Reis naar Yucatan De Aarde en haar Volken, 1886

Part 3

Chapter 3 3,766 words Public domain Markdown

Wij gaan uit om den cénoté op te zoeken; Shuty springt vroolijk blaffend voor ons uit. Wat is een cénoté? Yucatan heeft noch stroomen, noch rivieren, maar daarentegen een zeer uitgestrekten onderaardschen waterplas, meer of minder diep beneden de oppervlakte, naarmate de kalklaag dikker of dunner is; nabij de kust is het water zeer dicht bij den beganen grond, in het binnenland vindt men het eerst op aanmerkelijke diepte. Men noemt nu cénotés de inzinkingen van den bodem, die tot dit water toegang geven. Is het water op geringe diepte onder den grond, en is de kalklaag slechts aan den eenen kant verteerd, dan verkrijgt men een onregelmatige spelonk, die over de geheele breedte open is. Heeft de kalklaag eene middelbare dikte en stroomt het onderaardsche water in bepaalde richting, dan wordt de bodem regelmatig ondermijnd, tot de bovenlaag, niet langer steun vindende, instort; zóó ontstaat een reusachtige put, meestal van ronde gedaante, zooals de cénotés van Chichen-Itza. Is de kalklaag daarentegen zeer dik, dan tast het water slechts de weeke, zachte deelen aan waarvan een gedeelte instort, waardoor somtijds in de bovenste laag eene smalle opening ontstaat: zoo krijgt men eene werkelijke grot, met stalactiten en stalagmiten versierd, zooals te Sacalun en te Valladolid; somwijlen ook is de cénoté niet meer dan eene reusachtige onderaardsche ruimte, zooals te Bolonchen.

Het is opmerkelijk dat alle beschaafde nederzettingen in Yucatan zich hebben gevormd om deze natuurlijke waterbekkens; want in den beginne hadden de kolonisten vermoedelijk niet de noodige hulpmiddelen om putten of waterbakken te graven, noch ook om kunstmatige reservoirs te maken, zoo als zij het later te Uxmal deden.

De cénoté van Aké behoort tot de eerste kategorie; de toegang vormt als het ware een grooten boog, die een zeer schilderachtig en bijna indrukwekkend voorkomen heeft. Op den achtergrond, omstreeks twintig voet beneden het gewelf, en dertig beneden den beganen grond, ziet men een groot bekken vol frisch en helder water, waarin eene menigte kleine vischjes zwemmen, terwijl zwermen van zwaluwen in alle richtingen de grot doorkruisen en de ruimte vullen met haar vroolijk geroep.

Van den cénoté begeven wij ons naar de ruïnen, die onze bedienden inmiddels bezig waren van den overvloedigen plantengroei te zuiveren. In afwachting dat zij daarmede gereed waren, dwaalden wij rond door de bosschen, uitziende naar ruïnen, zonder eenig kwaad vermoeden ons een weg banende door de verraderlijke takken der boomen, maar welhaast stikkende van de hitte in onze nauw sluitende kleeding. Niemand voelde zich onwel of klaagde over iets buitengewoons. Shuty was de eerste, die teekenen gaf van een abnormalen toestand; bij het verlaten van den cénoté was hij onrustig geworden; hij stond eensklaps stil en beet zich in zijne pooten of maakte zonderlinge sprongen; maar steeds vroolijk, levendig en aardig, vervolgde hij, luid blaffende, zijn weg. Wij gingen toen door het dichte hout; en de min of meer gekunstelde vroolijkheid van Shuty maakte plaats voor wezenlijken angst; zijn blaffen ging over in janken; hij beet zich met woedende heftigheid, rolde zich in het gras en begon zoo akelig te huilen, dat zijne meesteres hem opnam: het lichaam van het arme dier was geheel en al overdekt met wriemelende garrapaten: wij zelven werden onmiddellijk door dit ongedierte aangetast.--Gelukkig vonden wij bij onze tehuiskomst een uitnemend dejeuner, door den chineeschen kok van don Alvaro klaar gemaakt; maar eer wij aan tafel gingen, begaven wij ons een voor een naar een kabinetje om ons van ongedierte te zuiveren en op nieuw toilet te maken. Mevrouw Aymé en Shuty bleven verder tehuis en waagden zich niet meer aan ontdekkingstochten.

