Reis naar Yucatan De Aarde en haar Volken, 1886

Part 8

Chapter 8 3,867 words Public domain Markdown

Wij hebben nu de vlakte verlaten en trekken in zuidoostelijke richting voort, naar den voet van de Cordillera. Het woud wordt prachtig: reusachtige stammen, door lianen als kabeltouwen omstrengeld, palmen van meer dan honderd voeten hoogte, pandanussen met kolossale bladeren, vermengd met slanke ceders en mahonieboomen, wier ruwe schors aan onze eiken herinnert, vormen een schilderachtig, grootsch en indrukwekkend geheel. Men wordt des bewonderens niet moede, en men zou wenschen, in deze bosschen zijn leven te slijten, indien men niet zoo schrikkelijk te lijden had van allerlei ongedierte, met name van muskieten en van onze oude vijanden, de garrapaten.

De chef der karavaan regelt de dagreizen en bepaalt telkens de plaats, waar men voor den nacht kampeeren zal; hij moet volkomen met het woud bekend zijn, want men kan alleen daar ophouden, waar water voor onze muildieren te vinden is en ook dien boom, _ramon_ genaamd, waarvan de bladeren gedurende de reis hun eenig voedsel zijn. Doorgaans kampeert men op eene kleine hoogte, te midden van eene ruime open plek, waar reeds anderen hun kamp hebben opgeslagen, en waar de grond van boomen en kreupelhout gezuiverd is. De hooge boomen blijven alleen staan, en hunne machtige takken beveiligen ons tegen den killen nachtelijken dauw. Deze kampementen dragen op de kaart een naam, hoewel er noch eene hut, noch eene levende ziel te vinden is; maar zij dienen den muilezeldrijvers als rust- en verkenningspunten op hunne tochten van Peten naar Ténosiqué. Bij onze aankomst aan de bepaalde halt, worden de beesten ontladen; de bagage wordt met de pakzadels op rijen geplaatst; daarna begint men de arme dieren te verbinden. Deze eerste dag heeft hunne wonden op schromelijke wijze verergerd. De mannen gaan het bosch in om ramon te zoeken; men hoort hunne bijlslagen tegen den stam, vervolgens, het gekraak van den neervallenden boom, overstemd door hunne vreugdekreten. Kort daarna keeren zij terug, gebogen onder eene geweldige vracht van groenende takken, die onder de hongerige muildieren worden verdeeld. Inmiddels maakt Julien onze veldbedden gereed, en de kok van den troep legt zijn vuur aan om ons souper te bereiden. Het menu is steeds hetzelfde: een groote ketel met tasajo, rijst of bonen met eene portie beschuit, en tot toegift een kop koffie. Toch is er soms eenige afwisseling, naarmate wij op de jacht gelukkig zijn geweest: apen, wilde kalkoenen, pécaris, alles is ons welkom.

De avond valt; de manschappen, rondom de vuren gezeten, rooken en praten; dan wordt het nacht, en ieder vlijt zich neer op een bed van groene bladeren, beveiligd door een muskietenscherm. Onze slaap is niet vast, en wordt telkens gestoord door zonderlinge geluiden: het brullen of knorren van wilde dieren, het schreeuwen van nachtvogels en het verschrikkelijk gehuil der brulapen.--Voor het aanbreken van den dag zijn wij weer op de been; met het ontbijt, het optuigen der muildieren en het verdeelen der bagage zijn ruim twee uren gemoeid, en de zon staat reeds hoog aan den hemel, als de karavaan zich op weg begeeft.

De eene dag gelijkt volkomen op den anderen, behoudens de uiterst zeldzame ontmoeting van een uit Peten terugkeerenden reiziger. Deze geheele streek is rijk aan ruïnen, en alles bewijst dat zij vroeger, voor de komst der Spanjaarden, bebouwd en bevolkt was; te midden van deze uitgestrekte eenzame wouden vindt men nog de sporen van groote steden, waarvan de geschiedschrijvers der verovering nog melding maken. Die steden, die dorpen en tempels zijn van de aarde verdwenen, en de eens zoo talrijke bevolking is geslonken tot enkele familiën, in de wouden verloren: de verbasterde en diep gezonken afstammelingen van het ongelukkige ras.

Onze tocht wordt met den dag moeilijker, want wij hebben reeds twee muildieren verloren, die waarschijnlijk wel de prooi der jaguars zullen zijn geworden. Hunne vrachten zijn tusschen de anderen verdeeld moeten worden; en om onze dieren zoo veel mogelijk te verlichten, gaan wij beurtelings te voet.

