Reis naar Yucatan De Aarde en haar Volken, 1886

Part 7

Chapter 7 3,838 words Public domain Markdown

Herrera gewaagt ook van eene voorde, waarvan de soldaten van Cortez gebruik maakten om de rivier te doorwaden, ten einde de verschansingen der Indianen te gaan verkennen. Op de plaats waarvan hij spreekt, kan er in de Grysalva nimmer eene voorde zijn geweest: overal is de rivier buitengewoon breed en zeer diep. Zoowel hieruit, als uit andere bijzonderheden, die Herrera mededeelt, blijkt dat de groote veldslag geleverd werd aan de oevers van de rio Seco, en dat daar ook de indiaansche hoofdstad Centla lag, tegenwoordig Comalcalco.

Gedurende mijn verblijf te Frontera houd ik mij vooral bezig met het opsporen van oud aardewerk, en het gelukt mij eene vrij volledige verzameling bijeen te brengen. Wel zijn de indiaansche afgodsbeelden van terra-cotta in Tabasco niet zeldzamer dan elders,--men vindt er eene menigte in de bosschen--maar in den regel slaat men ze stuk; tot hiertoe heeft niemand zich de moeite gegeven, ze te verzamelen; in het museum te Mexico vindt men er geen enkel exemplaar van.

Onder degenen die ik heb bijeengebracht, vindt men verschillende beelden, meer of minder overeenkomende met die van de hoogvlakten. Ik voeg hier (blz. 144) de afbeelding van twee der fraaiste en volledigste bij. Als ik zeg fraaiste, is dat maar bij manier van spreken, want de aarde is ruw en grof, de figuren zijn monsterachtig en onbeholpen, en men zou zeggen, dat de vervaardigers er zich bij voorkeur op toelegden om iets grotesks en leelijks voort te brengen. Maar als bewijzen van de mate van kunstontwikkeling bij de Indianen, en dus als historische dokumenten, hebben ook deze wanstaltige beelden waarde en betekenis.

Intusschen volgen de dagen maar steeds, in vervelende eentonigheid op elkander, en er is geen spoor van een stoomboot te ontdekken. De dood velt rechts en links zijne slachtoffers, maar daar wij midden in het karnaval zijn, wordt er niet minder pret gemaakt en gedanst. De jonge meisjes van de stad verschijnen in het logement, bijdragen vragende voor de kosten van het bal; onder haar zijn er die er heel aardig uit zien, en daar men ook ons uitnoodigt, teekenen wij mede. Mannen, bij wijze van maskerade in onmogelijke lompen gehuld, loopen door de straten, gevolgd door jongens en vrouwen, die luidkeels lachen om hunne kwinkslagen; er worden zwermen afgestoken, koperinstrumenten schetteren, geaccompagneerd door het knarsen en janken van guitaren: het bal begint. De menigte stroomt er heen; wij gaan mede om getuigen te zijn van de reeds vroeger aanschouwde tooneelen en van dezelfde eentonige dansen. Julien, mijn bediende, is de koning van het feest: hij is jong, welgemaakt en danst verrukkelijk: de schoonen van Frontera zijn op hem verzot en dingen om zijn gunst; wel eenigszins tot ergernis van Lucien, die hem niet uit het oog verliest, maar hem zijn geluk vergeeft: want, zegt hij, hij is zachtaardig, dienstvaardig, bescheiden en hij poetst onze laarzen beter dan iemand anders. Deze min of meer kwaadaardige opmerking gaat verloren onder een onbeschrijfelijk gerucht: daar is een twist uitgebarsten, doorgaans het gevolg van gekrenkten minnenijd, die zich wreekt door een dolkstoot of een pistoolschot. Eensklaps knalt een schot te midden der menigte: algemeene verwarring en luid geschreeuw van de dansers; men schiet toe; de moordenaar wordt gevat door eenige vrienden, die hem zeer kalm naar het politie-bureau brengen. Het slachtoffer, aan de linkerzijde van het hoofd getroffen, zakt in elkaar; men draagt hem weg, en het bal gaat, na deze kleine stoornis, weer zijn gang.

Eindelijk verschijnt eene kleine stoomboot, die de rivier moet opvaren, de kapitein wil ons wel opnemen, maar zonder zich tot iets te verbinden en zonder te zeggen, waar hij ons zal afzetten. Ook kunnen wij geen prijs te weten te komen; men zal niet meer van ons vragen dan billijk is: maar dat billijke zal wel zoo hoog mogelijk gesteld worden: wij ondervonden dat later.

