Reis naar Yucatan De Aarde en haar Volken, 1886

Part 6

Chapter 6 3,777 words Public domain Markdown

Omtrent de geschiedenis van Kabah verkeeren wij niet ten eenemale in het duister. Wij zeiden reeds, dat bij de verschijning der Spanjaarden, Yucatan in verschillende onafhankelijke vorstendommen of heerlijkheden was verdeeld. Maar een eeuw vroeger voerde de vorst van eene zekere stad, Mayapan genoemd, den schepter over het geheele schiereiland: hij had de aan zijn vorstendom grenzende gewesten onderworpen en, als naar gewoonte, hunne hoofdsteden verwoest. De caciquen van de Sierra, waartoe ook de vorsten van Kabah, Uxmal enz. behoorden, waren onder de verwonnelingen.

De vorst van Mayapan kon zijn gezag alleen staande houden met behulp van eene mexikaansche bezetting: dit geeft ons een datum. Wij weten namelijk dat de Azteken schatplichtig waren aan den koning van Azcapozalco, en dat zij eerst onder de regeering van Itzcoatl, omstreeks het jaar 1425, hunne onafhankelijkheid herwonnen; dat zij echter eerst onder de regeering van Montezuma I, omstreeks 1440, invloed verwierven en veroverend optraden; zij konden dus eerst in dezen tijd aan den vorst van Mayapan hulptroepen zenden.

Om zijne heerschappij te verzekeren en zijne vazallen in onderwerping te houden, dwong de koning van Mayapan de hoofden der voornaamste familiën om als gijzelaars aan zijn hof te vertoeven; het juk der overheersching drukte des te zwaarder en scheen te hatelijker, omdat de overwinnaar steunde op de hulp van vreemde soldaten. De andere vorsten sloten onderling een verbond, waaraan ook de bewoners van de Sierra deelnamen; het kwam tot een oorlog; de koning van Mayapan werd overwonnen en zijne stad geheel verwoest. De gevangen gehouden caciquen keerden naar hunne woonsteden terug.

Dit geschiedde in 1420, volgens Landa; maar volgens Herrera, wiens chronologie veel juister schijnt en door beter bewijzen gestaafd, in 1460. "Volgens hem verliepen er zeventig jaar tusschen de verwoesting van Mayapan en de komst der Spanjaarden: Montejo nu hield van 1528 tot 1531 Chichen bezet. Herrera verzekert ook, dat na de verdeeling van het land in onafhankelijke gewesten, de bevolking zich zoo sterk vermenigvuldigde, dat het geheele land slechts eene enkele stad scheen; men bouwde overal tempels en paleizen: "het is daarom dat er zoo velen van zijn." Ook Landa zegt hetzelfde: ook hij verzekert dat de bevolking buitengewoon toenam en dat er tempels in menigte gebouwd werden, "zoodat men die heden nog overal ziet, en dat men in de bosschen, te midden van het woud, groepen van huizen en verwonderlijk schoon bewerkte paleizen vindt."

De monumenten, waarvan wij de ruïnen nog heden kunnen bestudeeren, zijn dus in geenen deele uit lang vervlogen eeuwen, uit voorhistorische tijden afkomstig.

De weg van Kabah naar Santa-Helena is een der beste, die wij nog ontmoet hebben: hij is vrij breed, goed belommerd en niet al te oneffen. Was deze bruikbare weg voor ons reeds eene verrassing, eene nog grootere wachtte ons, toen wij het prachtige indiaansche dorp Santa-Helena bereikten.

Dit dorp beslaat eene aanzienlijke uitgestrektheid gronds, die, even als eene nieuwerwetsche stad, in regelmatige vierkante vakken is verdeeld; elk vak, met groote boomen beplant, is weder gesplitst in perceelen van ongeveer tweeduizend el in oppervlakte, omringd door muren van gedroogden steen, waarop de woning van den eigenaar staat. Eenige bloeiende heesters en vruchtboomen vormen kleine bosschages, en nabij de woning ziet ge een soort van groote horde van rijswerk, twee meter in het vierkant en op palen rustende, waarover een laag teelaarde is gespreid. In dit hangende tuintje kweekt de eigenaar bloemen en eenige groenten. Een zwerm van gevogelte stoffeert het stille plekje: het gekakel van kippen, het gekwaak van eenden en het geklok van kalkoenen vermengt zich met het geknor van varkens. Alles teekent welvaart, bijna overvloed.