Op den zevenden dag van onze reis, des morgens vroeg, begonnen wij te voet de berghellingen te beklimmen. Hoewel deze bergen niet hooger waren dan omstreeks vierhonderd-vijftig el, was de bestijging toch een zeer zwaar en moeilijk werk, dat groote inspanning vorderde. Kort daarna bereikten wij de vlakte en sloegen ons kamp op aan de oevers van de rio Chotal, die zich in de Usumacinta uitstort. Het woud is hier verwonderlijk schoon, en rijk aan allerlei wild; papegaaien en aras doen de lucht weergalmen van hunne snijdende kreten; geelgekuifde hoccos bewegen zich zwijgend in de hoogste takken, van waar groote brulapen ons met nieuwsgierige blikken gadeslaan; een troep wilde zwijnen rent in dolle vaart langs ons heen.

Wij bevinden ons in het land der Lacandons: hier en daar ontdekken wij sporen van vroegere bebouwing, vruchtboomen en overblijfselen van verlaten hutten. De Lacandons hebben zich uit deze streek teruggetrokken bij de komst der houthakkers. Des avonds komen wij eindelijk ter plaatse onzer bestemming, aan den paso Yalchilan, en slaan wij ons kamp op aan den rechteroever van de Usumacinta.

X

Het was reeds laat, toen wij op deze plek, waar geene hut of spoor van menschelijke woning te vinden is, aankwamen; wij waren allen uitgeput van vermoeienis, en de tijd ontbrak om ons bivouak in behoorlijke orde te brengen. Tot mijne verwondering vonden wij geen spoor van de mannen, die vooruit waren gezonden en die ons hier moesten afwachten met de door hen getimmerde boot; hunne afwezigheid boezemde mij eenige ongerustheid in. Den volgenden morgen maakten de manschappen voor ons eene soort van woning gereed; anderen gingen weer het bosch in, om een muilezel op te zoeken, die achter gebleven was. Zij vonden het arme dier, ruim twee mijlen verder op den grond liggende, half dood van vermoeienis, honger en dorst. De mannen ontdeden den ezel van zijne vracht, dien zij onderling verdeelden; maar het ongelukkige dier had niet lang genot van die welwillendheid, want de jager die den troep vergezelde, doodde een prachtig zwijn, dat de muilezel nu naar het kamp moest dragen, en dat daar met groot gejuich ontvangen werd.

Tegen den middag verschenen eindelijk de canoëros; aanstonds vroeg ik hun, hoe ver zij met hun arbeid waren gevorderd. De timmerman antwoordde met zekere verlegenheid, dat de kano nog niet klaar was; dat zij verschillende boomen hadden omgehakt, die later bij de bewerking bleken ongeschikt te zijn voor de vervaardiging van de canoa: dat was een ongeluk, en niet hunne schuld; maar binnen eenige dagen zouden zij met hun werk gereed zijn. Ik volgde hen naar hunne werkplaats, omstreeks een mijl stroomafwaarts: ik vond daar inderdaad twee boomen op den grond liggen, waarvan de een, in ruwe omtrekken, de gedaante van eene kano vertoonde, maar nog geheel uitgehold moest worden. Hadden de werklieden zes dagen noodig gehad, om het zoover te brengen, dan hadden zij er minstens nog acht noodig, om het werk te voltooien. Blijkbaar hadden zij hun tijd verbeuzeld met jagen en visschen en luieren, en hadden zij zich niet om mij bekommerd.

Maar een oponthoud van acht dagen was onmogelijk, want de levensmiddelen slonken ziender oog, en hoewel ik den voorraad voor veertig dagen had berekend, zou hij ter nauwernood voor twintig toereikend zijn. In alles behalve opgewekte stemming keerde ik naar het kamp terug, niet wetende wat te doen. Ik kon wel den oever der rivier volgen tot tegenover de ruïnen, die aan de overzijde lagen: daartoe moest een pad van omstreeks twintig kilometers lengte door het woud worden gebaand en vervolgens een vlot getimmerd om de rivier over te steken. Maar ik kon dan slechts een gedeelte van mijn materieel medenemen; en bovendien, zouden de manschappen mij willen volgen? Zij en de muilezels waren slechts gehuurd tot den paso Yalchilan, en zeer vermoedelijk zouden zij weigeren verder te gaan, want zij zijn van niets zoo afkeerig als van arbeid, meer dan strikt noodig is.