Wij vertrekken; maar reeds den volgenden dag, te Jonuta, vindt de kapitein den waterstand onrustwekkend laag: hij aarzelt, of hij de reis wel zal voortzetten! Onze dringende verzoeken laten hem tamelijk onverschillig; eindelijk besluit hij toch voort te stoomen, vooral omdat hij eene groote sloep op sleeptouw heeft genomen, vol Indianen en koopwaren. Deze sloep is intusschen eene belemmering te meer voor onze vaart; en toen het avond geworden was, voeren wij zoo in den blinde door de ondiepe rivier, dat wij omstreeks middernacht aan den grond raakten. Wij ontwaken door den schok: het kwaad is geschied. Te vergeefs laat de machinist zijne machine voor- en achteruit werken: wij zitten als een muur. Tot overmaat van ramp heeft het sleeptouw zich om de schroef gewikkeld, zoodat iedere beweging onmogelijk is.

Wij zijn op tien mijlen afstands van iedere menschelijke woning, en wanneer het water nog meer zakt, hebben wij het aangename vooruitzicht, dat wij in deze positie den was van het volgende saizoen kunnen afwachten. De dag breekt aan, en het geval blijkt minder hopeloos: de bemanning gaat te water, en de kapitein, met een mes gewapend, duikt onder om het touw door te snijden dat de schroef omklemt. Deze begint weer te werken, en nu komt er ook beweging in de boot; omstreeks tien uren raken wij weer vlot, en wij sukkelen voort tot aan Monte-Christo, een armoedig dorp aan den linkeroever van de Usumacinta, waar de kapitein ons aan wal zet.

Onze bagage wordt op den oever neergezet, en nu komt het op betalen aan; ik vraag wat wij schuldig zijn. "Vijfhonderd francs," antwoordt de kapitein. Ik weet dat elke tegenspraak nutteloos is, maar toch veroorloof ik mij de opmerking, dat de boot de groote zware sloep op sleeptouw heeft, bemand met vier Indianen, plus den eigenaar en eene vracht koopwaren, en dat men van dien man niet meer dan vijftig francs voor het traject had gevraagd; ik verzoek dus te mogen weten, waarom men mij zoo veel meer rekent;--maar de kapitein geeft eenvoudig ten antwoord: "Het is vijfhonderd francs." Er schiet niet anders over dan te betalen.

Nu rijst de vraag, hoe wij verder zullen komen. Als wij de rivier volgen, hebben wij vier of vijf dagen noodig om Ténosiqué te bereiken; over land, dwars door de bosschen, bedraagt de afstand niet meer dan vier-en-twintig uren.

Dank zij de tusschenkomst van een Franschman, in dezen uithoek verzeild, gelukt het ons, binnen weinige uren, ons eene kano met de noodige roeiers en levensmiddelen aan te schaffen; ik vertrouw ons geld en al onze verdere bagage aan de hoede van mijn getrouwen Julien, die zich zoo spoedig mogelijk bij ons zal voegen. Lucien en ik nemen een gids en paarden, en gaan den volgenden morgen op weg.

Het weer is prachtig, de grond is droog, de weg gemakkelijk; alles gaat naar wensch; en na door eene uitgestrekte savane te zijn gereden, volgen wij, in de schaduw van het geboomte, den oever der rivier tot aan de monding van de Chacamas, die wij doorwaden. Toen kwamen wij in het woud; onze paarden, die op eene zeer onaangename manier draven, vliegen, zoo hard zij kunnen. Onze gids, die aan deze manier van reizen gewoon is, wil ons zeker in één stuk de twintig mijlen laten afleggen, die ons van Ténosiqué scheiden; daarom maakt hij zooveel mogelijk spoed. Wij hebben moeite om hem te volgen, en de weg dunkt ons minder fraai. Op het nauwe pad, dat wij volgen, struikelen onze paarden telkens over rotsblokken en stukken hout; de takken der boomen slaan ons in het gezicht: en links en rechts, van achteren en van voren, omstrengelen ons de lianen, dreigende ons van het paard te sleuren of te worgen. Welk een afschuwelijke weg! De gids rent maar altijd door, zonder zich in het minst om ons te bekommeren; wij verliezen hem uit het oog, en, uitgeput van vermoeienis, laten wij onze paarden voortstappen, min of meer in den blinde het half gebaande pad volgende.