Dit dorp was voor mij bijna eene openbaring uit het verleden. Zoo moet, zeide ik tot mij zelven, een dorp der Mayas er hebben uitgezien. Uit hetgeen wij voor oogen hebben, kunnen wij zonder moeite en met meer dan waarschijnlijkheid tot de vroegere toestanden besluiten; de eeuwenoude traditiën, de overgeërfde begrippen en voorstellingen, geheel de omgeving oefenen een zoo machtigen invloed op de menschen uit, dat er in de indiaansche organisatie niet veel veranderd kan zijn. Van waar zou ook zulke verandering gekomen zijn? De Spanjaarden hebben wel, ook in Yucatan, hunne godsdienst ingevoerd, en dat geschiedde meer door geweld, dan langs den weg der overtuiging; maar zij konden noch de bebouwing des lands, noch de kleederdracht, noch de zeden, noch de taal veranderen. Zij zelven ondergingen, door de aanraking met het onderworpen ras, gaandeweg eene zeer wezenlijke verandering; en indien het hun al gelukte de plaats in te nemen van de oude beheerschers des lands, zoo traden zij toch onder menig opzicht, eenvoudig in hun spoor.

Yucatan was eene feodaliteit, waarvan de sporen nog geheel te herkennen zijn; overal langs de wegen en in de bosschen, vindt men de overblijfselen van meer of minder belangrijke gebouwen, die het middelpunt vormden van eene nederzetting, van eene groote plantage: de twee, drie of vier pyramiden, vroeger met monumenten bedekt, stellen ons nog in staat ons een denkbeeld te maken van de macht en het aanzien van den cacique, die daar weleer zijn zetel had.

Tegenwoordig zijn die nederzettingen ongetwijfeld minder talrijk en minder belangrijk, want de bevolking is tot minder dan een tiende geslonken, dank zij het vaderlijk regeeringsstelsel der veroveraars; maar de steden, dorpen en haciendas hebben dezelfde bestemming én staan nog op de oude plaats: daar zijn er maar weinigen, in wier onmiddellijke nabijheid men geen ruïnen vindt en die niet zijn gebouwd met de materialen, van de vroegere monumenten afkomstig. Overal heeft de Spanjaard de plaats ingenomen van den overwonnen cacique; er is niets veranderd, dan alleen dat de oude adellijke familie tot armoede en slavernij is vervallen.

In het wezen der zaak is niets veranderd: de hacienda met haar gebouwen in spaansch-moorschen stijl heeft de plaats ingenomen van het paleis der vorsten of de nederiger woning van den edelman. Maar even als vroeger, omgeven de hutten der arbeiders en onderhoorigen ook nu het huis van den heer, en die hutten vertoonen nog heden het beeld der vroegeren: ook zij zijn langwerpig van vorm, met riet gedekt, en, wanneer de bewoner maar eenigszins welgesteld is, versierd met die kleine ruitvormige teekeningen, eene flauwe afschaduwing der rijke dekoratie van de paleizen der vroegere vorsten.--Alleen de godsdienst is veranderd: de kerk heeft den tempel verdrongen: maar wie zal zeggen, in welke mate de oude heidensche wereldbeschouwing nog leeft in de harten dezes volks? Van Santa-Helena begeven wij ons naar Uxmal, waar ons de administrateur, Don Luïz Perez, wachtte. De hacienda is niet meer de verlaten, eenzame woning van voorheen: er heerscht thans leven en beweging, en overal is alles in volle werkzaamheid. In plaats van eene eenvoudige hut, aanschouwt ge een statig gebouw, dat ruime zalen en vertrekken bevat en met eene op kolommen rustende veranda prijkt. In de werkplaats zijn dag en nacht honderden Indianen aan den arbeid; een spoorweg loopt van de hacienda naar de plantages en de met muildieren bespannen wagens voeren onophoudelijk vrachten suikerriet aan; er is een rustelooze beweging, een komen en gaan van menschen en paarden en vee: alles teekent leven en welvaart. Maar evenals vroeger, is de woning ongezond; en de majordomo klaagt bitter over de sluipkoortsen, die zijne gezondheid ondermijnen.

De ruïnen zijn twee mijlen van de hacienda verwijderd.