Terwijl mijne blikken daar over die breede, snelvlietende rivier dwaalden, ontdekte ik, stroomopwaarts, een vaartuigje, waarin een onbekende zat. Hij was gekleed met een lang hemd en liet zich met den stroom afdrijven, terwijl hij zich met een palmblad tegen de zonnestralen beschermde. Maar niet zoodra had de Lacandon--want het was een Lacandon--ons bespeurd, of hij greep zijne pagaai en wendde zijne boot. Gelukkig verstond een mijner manschappen zijne taal; hij riep den cayuco toe, en beloofde hem allerlei moois, als hij bij ons wilde komen. De Indiaan kwam: het was een grijsaard, gehuld in eene lange tuniek of hemd met wijde mouwen; hij drukte mij glimlachend de hand en ging mede naar het kamp, schuw rechts en links omziende. Behalve zijne van grof katoen gemaakte tuniek, droeg hij om het hoofd een doek van dezelfde stof; om zijn hals hing eene reusachtige ketting, bestaande uit twintig rijen zaden, glaskralen, tanden van dieren en eenige muntstukken; in de hand hield hij zijn boog en pijlen.

De grijsaard was gelukkig een opperhoofd: ik liet hem de geschenken zien, die ik voor hem en de zijnen had medegebracht: bijlen, sabels, katoenen stoffen, messen, zout en vischtuig. De oude man was geheel verbluft, en verzekerde dat hij zijne onderdanen met mij in aanraking zou brengen. Mijn tolk vroeg hem, of hij ons kanos kon leenen: hij had er twee, en de tolk ging dadelijk met hem mede, om de booten te halen. Het was niet veel, maar toch altijd beter dan niets.

Den volgenden morgen had ik eene vreemde ontmoeting. Ik stond aan den oever der rivier, uitziende naar de kanos, toen ik eensklaps eene vrij groote boot zag verschijnen, waarin drie mannen, die geen Indianen waren. Van waar kwamen zij, en waar gingen zij heen? Een bittere gedachte schoot mij eensklaps door de ziel: deze mannen behoorden tot eene andere expeditie, die mij vóór was geweest. Dat was het gevolg van mijn lang oponthoud te Ténosiqué!

Ik riep de boot aan, die aan den oever kwam, en ik vernam van die onbekenden, dat zij levensmiddelen hadden gevraagd bij de Lacandons, maar niets hadden kunnen krijgen dan tomaten, en verder dat zij naar de ruïnen terugkeerden, waar zich een zekere don Alfredo bevond.

"Wie is don Alfredo? vroeg ik aan een der mannen.

--Wel, antwoordde hij, dat is don Alfredo.

--Heel goed: maar wat voert hij daar in de ruïnen uit?

--Hij wandelt.

--Met u hoevelen zijt gij?

--Wij zijn met ons zestienen, en wij hebben geen levensmiddelen meer.

--Hebt gij nog eene andere kano?

--Ja, wij hebben er nog een groote.

--Welnu, zeide ik, ik heb levensmiddelen." Daarop mijne manschappen roepende, liet ik naar de kano de helft van een wild zwijn, een zak met tasajo, rijst en beschuit brengen.

"Ziedaar levensmiddelen voor u en voor uw meester: gij zult drie lieden van mijn volk medenemen, en don Alfredo verzoeken, dat hij mij morgen zijne groote kano zende. Hier is mijn kaartje, dat gij hem moet ter hand stellen. Gaat nu en keert zoo spoedig mogelijk terug!"

Ik begon nu dadelijk toebereidselen voor mijn vertrek te maken; maar ik had niet gerekend op de koorts, die mij juist des morgens aantastte. De aanval was zeer hevig; ik ijlde en was geheel machteloos. Zoodra de crisis voorbij was, nam ik eene goede dosis quinine en ging een paar uren rusten. De kano kwam; en hoe ziek ik ook was, liet ik mij toch aan boord dragen; zes onzer Indianen met Lucien gingen mede. De anderen bleven achter onder de hoede van Julien. Mijn hoofd gloeide; slechts met groote moeite kon ik blijven zitten; alles werd mij groen en geel voor de oogen. De sterke stroom voerde ons mede, en na eene vaart van drie uren kwamen wij aan een grooten steenhoop, die op de rotsen aan den linkeroever der rivier was opgericht. Wij waren ter plaatse onzer bestemming. Met een kloppend hart ging ik aan wal; een der Indianen, die wij daar aantroffen, was bereid mij als gids te vergezellen; wij togen het bosch in, om don Alfredo op te zoeken.