Een rit van zes uren had onzen honger geprikkeld: en toen wij eindelijk den gids weder vonden, die ons aan den oever eener beek wachtte, was de eerste vraag:

"Waar zijn onze levensmiddelen?

--Welke levensmiddelen?

--Wel, het ontbijt, dat men heden morgen voor ons heeft gereed gemaakt."

De ongelukkige had het vergeten; en om onzen honger te stillen, moesten wij ons tevreden stellen met wat rhum en water.

Hoe ook afgemat, hervatten wij den tocht, om tegen drie uren eene der krommingen van de Usumacinta te bereiken, waar zich de hut van den veerman bevond. Daar waren kippen, dus ook eieren: wij plunderen de arme hut en besproeien ons zeer eenvoudig maal met groote plassen posolé, een mengsel van gemalen maïs en water, maar zonder onzen brandenden dorst te lesschen.

Wij steken over naar den anderen oever, en komen, na een rit van twee uren te Cabecera, een armoedig dorp, op drie mijlen afstands van Ténosiqué. Onze gids wil doorrijden, maar wij weigeren volstandig, en worden gastvrij ontvangen door twee oude dames, die ons kippensoep en gebakken visch voorzetten, welke ons heerlijk smaken. Na een vrij rustigen nacht kwamen wij den volgenden morgen vroeg te Ténosiqué.

IX

Ténosiqué is het laatste dorp in de vlakte; de eerste heuvelen van de Cordillera verheffen zich op twee mijlen afstands; de Usumacinta komt daar, van de steilte nederdalend, met zeer sterk verval, tusschen twee bergen te voorschijn. Een weinig verder begint de sierra met haar doolhof van onbekende valleien, waarin de Lacandons hun verblijf hebben gevestigd. Dat is de plaats onzer bestemming; maar om er te komen, hebben wij vele moeilijkheden te overwinnen.

Ténosiqué ligt op eene hoogte, waardoor het tegen periodieke overstroomingen beveiligd is; maar even als alle van de hoofdplaatsen verwijderde dorpen, bestaat het uit armzalige hutten, en leidt men er een vrij ellendig leven. Men bezorgt ons een hut, waarvan het rieten dak rust op vier wanden van biezen met aarde besmeerd; ondanks wij dit lokaal herhaalde malen laten aanvegen, worden wij toch opgegeten door het ongedierte en gemarteld door de muskieten. Natuurlijk is er geen enkel meubel: gelukkig hebben wij onze hangmatten en veldbedden bij ons. Dit ellendige nest dagteekent niettemin uit de eerste tijden na de verovering, en bestond zeer waarschijnlijk reeds voor dien tijd als indiaansch dorp. In den laatsten tijd heeft dit vergeten dorp eene zekere bekendheid verworven. Ten gevolge van de toenemende zeldzaamheid van het mahoniehout in de bosschen van Tabasco, zijn de handelaars in deze kostbare houtsoort gedwongen geworden, hunne agenten tot naar de onbekende valleien van den staat Chiapas, naar de oevers van de Usumacinta, en zelfs naar Guatemala te zenden. Ténosiqué is daardoor de stapelplaats geworden voor alle produkten van dien aard, die uit Guatemala komen, en de woonplaats van de geëmploieerden der beide huizen, die tot dusver dezen handel gemonopoliseerd hebben.

De geschiedenis van een blok mahoniehout is merkwaardig genoeg: ik zal mij de vrijheid veroorloven, ze aan mijn lezer te vertellen.

Niet iedereen kan zulk eene exploitatie op touw zetten; daartoe behoort een aanzienlijk kapitaal en eene volledige kennis van de plaatselijke gesteldheid, benevens de geschiktheid om met de menschen, met wie men in aanraking komt, om te gaan. Meer dan een, verlokt door het vooruitzicht der buitensporige winst, heeft zich, door gebrek aan kennis en ondervinding, geruïneerd.