Uxmal, de mededingster van Chichen, is reeds meermalen beschreven; wij zullen ons dus hier tot het voornaamste bepalen. Daaronder komt de eerste plaats toe aan het zoogenaamde paleis van den gouverneur, buiten kijf het grootste en het prachtigste van alle oude monumenten in Amerika; zijne ligging op drie opeenvolgende terrassen verhoogt nog het effekt van dit tegelijk sobere en rijke gebouw. Hoewel sedert drie eeuwen verlaten, schijnt dit paleis nog bijna nieuw; het zou geheel ongeschonden zijn, indien de vroegere eigenaars niet de steenen van het onderste gedeelte hadden laten weghalen om daarmede hunne hacienda te bouwen.

Het zoogenaamde paleis der nonnen beslaat een groot parallelogram, gevormd door vier fraaie gebouwen, wier bij uitnemendheid rijke ornamentatie aanstonds de aandacht trekt. De noordelijke vleugel van dit paleis bevat een stuk van een kleiner en ongetwijfeld ouder gebouw: naar men vermoedt, zou dit het overblijfsel zijn van een paleis, dat deel uitmaakte van eene vroegere stad Uxmal, die, naar men zegt, verwoest werd. Het laatste paleis dagteekent vermoedelijk uit den tijd na den val van Mayapan.

Het huis van den Dwerg, ook het huis van den Waarzegger genoemd, is een zeer fraaie tempel op den top eener zeer steile pyramide, die eene hoogte bereikt van bijkans honderd voet. De tempel bestaat uit twee gedeelten: het eene staat op het bovenste terras; het andere is bij wijze van souterrain daartegen aangebouwd en met den gevel naar het westen gekeerd. Deze soort van kapel was zeer rijk versierd en waarschijnlijk aan den dienst van een der voornaamste goden gewijd. Twee groote trappen, een ten oosten en een ten westen, voeren naar de beide gebouwen.

Pater Cogolludo bezocht dien tempel in 1656; hij verhaalt ons dat de trap zoo steil was dat hij er duizelig van werd, en dat hij in een der zalen van het gebouw offeranden van cacao vond en sporen van copal, die men er sedert kort gebrand had: hieruit blijkt dus, dat de Indianen van Uxmal, honderd-vijftien jaren na de verovering, nog aan hunne goden offerden. Daaruit blijkt ook, dat de tempel nog in wezen was en dat de Indianen er nog hunne oude eeredienst uitoefenden.

Uxmal is de eenige stad, waar de gebouwen zoo geplaatst zijn, dat men ze gezamenlijk overzien kan. Bepaaldelijk wordt de aandacht getrokken door eene groote pyramide zonder monument, met eene breede vlakke kruin, die den naam draagt van _Cerro de los sacrificios_, heuvel der offeranden, waar de menschenoffers plaats grepen. Deze pyramide zou dan eene navolging zijn van de mexikaansche tempels, welke uit eene pyramide bestonden, met kleine houten kapellen waarin de beelden van de afgoden stonden, en den _techcatl_, een blok steen met bolle oppervlakte, waarop het slachtoffer werd uitgestrekt, zoodat de vooruitstekende borst gemakkelijk door het mes van den priester kon worden opengesneden, die er vervolgens het hart uitnam. Het menschenoffer geschiedde altijd ten aanschouwe van het volk, aan den rand der pyramide, van waar men vervolgens het lijk naar beneden wierp, opdat de toeschouwers het onder zich zouden kunnen verdeelen en verslinden.

De Tolteken daarentegen, bij wie het menschenoffer niet in gebruik was, hadden werkelijk tempels op hunne pyramiden, naar de beschrijving te oordeelen, geheel overeenkomende met die, welke men in Yucatan ziet, waar zij deze wijze van bouwen invoerden en ontwikkelden. Vinden wij dus bij de Mayas het menschenoffer en de daarmede verbonden anthropophagie, dan kunnen wij dit gebruik alleen aan mexikaansche invloeden toeschrijven: alle geschiedschrijvers verklaren dan ook eenstemmig dat het de Azteken waren, die deze afschuwelijke gewoonte in het schiereiland invoerden. Maar wij weten dat deze Azteken niet voor het jaar 1440 als hulptroepen naar Mayapan konden komen. De voor het voltrekken der menschenoffers bestemde monumenten kunnen dus niet ouder zijn dan de tweede helft der vijftiende eeuw.

Ik kan te dezer plaatse deze kwestie van den ouderdom der monumenten van Yucatan niet in alle bijzonderheden bespreken; op deugdelijke gronden ben ik overtuigd dat de steden van het schiereiland, op verschillende tijden door de veroverende Tolteken gesticht, voor het meerendeel niet ouder zijn dan de elfde eeuw, en dat de jongsten uit de vijftiende eeuw dagteekenen.