Wij hadden nauwelijks driehonderd ellen afgelegd, toen ik een rijzig jonkman naar mij toe zag komen, in wien ik aanstonds een Engelschman herkende. Wij gaven elkander de hand; hij had op mijn kaartje mijn naam gelezen, dien hij kende; hij noemt mij den zijnen: "Alfred Maudsley, van Londen"; en ziende dat ik van mijne verbazing nog niet bekomen was, voegde hij er aanstonds bij:

"Maak u niet ongerust over mijne tegenwoordigheid: een bloot toeval heeft mij eer dan u naar deze ruïnen geleid; het omgekeerde had evengoed kunnen gebeuren; ik ben geen mededinger, en gij hebt niets te vreezen. Ik reis eenvoudig voor mijn pleizier; gij zijt een geleerde, en de stad komt u toe; geef haar een naam; onderzoek, maak teekeningen en kopieën, zoo veel ge wilt; gij zijt hier te huis. Ik ben niet van plan, iets te schrijven of uit te geven; maak des noods geene melding van mij, en behoud uwe ontdekking geheel voor u zelven. En laat mij u nu tot gids mogen verstrekken; ik heb een paleis laten gereed maken, en uwe woning wacht u."

Deze kieschheid trof mij zeer; maar ik mocht het voorstel van mijn nieuwen vriend niet aannemen: aan ons beiden komt de eer toe der ontdekking van deze nieuwe stad, waar wij te zamen hebben gearbeid, en waaraan ik den naam heb gegeven van Lorillard, ter eere van den edelmoedigen man, die voor een deel de kosten mijner expeditie wilde dragen. De stad ligt op den linkeroever van de Usumacinta, in een soort van neutraal terrein tusschen Guatemala en de twee mexikaansche provinciën Chiapas en Tabasco. Zij werd voor omstreeks twaalf jaren ontdekt door een zekeren Suarez en sedert bij herhaling door de monteros bezocht.

Het is zeer moeilijk, zich rekenschap te geven van den juisten omvang der stad en van het aantal gebouwen; de bodem is zoo dicht begroeid, dat een nauwkeurig onderzoek onmogelijk is, althans met de gebrekkige middelen, waarover men ter plaatse beschikken kan. Maar voor zoo ver men naar vergelijking mag oordeelen, moet de stad Lorillard, als alle indiaansche steden, waarvan wij reeds gesproken hebben, hebben bestaan uit een vijftien- of twintigtal verschillende monumenten, tempels en paleizen, woningen van den cacique en de voornaamste hoofden, omgeven door de hutten van de lieden uit de volksklasse en de slaven. Deze monumenten verrijzen op terrassen, ongeveer twintig ellen van de rivier verwijderd, en verheffen zich vervolgens, amphitheatersgewijze, op natuurlijke heuvelen, die de bouwmeesters benuttigd hebben, en die zij in esplanaden hebben verdeeld, welke door muren worden gesteund en van trappen zijn voorzien.

De schikking is geheel dezelfde als te Palenqué; de tempels en paleizen zijn minder talrijk en minder aanzienlijk; zij zijn ook ruwer bewerkt, schoon men over dit laatste misschien niet juist kan oordeelen, omdat de geheele uitwendige dekoratie, die uit cement bestond, is verdwenen.--Het eerste monument dat wij bestudeeren is een tempel, die op eene pyramide van ongeveer honderd-twintig voet hoogte is gebouwd. Ik noem dit gebouw een tempel, omdat het een groot steenen afgodsbeeld bevat, benevens verscheidene nissen, waarin kleinere beelden moeten gestaan hebben, want de wanden zijn zwart van den rook der offeranden.

Het hoofd van het beeld is van den romp gescheiden en het gelaat is deerlijk geschonden, maar toch behoort het beeld tot het schoonste, wat wij tot dusver in Tabasco en Yucatan gezien hebben. Het stelt een mannelijk wezen voor, zittende op oostersche wijze, met de beenen onder het lijf gevouwen en de handen rustende op de knieën; de kalme, waardige houding doet u onwillekeurig aan Boeddha denken. Op het hoofd draagt het beeld een reusachtig, monsterachtig kapsel, dat de gansche figuur verplettert. De kleeding is rijk versierd met kralen en parelen en drie groote medaillons, twee op de schouders en een op de borst.