De ruïnen van Aké zijn zoo goed als onbekend. Stephens, de amerikaansche onderzoeker, spreekt er in zijn belangrijk reisverhaal slechts ter loops van. Hij noemt de groote galerij een kolossaal werk, en het paleis in zijn geheel een gewrocht van reuzen; de ruïnen hebben, volgens hem, het merk van hooger ouderdom dan andere monumenten. Hij voegt er bij, dat volgens Cogolludo de Spanjaarden op hun tocht eene stad ontmoetten, Aké genaamd, waar zij een gevecht moesten leveren tegen eene groote menigte Indianen. Stephens vergist zich; als hij Cogolludo nauwkeuriger had gelezen, zou hij bemerkt hebben dat de stad, waarvan de geschiedschrijver spreekt, niet dezelfde is als die hij heeft bezocht. De ligging van de stad Aké verwijdert haar ten eenemale van den weg, dien de veroveraars volgden.

Francisco de Montejo landde toch aan de oostkust van Yucatan, tegenover het eiland Cozumel; hij trok dus van het oosten naar het westen, door Koba, eene stad vol monumenten, die nog op acht mijlen afstands van Valladolid gevonden worden, en bereikte eene plaats, Cé-Aké genoemd, waar hij bloedige gevechten moest leveren. Van daar ging hij naar Chichen-Itza, waar hij twee jaren bleef. Dit geschiedde op zijne eerste expeditie in 1527; het Cé-Aké waarvan hier sprake is, lag dus omstreeks vijf-en-dertig mijlen oostwaarts van de ruïnen van Aké, waar wij ons thans bevinden.

Aké was ongetwijfeld eene zeer volkrijke stad; vijftien a twintig pyramiden van verschillende grootte, met de bouwvallen van paleizen gekroond, zijn over eene oppervlakte van een vierkante mijl verspreid. De belangrijkste ruïnen schijnen een rechthoek te vormen, en omsluiten eene ruimen binnenhof, die zorgvuldig geëffend is, en in welks midden nog een steen overeind staat, die door de Indianen _picoté_ wordt genoemd. Dit was de straf- of geeselpaal, dien men ook te Uxmal en andere plaatsen vindt, en die zoowel voor als na de verovering, in geen enkel indiaansch dorp ontbrak. Te Tenosiqué verhaalde mij een oud man, dat hij, nog geen dertig jaar geleden, dien steenen paal op het midden van de markt had gezien. De veroordeelde Indiaan werd geheel naakt aan den picoté gebonden, om daar het bepaalde aantal stokslagen te ontvangen. Ik vond dezelfde gewoonte te Tumbala, een indiaansch dorp op den weg van Palenqué naar San-Christobal. Volgens de begrippen der Indianen, wischt de straf de schuld uit; en ik heb Indianen ontmoet, die, om hun geweten tot rust te brengen, zelven aanhielden om eene bestraffing, die niemand hun zocht op te leggen.

Nemen wij thans de ruïnen nader in oogenschouw. Aan den noordwestelijken uithoek verrijst eene pyramide van twee verdiepingen, saamgesteld uit groote steenblokken zonder kalk; zij heeft eene hoogte van omstreeks veertig voet, en eindigt in een klein vertrek, waarvan het dak is ingestort, maar waarvan de muren nog ten deele overeind staan. Wij vinden hier dezelfde constructie terug, die wij reeds te Tula, te Teotihuacan en te Palenqué hebben opgemerkt, en die wij ook nog in de andere oude steden van Yucatan zullen aantreffen.

