Reis naar Yucatan De Aarde en haar Volken, 1886
Part 9
Ik hoopte te Yalchilan de Lacandons te vinden, die men mij had beloofd; zij waren er echter niet, maar het oude opperhoofd had iederen dag een bode gezonden om te vernemen of wij reeds waren teruggekeerd; de geschenken, die ik hem had toegezegd, hadden te zeer zijne begeerlijkheid opgewekt, dan dat ik vreesde dat hij zijn woord niet zou houden. Den volgenden morgen verscheen hij ook in het kamp met zijne twee vrouwen en vier jongelieden. Zij waren allen op dezelfde wijze gekleed: zij droegen een soort van lang wijd hemd of tuniek met korte mouwen; dit kleedingstuk van grof katoen is zeer plooibaar en wordt door de vrouwen geweven. Deze tunieken vertoonden roode vlekken, die ik eerst voor slijkspatten hield; later bleek mij, dat zij bij wijze van versiering moesten dienen, en dat de verfstof, waarmede deze ornamenten worden aangebracht, uit de beziën van een struik wordt getrokken, waarvan de naam mij onbekend is. Daar zij de kunst niet verstaan, om het geheele kleedingstuk te verven, maken de Lacandons er deze roode vlekken op; ik vermoed dat dit een bijzonder privilege is van het opperhoofd en zijne vrouwen, want de hemden van de jongelieden vertoonen geen spoor van de versiering.
Mannen en vrouwen dragen om den hals zware kettingen, vervaardigd van verschillende zaden, tanden van apen en wilde zwijnen, nagels van vogels en muntstukken. Hunne lange, ongekamde ruwe haren hangen in wanorde om hun hoofd en hals; de vrouwen steken daar een paar arendsvederen in. Zoowel aan de hemden als aan de halskettingen schijnen zij bijzondere waarde te hechten, want al mijne pogingen om een dezer voorwerpen machtig te worden, waren vruchteloos; daarentegen waren zij aanstonds bereid, mij hunne pijlen en bogen af te staan.
De Lacandons bedienen zich nog van steenen bijlen, waarmede zij de boomen omhakken, als zij in het bosch een plek willen bebouwen. Met de grootste dankbaarheid namen zij evenwel de stalen bijlen, de sabels en messen aan, die ik hun ten geschenke gaf, benevens zout, waaraan zij gebrek hebben en dat zij zeer gebrekkig vervangen door de asch van eene zekere houtsoort.
De Lacandons zijn baardeloos, van middelbare gestalte en welgemaakt; eene van de vrouwen is zelfs mooi te noemen: maar te oordeelen naar hunne fletsche kleur en bleeke lippen, schijnen allen aan bloedarmoede te lijden, hetgeen mede een gevolg kan zijn van hun leven in de donkere, vochtige bosschen. Zij spreken de oude taal der Mayas, en leven van de jacht, de vischvangst en het bebouwen hunner kleine akkers. Hunne hutten zijn zindelijk, en men vindt er altijd een voorraad van tabak en katoen, van maïs en vruchten; zij hebben geen aardewerk, maar behelpen zich met kalebassen. Hunne voorvaderen stonden, voor den ondergang van hun volk, op vrij wat hooger trap van beschaving.
XI
Om van Yachilan naar Peten te gaan, kan de reiziger tusschen twee wegen kiezen: hij kan de Usumacinta opvaren, die eenige uren verder den naam aanneemt van rio de la Passion; of wel, dwars door de bosschen, den zoogenoemden Camino Real (koninklijke heerbaan) volgen, die feitelijk niet anders is dan een afschuwelijk, onbruikbaar voetpad, waarvan de Indianen gebruik maken.
Maar nog afgezien van haar sterk verval, maakt de rivier zuidwaarts een zeer grooten omweg, alvorens zij zich naar Libertad wendt; en hoe slecht de landweg ook moge zijn, toch is hij altijd minder bezwaarlijk voor onze manschappen, die zwaar beladen kano's tegen stroom moesten optrekken; bovendien hebben wij onze muildieren, die op ons wachten, en die door de dagen van rust, aan den oever der rivier doorgebracht, nog volstrekt niet op hun streek zijn gekomen. Zij zijn nog even mager als vroeger, en nog steeds bedekt met afschuwelijke wonden, die door de reis erger zullen worden. Wij slaan dus het pad in, dat twee dagreizen verder, op den weg naar Peten uitloopt.
