Reis naar Yucatan De Aarde en haar Volken, 1886
Part 4
Wij vertrokken van Izamal ten vier uren in den morgen; het landschap maakte op ons een bij uitnemendheid treurigen indruk. Op een afstand van vier mijlen ontmoeten wij slechts een dorp, Sitilpech genoemd, eene verzameling van armoedige, meest ledigstaande hutten.
In Yucatan bemoeit de administratie zich waarschijnlijk niet met de dienst der telegrafen en posterijen. Reeds te Merida had ik daarvan de ondervinding opgedaan, daar toch een aantal telegrammen, waarvoor ik zeer duur moest betalen, niet ter plaats hunner bestemming kwamen, of althans onbeantwoord bleven. Bij navraag gaf men mij ten antwoord, dat de telegraaflijn in geen goeden toestand verkeerde. Op onzen tocht kon ik mij daarvan overtuigen. De aanleg van deze lijn moet inderdaad zeer goedkoop zijn geweest, en de kosten van onderhoud zijn vermoedelijk gelijk nul. Er was wel een draad, maar er waren geen palen en geen isolators. Die ongelukkige draad liep langs den zoom van het bosch, vastgemaakt aan een of anderen tak; boog de tak, dan hing de draad neer; brak hij, dan viel de draad op den grond; nu eens zweefde hij even boven den bodem, dan weer lag hij, als lusteloos en wanhopig, slap op de struiken en rotsen. Die draad was te beklagen: maar nog meer te beklagen waren zij die betaalden, om haar weer in orde te brengen, of die er gebruik van maakten zonder eenig nut. Echter werkte hij toch van tijd tot tijd, die rampzalige telegraaf: hij was er ten minste, en onder dat opzicht onderscheidde Yucatan zich gunstig van Tabasco, waar de telegrafen onmiddellijk na den aanleg weer verdwenen, omdat de inwoners de draden voor hun eigen gebruik aanwendden.
Na een zeer vermoeienden rit kwamen wij des avonds ten zeven uren te Citas. Het was volslagen donker, en men wachtte ons niet meer. Voor onze ontvangst was niets in gereedheid gebracht; de dorpelingen waren blijkbaar met deze verrassing alles behalve ingenomen. Waar zouden wij overnachten? Daar de school voor het oogenblik ledig stond, werd die ons ten gebruike afgestaan; wij gingen allen te zamen aan den arbeid, zetten de tafels en banken op zij, en maakten zoodoende ruimte voor onze hangmatten en veldbedden. Maar het souper:--dat is een lastig ding! De tijd is verstreken, en de dorpelingen hebben geen lust, weer aan het werk te gaan. Gelukkig komen de rechter en de burgemeester ons bezoeken: dank zij hunne tusschenkomst, wordt de zaak nog geschikt; de hoop op eene goede winst vermurwt de harten, en wij kunnen ons avondmaal gebruiken.
Te Citas moeten wij den grooten weg verlaten om de bosschen in te gaan; wij moeten dus hier onze rijtuigen achterlaten, en in de plaats daarvan ons dragers, ezels en muildieren aanschaffen: daartoe is natuurlijk tijd noodig, en het verblijf te Citas is in het minst niet uitlokkend. De dorpelingen zijn onwillig; zij vragen een dubbel loon en blijven weg als zij geprest worden. Een vreemdeling, die zulke verre reizen onderneemt om ruïnen te zien, waarin de Indiaan hoegenaamd geen belang stelt, moet iemand zijn die met zijn geld geen weg weet: het is dus niet meer dan billijk dat hij betale. Nu, de Indianen van Yucatan zijn niet de eenigen, die zoo redeneeren.--Eindelijk krijgen wij dan toch onze dragers, tegen een derde boven den gewonen prijs. Paarden zijn schaarsch: zij moeten geprest worden; het militair geleide wordt ons gracieuselijk toegestaan. Natuurlijk zijn noch de soldaten, noch de paarden gereed; wij zelven moeten ook nog verschillende toebereidselen voor de reis maken. Bovendien zijn de paden in het bosch dicht gegroeid; de afstand naar Pisté bedraagt zeven mijlen; het eerste wat wij te doen hebben, is dus mannen uit te zenden om den weg te banen. Zij gaan op weg, en wij houden ons verder met onze uitrusting bezig, daar wij eerst den volgenden dag zullen vertrekken.