Dit monument met het kleine vertrekje, dat voor bewoning ten eenemale ongeschikt is, kan onmogelijk een paleis zijn geweest; wij mogen veilig aannemen dat wij hier met een tempel te doen hebben; en dat te meer omdat deze pyramide een deel schijnt uit te maken van het daaraan grenzende monument, waarboven zij zich verheft. Dit laatste monument herinnert door zijne rechthoekige gedaante, aan de soortgelijke gebouwen, die wij te Tula en te Teotihuacan gezien hebben en die men met den naam van citadellen bestempelt, maar die inderdaad niet anders waren dan de vermaarde Tlachtli, de kaatsbaan, waarvan alle geschiedschrijvers melding maken. Het kaatsspel was bij uitnemendheid het nationale spel der Tolteken, die het ook in Tabasco en Yucatan invoerden. Wij zullen zulk een tlachtli, beter bewaard, te Uxmal en te Chichen-Itza terugvinden. Waarschijnlijk hadden er, vóór den aanvang van het spel, in dien kleinen tempel godsdienstige ceremoniën plaats.

Een weinig meer ten zuidoosten zien wij een monument, dat tot velerlei gissingen aanleiding heeft gegeven. Het is eene langwerpige pyramide, met een zonderling gebouw gekroond. Het geheel ongewone voorkomen, de buitengewoon groote trap, die zonderlinge architektuur, geheel afwijkende van het gewone karakter der yucatansche monumenten: dit alles verplaatst ons als het ware in eene nieuwe wereld. Het zonderlinge monument bestond uit zes-en-dertig pilaren, waarvan er nog negen-en-twintig over zijn, geplaatst op het bovenvlak van eene langwerpige pyramide of liever een terras van zes el hoogte. Men bereikt dat plat langs een reusachtige trap van ruwe steenblokken, van anderhalve tot twee el lengte, en van dertig tot vijftig duim hoogte. De pilaren waren gemiddeld vier el vijf-en-zeventig duim hoog, te oordeelen althans naar de hoogsten en best bewaarden, die nog voorhanden zijn; zij bestaan uit tien blokken van een el twintig duim in lengte en breedte, en tusschen de veertig en vijftig duim hoogte.

Men had mij gezegd dat de steenen eenvoudig op elkander waren gelegd, en dat de bouwmeesters te Aké geen kalk of cement hadden gebruikt. Dit is onjuist; bij onderzoek blijkt toch dat wel de buitenzijden der blokken, waaruit de pilaar bestaat, werden behouwen, maar dat de binnenzijden ruw werden gelaten. Daar nu die binnenzijden niet juist op elkander konden passen, moest men de ledige ruimten aanvullen met kleine steenen, die nog voorhanden zijn, en werd ongetwijfeld tot bedekking gebruik gemaakt van kalk of cement.

De heer Aymé, de amerikaansche consul te Merida, loochent dit laatste; en daar de kalk verdwenen is, kan ik hem niet met de stukken overtuigen, en moet wachten tot eene nieuwe ontdekking de juistheid mijner meening bewijze. Deze zes-en-dertig pilaren, in drie evenwijdige rijen geplaatst, vormen een rechthoek; de esplanade waarop zij staan, heeft eene lengte van vijf-en-zestig el veertig duim, bij eene breedte van veertien el veertig duim; de richting der pyramide, die aan de uiteinden afgerond is, is van het noorden naar het zuiden; de trap bevindt zich aan de zuidzijde.

Welke was nu de bestemming van dit wonderlijke gebouw? Was het eenvoudig eene open galerij? Men vindt hoegenaamd geen puin op het plat van de pyramide; was er dus vroeger eene bedekking, dan moet dit dak uit hout en riet hebben bestaan, waarvan niets is overgebleven. Was dit gedenkteeken bestemd om de herinnering aan een of ander persoon of feit te bewaren? Wij kunnen op die vragen geen antwoord geven. Zeker is dit monument in geheel Yucatan volstrekt eenig in zijne soort; maar het draagt hoegenaamd geen monumentaal karakter.--Gewisselijk ontbreekt het niet aan commentaren; maar het is bekend, dat de commentatoren dikwijls de schrijvers en ook de monumenten zeer veel meer laten zeggen, dan zij werkelijk doen: van nature zijn zij geneigd, het vreemde, het verrassende, het onmogelijke boven het eenvoudige en voor de hand liggende te verkiezen. Sommige reizigers hebben, ten aanzien van de ruïnen van Aké, hunner fantazie den vrijen teugel gevierd en theorieën verkondigd, die den nuchteren opmerker verbijsteren. Ziehier een staaltje van zulke buitensporigheid.