Wij nemen afscheid van de ruïnen en slaan den weg in naar Muna, een aanzienlijk vlek, waar een feest gevierd wordt. Welk een aantal feesten! Bijna in elk dorp, dat wij doortrekken, is het feest. Dat is eene uitmuntende gelegenheid om te drinken; het wemelt van beschonkenen en de herbergen zijn vol van Indianen, die het verfoeilijke bier drinken. Maar ge hoort geen geschreeuw en ziet geen vechtpartijen of ergerlijke tooneelen: zelfs in hunne dronkenschap zijn deze lieden stil en vreedzaam. De een gaat op den grond liggen; een ander ziet u met verglaasde oogen aan; een derde wil u uit louter teederheid omhelzen.

Op het marktplein waggelt een mooie, rijzige mesties, met een blauwen hoed op en geheel in het nieuw gestoken; hij valt, maar richt zich weer op, dank zij de krachtige hulp van zijne moeder en zijne vrouw, die hem zoo goed zij kunnen ondersteunen en trachten weg te voeren. Dicht bij ons, op de trappen van de herberg, waar wij onzen intrek genomen hebben, richt een jonge Indiaan zich op: aarzelend kijkt hij naar den winkel, waaruit hij naar buiten is getuimeld, en die hem zoo onwederstaanbaar lokt met al die gevulde flesschen. Twee schreden verder staat zijne kleine vrouw, die hem wacht, en hem met haar zachte stem toefluistert, "_Coox...._ laat ons gaan." Maar hij gaat niet: de verzoeking is hem te sterk: hij keert in de herberg terug en komt naar buiten met een gevuld glas, dat hij zijne echtgenoote aanbiedt. De Indiaansche keert zich om, omsluiert zich het gelaat, drinkt het glas leeg, en zegt tot haar gemaal, maar op nog zachter toon: "_Co.....ox_." Hij, denkende haar overreed te hebben, lacht onnoozel, keert in de herberg terug, drinkt nog een glas en gaat nu, bijna bewusteloos, met dof starende oogen, weer op de trap liggen. "_Co....ox....coox_," herhaalde de vrouw op klagenden toon; maar hij hoorde haar niet meer. De ongelukkige zal daar misschien den geheelen nacht blijven liggen, en zijne vrouw zal bij hem waken tot de dag aanbreekt.

Wij vernachtten te Abala in eene verlaten hut, en kwamen den volgenden morgen ten tien uren, te Merida.

VIII

Wij gaan te Progreso aan boord van de _Asturias_, een stoombootje zoo groot als een notendop, met slechts vier slaapplaatsen. Gelukkig zijn wij de eenige passagiers. De zee is kalm, en den volgenden morgen vroeg komen wij te Campêche. Daar het bootje maar zeer weinig diepgang heeft, kunnen wij dicht genoeg de kust naderen om het panorama van de stad te kunnen genieten; grootere stoomschepen moeten ook hier, even als te Progreso, het anker uitwerpen op vier mijlen afstands van de kust, van waar men ter nauwernood het land kan zien.

Campêche werd gebouwd op de plek, waar eene oude indiaansche stad stond, en waar Antonio de Cordova zich ophield bij zijne eerste ongelukkige expeditie van 1517. De Indianen kwamen de vreemdelingen tegemoet, en, zegt Bernal Diaz del Castillo, "zij geleidden ons naar zeer uitgestrekte gebouwen, die de kapellen van hunne goden bevatten. Op de muren dier gebouwen zag men bas-reliefs, reusachtige slangen verbeeldende; daarnaast, geschilderde afbeeldingen van goden, rondom een soort van altaar, waarop nog versche bloeddroppelen zichtbaar waren. Een groot aantal mannen en vrouwen kwamen naderbij, glimlachende en vriendelijk; naar het scheen, enkel gedreven door de begeerte om ons te zien."--Maar het tooneel veranderde weldra: men bracht vuurpotten, waarin geurig riet brandde, en priesters, wier haren doortrokken waren van bloed, beduidden den Spanjaarden dat zij deze kust moesten verlaten, eer de vuurpotten waren uitgebrand, anders zouden zij vermoord worden. De Spanjaarden verwijderden zich aanstonds, en keerden eerst in 1541 te Campêche terug. Tempels en pyramiden zijn sedert lang verdwenen, maar zoowel deze gebouwen als de eigenaardige versiering, de zonderlinge ceremoniën, die priesters met hunne bloedige haren--dit alles herinnert ons levendig aan Mexico. Wat is er van die tempels en pyramiden geworden? Als alle gebouwen langs de kust of in de onmiddellijke nabijheid der spaansche nederzettingen, zijn zij van de aarde verdwenen; zij behoorden tot dezelfde bouworde als de monumenten in het binnenland, die aan de vernielingswoede der veroveraars ontsnapten en die, zij het ook als ruïnen, nog bestaan.