Tegen den avond kregen wij eene uitnoodiging tot het bijwonen van een bal. Tot mijne verbazing vernam ik dat er te Citas gedanst werd, ondanks het gevaar, waarin het dorp steeds verkeerde ten gevolge van den opstand der Indianen, die elk oogenblik het vlek konden overvallen, de woningen verbranden en de dorpelingen vermoorden of medevoeren. Natuurlijk namen wij de uitnoodiging aan.
De straten van Citas zijn geene straten, maar kleine ketens van steile rotsen, door miniatuurafgronden gescheiden, waarin de vreemdeling zeer gemakkelijk armen en beenen breken kan. Wij gaan dus op weg, ieder door twee Indianen geleid, want het huis, waar het feest wordt gegeven, is vier- of vijfhonderd el van het dorp verwijderd en het is buiten pikdonker. Wij komen zonder ongelukken ter plaatse onzer bestemming.
In eene hut van armoedig voorkomen, verlicht door het schijnsel van drie vuren, zijn een half dozijn vrouwen bezig met het gereedmaken der spijzen; ik zie gansche stapels van kippen, kalkoenen en groote stukken varkensvleesch, die gekookt of gebraden moeten worden. Buiten zijn andere vrouwen bezig met het malen van maïs, het kneden van het deeg of het bakken van koeken, die warm gegeten worden.
Een met riet overdekte open loods, waarin eenige walmende lampen hangen, dient tot balzaal. Eene rij banken en eenige met leder bekleede stoelen zijn voor de dames bestemd; in het midden van het lokaal staan de heeren, met bloote voeten, een witte pantalon, een wijd loshangend hemd en een gekleurden doek om den hals. Het is er vol: het gansche dorp is hier vergaderd; althans al de Indianen en mestiezen, maar weinig ladinos, dat wil zeggen blanke vrouwen.
"Het is een Indiaan, die dit feest geeft en de kosten betaalt," zeide de rechter tot mij; "zulk een feest, dat dikwijls verscheidene dagen of liever verscheidene nachten duurt, kost veel geld. Dit feest zal, na afloop van alles, misschien driehonderd piasters (vijftienhonderd francs) hebben gekost: voor een mesties, zoowel als voor een Indiaan, vertegenwoordigt die som eene heele fortuin. Maar voor zulk eene gelegenheid zal hij al zijn geld uitgeven; hij draagt daar roem op; en eerlang zal het de beurt zijn van een anderen Indiaan, om een dergelijk feest te geven.
--Maar," hernam ik, "dat is voor die lieden de ondergang; wat moeten zij daarna beginnen?
--Precies hetzelfde wat zij te voren deden," antwoordde de rechter; "zij keeren tot hunne milpas, dat wil zeggen hunne plantages, terug. Is de oogst overvloedig, dan leven zij op den ouden voet voort, telkens eenige stuivers besparende om op hunne beurt een feest te kunnen geven; mislukt de oogst, dan binden zij hun maag toe; is er hongersnood, dan sterven zij van gebrek. De zorg voor den dag van morgen is hun, als allen onbeschaafden volken, ten eenemale vreemd, en de bitterste ervaringen zijn machteloos om hen op dit punt te genezen."
Deze feestelijke plechtigheid is voor ons een nieuw bewijs voor de taaie levenskracht der aloude traditiën, waaraan men vasthoudt, ook al verstaat en begrijpt men ze sinds lang niet meer. Gij zoudt vergeefs tot deze lieden de vraag richten, vanwaar zij de zonderlinge gewoonte hebben om voor zulk een feest al hun geld uit te geven? Zij zouden u op die vraag niet kunnen antwoorden: wij moeten het voor hen doen.