Rondom het beeld en in ieder vertrek van den tempel vindt men eene menigte vazen van grof aardewerk en in vorm meest overeenkomende met ondiepe kommen; de randen zijn met gedrochtelijke menschenhoofden versierd. Deze vazen werden gebruikt voor het ontsteken van reukwerk; wij vinden ze terug in alle gebouwen die voor de eeredienst bestemd schijnen geweest te zijn.

Achter dien tempel en op eene veel hoogere pyramide, vindt men het belangrijkste monument van de stad Lorillard. Op eene ruime esplanade stonden daar, in een rechthoek, zes paleizen, waarvan er nog maar een gedeeltelijk in wezen is. De andere gebouwen zijn niet meer dan vormelooze puinhoopen. Dit paleis was misschien de woning van den vorst of eene soort van vesting; in ieder geval was het prachtig gelegen. Van het terras of de esplanade had men een heerlijk uitzicht; en op nieuw bewonderde ik den praktischen zin van deze bouwmeesters. De pyramiden, waarop zij hunne paleizen plaatsten, waren eene werkelijke behoefte in dit heete en ongezonde land: deze manier van bouwen bezorgde frissche lucht en was tevens eene verdediging tegen de muskieten en andere insekten; en bovendien, welk een prachtig panorama ontplooide zich voor de oogen, bij morgen en avond, over de omringende heuvelen, over de rivier, over de tuinen en plantages aan de overzijde, en aan den anderen kant, naar het zuiden, over de wijde vlakte, aan den horizon begrensd door de schemerende lijnen van de Cordillera.

Het paleis, dat wij bewonen, ligt lager en dichter bij de rivier. Het was meer vervallen en geschonden dan de tempel en droeg sporen van dezelfde versiering; maar de constructie scheen slordiger. De deuren zijn van verschillende afmetingen, en de posten zijn nu eens, zonder schijnbare reden, recht, dan weer scheef geplaatst; ook is de verdeeling der openingen en der nissen zeer onregelmatig. Van binnen is dit paleis een ware doolhof van smalle gangen en kleine vertrekken; in het achterste gedeelte, in een donker souterrain, waarheen een sterk glooiende gang afdaalt, bevinden zich twee smalle zalen, die tot aan de zoldering met steen en gruis gevuld zijn; naar ik vermoed, zijn dit graven. Althans te Palenqué vond ik in dergelijke vertrekken, geraamten en vazen. Het gebouw is twintig ellen breed en zestien diep.

Ik heb reeds vroeger gesproken over de gebeeldhouwde deurposten, in steen of in hout, die ik in de meeste steden van Yucatan, onder andere ook te Chichen, heb aangetroffen; maar de schoonsten vond ik te Lorillard. Mijne lezers mogen zich daarvan overtuigen door de afbeeldingen van twee dezer kleine monumenten op bladz. 157 en 160.

Het kleinste maakt deel uit van den bovendrempel van de middelste poort des tempels; het paneel heeft een lengte van een el twaalf duim bij eene breedte van twee-en-tachtig duim. In het midden zien wij twee figuren, beiden het hoofd gedekt met hooge myters met vederen versierd; evenals bij het afgodsbeeld, waarvan ik hierboven sprak, zijn hunne schouderen bekleed met een korten mantel met paarlen en medaillons en lange franjes getooid; een rijk versierde maxtli omgordt hunne heupen en hunne voeten zijn in laarzen gestoken, met lederen riemen bezet.--Deze twee figuren, van verschillende grootte, schijnen een man en eene vrouw te moeten voorstellen; uit hunne houding zou men moeten opmaken, dat zij eene godsdienstige handeling verrichten. De grootste heeft in iedere hand een kruis, de kleinste alleen in de rechterhand. Het zijn gewone, zoogenaamde latijnsche kruisen, waarvan de armen met bloemen zijn versierd en die van boven zijn gekroond met een symbolieken vogel. Ik meen in deze voorstelling den god Tlaloc te herkennen, den god van den regen en de vruchtbaarheid, wiens symbool een kruis was; te Palenqué vinden wij dien god op dezelfde wijze voorgesteld.