Het mahoniehout zelf kost niets; de boomen staan daar in dichte gelederen, recht als dennen, hoog en prachtig; de staat legt u slechts eene zeer geringe belasting op van vijf francs per stuk. Gij hebt ze voor het nemen: maar juist daar ligt de moeilijkheid. Vooreerst moet een plek opgespoord worden, waar mahonieboomen in menigte te vinden zijn. De handelaar heeft daarvoor speciale agenten, _monteros_ genoemd. De montero is een ondernemend, moedig, energiek man, gewend aan het wilde leven in de bosschen en bestand tegen alle vermoeienissen; hij begeeft zich op weg, gevolgd door twee Indianen en een muilezel, die de mondbehoeften draagt; hij neemt zijn revolver en zijn geweer mede, niet zoo zeer als veiligheidsmaatregel, maar om te kunnen jagen, want als de levensmiddelen zijn opgeteerd, moet hij op die wijze in het onderhoud van drie menschen voorzien. Hij verlaat de bekende paden, en trekt het oerwoud in, waar hij zich met behulp van zijn sabel, een smallen doortocht moet banen, die zich achter hem aanstonds weer sluit; somwijlen blijft hij twee of drie maanden lang in deze onbekende wildernis, telken avond een hut van takken en bladeren bouwende, als schuilplaats tegen de tropische stortregens, vechtende tegen de wilde dieren, dagen achtereen rondzwervende door moerassige streken, waar de vochtige grond verpestende dampen uitwasemt, bezwangerd met koortsmiasmen. Steeds zoekt hij overal naar het kostbare hout; hij telt de boomen, hij merkt ze, en geeft, als hij terug keert, aan zijn chef het juiste getal op.

Hij heeft nu de lokaliteit bestudeerd, heeft zich rekenschap gegeven van de bezwaren, aan de exploitatie verbonden, en de kosten van transport berekend; er moet eene keus gedaan worden, want hij kan niet alles medenemen. Hoe vele prachtige boomen heeft hij niet op zijn zwerftochten ontmoet; welke schatten heeft zijn oog niet aanschouwd, die toch voor hem onbereikbaar zijn! Volslagen gemis van wegen, een zeer ongelijk, bergachtig terrein, een allesoverweldigende plantengroei, ziedaar de bezwaren, die men moet overwinnen, om den schat meester te worden. Hoe zal men dat aanleggen? De weg is te maken; maar er moet noodzakelijk eene rivier in de onmiddellijke nabijheid zijn, want zoodra de afstand meer dan twee mijlen bedraagt, wordt de exploitatie, met het oog op de kosten, onmogelijk. De rivier is de steeds bereidvaardige helpster, die zich kosteloos met het vervoer belast: zij voert de kostbare blokken mede en brengt ze, ondanks alle hinderpalen, rotsen, watervallen en stroomversnellingen, ongedeerd voor uwe deur.

Het terrein is nu verkend; een beëedigd landmeter gaat er heen om de grenzen te bepalen: en de houthakkers kunnen nu aan het werk gaan. Neen, zoover zijn wij nog niet: er is gebrek aan handen; de arbeiders zijn schaarsch, en allen zijn gehuurd--dat wil zeggen, moeten werken om hunne schuld af te doen bij de ondernemers, die zonder dit van ouds in zwang zijnde stelsel, niemamd zouden kunnen vinden om voor hen te werken. Zij leggen het dus zoo aan, dat de Indianen bij hen in schuld komen; en is het eenmaal zoo ver, dan zijn zij de slaven van hunne schuldeischers. Daar de Indiaan zwak van karakter is, zorgeloos en op drank verzot, raakt hij telkens meer in de schuld, en zoo is hij feitelijk veroordeeld tot levenslangen dwangarbeid. Komt hij te sterven, dan is de zoon verantwoordelijk voor de schuld van den vader en treedt in diens plaats; dat is nog de aloude wet der Mayas, die nog steeds van kracht is. Zonder deze wet zouden wij, ondanks hooge werkloonen, geen mahoniehout hebben; want evenmin als de bewoners van welk ander tropisch gewest ook, werkt de Indiaan vrijwillig, en het geld heeft voor hem weinig bekoring. Daar de Indiaan zijn meester niet verlaten kan, zoolang zijn schuld niet aangezuiverd is, betaalt de nieuwe ondernemer die ten einde zich werklieden te verschaffen; zoo kost iedere arbeider twee-, drie- tot vijfduizend francs; en somwijlen heeft men twee- tot driehonderd man noodig. Ge ziet dus, dat de ondernemer over kapitaal moet kunnen beschikken.