Wij vinden bij Landa een bericht, dat ons licht geeft. Na gesproken te hebben van de slemppartijen der Mayas en hunnen hartstocht voor feesten en gemeenschappelijke maaltijden, gaat de geschiedschrijver aldus voort:
"Zij verteerden dikwijls bij een enkel feest alles wat zij gedurende een langen tijd met zwaren arbeid gewonnen hadden. Zij vierden hunne feesten op tweeërlei wijze. De eerste gold voor de edelen en de lieden van aanzien: het gebruik wilde dat ieder der gasten, op zijne beurt, een feest gaf gelijk aan dat waarop hij genoodigd was. Aan elk der gasten gaf men een gebraden kip, brood en uit cacao bereiden drank in overvloed; en na afloop van den maaltijd, een mantel om zich te bedekken en een kleinen piedestal met een daarop geplaatsten beker, die zoo fraai mogelijk bewerkt was. Kwam een der gasten inmiddels te sterven, dan ging de verplichting om den maaltijd te geven op zijne erfgenamen of familie over."--Is dat niet hetzelfde gebruik, hetwelk, zoo als wij zien, nog heden heerscht? En verder: "Bij deze maaltijden werd den gasten te drinken gegeven door schoone vrouwen, die, na hun den beker toegereikt te hebben, zich omkeerden en zoo met afgewend gelaat wachtten tot de gast den beker geledigd had. De indiaansche vrouwen volgen nog dezelfde gewoonte, als zij haar mannen bedienen."
Wij verlaten vroegtijdig het bal, want wij moeten morgen ochtend vroeg vertrekken. Onze manschappen zijn gereed; muildieren en dragers hebben hun vracht; de paarden zijn gezadeld; een deel van het militair geleide gaat als voorhoede op weg; wij volgen. Het pad is de oude weg naar Pisté, die nu bijna geheel is dichtgegroeid, zoodat wij achter elkander moeten loopen en niet dan met moeite voortkomen. De tocht is vrij vervelend: wij trekken altijd door het dichte kreupelhout, vol lianen en doornen, waarboven slechts enkele palmen en hoogstammige boomen zich verheffen.
Wij komen te Pisté, waarvan niets meer over is dan de gehavende en vervallen kerk, waarin thans eene afdeeling van vijf-en-twintig soldaten is gelegerd, als een uiterste voorpost tegen de Indianen. De manschappen moeten drie maanden in deze wildernis blijven, eer zij afgelost worden. Het gevaar is niet groot, want de Indianen, die opgestaan waren om hunne vrijheid te heroveren en uit wraak hun overwonnen vijanden vermoordden, gaan nu nog maar alleen op roof uit.
V
Het was laat in den namiddag, toen wij de ruïnen bereikten. Hoewel ik vroeger reeds tweemalen te Chichen was geweest, doortrilde mij toch een gevoel van blijde verrassing, toen ik in de verte het dusgenoemde Castillo ontdekte, tronende op zijne steile pyramide van zeventig voet hoogte.
Wij hadden nauwelijks tijd gehad, ons in het Castillo te installeeren, toen de avond viel. Het was een aangrijpend schouwspel. Statig dreef de maan aan den onbewolkten, met tintelende sterren bezaaiden hemel, en goot haar licht uit over de eindelooze met bosch bedekte vlakte; op den voorgrond teekenden zich de grillige gestalten van muren of dichtbegroeide heuvels en terpen. Met deze ruïnen bekend, kon ik mijn reisgenooten elk monument aanwijzen.
Het Castillo vormt het middelpunt der ruïnen; ten oosten, aan den voet der pyramide, lag het marktplein, met twee kleine, daartoe behoorende paleizen; ten noorden, de ruïnen van een fraai gebouw en de gewijde cénoté, met den tempel ter bewaking van het bassin; ten noordwesten de beroemde Kaatsbaan; ten oosten en ten zuidoosten, de Chichanchob, de Caracol, de tweede cénoté, het paleis der Nonnen, de Akab-sib, en verder, de sedert lang verlaten hacienda. Wij spraken half fluisterend over het geheimzinnig verleden van die doode stad, die wij zouden trachten uit het graf op te roepen; geen enkel geluid steeg uit de wijde vlakte tot ons op: alom een plechtige stilte als op een kerkhof, slechts nu en dan afgebroken door het geroep der schildwachten, die met geregelde tusschenpoozen elkander waarschuwden.
Toen de dag was aangebroken, vertoonde zich een ander schouwspel, niet minder schoon. De vlakte, geheel met een dichten nevel overdekt, waarboven de pyramiden en de begroeide terpen uitstaken, scheen een kalme zee, met groene eilanden bezaaid; de horizon tooide zich, bij het rijzende licht, met de heerlijkste kleuren; lichte, doorschijnende nevelwolkjes zweefden door de ruimte, telkens wisselend van vorm en tint. Eindelijk verscheurde zich de nevelsluier en smolt weg voor de zonnestralen, niets achterlatende dan de schitterende droppels, als diamanten over de bladeren van het geboomte verspreid.
