Reis naar Yucatan De Aarde en haar Volken, 1886
Part 5
Toen Landa omstreeks 1560 Chichen bezocht, was deze voorgevel nog ongeschonden; geen steen ontbrak aan de negen terrassen van de pyramide, en de tempel vertoonde zich nog zoo als hij uit de hand der bouwmeesters was gekomen. Landa maakt ook gewag van de twee slangen ter wederzijde van de groote trap. "De galerij diende voor het ontsteken van reukwerk, en boven de deur ziet men een groot in steen uitgehouwen medaillon, waarvan de beteekenis mij onbekend is. Rondom dit gebouw bevinden zich een aantal anderen, groot en goed gebouwd; de tusschenruimte is bekleed met cement, die een aaneengesloten geheel vormt en geheel nieuw schijnt, zoo hard is de kalk, waarvan zij de cement maken."
Die lagen van cement, die wij ook elders gevonden hebben, zijn eene kenmerkende eigenaardigheid van de kunst der Tolteken. Te Chichen zijn die cementlagen nu verdwenen; maar uit de beschrijving van Landa blijkt, dat in zijn tijd de bodem nog niet met planten en kruiden was begroeid: hetgeen bewijst, dat de stad nog niet lang geleden verlaten was. De uitmuntende toestand van de gebouwen, van de pyramiden en van dit plaveisel van cement, in een land waar de plantengroei zoo krachtig en welig is, bewijst dit nog te meer en wel op de meest afdoende wijze.
In dezen tempel trof ons voor het eerst de verrassende overeenstemming tusschen de tolteeksche beeldwerken en bas-reliefs op de hoogvlakten, en de bas-reliefs van deze stad in Yucatan. Deze monumenten zijn, naar mijne overtuiging, afkomstig van de Tolteken, en van betrekkelijk jongen datum. Ziehier het bewijs voor deze meening.
De balustrade van de groote trap verbeeldt, zoo als wij zagen, eene gevederde slang, geheel overeenkomende met die aan den muur van den tempel te Mexico. De gevederde slang was het symbool van Quetzalcoatl, een god der Tolteken en der Azteken: in Yucatan was zij het teeken van Cuculkan, een god der Mayas; in beide talen hebben de twee namen dezelfde beteekenis, namelijk die van _gepluimde slang_. Dit beeld, dat op de gebouwen van Yucatan veelvuldig voorkomt, diende ook ter versiering van de huizen der aanzienlijken te Mexico. Clavigero zegt ons dat de Azteken, in hunne bouworde, de kroonlijst bezigden, en dat men aan sommige gebouwen eene reusachtige slang in relief zag, die zich om alle openingen van het paleis slingerde, en zich zelve in den staart scheen te bijten.
De twee pilaren van den voorgevel vertoonen eene onmiskenbare overeenkomst met eene tolteeksche zuil, die wij te Tula hebben gezien: ook hier zijn de schachten met vederen versierd en vertoonen de basementen den kop van een slang. Uit alles blijkt dus dat deze tempel aan Cuculkan was gewijd. Ook het kapiteel van den pilaar te Chichen-Itza verdient de aandacht. Het is geheel gebeeldhouwd: in het midden ziet men eene staande figuur, die met haar opgeheven armen het entablement schijnt te torsen. Deze gestalte met haar langen baard is wederom eene voorstelling van den tolteekschen god Quetzalcoatl, die onder verschillende gedaanten werd afgebeeld. Zijne kleeding is buitengewoon rijk: aan de polsen draagt hij breede armbanden, en op het hoofd een reusachtig tooisel van vederen; om zijn hals hangt een lange keten van edelgesteenten, en zijne laarsjes zijn met lederen rosetten versierd.
VI
Ik heb reeds gezegd, dat er te Chichen-Itza twee cénotés zijn, reusachtige kuilen, met loodrechte wanden, waarin het water door onderaardsche beken wordt aangevoerd. Deze twee natuurlijke reservoirs hebben ongetwijfeld aanleiding gegeven tot de keuze van deze plaats voor de stichting eener stad en voor de nederzetting eener talrijke bevolking in den omtrek. De inwoners van Chichen konden zich de moeite sparen om diepe putten te boren; evenmin behoefden zij kunstmatige waterbakken of vijvers aan te leggen: de natuur zelve had gezorgd voor een rijken overvloed van water, een voorraad, die onuitputtelijk was en ook bij de grootste droogte nooit verminderde. Een van deze cénotés bevond zich in het midden van de stad, en werd dan ook het meeste gebruikt; door middel van eene glooiing, waartegen men eene soort van trap had gemaakt, daalde men naar het water af; de andere, de heilige cénoté, ligt ten noorden van het Castillo, buiten den kring der gebouwen en op de grenzen der stad. Om dezen te bereiken, moeten wij ons een weg banen midden door het bosch; halverwege vinden wij de helft van een groot beeld van Tlaloc, en in de onmiddellijke nabijheid groote hoopen van puin, overblijfselen van twee tempels, aan wier voet wij weder het beeld terugvinden van de gepluimde slang, Quetzalcoatl of Cuculcan, die de voornaamste godheid der bevolking van Chichen schijnt te zijn geweest.