Het monument, waarvan wij spreken, zou de herinnering moeten bewaren aan tijdperken of regeeringen, en ieder steenblok zou een Ahan Katun of een Katun moeten voorstellen. Volgens de oude tijdrekening der Mayas omvat een Ahan Katun een tijdvak van vier-en-twintig, en een Katun een van twee-en-vijftig jaren. Daar er nu zes-en-dertig pilaren zijn, ieder uit tien blokken bestaande, krijgen wij in het eerste geval een tijdvak van achtduizend-zeshonderd-veertig jaren, en in het tweede eene periode van achttienduizend-zevenhonderd-twintig jaren. Ik behoef wel niet op te merken, dat het onderste blok, voor achttienduizend-zevenhonderd-twintig jaar gelegd, reeds lang verdwenen zou zijn vóór het aanbrengen van het laatste blok, dat nog eenige eeuwen ouder zou zijn dan de verovering. Bovendien dragen alle blokken het kenmerk van gelijken ouderdom. Maar eigenlijk is het niet noodig, over dergelijke buitensporige dwaasheden veel woorden te verspillen.

Is het niet eenvoudiger, aan te nemen dat dit vreemdsoortige monument eene galerij was, vroeger met riet overdekt, en die hetzij voor openbare spelen, hetzij voor vergaderingen of plechtige ceremoniën bestemd was? De ligging midden tusschen de andere monumenten schijnt voor deze onderstelling te pleiten.

Na dit monument opgemeten te hebben, begeven wij ons naar eene andere ruïne, _Akabua_, dat wil zeggen, huis der duisternis, genoemd. De vertrekken zijn inderdaad donker, daar zij hun licht uitsluitend ontvangen door de in andere kamers uitkomende deuren. Ook daar, als overal elders, vinden wij de zoogenaamde _boveda_, het door vooruitspringende lagen gevormde gewelf, dat wij ook in de monumenten der Hindoes en der Tolteken aantreffen. Dit dusgenoemde, oneigenlijke gewelf is hier te Aké sterker gebogen: een gevolg van de gebruikte materialen, want, even als de pyramiden, is dit gewelf saamgesteld uit die groote onbehouwen steenblokken, waarvan het gebruik ook aan deze monumenten den naam van cyclopische bouwgewrochten heeft doen geven.

Toch is die benaming niet goed gekozen: immers de dusgenoemde cyclopische constructie bestaat uit veel grooter blokken van onregelmatige gedaante, maar zoo volkomen op elkander passende, dat men er niets tusschen kan steken; de steenen daarentegen in de ruïnen van Aké hebben allen denzelfden vorm: het zijn dikke, niet behouwen zerken, die door aanmerkelijke tusschenruimten van elkander gescheiden zijn.

Ik maakte mijn gids, den heer Aymé, daarop opmerkzaam, en zeide tot hem: "Gij beweert dat er bij de gebouwen van Aké noch kalk, noch cement is gebruikt, en dat men er nooit beeldhouwwerk, noch eenige decoratie welke ook heeft ontdekt. Ik kan dit niet toegeven, hoewel de feiten mij in het ongelijk schijnen te stellen. Hier staan wij voor een raadsel, dat wij moeten trachten op te lossen. De stichters van deze gebouwen hebben zich zeker niet zoo veel moeite en inspanning getroost, om hun werk onvoltooid te laten. Wij moeten dus aannemen, dat deze zerken eenmaal volkomen aan elkander sloten, en dat de tijd ze heeft afgeknaagd en verwijderd; maar dan moeten wij aan deze monumenten een ouderdom toekennen, die volstrekt onaannemelijk is. Bovendien ziet ge dat deze steenen nog geheel in denzelfden toestand verkeeren, als toen zij uit de groeve werden gehaald; ook zijn zij hier in de binnenkamers niet beter geconserveerd dan aan de buitenmuren, hetgeen toch het geval moest zijn. Ik kom dus tot het besluit dat al deze steenen, van de muren zoowel als van de gewelven, vroeger met cement bestreken en, volgens de gewoonte, ook beschilderd waren.

"Toon mij het bewijs van hetgeen gij zegt, antwoordde hij, en ik zal u gelooven."