De arbeiders begeven zich op weg, en worden door den montero naar de bepaalde plaats geleid. Daar, midden in het woud, op dertig, veertig, zestig mijlen van iedere menschelijke woning, worden de ranchos opgeslagen, en rusteloos heen en weer trekkende konvooien voorzien de nieuwe kolonie van de noodige werktuigen en levensmiddelen. Dat is nog niet alles; de boomen worden geveld; men ontdoet ze van het spint--het zachte hout onder de schors--; men zaagt ze in blokken, en de kostbare waar groeit tot stapels: maar de rivier is verre, en de stammen staan op vrij grooten afstand van elkander: bijna voor iederen stam moet een pad gebaand worden! En wie zal ze vervoeren? Ossen; maar ossen zijn in de provincie nog zeldzamer dan mannen; men moet ze dus gaan halen aan gene zijde van de Cordillera, in de vlakten van Chiapas, op honderd-vijftig mijlen afstands. Zij zijn daar niet duur: voor twintig piasters (honderd francs), kan men zeer goede beesten hebben; maar de afstand, de bezwaren van de reis, het onvoldoende voedsel doen de kudde dikwijls tot op een vierde slinken; het woud ligt bezaaid met lijken, en de weinige ossen, die eindelijk behouden ter bestemder plaatse aankomen, verkeeren in een zeer ellendigen toestand en kosten ieder meer dan vierhonderd francs.

Maar ook nu houdt de sterfte nog aan: vele dieren bezwijken ten gevolge van vermoeienis en het ongewone, ontoereikende voedsel, dat hoofdzakelijk uit bladeren en _ramon_ bestaat. Bovendien maken de arbeiders, die hun honger naar versch vleesch moeilijk kunnen bedwingen, dikwijls met opzet dat er een ongeluk gebeurt, zoodat een os moet worden gedood. Telkens moeten nieuwe dieren worden aangevoerd, en het blok mahoniehout wordt aardig duur.

Eindelijk is de oever der rivier bereikt. Daar wordt elk blok aan de zes kanten met een cijfer gemerkt, en van den hoogen oever in de bedding geworpen. Bij den eerstvolgenden was zal het water al die blokken medevoeren; blijft er bij ongeluk een hier en daar, op een rots of in een bocht van den oever vastzitten, dan wordt het toch in het volgende jaar medegevoerd.

In den tijd als de wateren der rivier zwellen, begeven de Indianen van Ténosiqué zich met lichte kanos naar de plaats, waar de Usumacinta uit de bergen te voorschijn treedt, naar de zoogenaamde Boca del rio, om daar de mahonie blokken op te wachten, die de rivier bij honderden medevoert; zij krijgen twee-en-een halve franc per blok, en het is onder hen een hartstochtelijke wedstrijd, wie de moeste blokken machtig zal worden. Daar elk blok gemerkt is, rangschikken zij ze naar de eigenaars, binden ze tot vlotten en voeren ze zoo naar het dorp. Al die arbeid, al die moeiten en gevaren, al die uitgaven zijn noodig, waarde lezers, om u van mahoniehout te voorzien; en nu heb ik nog niet gesproken van de epidemieën, die het vee doen sterven, van de koortsen, waaraan de arbeiders bezwijken, van monteros, die met het geld op den loop gaan of het verspillen, en van andere kwade kansen meer.

Intusschen heb ik zelf met allerlei moeielijkheden te worstelen, die mijn vertrek vertragen. Ik ontvang zulke tegenstrijdige berichten omtrent de ruïnen, wier ontdekking ik mij ten doel heb gesteld, dat ik soms geneigd ben aan eene algemeene samenspanning, eene onverklaarbare mystificatie te gelooven. De ruïnen bestaan; de persoon zelf, die ze voor het eerst zag, geeft mij daarvan de uitdrukkelijke verzekering. Zij zijn ver verwijderd, vijftig mijlen ver, aan de andere zijde van de sierra, op den linker oever van de Usumacinta; een weg is er niet, maar de richting, die ik volgen moet, is bekend. Ik houd mij dan ook onledig met de toebereidselen voor den tocht, maar mijne handen zijn gebonden.

Daar ik aanbevelingsbrieven bij mij had voor de beide handelshuizen in het dorp, had men mij, bij mijne komst, alle mogelijke beloften gedaan, maar geene enkele daarvan gehouden. Ik had op zijn minst vijftien manschappen noodig, benevens veertien muildieren en drie paarden; er waren noch paarden, noch muilezels, noch manschappen. Om de laatsten te verkrijgen, liet ik twintig mijlen in het rond nasporingen doen, onder aanbieding van dubbel loon; wat de muildieren betreft, gaf men mij te kennen, dat er eerlang een konvooi uit Peten verwacht werd: na eenige dagen rust, zouden de muildieren wel weer voor den tocht geschikt zijn. Ik had levensmiddelen: rijst, bonen en beschuit, maar geen vleesch. Met moeite kon ik twee stieren machtig worden, die geslacht werden en wier vleesch in lange reepen werd gesneden, gezouten en gedurende drie dagen in de zon gedroogd. Dit vleesch, _tasajo_ genoemd, kan zoo lang bewaard worden als men wil.