Omstreeks het midden van onze eerste dagreis, ontmoeten wij Pepe Mora, den onverschrokken montera; hij is zeer vermagerd en ziet er zeer afgemat uit: de koorts laat hem niet los, maar hij wil zijn post niet verlaten, voor hij het geheele district heeft onderzocht; hij denkt zelfs over de stichting van eene kolonie en heeft oranjeappels en cherimayos gezaaid, waarvan de roode vrucht bijna geen pit heeft; hij geeft ons eenig zaad van deze zeldzame soort en voegt er een zak met gerookt wilde zwijnenvleesch bij. Wij bedanken den braven man, dien wij niet weder zullen zien, en komen omstreeks vier uren aan onze eerste pleisterplaats.
De kleine rivier die ons tot richtsnoer heeft gediend is niet diep: zij heeft nauwelijks drie voet water, maar de oevers zijn buitengewoon steil; de beladen muildieren dalen niet dan met weerzin langs die bijna loodrechte helling naar beneden, maar eens in het frissche water, willen zij er niet meer uitkomen. De muilezel die mijne bagage met mijne aanteekeningen en clichés droeg, deed nog beter: hij ging op de diepste plek in het riviertje liggen, zoodat alleen zijn kop boven water uitstak. Ik kon een kreet van schrik niet onderdrukken, want ik dacht aanvankelijk dat al mijne dokumenten verloren zouden zijn; gelukkig was dit niet het geval, maar wij moesten een gedeelte van den nacht gebruiken om bij onze vuren mijne kleederen en mijne photografiën te drogen. Des morgens was het kwaad gelukkig weer hersteld.
Dien eigen avond bereikten wij het gedeelte van het woud, waar wij een zekeren voorraad levensmiddelen hadden verborgen en een onzer paarden stervende achtergelaten hadden. De levensmiddelen waren nog in goeden staat: de apen en andere stroopers hadden onze beschuit en ons gedroogd vleesch ontzien en de kisten met wijn waren nog ongeschonden; van het paard konden wij geen spoor ontdekken: het arme dier was waarschijnlijk dieper in het bosch ingegaan en daar gestorven, of misschien door de tijgers verscheurd.
Den volgenden morgen sloegen wij den weg in naar Peten, en kwamen vier dagen later te Sacluc, dat tegenwoordig Libertad wordt genoemd.
Libertad, de zetel van den prefect van Peten, is het laatste bewoonde vlek van Guatemala, zoo als Tenosique van Tabasco; het draagt geheel denzelfden stempel als alle spaansch-indiaansche dorpen in de warme luchtstreek: ook hier hetzelfde ruime, met gras begroeide plein, dezelfde armoedige kerk en enkele onaanzienlijke woningen in het rond. Er is te Libertad aan alles gebrek, en de hongersnood schijnt er permanent; wij zouden van honger zijn omgekomen, zonder de beambten van de monteria van de heeren Jamet en Sastre van San-Juan Bautista, die zoo goed waren ons een huisje te verhuren en ons een deel van hun voorraad wilden afstaan. Trouwens, dat het dorp nog bestaat, heeft het te danken aan het weinige vertier dat de hakkers van mahoniehout hier nog aanbrengen.
Van Libertad loopt de weg in noordelijke richting naar Flores, aan het meer van Peten, dertig kilometers verder. Flores is het oude Tayasal; het bevallige dorp, zoo schoon gelegen midden in het fraaie meer en door zijn gordel van bergen omringd, staat op dezelfde plek, waar eens de stad der Mayas verrees. Want zij was wel degelijk eene maya stad, waarvan de inwoners, Itzaes genoemd, de afstammelingen waren van die emigranten, die onder aanvoering van hun Canek, omstreeks 1440, de stad Chichen-Itza in Yucatan verlieten en van wie wij reeds gesproken hebben. Daar, in deze heerlijke streek, omringd door krijgshaftige stammen, die dezelfde taal spraken, vormden de Itzaes op nieuw eene eigene nationaliteit, van zoo krachtig leven, dat zij tot het einde der zeventiende eeuw weerstand bood aan den invloed der spaansche overheerschers. Huizen, paleizen, tempels en pyramiden zijn verdwenen; maar toch is het ons mogelijk de geschiedenis te reconstrueeren en op nieuw het betrekkelijk moderne dezer monumenten aan te toonen.