De zoogenoemde steden der Mayas verschilden ten eenemale van onze tegenwoordige steden; de Spanjaarden vergeleken de eerste steden, die zij hier zagen, met de steden in hun vaderland, met Sevilla bij voorbeeld; maar deze vaak herhaalde vergelijking is toch verre van juist. Voor zoo ver wij daarover thans, naar de overblijfselen, kunnen oordeelen, bestonden deze steden uit eenige groepen van gebouwen, die wij overal terugvinden, namelijk: een of meer tempels, de paleizen van den vorst en van de caciquen of hoofden, en gebouwen voor de openbare dienst bestemd. Deze groepen waren, schijnbaar zonder plan of orde, over eene aanmerkelijke oppervlakte verspreid; de tusschenruimten werden ingenomen door tuinen, waartusschen met cement geplaveide wegen liepen; in den omtrek stonden de hutten der bedienden en slaven.
Chichen-Itza--dat wil zeggen, nabij de put van de Itza--ontleent haar naam aan den cénoté of de twee cénotés, aan welker zoom de bevolking zich had neergezet. Chichen is jonger dan Izamal en Aké, maar ouder dan Uxmal: evenals deze laatste stad, behoort zij tot den tijd, toen men bij het bouwen geen cement, maar gehouwen steenen gebruikte. De berichten, die wij omtrent de stad bezitten, zijn zeer schraal en zeer onzeker, zoo als trouwens alles wat wij aangaande Yucatan weten. Dit alleen is met zekerheid bekend, dat Chichen, omstreeks de helft der vijftiende eeuw, door hare inwoners verlaten werd. De bevolking verhuisde in massa--de oorzaak dier verhuizing is onbekend--en stichtte in de lagune van Peten, ruim honderd mijlen meer zuidwaarts, een klein vorstendom, waarvan de hoofdstad Tayasal werd genoemd, dat door Cortez op zijn tocht naar Honduras werd bezocht, en dat eerst in 1697--alzoo, nog geen tweehonderd jaar geleden--door de Spanjaarden werd veroverd.
"Wij weten dus dat Chichen, omstreeks zestig jaar vóór de aankomst der Spanjaarden nog bewoond was, en dat hare monumenten toen nog ongeschonden in wezen waren. Het is trouwens meer dan waarschijnlijk, dat deze stad, die bevoorrecht was niet twee groote en onuitputtelijke water-reservoirs--een onschatbaar bezit in een land, dat van water is ontbloot,--al spoedig nadat zij door hare inwoners verlaten was, op nieuw bevolkt werd en dat zij aldus haar leven voortzette tot op het tijdstip der verovering.
De eerste bezetting door de Spanjaarden had plaats in 1527. Montejo landde, tegenover het eiland Cozumel, op de oostkust van Yucatan, met vierhonderd soldaten. Hij liet zijne schepen achter, onder de hoede der matrozen, en trok, onder het geleide van een Indiaan van Cozumel, naar het binnenland: dit verhaalt de Bachiler Valencia, die zijn verhaal schreef in 1639, te Valladolid woonde en van een der veroveraars afstamde. Bovendien blijkt ten duidelijkste uit de namen der steden, die Montejo doortrok, dat de expeditie haar weg nam van het oosten naar het westen; bij de tweede expeditie daarentegen, in 1541, toen de Spanjaarden te Champoton landden, trokken zij van het westen naar het oosten.
Montejo kwam te Coni, dat van de kaart verdwenen is, trok door de provincie Choaca, en bereikte Kaba; van Kaba begaf hij zich naar Aké, een dorp, dat, zoo als wij reeds opmerkten, niet moet worden verward met de stad Aké, waarvan wij de ruïnen hebben bezocht. Daar stuitte hij op eene talrijke menigte Indianen, die hem den weg wilden versperren; het kwam tot een gevecht, het bloedigste dat de Spanjaarden hadden te leveren; en voor de eerste maal leerde Montejo het dappere volk kennen, waartegen hij te kampen zou hebben. Ondanks hunne vuurwapenen, die vreeselijke verwoestingen aanrichtten in de dichte drommen der Indianen, ondanks hunne ijzeren harnassen, die hen bijna onkwetsbaar maakten, moesten de Spanjaarden twee dagen achtereen vechten, om den hardnekkigen tegenstand hunner vijanden te overwinnen. Van Aké begaf Montejo zich naar Chichen-Itza, dat men hem, volgens Herrera, had aangewezen als eene bij uitnemendheid geschikte plaats om zich daar te vestigen. De stad was dus bewoond. Montejo nam te Chichen zijn intrek in de gebouwen, waarvan wij nader zullen spreken; hij vestigde zich daar te midden van eene bevolking, die ten gevolge van het vreeselijke gevecht bij Aké, door den schrik als verlamd was.