De cénoté, die ongeveer honderd-vijftig el verder ligt, is langwerpig van gedaante; het water is niet te bereiken, want de loodrechte wand is omstreeks twintig el hoog en biedt nergens eene gelegenheid tot afdalen. Het water schijnt groen van kleur: dit kan het gevolg zijn van de aanzienlijke diepte, of ook de weerspiegeling van het dichte gebladerte rondom den put. Deze eenzame cénoté, waarvan de wanden met distels, struiken, heesters en lianen begroeid zijn, te midden van het bosch, maakt een somberen indruk. Deze plek was eens gewijd als bedevaarts- en offerplaats; Chichen was eene heilige stad, en deze cénoté behoorde tot de voornaamste heiligdommen. Een kleine tempel, waarvan wij nog de ruïnen kunnen ontdekken, verrees aan zijn zoom; aan de lokale godheid werden hier niet enkel halskettingen van edelgesteenten, gouden en zilveren vazen geofferd, maar ook volwassen menschen en kinderen, die vermoedelijk hier in de diepte werden geworpen.
Landa maakt zoowel van den cénoté als van den tempel melding; een breede, fraai geplaveide weg voert daarheen; hij vindt er vazen en allerhande soort van offergaven; hij voegt er bij, dat er nog in 1560 menschenoffers werden geslacht.
Mij dunkt, dit is duidelijk genoeg. Meer dan veertig jaren na de verovering bestaat de tempel nog ongeschonden, vol van afgodsbeelden en van wijgeschenken, door de toen levende Indianen daar gebracht; er wordt nog voortdurend dienst in gedaan, en men ziet er afbeeldingen van Mayas in hun nationaal kostuum. Hoe kan men dan beweren, dat deze tempels het werk zijn van een verdwenen ras en dagteekenen uit een tijdvak vóór onze christelijke jaartelling? Het verhaal van Landa moet iedereen de oogen openen. De stad was tijdens de verovering nog betrekkelijk jong, en ongetwijfeld bewoond toen Francisco de Montejo haar voor het eerst in 1527 bezette: immers in 1560 werden de tempels nog door de geloovigen bezocht.
Van den heiligen cénoté begeven wij ons naar de Kaatsbaan, het voornaamste en het best bewaard gebleven van al dergelijke gebouwen, die voor het bij uitnemendheid nationale spel der Indianen waren bestemd. Het bestond uit twee evenwijdig loopende, zware gemetselde muren, ongeveer honderd el lang en tien el dik; de afstand tusschen de muren bedraagt vijf-en-dertig el. Aan het uiteinde dier muren bevinden zich twee kleine gebouwtjes, waarvan dat aan de noordzijde slechts een enkel vertrek bevat, van eene op zuilen rustende galerij of portiek voorzien, waar de aanzienlijke heeren, beveiligd tegen de brandende zonnestralen, op hun gemak het spel konden gadeslaan. Over de architektuur en de uitwendige dekoratie van dat gebouwtje kunnen wij in den tegenwoordigen toestand geen oordeel meer vellen; maar van binnen was het zeer rijk versierd: de zuilen en muren zijn geheel met bas-reliefs bedekt, die echter door den tijd in hooge mate geleden hebben.
Dit groote monument alleen, waarvan alle geschiedschrijvers melding maken en dat zij Tlachtli en Tlachco noemen, is op zich zelf reeds een afdoend bewijs voor den tolteekschen invloed in Yucatan, want dit gebouw komt geheel overeen met de voor het kaatsspel bestemde lokalen op de hoogvlakten. De groote afmetingen en de rijke versiering van den Tlachtli te Chichen-Itza, waarvan wij bereids eene proeve hebben gegeven (zie bladz. 36), leveren ons het bewijs, dat het geliefkoosde spel van de bewoners der hoogvlakten in Yucatan niet minder in eere werd gehouden.
