. Voor een groot deel leeft de stad van de struisvogelteelt en van den handel in struisveeren. Overal in de buurt zijn groote uitgestrekte struisvogelhoeven, waar honderden van deze vogels gehouden worden. Als men bedenkt, dat een paar struisvogels soms duizenden guldens vertegenwoordigen, dan kan men eenigszins de welvaart berekenen van een eigenaar van een groote struisvogelhoeve. Het onderhoud van die beesten is niet duur, terwijl hunne eieren, doch hunne veeren vooral, kapitalen opbrengen. Daarbij komt nog, dat deze beesten een zeer hoogen ouderdom kunnen bereiken, soms 150 jaar oud worden, zoodat, als er geen ongelukken gebeuren, het bezit van eenige struisvogels een vaste jaarlijksche rente afwerpt. Soms breekt er wel eens een ziekte onder die beesten uit, maar tegenwoordig is men wel zoo op de hoogte van de oorzaken er van, dat met goede voorzorgsmaatregelen dit zeer wel te voorkomen is.
Het geheele jaar door is er elken Maandag-, Dinsdag-, Woensdag- en Donderdagmorgen in Port Elisabeth eene publieke veiling van struisvogelveeren. Veerenhandelaars, die met huizen in Londen, Parijs, New-York, Weenen etc. direct in verbinding staan, koopen dan bij opbod en afslag, duizenden kilo's struisvogelveeren. Het aantal kilo's dat elken morgen gedurende het geheele jaar verkocht wordt, bedraagt tusschen de 1500 en 10.000 kilo's. Men kan zich nu een denkbeeld vormen van den handel in dat artikel. Als de veeren verkocht zijn, dan worden zij verscheept naar alle oorden van de wereld.
Opgemaakte echte veeren, zooals wij ze gaarne allen hadden willen koopen, kan men goedkooper en beter in Londen of Parijs dan in Port Elisabeth verkrijgen, want al wat daar verkocht wordt, is eerst in die wereldsteden geweest om de behandeling te ondergaan, die noodig is, om ze tot sieraad te doen strekken op dameshoed of als boa. Hier kent men de finesse's van dat werk niet.
Wij bleven een week in dit vriendelijke, doch oninteressante stadje en hadden elken dag een vergadering, tea, avondpartijtje of zoo iets door te maken, waar natuurlijk altijd over vrouwenkiesrecht moest Worden gesproken. Wij hadden ons echter vast voorgenomen, ons niet meer zoo te overwerken als wij in Kaapstad gedaan hadden en hadden daarom de werkzaamheden onderling verdeeld. De beweging voor vrouwenkiesrecht is hier geheel in handen van de Engelsche vrouwen, de Duitsche vrouwen bemoeien zich er weinig mede en Hollandsche vrouwen komen hier slechts zeer sporadisch voor.
Zoo sprak Mrs. Catt alleen op een openbare vergadering, die door den burgemeester van de stad gepresideerd werd. De zaal was stampvol met mannen en vrouwen uit alle kringen. De burgemeester maakte een poover figuur; hij las zijn drie minuten lang openingsspeechje met 't papier in de hand voor en kon schijnbaar zijn eigen handschrift niet goed lezen. Van leiding der vergadering was geen sprake; gelukkig dat de presidente van de vrouwenkiesrechtvereeniging naast hem zat, om hem voor al te groote fouten te behoeden. Hoe hij de gemeenteraadsvergaderingen zal leiden, waar hij geen kranige vrouw aan zijn zijde heeft om hem den weg te wijzen, is gemakkelijk uit zijn houding van dien avond op te maken.