Eerst in 1696 slaagde de gouverneur van Yucatan, Martin Ursua, er in, zich van de stad meester te maken en dit kleine volk ten onder te brengen. Maar hij had daarvoor niets minder dan een leger noodig: opzettelijk voor dit doel werd een weg aangelegd, die in rechte lijn vam Campêche naar Peten liep. Midden in de bosschen stuitte de expeditie op eene stad, Nohbecan genoemd, met groote tempels vol afgoden; en toen de gouverneur aan de oevers van het meer Chaltuna kwam, was hij even als Cortez gedwongen, vaartuigen te bouwen om de stad te kunnen belegeren. De bestorming greep plaats op den tweeden Maart 1696, en nog dienzelfden dag werd Tayasal ingenomen.
Zonderling genoeg, werd de stad in een oogwenk verlaten: al de bewoners, mannen vrouwen en kinderen, ontsnapten over de lagune, hetzij met behulp van hun prauwen, hetzij zwemmende; de meesten verdwenen voor altijd. Martin Ursua had eene wildernis veroverd.
Dit zeer opmerkelijke feit toont ons den onverzoenlijken haat, dien de Indianen jegens de Spanjaarden koesterden, en verklaart ons tevens, hoe steden, die tijdens de verovering nog dichtbevolkt waren, op een gegeven oogenblik eensklaps geheel verlaten zijn. Het is nu ook duidelijk, dat men zich niet op dit verlaten zijn beroepen kan ten bewijze van de oudheid dier steden.
De stad Tayasal bevatte in 1696 een-en-twintig tempels, terwijl zij er in 1618 maar twaalf telde; in den loop der zeventiende eeuw waren er dus negen nieuwe tempels verrezen, en daaronder de schoonste van allen, volgens de getuigenis van Villa Gutierre Soto Mayor.
"De groote tempel was met zijn spitsbooggewelf geheel van steen gebouwd; hij was vierkant met een fraaien peristijl en van fraai bewerkte steenen; elke zijde had eene breedte van twintig _vares_, en hij was zeer hoog." Is het niet of men eene beschrijving leest van het Castillo van Chichen, vierkant als dat van Tayasal, van dezelfde afmetingen en eveneens met een fraai peristijl.
Wij erkennen dus in Tayasal de dochter van Chichen-Itza; haar moeder hebben wij te begroeten in Tikal, waarheen wij den lezer gaan voeren. De voorname reden van de verhuizing der Itzaes naar het zuiden was ons onbekend: Tikal zal daarover licht verspreiden; wij waren nog in het onzekere omtrent de richting en den voortgang van de tolteeksche kolonisatie in Yucatan: Tikal zal met onwederlegbare bewijzen op onze vragen een antwoord geven; Tikal eindelijk zal een geheel nieuw probleem oplossen en ons bekend maken met den invoed der tolteeksche beschaving in de noordelijke steden van Guatemala, Coban, Copan, Quiriga.
Tikal ligt ongeveer vijf-en-veertig kilometers ten noordoosten van Flores, aan de zuidelijke grens van het schiereiland Yucatan. Deze stad werd laatstelijk bezocht door twee wetenschappelijke onderzoekers: door Bernouilli en door Alfred Maudsley. Bernouilli werd ontijdig door den dood aan zijn werkkring ontrukt en het verhaal zijner reis is verloren gegaan, maar gelukkig heeft hij belangrijke en zeer merkwaardige dokumenten omtrent Tikal nagelaten. Deze dokumenten, waardoor wij in staat worden gesteld, der stad hare plaats in de geschiedenis aan te wijzen, bestaan in een twaalftal stukken gesneden hout, die de reiziger door Indianen van Flores uit de tempels liet wegnemen. De andere reiziger Alfred Maudsley schijnt van Guatemala zijne bijzondere studie te hebben gemaakt en heeft zich door zijne werken bereids een welverdienden naam verworven. De aanteekeningen en photografieën, die hij van Tikal heeft medegebracht, zijn ons bij de beschrijving der stad van zeer groote dienst geweest.