Inmiddels had men eenige manschappen bij elkander gebracht, en men verzekerde mij, dat de anderen zouden volgen; maar de zoo vurig verlangde muildieren kwamen niet opdagen. Eindelijk, op een avond, den achtsten dag van onze gedwongen gevangenschap, hooren wij kreten en het getrappel van hoeven. Wij ijlen naar buiten: dat waren de muildieren! Ik tel ze haastig: daar zijn er twaalf; wij zijn gered! Neen, nog niet; want den volgenden morgen ontwaarde ik, tot mijn schrik, in welken rampzaligen toestand de arme dieren verkeerden. Zij waren bijkans levende geraamten, overdekt met afzichtelijke, stinkende wonden, half dood, en ten eenemale buiten staat om eene zoo langdurige en bezwaarlijke reis te ondernemen.

De eigenaar verzekerde mij evenwel, dat zij na acht dagen rust weder zouden kunnen vertrekken, mits zij slechts de helft van de gewone vracht hadden te dragen. De schurk kon met des te meer gerustheid die verzekering geven, daar hij er vast op rekende dat de meeste muilezels onderweg zouden bezwijken, in welk geval ik ze hem, tegen den prijs van nieuwe dieren, zou moeten vergoeden: hetgeen later ook inderdaad gebeurde. Maar ik vermoedde niets van deze sluwe berekening, en wij hielden ons onledig met onze laatste toebereidselen.

De manschappen verschenen; voor de muildieren werden nieuwe pakzadels en tuigen gemaakt, omdat de oude geheel versleten waren; men verdeelde de vrachten onder het opzicht van den chef der muilezeldrijvers, die het bestuur der karavaan op zich zou nemen, en ik moest een gedeelte van mijn materieel achterlaten. Dit was niet alles; de montero, die ons als gids zou dienen, verzekerde mij dat wij niet rechtstreeks naar de ruïnen konden gaan: op een zeker punt aan den rechteroever van de rivier gekomen, moesten wij de Usumacinta ongeveer vijf mijlen ver afzakken, om dan aan den linkeroever, vlak tegenover de monumenten, aan land te gaan. Het was dus noodig, eenige manschappen vooruit te zenden, om een weg door het woud te banen en ook eene groote kano te timmeren, die ons naar de puinhoopen der oude stad brengen zou.

Den volgenden dag gingen dan ook zes man op weg, met het beste muildier, dat de noodige levensmiddelen droeg en de gereedschappen voor het maken der boot; wij zelven zouden later volgen. Na velerlei getob en oponthoud konden wij dan toch eindelijk den vijftienden Maart 1882 vertrekken. De muildieren zijn niet genezen: men heeft hunne wonden gewasschen, dat is alles; en onder den druk der nieuwe vrachten zullen deze wonden op schrikbarende wijze verergeren: ik ben overtuigd, dat enkele dieren bezwijken zullen. Maar wat te doen? Ons rest geen keus: reeds bij het vertrek, en hoe wel slechts eene halve vracht te dragen hebbende, schijnen de arme dieren onder den last te bezwijken.

Wij zijn midden in het woud; de weg is afschuwelijk, of liever, er is in het geheel geen weg: doornstruiken, lianen, kreupelhout, omgevallen boomen houden ons elk oogenblik tegen; het pad is zoo smal, dat de muilezels telkens tegen de takken stooten, waardoor hunne vracht wordt verschoven, en zoo weinig gebaand, dat men zeer oplettend moet zijn om het spoor niet geheel bijster te raken. Wij komen slechts zeer langzaam vooruit: de eerste dag der reis is altijd de moeilijkste; men moet de muildieren, die zeer onwillig zijn, voortsleepen en daarbij zeer streng in het oog houden, want zij peinzen voortdurend op een middel om te ontsnappen. Omstreeks het midden van den dag zijn er twee muildieren verdwenen; na een uur zoeken worden zij terug gevonden.