Wij mogen Chichen-Itza niet verlaten, zonder nog te spreken van de beide beelden, op de bladz. 33 en 35 afgebeeld. Het eene is afkomstig van Chichen, waar het eenige jaren geleden gevonden werd; het andere is afkomstig uit den omtrek van Tlascala in de onmiddellijke nabijheid van Mexiko: alzoo op grooten afstand van het eerste. Naar de meening van doctor Hamy, waarmede ik mij geheel kan vereenigen, stellen de beide beelden den tolteekschen god Tlaloc voor, den god van den regen en den overvloed.
Een enkele blik op de beide beelden is voldoende om ons te overtuigen, dat zij denzelfden persoon moeten voorstellen. Het verschil in de wijze van bewerking doet niets ter zake: het is blijkbaar dezelfde persoon, in dezelfde houding, met dezelfde kom op den buik om den regen op te vangen, en hetzelfde soort van kapsel of hoofddeksel. Het eene beeld is van kalksteen en het andere van basalt; dat uit den omtrek van Tlascala is misschien van zuiver tolteekschen arbeid en dan zeer oud; maar van waar het ook afkomstig moge zijn, het is zeer stellig tolteeksch van karakter en verspreidt dus ook licht over het andere beeld van Chichen-Itza.
Van Merida begeven wij ons naar Ticul in het zuiden, om vandaar uit de fraaie ruïnen van Kabah te bezoeken. Van dezen tocht is niets te zeggen: het landschap van Yucatan is bij uitnemendheid eentonig, de eene weg gelijkt volmaakt op den anderen. In deze streek zijn de woningen of hofsteden minder ver van elkander verwijderd, maar onderscheiden zich overigens niet van de haciendas in andere streken. Als naar gewoonte, in den vroegen morgen vertrokken, komen wij omstreeks negen uren te Uayalceh; de muildieren moeten eenige rust nemen, en wij maken daarvan gebruik om te ontbijten.
In deze groote hofsteden moet men voor de genoten gastvrijheid betalen; maar de reizigers worden er goed ontvangen; men beijvert zich om u te bedienen en de prijzen zijn matig. Terwijl ons maal wordt gereed gemaakt, gaan wij de hacienda bezien. Uayalceh is een indiaansch woord, dat "de rust van het hert" beteekent; de dusgenoemde plantage is waarschijnlijk de voornaamste in Yucatan. Men verbouwt hier, behalve de noodige maïs voor de voeding van het talrijke personeel, uitsluitend henequen; dit gewas is trouwens winstgevend genoeg, want men verzekert mij dat de netto opbrengst vijftigduizend piasters bedraagt, dat is omstreeks tweehonderd-vijftigduizend francs. De hacienda is voor een millioen te koop! Dat geeft dus eene rente van vijf-en-twintig percent! Het spijt mij, dat ik geen millioen beschikbaar heb.
Op de hacienda leeft eene bevolking van niet minder dan twaalfhonderd personen, die allen een of anderen arbeid verrichten. De kinderen zijn in de woning, onder het opzicht van een ouden Indiaan, bezig met het schoonmaken van een gewas, waarvan de naam mij onbekend is. Hun vroolijk gezang weergalmt door het geheele huis. Vrouwen gaan en komen, in lange rijen achter elkander, naar en van de noria, om de waterkruiken te vullen, die zij op haar hoofd dragen. Men zou zich in den tijd der aartsvaders verplaatst wanen, kwam niet de stoommachine den indruk bederven.
Des avonds omstreeks vijf uren komen wij te Ticul, waar, door de goede zorgen van onzen vriend Don Antonio Fajardo, voor ons een huis in gereedheid is gebracht, dat wij aanstonds betrekken.
Ticul mag in waarheid eene stad worden genoemd; welvarend en mooi, goed gelegen, niet ver van de heuvelreeks, die van het noordwesten naar het zuidoosten het schiereiland doorsnijdt. Alle sporen van den indiaanschen oorlog schijnen hier uitgewischt; alles ziet er splinternieuw uit, uitgezonderd de kerk en het groote klooster, waar de door Stephens zoo hoog geroemde abt Carillo woonde, en dat bijna een bouwval is. Daar woont in een der haast niet bruikbare kamers de nieuwe pastoor, een vroolijk, voorkomend, aangenaam man, de broeder van den zoo even genoemden abt, van wien de amerikaansche reiziger ons zoo veel goeds vertelt.