De belangrijkste gebouwen zijn de tempels, op hooge pyramiden gebouwd, die terrasvormig zijn aangelegd. Aan de voorzijde bevindt zich de groote trap, die naar de poort van den tempel voert; de tempel zelf staat eenigszins achterwaarts op het plat, en de achterzijde der pyramide loopt veel steiler af dan de voorzijde en de beide kanten. Datzelfde merkten wij ook te Lorillard zoowel als te Palenque op.
De basis van de pyramide heeft een breedte van honderd-vier-en-tachtig engelsche voeten en eene diepte van honderd-acht-en-zestig; de trap is acht-en-dertig engelsche voeten breed. Deze trap heeft eene lengte van honderd-twaalf voet; de gemiddelde hoogte van de pyramide zou dus negentig voet bedragen; de tempel is een-en-veertig voet breed en acht-en-twintig voet lang; de hoogte bedraagt ongeveer veertig voet, met inbegrip van den zoogenaamden dekoratieven muur, die geheel begroeid is.
Al deze tempels gelijken op elkander; hunne meest kenmerkende eigenaardigheid is de geweldige dikte der muren, voorts de nissen ter wederzijde van het voornaamste vertrek en de regelmatige versmalling van het gebouw naar de achterzijde. Het inwendige van zulk een tempel bestaat uit twee of drie smalle, evenwijdig loopende gangen, die door middel van breede openingen gemeenschap hebben met een zaal of dwarsgang aan de voorzijde. De houten posten dier poorten of openingen zijn rijk gebeeldhouwd. In de tempels zijn de muren hooger dan in de paleizen, en vormt het zoogenoemde gewelf, dat eveneens hooger is, een scherper hoek. Blijkbaar was deze constructie noodig ter wille van den geweldigen dekoratieven muur, die het gebouw in figuurlijken zin verplettert, en het ook in letterlijken zin zou gedaan hebben, als de bouwmeester daartegen niet de noodige voorzorgen had genomen door de dikte der muren, de verlenging van het gewelf en de weinige breedte der gangen of kamers.
Maudsley zegt, dat hij in die tempels geen enkel afgodsbeeld noch eenig ander voorwerp van vereering vond; maar hierin vergist hij zich. Indien hij toen reeds Lorillard had bezocht en Palenque gekend, zou hij begrepen hebben dat al het snijwerk in hout eene godsdienstige beteekenis had, dat deze voorstellingen de plaats der afgodsbeelden bekleedden en rechtstreeks in verband stonden met de eeredienst.
Laat ons een blik werpen op die beeldwerken. Eene eerste plaats bekleedt daaronder een groot bas-relief in hout, dat ongetwijfeld deel uitmaakte van een altaar en eene treffende gelijkenis heeft met de steenen bas-reliefs, die wij te Palenque hebben gevonden. Dit paneel heeft ongeveer dezelfde afmetingen: het is een el vijf-en-negentig duim hoog en twee el acht-en-twintig duim breed. Evenals op de gebeeldhouwde zerken van Palenque, zien wij hier twee figuren in hoog relief, omgeven van die wonderlijke, barbaarsche en vaak onverklaarbare ornamenten en attributen, die een kenmerk zijn van de amerikaansche beeldwerken.
De letters van de opschriften ter rechter en ter linker zijde zijn verwonderlijk goed bewaard gebleven en kunnen onmogelijk tot een verwijderd tijdperk behooren; die letters of teekens zijn overigens geheel dezelfden, die wij te Lorillard en te Palenque hebben gevonden, en die wij straks te Copan zullen wedervinden. De hoofdfiguur neemt hier het midden van het paneel in, in plaats van aan de rechter of linker zijde te staan, zoo als op de zerken van Palenque, waar het beeld der godheid het midden inneemt.