In den eersten tijd ondervonden de Spanjaarden dus geene moeilijkheden en ontbrak het hun aan niets; maar allengs begon het den Indianen te verdrieten, in het onderhoud te moeten voorzien van deze vreemden, die ieder per dag meer gebruikten dan voor het onderhoud eener geheele indiaansche familie gedurende eene maand noodig was; zij weigerden zich langer te onderwerpen aan de afpersingen en wreede mishandelingen van deze bandieten. Nu werden niet langer levensmiddelen naar het kamp gebracht; eindelijk verdwenen de Indianen, de veroveraars in eene eenzame wildernis achterlatende. Op den overvloed van straks volgde nu gebrek en hongersnood; om zich levensmiddelen te verschaffen, moesten de Spanjaarden verre tochten naar de omliggende dorpen ondernemen en daar met geweld nemen, wat men hun niet vrijwillig wilde afstaan: van daar onophoudelijke gevechten; de Spanjaarden hadden honderd-vijftig hunner manschappen verloren, en de overgeblevenen waren allen gewond. Montejo, die waarschijnlijk de gemeenschap met zijne schepen had onderhouden, zag zich genoopt tot den terugtocht. Het omliggende land was geheel door Indianen bezet, en de terugtocht werd uiterst bezwaarlijk. Na een bloedig gevecht, waarin Montejo een deel van zijne beste manschappen verloren had, volgde een zeer donkere nacht, die bij uitstek gunstig scheen voor de vlucht. Hij beval de grootst mogelijke stilte, liet de hoeven der paarden omwikkelen, opdat men hen op den rotsigen grond niet hooren zou; om de waakzaamheid der Indianen te verschalken, liet hij vervolgens een zijner honden aan een buigzamen paal, waaraan een bel bevestigd was, vastbinden; en op eenigen afstand, buiten het bereik van den hond, een stuk vleesch nederleggen, dat het hongerige dier vergeefs trachtte te bereiken. Het gelui van de bel en het janken van den hond brachten de Mayas in den waan, dat hunne vijanden nog steeds in hun kamp waren. Inmiddels trokken de Spanjaarden in alle stilte naar het noorden, in de richting van Cilan. Toen het dag werd, bespeurden de Indianen dat zij misleid waren geworden: woedend zetten zij de vluchtelingen na, die niet dan met groote moeite de zeekust en het grondgebied van een vredelievenden vorst bereikten, die hun eene schuilplaats bood.
Het paleis der Nonnen (el palacio de las Monjas) is een der voornaamste paleizen van Chichen-Itza; men heeft er een klooster van gemaakt, evenals van het groote gebouw te Uxmal, dat denzelfden naam draagt. Sommige schrijvers verhalen namelijk, dat bij de Azteken in Mexico de gewoonte heerschte, om jonge meisjes van aanzienlijke familie en omstreeks twaalf jaren oud, gedurende zekeren tijd aan de goden te wijden. De meesten verlieten den tempel om in het huwelijk te treden; sommigen verbonden zich, door plechtige gelofte, voor haar geheele leven. Sahagun deelt mede dat deze meisjes, kleine priesteressen of zusters genoemd, in de bijgebouwen van den tempel woonden, onder streng opzicht van daartoe aangestelde vrouwen; zij leidden daar een kloosterleven, en waren aan zeer strenge regelen onderworpen. Haar hair werd afgeknipt; zij moesten des nachts opstaan om te bidden en den tempel te reinigen; zij vastten bijna onophoudelijk en pijnigden en martelden zichzelven op allerlei wijze ter eere der goden. Zij doorboorden zich de tong en de ooren met scherpe doornen, sliepen steeds geheel gekleed, om elk oogenblik haar arbeid te kunnen hervatten, gingen altijd met neergeslagen oogen, en moesten de doodstraf ondergaan voor iedere inbreuk op de strenge regelen der godsdienstige tucht. Zij waren dus inderdaad nonnen.