De inwoners van Ticul zijn zeer vriendelijk en ontvangen ons met groote hartelijkheid. Evenmin als elders in Yucatan, vindt men ook hier een hotel; maar in de kleine _tienda_, waarin wij onzen intrek nemen, vonden wij eene goede bediening en eene vrij wat betere tafel dan te Merida. Daar ontvangen wij geregeld bezoek van eenigen der voornaamste burgers van Ticul, die ons helpen bij onze studie en met wie wij onze avonden op de aangenaamste wijze doorbrengen.
Ons doel was in de eerste plaats de ruïnen van Kabah te bezoeken, die tot de hacienda Santa-Ana behooren; maar tusschen de hacienda en de ruïnen strekt zich een bosch van vier mijlen uit, waardoor geen enkele weg loopt. Don Antonio geeft mij den raad eenige manschappen vooruit te zenden, om een weg te banen; en op last van den burgemeester zal een troep Indianen van het dorp Santa-Helena den arbeid verrichten. Wij zullen twee dagen geduld moeten oefenen; en daar er op de hacïenda Yokat een feest of kermis zal worden gevierd, dringt de eigenaar, die niemand anders is dan onze vriend Fajardo, er op aan, dat wij daarbij tegenwoordig zullen zijn. Zoo gezegd, zoo gedaan.
Deze feesten in Yucatan worden zeer druk bezocht en lokken een aantal menschen, ook al worden zij buiten op het land gevierd. Het feest te Yokat moest drie dagen duren; stierengevechten, dansen, maaltijden in de open lucht, kramen en tenten van allerlei soort, niets zal er ontbreken; en van tien mijlen in den omtrek stroomt de bevolking er heen. De weg is vol van voetgangers en _volans cochés_: deze wonderlijke rijtuigen, opgepropt met fraai uitgedoste vrouwen, schijnen welhaast bewegelijke bloemenkorven.--De hacienda, mooi gelegen aan den voet van een steilen heuvel, bestaat uit ruime gebouwen en prachtige tuinen; de gelukkige eigenaar is zeer verheugd als ik hem mijn oprecht gemeend compliment maak over zijne kostbare bezitting.
Wij wonen de mis bij, gevolgd door eene preek in de taal der Mayas, die zeer zacht en welluidend klinkt; voor kapel dient eene lange galerij, waar een groot aantal mooie vrouwen, in haar fraaie rijk geborduurde kleederen en met gouden kettingen versierd, liggen neergeknield of op den grond zitten; allen volgen met eerbiedige aandacht de heilige handeling. Nauwelijks heeft de priester het _Ita missa est_ uitgesproken, of zij zweven weg, als een dartele vogelenzwerm.
Daarop volgden de voorstellingen; ik druk de kleine handjes der koninginnen van het feest, drie jonge meisjes van vijftien tot achttien jaar, waarvan de eene met volle recht eene schoonheid van den eersten rang mag worden genoemd. Er worden ververschingen gepresenteerd; en elke van deze bekoorlijke jonge meisjes komt haar rozenlipjes aan mijn glas zetten: dit is zoo het gebruik.
Intusschen groeit de menigte van oogenblik tot oogenblik aan; zij vult de ruime binnenplaatsen van de hacienda en het uitgestrekte terrein voor de woning; daar bevindt zich de circus voor de stierengevechten, een groot amphitheater van takken, met verwonderlijke vlugheid door de Indianen in elkaar gezet. Het geheel bestaat uit planken, takken, palmbladen, lianen, zonder een enkelen spijker: en toch zit alles vast en zal dit luchtig getimmerte, zonder gevaar van bezwijken, het gewicht kunnen torschen van ettelijke duizenden toeschouwers.
Daartegenover bevindt zich de balzaal, van takken en groen gemaakt; en verder, in bonte wanorde door elkander, een aantal kraampjes en winkeltjes, waar allerlei soorten van drank, vooral ook koppig engelsch bier, worden verkocht, en waarvoor de dorstige klanten elkaar verdringen. Er wordt sterk gedronken; de opgewondenheid neemt hand over hand toe; het is een geraas, een geschreeuw een gejuich, dat hooren en zien vergaat.