Deze hoofdfiguur is een man, in staande houding, het hoofd gedekt met een allerwonderlijkst kapsel, overladen met allerlei grillige gedrochtelijke ornamenten en uitloopende in reusachtige vederbossen of pluimen: in een woord, een monsterachtig hoofddeksel, waarvan de onzinnige wanstaltigheid ten volle voor het barbaarsche dezer kunst getuigt. In de rechterhand houdt dit personage een soort van schepter, gekroond met vederen of den staart van een vogel: zijn linkerarm is halverwege bedekt door een soort van schild. Zijne kleeding is zeer rijk; behalve een met paarlen versierde halskraag of schoudermantel draagt hij eene lange en rijk geborduurde tuniek, die bijna tot aan de voeten afhangt. Onnoodig te zeggen, dat de teekening van het menschenbeeld zoo gebrekkig en onbeholpen mogelijk is.
Onder het opschrift ter rechterzijde ziet men symbolische ornamenten, waarvan de beteekenis niet te raden is; onder het opschrift ter linkerzijde bespeurt men--althans met eenigen goeden wil--eene tweede monsterachtige figuur, die geacht kan worden een mensch te verbeelden, op een soort van trapje gezeten. Maar de voornaamste figuur, hoewel zij de minste plaats inneemt, is onzes inziens het menschenhoofd boven de hoofdfiguur aangebracht, en dat ongetwijfeld de zon moet voorstellen. De zoogenoemde vlammen, die te midden van allerlei andere, onbegrijpelijke, barbaarsche ornamenten, aan beide zijden van dezen monsterachtigen kop zijn aangebracht, laten daaromtrent geen twijfel over; wij mogen dus als zeker aannemen, dat dit bas-relief eenmaal in een aan de zon gewijden tempel was geplaatst.
Wij allen weten dat de zonnedienst algemeen heerschte bij alle amerikaansche natiën; het is dus niet vreemd, dat wij dienzelfden cultus ook te Tikal vinden. De tempels, de pyramiden, de opschriften, de zinnebeelden en figuren dragen echter een bijzonder lokaal karakter, dat herinnert aan de godsdienstige monumenten der hooge bergplateaux en ons het recht geeft, ook hier van den invloed der tolteeksche beschaving te spreken.
Uit alles wat wij gezien en gezegd hebben, volgt dat ook Tikal eene stad was, behoorende tot die tolteeksche beschaving, waarvan wij den gang en de ontwikkeling hebben gevolgd van Comalcalco tot Palenque en Ocosingo, die den loop der rivieren opwaarts volgende, de stad Lorillard heeft gesticht en vervolgens Tikal bereikt, om zich later eenerzijds in Yucatan uit te breiden, waar zij eene vroegere tolteeksche nederzetting ontmoet, en anderzijds in het noorden van Guatemala door te dringen, waar zij Coban, Copan en Quiriga zal stichten.
Tikal, verder van het punt van uitgang verwijderd, is natuurlijk jonger dan de steden die wij reeds beschreven hebben, maar zij vertegenwoordigt ons een der belangrijkste tijdperken van deze zoo zeer eigenaardige beschaving, die toch altijd halverwege in de barbaarschheid bleef steken. Van daar drong de meer beschaafde stam in het noorden van het schiereiland door: wij vinden daarvoor niet slechts de materieele bewijzen in de steden langs den gevolgden weg, zooals bij voorbeeld de stad Nohbecan, die Martin Usua op zijn marsch naar Tayasal ontdekte, maar wij mogen ons ook beroepen op de getuigenis der historie.
Herrera verhaalt, dat in den tijd toen de opperhoofden van de eerste tolteeksche immigratie, die der Cocomes, regeerden, het land werd overweldigd door lieden uit het land der Lacandons, Chiapas enz.; deze indringers zwierven gedurende veertig jaren door de woestijnen van Yucatan en kwamen tot op tien mijlen afstands van Mayapan, te midden der heuvelen van Uxmal, waar zij prachtige gebouwen oprichtten.
Deze indringers werden aangevoerd door opperhoofden, Tutulxius genoemd; zij waren zoo vreedzaam van natuur dat zij geen wapenen hadden en de dieren op de jacht met lasso's vingen of vallen uitzetten.
Volgens Landa verhaalden de Indianen dat van den kant van het zuiden talrijke stammen met hunne opperhoofden in Yucatan waren gedrongen; naar het schijnt waren die immigranten uit Chiapa afkomstig, hoewel de Indianen dat niet met zekerheid konden zeggen, maar Landa vermoedt het ook op taalkundige gronden; deze stammen zwierven gedurende veertig jaren in de woestijn en kwamen in de sierra op tien mijlen afstand van Mayapan.