Het tweede bas-relief (bladz. 157) is buiten kijf het merkwaardigste monument, dat wij in Amerika hebben aangetroffen, en dat inderdaad kunstwaarde heeft. Afgezien van het onmogelijk gelaatsprofiel der beide figuren--dat trouwens zuiver conventioneel is--zijn de twee beelden voortreffelijk van bewerking. De voorstelling draagt een godsdienstig karakter: wij zijn getuigen van eene offerplechtigheid. Een der personen, die in knielende houding, ongetwijfeld een priester, heeft zich een met doornen bezet touw door de tong gestoken. De staande figuur is evenzeer een priester, die, met een grooten palmtak in de hand, den martelaar schijnt aan te moedigen. Nu weten wij dat de Mexikanen zich zelven op de gruwelijkste manier pijnigden; dag en nacht vergoten zij hun bloed in de tempels, ter eere der goden. Torquemada deelt ons daaromtrent het volgende mede, sprekende over de martelingen, die de priesters van Quetzalcoatl zich zelven aandeden:

"Ziehier de martelingen, die de priesters van Camaxtli te Tlascala en die van Quetzalcoatl te Cholula zich zelven oplegden. De priesters kwamen bijeen onder het voorzitterschap van den oudste hunner, _achcantli_ genoemd; en na een vijfdaagsche vasten, met verschillende boetedoeningen gepaard, sloot men hen op in den voornaamsten tempel van Camaxtli, waar zij eene menigte stokken met zich namen, zoo lang als een arm en zoo dik als een vuist ongeveer; dan kwamen timmerlieden, die vijf dagen gevast en gebeden hadden, om deze stokken, volgens aanwijzing, tot zeer dunne staafjes te maken, waarna men hun buiten den tempel te eten gaf; vervolgens kwamen de werklieden, die messen van obsidiaan moesten maken, en zij vervaardigden een aantal messen, waarmede de tongen der priesters moesten worden doorboord, en zij legden die neder op een witten doek.

"Daarna volgden gebeden; en als de oude en de jonge priesters te zaam gekomen waren en gereed voor de offerande, boorde de bekwaamste onder de werkmeesters hun met een mes een groot gat in de tong.

"Aanstonds stak nu de voornaamste _achcantli_ in zijne doorboorde tong meer dan vier- of vijfhonderd van die staafjes, die de timmerlieden gemaakt hadden; de andere oude priesters deden desgelijks, en diegenen onder de jongeren, die den meesten moed hadden, volgden hun voorbeeld na.

"Als deze afschuwelijke operatie volbracht was, trachtte de oudste, die als hoofd gold, ondanks de duldelooze pijn, te zingen, om de jongeren aan te moedigen tot het volbrengen der ceremonie."

Ons bas-relief stelt ons dus zulk eene offerande aan Quetzalcoatl of Cuculcan voor, en de tempel, die met deze beeldwerken prijkte, was aan dien god gewijd.

Eene bijzonderheid, die de geschiedschrijver aan het slot van hetzelfde hoofdstuk vermeldt, geeft ons de verdere verklaring van het bas-relief.

"Gedurende dien vastentijd--zegt Torquemada--begaf de voornaamste _achcantli_ zich naar de steden en de dorpen, om de lieden te vermanen tot de voorbereiding van het groote offerfeest; en tot teeken droeg hij in de hand een grooten groenen tak.

Dit is duidelijk genoeg. Daar staat de priester met den palmtak in de hand, waarvan de bladeren rusten op het symbolische teeken van den wind, waarmede Quetzalcoatl zoo dikwijls wordt afgebeeld. Wij vinden dus te Lorillard de eeredienst van Tlaloc en van Quetzalcoatl, de godheden der Tolteken, ook door de Azteken vereerd, en wier dienst in de veroverde landen werd ingevoerd.

Ons bezoek aan de stad Lorillard, waarvan de indiaansche naam mij onbekend is, was hiermede afgeloopen. Niet dan met spijt verliet ik deze nieuwe stad, waar ik mij gaarne langer had opgehouden, want ik was er zeker van, dat er nog vele nieuwe en misschien belangrijke ontdekkingen waren te doen. Anderen, in gunstiger omstandigheden verkeerende, zullen de aangevangen taak, naar ik vertrouw, voltooien en ook de monumenten op den rechter oever opsporen, van welker bestaan ik mij verzekerd houde, maar die ik niet heb kunnen vinden.

Wij gaan weer aan boord, en hebben bijna een ganschen dag noodig, om stroomopwaarts den afstand af te leggen, dien wij, de rivier afzakkende, in drie uren hadden afgelegd. De stroom is zoo sterk, dat somwijlen onze manschappen, die de kano voorttrekken, worden meegesleept; echter komen wij toch vooruit.