Het uur voor de stierengevechten is gekomen; de circus is overvol; voor mij ligt de aantrekkelijkheid van het schouwspel minder in de kampplaats, dan wel in het publiek, hoofdzakelijk bestaande uit mestiezen-vrouwen, stralende van vreugde en genot, uitgedost in haar fraaiste kleederen, schitterende in de bontste kleuren, in roode, gele en blauwe borduursels, die zoo goed uitkomen tegen de sneeuwwitte jurken, te midden van wolken van kant, waartusschen de gouden kettingen en edelgesteenten vonkelen. Welk een betooverende aanblik! En, vreemd, niet waar? er zijn daar ruim tweeduizend toeschouwers en daaronder hoogstens drie- of vierhonderd mannen: men zou zeggen, dat men zich in eene vergadering van dames bevond. Deze wanverhouding tusschen het mannelijk en het vrouwelijk element is een verschijnsel, dat men in alle heete landen aantreft, waar het blanke ras zich gevestigd heeft. Op Java zijn van de zeven kinderen, die geboren worden, gemiddeld vijf meisjes. Hier schijnt het verschil nog grooter: de verhouding is hier, naar men zegt, van zeven of acht op tien. Mijn gastheer heeft acht dochters en twee zoons; op eene bevolking van honderd-elf-duizend blanken of mestiezen, zou men dus ter nauwernood twee-en-twintigduizend mannen tellen. Deze schromelijke wanverhouding, het onwedersprekelijk bewijs van den achteruitgang en de verbastering van het ras, komt natuurlijk niet voor bij de indiaansche bevolking, die op honderd-vijftigduizend zielen wordt geschat, en die dus het evenwicht eenigermate zou helpen herstellen. Men moet echter ook niet vergeten, dat de onophoudelijke burgeroorlogen en de langdurige gevechten met de Indianen onder de mannelijke bevolking groote verwoestingen hebben aangericht; misschien is ook daaraan voor een deel het ontzaglijk overwicht van het vrouwelijk element toe te schrijven.
Vermoeid van het oorverdoovend geraas, van valsche muziek en eindeloos herhaalde dansen, keer ik naar Ticul terug, waar ik tijding hoop te vernemen van mijne werklieden. Bij mijne tehuiskomst hoor ik inderdaad dat de weg naar de ruïnen gebaand is, en dat ik vertrekken kan wanneer het mij behaagt.
VII
Don Antonio gaat met ons naar de hacienda Santa-Ana, waarvan hij administrateur is; wij zullen daar ons hoofdkwartier vestigen, en de volans-cochés zullen ons, langs den nieuw geopenden weg, naar de ruïnen brengen. Santa-Ana ligt vier mijlen van Ticul verwijderd; Kabah ligt nog een mijl verder. Deze zeer oude nederzetting werd gedurende den burgeroorlog verlaten, maar begint zich tegenwoordig weder eenigzins te herstellen. De bouwmaterialen heeft men in de onmiddellijke nabijheid voor het grijpen; zij zijn afkomstig uit een groep belangrijke pyramiden, die vroeger met gebouwen waren gekroond, welke thans geheel in puin liggen. Onder die materialen merken wij vierkante, geheel nieuwe pilaren op, met dorische kapiteelen; en, hetgeen opmerkelijk is, de kanten dezer pilaren zijn even als onze steenen behouwen en vertoonen de duidelijke sporen van een metalen werktuig, dat van tanden moest zijn voorzien. Het schijnt mij onaannemelijk, dat deze pyramiden, tempels en paleizen, met hunne beeldwerken en bas-reliefs, met behulp van steenen werktuigen zouden zijn vervaardigd: de Indianen moeten, om zulke werken te hebben kunnen voltooien, in het bezit zijn geweest van metalen instrumenten. Zij gebruikten, naar het schijnt, bijlen en andere werktuigen van koper met tin gemengd, die bijzonder hard moeten zijn geweest.
De geschiedschrijvers maken ter nauwernood gewag van de ruïnen van Kabah, evenmin als van die van Labnah, Sacbey, Iturbide en vele andere groepen van oude dorpen, op den afstand van dertig of veertig mijlen ten zuiden van Merida; nu en dan spreken zij van de vorsten dier vlekken als van de lieden van de Sierra, omdat deze vlekken of steden aan de andere zijde waren gelegen van de heuvelketen, die Yucatan doorsnijdt.
Te oordeelen naar hare monumenten, moet Kabah echter eene van de belangrijkste steden van het schiereiland zijn geweest; hooge pyramiden, reusachtige terrassen met indrukwekkende ruïnen bedekt, triomfbogen, paleizen, beslaan eene aanzienlijke oppervlakte. Deze gebouwen, met die van Uxmal, welke wij zoo aanstonds zullen bezoeken, en die van Chichen-Itza, welke wij reeds kennen, kunnen ons een volledig denkbeeld geven van de architektuur in Yucatan, en leveren tevens het afdoend bewijs voor de eenheid der beschaving in het schiereiland.