Reeds bij ons bezoek te Palenque werden wij getroffen door het bij uitstek vreedzaam en godsdienstig karakter der beeldwerken, waarop wij nooit iets hebben gevonden dat aan den oorlog of aan wapenfeiten herinnert. Na de bijna geheele uitroeiing van hun ras, hebben de naar elders verhuizende Tolteken de rol van veroveraars, die zij niet langer konden volhouden, laten varen, en er zich meer op toegelegd om de barbaarsche stammen, die zij op hun weg ontmoetten, te bekeeren en te beschaven. Zij traden meer op als zendelingen en predikers en wonnen op die wijze de inlanders voor zich, even als de Boeddhisten op Java deden, waar zij de taal hunner bekeerlingen overnamen en prachtige tempels ter eere van Boeddha stichtten. Zoo namen ook de Tolteken de taal over van de landen, die zij beschaafden, en bouwden ook tempels en paleizen, die echter de vergelijking met de javaansche monumenten niet kunnen doorstaan.
Uit dit alles blijkt dus overtuigend dat de tolteeksche stammen uit het zuiden in Yucatan zijn gekomen. Wij hadden dus recht te beweren, dat de gewone verklaring van het verlaten van Chichen-Itza door hare inwoners, omstreeks het jaar 1440, niet aannemelijk was; wat ook verder tot dien uittocht aanleiding moge gegeven hebben, zeker moet de hoofdreden gezocht worden in de nog levende herinnering aan de door hunne voorvaderen gestichte koloniën in het zuiden van het schiereiland. Tikal moet het middelpunt van die nederzettingen zijn geweest; Tikal bestond misschien toen nog; de caciquen van Chichen hadden ongetwijfeld betrekkingen met die stad onderhouden, en toen zij den weg insloegen naar deze stad, de bakermat van hunne familie, handelden zij geheel in den geest der traditie.
XII
Als wij geloof mogen hechten aan het verhaal, dat de pastoor van Santa-Cruz del Quiché aan Stephens deed, dan bestond er te Coban eens groote stad, die hij bezocht had en waarvan hij met groote verbazing gewaagde. Nooit heeft iemand ons over deze stad gesproken, die tot dusver aan de nasporingen der reizigers is ontsnapt; maar het is zeer waarschijnlijk dat Coban eene nederzetting was van dien tak der Tolteken, die Tikal stichtte en die zich van daar naar het oosten richtte, waar hij achtervolgens Copan en Quiriga, in de provincie Chiquimula, grondvestte.
Copan was ten tijde van de verovering nog eene bloeiende stad, evenals Utatlan, Itatlan, Xelahu, Patinamit en andere steden in Guatemala, door Alvaredo verwoest. Hernandez de Chaves, een zijner onderbevelhebbers, kreeg in last zich van Copan meester te maken. Dit geschiedde in 1530. Volgens Juarros, wiens zegsman Francisco de Fuentes de stad bezocht, was de groote circus van Copan in 1700 nog ongeschonden in wezen.
De zonderlingste en merkwaardigste monumenten van Copan zijn de uit één steenblok gehouwen afgodsbeelden, die wij ook reeds, zij het ook minder afgewerkt, te Tikal hebben aangetroffen. Wij vinden te Copan dezelfde inscripties, dezelfde bas-reliefs en dezelfde godheden, als in de steden die wij reeds vroeger bezochten; Copan is echter de jongste van deze steden, daar zij het verst van het uitgangspunt der immigranten verwijderd was. Ondanks zijn niet licht te misleiden gezond verstand en zijne buitengewone helderheid van inzicht, heeft Stephens toch de monumenten van Copan niet begrepen. Trouwens, Copan was de eerste stad die hij bezocht; hij dacht hier de werken voor zich te hebben eener geheel oorspronkelijke beschaving, die hij met geene andere in verband wist te brengen. Zonder het te weten, begon hij bij het einde en vermoedde niet dat hij de laatste monumenten eener oude beschaving voor zich had. Later, beter ingelicht, oordeelde hij anders en bracht zijn helder inzicht hem van zelf op het spoor der waarheid.