Het paleis bestond uit een middengebouw en twee vleugels; de plaat op bladz. 37 geeft den voorgevel van den linkervleugel te aanschouwen, die zeer schoon en uitmuntend goed bewaard is gebleven. Deze façade bestaat uit drie vooruitspringende lijsten, die twee friesen begrenzen, waarvan de versiering uit dezelfde motieven is saamgesteld. Op de eerste fries ziet men twee omlijste hoog-reliefs, waarop mannen zijn voorgesteld in neergehurkte houding; het lichaam van den een is gevat in de schaal van een schildpad; de reusachtige, groteske figuren in het midden en aan de hoeken van de eerste fries vindt men ook aan de façade van het hoofdgebouw, en met geringe wijzigingen op alle monumenten van Yucatan.--Het hoofdgebouw van het paleis der Nonnen leunt tegen eene pyramide, op welker terras of platform een zeer net bewerkt gebouw verrijst, bevattende kleine kamers met twee nissen tegenover elke deur, en gescheiden door een gang, die op den westelijken uithoek van de pyramide uitkomt. Op dit tweede gebouw rust nog een derde van kleiner afmetingen: het geheel vormt dus een paleis van drie verdiepingen.
Wij keeren terug tot het gebouw waarin wij onzen intrek genomen hebben, dat ten onrechte den naam van Castillo draagt en eigenlijk een tempel was. Het rust op eene pyramide met vier trappen, naar de vier windstreken gekeerd; de plaat op bladz. 40 stelt den westelijken gevel voor. De pyramide, waarvan de basis vier-en-vijftig meters bedraagt, bestaat uit negen terrassen, door loodrechte muren gedragen; zij is gekroond met een gebouw, waarvan de zijden ongeveer twaalf el lang en breed zijn, bij eene hoogte van zes el vijftig duim. Het bovenvlak van de pyramide verheft zich een-en-twintig el boven de vlakte; de trap bestaat uit negentig treden van ongeveer twaalf el breed.
Uit deze constructie blijkt dat de naam van Castillo, kasteel, vesting, nog niet zoo ten eenemale onjuist is: immers zoowel in Yucatan als op de hoogvlakten, dienden de tempels in tijd van oorlog als vestingen; op die reusachtige trappen en terrassen verzamelden zich, in den uitersten nood, de uitgelezenste krijgslieden, om den zegevierenden vijand tegen te houden en hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen. De verdediging van zulk eene vesting kon lang worden volgehouden; en wanneer de bezetting inderdaad uit onverschrokken mannen bestond, die tot sterven bereid waren, dan moest de bestorming van elk dezer terrassen stroomen bloeds kosten. Wij zien daarvan een voorbeeld bij de bestorming van den grooten tempel te Mexico: de Spanjaarden werden bij herhaling terug geslagen, en Cortez moest zich zelf aan de spits zijner soldaten plaatsen, om achtereenvolgens de vier terrassen der pyramide te veroveren; het gevecht werd nog voortgezet op het bovenste plat, waar zich de Azteken hadden vereenigd, die tot den laatsten man werden gedood.
De noordelijke façade, die tevens de voornaamste was, moest, nog ongeschonden, een grootschen indruk maken. Zij bestaat uit eene portiek met twee massieve kolommen, onderling verbonden door houten lijsten, waarop de dubbele kroonlijst van de fries rust, in het midden versierd met een groot medaillon. Deze portiek geeft toegang tot eene galerij, die de geheele breedte van het gebouw inneemt; uit de galerij komt men door eene enkele deur in een groot vertrek, zeer waarschijnlijk het heiligdom, waarvan het dubbele gewelf gedragen werd door twee pilaren met vierkante kapiteelen. De trap tegenover deze façade was breeder dan die aan de drie anderen; ter wederzijde zag men, bij wijze van leuning, een reusachtige gevederde slang, van onderen uitloopende in een monsterachtigen kop met wijd geopenden bek en uithangende tong. De kolommen, de pilaren, de deurposten en houten lijsten zijn bedekt met beeldhouwwerk en bas-reliefs. Even als de paleizen te Mexico en te Palenqué, hadden ook de paleizen te Chichen geene deuren, maar werden de openingen slechts met matten of gordijnen gesloten; men vindt dan ook geen sporen van scharnieren, maar wel kleine gaten in de zuilen, waarin de koorden voor de gordijnen werden vastgemaakt.