Toen Campêche later de rijkste stad van Yucatan was geworden, werd zij bij herhaling door fransche en engelsehe zeeschuimers geplunderd; om de stad tegen die bijna periodiek wederkeerende rooverijen te beveiligen, omgaf men haar met een zwaren muur en bracht haar in staat van tegenweer. Die muur, waaraan de stad toen hare veiligheid dankte, beknelt en benauwt haar nu, en verhindert hare uitbreiding. Het voorkomen van Campêche verschilt van dat van Merida: de kromme bochtige straten der voorsteden, de grachten met haar ophaalbruggen en de zware muren geven haar het karakter eener vesting, waarop zij roem draagt: metterdaad werd zij slechts eene enkele maal belegerd door de inwoners van Merida, die haar niet konden overmeesteren. De straten loopen niet rechtlijnig, zoo als in alle andere steden der republiek; en de ongelijke huizen, die ook hooger zijn dan in de mexikaansche steden, geven aan Campêche een minder oostersch voorkomen. Monumenten zijn er niet, en de kathedraal is meer dan eenvoudig.

De rijke kooplieden bezitten, buiten de stad, villas en buitenverblijven, _fincas_ genoemd, waar de tropische flora al haar weelde en overstelpenden rijkdom ten toon spreidt, en die de stad met een krans van groen omringen.--Uit zee gezien, maakt Campêche, zoo als het daar ligt tegen het hellende strand, tusschen twee fraai gevormde heuvelen, een zeer schilderachtigen indruk.

De boot zou hier een dag stilhouden. Ik haastte mij aan land te gaan om de hand te drukken van een mijner beminnelijkste correspondenten, don José Ferrer, die mij reeds herhaaldelijk, met den vriendelijksten aandrang, gastvrijheid had aangeboden, ingeval mijne studiën mij naar Campêche mochten voeren. Ik vond daar een alleraangenaamst interieur, en bracht in den blijden familiekring, onder zang en muziek en vroolijk gesprek, een dag door, dien ik niet gemakkelijk vergeten zal.

Om vier uren in den namiddag moest ik weer naar onze drijvende notendop terugkeeren om naar Carmen te stoomen, en reeds verheugde ik er mij over dat wij nog alleen aan boord waren, toen eene groote sloep vol passagiers de boot naderde. Het was een troep tooneelspelers, achttien personen sterk, vergezeld van honden, katten en papegaaien. Dat was een ramp! Het vooruitzicht toch, in dit gezelschap, een paar dagen op zee te moeten doorbrengen, was alles behalve aangenaam: te minder daar wij vriendelijk verzocht werden, de hutten te ontruimen, die de troep reeds voor lang had afgehuurd. Niet zonder moeite kon ik bewerken, dat men mijn secretaris Lucien ongemoeid zou laten, die met hevige koorts te bed lag. Zijn kermen trok de aandacht van de komedianten, en de vrouwen maakten zich ongerust over de nabijheid van den zieke. "Wat scheelt hem toch? vroegen zij, op angstigen toon. Het is toch niet de gele koorts?

--Waarschijnlijk wel;" antwoordde ik met een zeer ernstig gezicht; en de verschrikte troep ontruimde dadelijk de hutten om zich naar het andere einde van het schip terug te trekken.--Wij namen weer bezit van onze bedden en brachten een zeer aangenamen nacht door, zoodat wij des morgens verkwikt te Carmen aankwamen.