Al deze monumenten, van de oudste tot de jongste, hebben denzelfden oorsprong, zijn afkomstig van hetzelfde volk en vertoonen allen, met eenige varianten, denzelfden karaktertrek. Zie het eerste paleis van Kabah: de voorgevel is op de weelderigste wijze versierd, maar wij vinden hier dezelfde kolossale figuren terug, die wij te Chichen hebben gezien, en die het best zijn te vergelijken met die reusachtige houten afgodsbeelden, uit boven elkander geplaatste hoofden bestaande, die van de eilanden in den Stillen-oceaan afkomstig zijn. De versiering van dit monument is tot in het buitensporige overdreven: de architektonische lijnen, ja ik zou bijna zeggen, het gebouw zelf verdwijnt geheel en al, om plaats te maken voor ornamenten. De zeer vervallen toestand, waarin het monument verkeert, laat niet meer toe, een oordeel over het geheel te vellen; maar deze vijftig el breede voorgevel met zijne alles overstelpende dekoratie moet een zonderlingen indruk hebben gemaakt.
Evenals alle monumenten in Yucatan, verrees ook dit paleis op eene pyramide van twee verdiepingen; voor het gebouw strekte zich eene ruime esplanade uit, waarop zich ter wederzijde twee breede waterbakken bevonden en in het midden de zuil voor de strafoefeningen, de _picoté_. Het inwendige van het paleis bevat eene dubbele reeks van zalen, de schoonste, die wij nog gezien hebben. Zij hebben eene lengte van ongeveer negen, bij eene breedte van ruim drie el, en zijn zes el hoog. In alle zalen waren de wanden beschilderd en met beelden en opschriften bedekt, zoo als blijkt uit de brokstukken die ons nog zijn overgebleven: het is zelfs waarschijnlijk, dat de gebouwen geheel beschilderd waren. De polychromie was dus bij de Yucateken in gebruik, even als bij de volken der oude wereld. Ook bij hen werd, even als in de klassieke oudheid, de schilderkunst nooit van de bouwkunst gescheiden: die beide kunsten vulden elkander aan, en hetgeen wij nu eene schilderij noemen, bekleedde toen slechts eene zeer onderschikte plaats. Ook hier besteedde de kunstenaar zijne voornaamste zorg aan de uitwendige dekoratie; en die levendige sprekende kleuren, in zoo weelderigen rijkdom aangebracht op de breede gevels, moeten, met de warreling der monsterachtige figuren, niet weinig hebben bijgedragen tot verhooging van de zeker echt barbaarsche pracht dezer wonderlijke gebouwen.
Het tweede paleis ligt honderd-vijftig el ten noordoosten van het eerste; het verheft zich evenzoo op eene pyramide, en heeft ook zijne esplanade met twee waterbakken en een _picoté_; maar het staat bovendien op een tweede terras, dat eene reeks zalen bevat, die geheel zijn verwoest. In het midden bevindt zich de trap, gedragen door een soort van gewelf, die toegang geeft tot het gebouw.
Dit zeer lage paleis--de hoogte bedraagt niet meer dan vijf el--onderscheidt zich door zijn eenvoud, tegenover de overladen versiering van het andere. De gevel, die bijna nog in zijn geheel aanwezig is, heeft eene breedte van vijftig el; in dien gevel zijn zeven openingen, waarvan twee toegang geven tot twee kleine en nauwe vertrekjes. Het benedenste gedeelte van den muur is zonder versiering; de fries boven de weinig uitstekende kroonlijst bestaat uit kleine zuilen, bij drietallen gegroepeerd, met een vlakken muur tusschenbeiden. Het achterste gedeelte van het paleis is geheel vernield.
Links van dit monument verrijst eene pyramide met verschillende verdiepingen, voorzien van vier trappen, die naar de bovenste terrassen voerden, waar de gebouwen geheel in puin liggen. Deze pyramide is omringd door vertrekken van verschillende afmetingen, waarvan de deuren of toegangen soms door pilaren in tweeën gescheiden zijn. De posten en drempels der deuren zijn van steen, even als in het tweede paleis; voor het meerendeel zijn die posten zeer goed bewaard gebleven.