Carmen is de groote stapelplaats van het onder den naam van Campêchehout bekende verfhout; de stad is rijk; een aantal handelshuizen hebben groote fortuinen gewonnen in dien weinig bekenden handel, die een langdurig verblijf in het land vordert en eene volkomen kennis eischt van de plaatselijke toestanden en van de menschen, met wie men in aanraking komt. Een van de voornaamste huizen is dat van de heeren Anizan, waarvan ik vroeger den stichter had gekend: hij was dood, maar zijn broeder don Benito en zijn zoon don Pancho waren nog in leven. Wij hadden elkander in geen vijf-en-twintig jaren gezien, en wij waren dus alle drie vrij wat veranderd: men herkende mij eerst nadat ik mijn naam had genoemd. Maar nu was ik ook aanstonds een lid der familie; ik knoopte met don Benito een gesprek aan over de ruïnen, waarmede hij volkomen vertrouwd was. Hij had juist eene zeer merkwaardige ontdekking gedaan. Don Benito is eigenaar van een zeer groot eiland in de Usumacinta, het eiland del Chimal, waar men oude pyramiden, graven en overblijfselen van tempels vindt. Bij het doen van opgravingen had men nu kanonnen gevonden van gebakken aarde, anderhalve el lang, met kogels eveneens van gebakken aarde, waarvan hij mij enkele exemplaren aanbood. Dit aarden kanon schijnt inderdaad iets zeer vreemds, maar bij nadenken wijkt mijne verbazing en kan ik mij de zaak zeer goed verklaren. Het schijnt mij zeer natuurlijk, dat ten gevolge van den grooten veldslag, dien Cortez tegen de troepen van Tabasco moest leveren bij Centla--tegenwoordig Comalcalco--waarbij hij al zijne krachten moest inspannen en waarin vooral de artillerie uitstekende diensten bewees,--het schijnt mij natuurlijk, zeg ik, dat de Indianen, ten hoogste getroffen door de vreeselijke uitwerking van het nieuwe wapentuig, eene poging hebben beproefd om het na te maken. Zonder zich rekenschap te geven van de werking van het kruit en onbekend met het ijzer, vergenoegden zij zich, in hunne naieve onwetendheid, met het nabootsen van dit moorddadig wapentuig in aarde, denkende dat zij daarmede hetzelfde doel zouden bereiken als de Spanjaarden met hun geschut.

Bij den dood van den cacique werden de kanonnen en de kogels van gebakken aarde met hem begraven. Ook hieruit wederom blijkt de jonge dagteekening van sommigen dezer grafheuvelen.

De vaart van Carmen naar Frontera duurt twaalf uren; juist een jaar nadat wij deze plaats verlaten hadden, stapten wij er weer aan land. Er is niets veranderd: de kleine aanlegsteiger ziet er nog wat meer vervallen uit dan ten vorigen jare; en de slechte herberg, waarin wij toen onzen intrek namen, hangt nog altijd op haar palen boven het slijkerig bed der rivier, waarvan zij de verderfelijke uitwasemingen uit de eerste hand ontvangt. Er is evenwel geene keus: deze afschuwelijke fonda is de eenige, en overal elders zouden wij ongetwijfeld aan hetzelfde gevaar zijn blootgesteld. De stad is in de hoogste mate ongezond; de directeur der douane is gedurende mijne afwezigheid gestorven; pokken, dysenterie en gele koorts heerschten om strijd in dit rampzalig stadje, dat driehonderd inwoners verloren had. Maar een goede genius beschermt de reizigers: wij blijven gespaard en zetten onze studiën voort, in afwachting dat eene stoomboot of een ander vaartuig ons hooger op de rivier zal kunnen brengen.

Mijne nasporingen langs de kust en de rivier hebben mij in staat gesteld, met vrij groote zekerheid de plaats te bepalen, waar de oude hoofdstad Centla eens stond. De Grysalva van heden komt niet overeen met de rivier van vroeger: zij liep toen meer dan twintig mijlen meer westwaarts, in de bedding van de rio Seco, nabij de stad Comalcalco, waarvan wij de ruïnen hebben bezocht; hetzij door eene werking der natuur, hetzij op kunstmatige wijze, werd haar loop veranderd. Ik heb daarvan het bewijs. Tijdens zijne expeditie en zijn grooten veldslag tegen de inwoners van Tabasco, hield Cortez zich op aan den mond van eene rivier, die zich met twee monden in zee uitstortte: las dos Bocas, een naam, die nog heden wordt gebruikt voor de uitmonding van de rio Seco. Van zijne vaartuigen konden slechts de allerkleinste door den mond der rivier binnenvaren; bij Frontera daarentegen loopen schepen van twaalf voet diepgang dagelijks zonder eenige moeite binnen. De geschiedschrijver bericht ons dat Cortez zich terugtrok op een klein eiland, tegenover het dorp, bij Frontera bevindt zich slechts een zeer groot eiland, maar dat ligt ongeveer een mijl lager.