Ik moest zwijgen, en wij begaven ons naar eene hooge pyramide, met een ruïne gekroond.

"Laat ons dit paleis gaan zien, zeide ik tot Aymé.

--Er is niets te kijken: het zijn muren en meer niet; ik heb het vroeger al bezocht; antwoordde hij.

--Laat ons toch maar eens gaan zien," hernam ik. En wij gingen.

Op het plat van de pyramide gekomen, was het eerste wat ik zag een zeer fraai bas-relief van cement, bestaande uit schuine ruiten en afgeplatte bollen. Dit bas-relief vormde de rechterlijst van een groot kader, waar binnen verschillende figuren geplaatst waren, waarvan men nog de overblijfselen kon ontdekken. Een laag cement van ongeveer een el dik bedekte de steenen, vulde de ledige ruimten en maakte de geheele oppervlakte glad en effen. Wij vonden zelfs nog sporen van de oude beschildering.

"Wat zegt ge nu? vroeg ik aan mijn reisgezel.

--Gij hadt gelijk," antwoordde hij.

Inderdaad was door deze ontdekking een einde gemaakt aan alle tegenspraak.

IV

Van Aké begeven wij ons naar Izamal, waar wij ten drie uren aankomen.

Izamal is eene van de voornaamste steden der provincie, of liever een groot, aardig dorp met tusschen de vijf- en zesduizend inwoners; het vlek maakte een des te aangenamer indruk, omdat men er zoo pas het feest van den heiligen schutspatroon had gevierd, bij welke gelegenheid de huizen, de openbare gebouwen en zelfs de vervallen muren in de buitenwijken opnieuw waren gewit. Behalve zijne nette woningen, bezit Izamal ook nog twee pleinen, door sierlijke moorsche zuilengangen omringd.

Wij moeten hier even een uitstapje maken op historisch gebied, waarbij opnieuw de betrekkelijke jonkheid zal blijken der beschaving in Yucatan, in tegenspraak met de bewering van sommigen, die zich te zeer door hunne verbeelding laten leiden en aan deze beschaving een bespottelijken ouderdom toekennen.

Evenals Merida en andere steden van het schiereiland, verrees ook Izamal op de plek, waar eene indiaansche stad stond. Evenals elders, was ook hier het eerste werk der Spanjaarden, de tempels en paleizen te verwoesten, de geschreven dokumenten te vernietigen, en zoo veel mogelijk elk spoor en elke herinnering van de inlandsche beschaving uit te roeien. Bisschop Landa, wiens werk over de zaken van Yucatan omstreeks 1566 geschreven werd, dat is dus vijf-en-veertig jaar na de verovering, spreekt van de gebouwen te Izamal, waarvan er toen nog twaalf in wezen waren, en deelt ons mede, dat de stichters dier monumenten onbekend waren. Lizana daarentegen, die in 1628, zestig jaren later, schreef, en die veel minder dan Landa in de gelegenheid was om zich bekend te maken met de oude traditiën en legenden, vertelt ons uitvoerig de geschiedenis dier monumenten; van de twaalf bouwwerken, waarvan zijn voorganger melding maakt, kent hij er wel is waar slechts vijf, maar hij weet de namen, die Landa niet wist: wij zullen dus zijne opgave volgen.

Landa, die eerst zegt dat men den oorsprong dezer monumenten niet kende, deelt ons later mede, dat zij door het nog bestaande ras der inlandsche bevolking waren gesticht: immers, onder het puin der verwoeste monumenten, heeft men fragmenten gevonden van naakte menschenbeelden en andere versierselen, zoo als de Indianen nog heden van bijzonder sterke cement vervaardigen. In een graf vindt hij kunstig bewerkte voorwerpen van steen, gelijk aan die welke de Indianen nog tegenwoordig bij wijze van geld gebruiken. Even als te Merida, waar hij genoodzaakt was, eene kapel te verwoesten, om een einde te maken aan de godsdienstige vereering van het oude heiligdom, bestond ook hier, volgens Landa, eene groote pyramide, waarvan wij de afbeelding geven op bladz. 32. De kapel, welke deze pyramide bekroonde, bestond in zijn tijd nog: hij geeft er eene beschrijving van en zegt dat zij opgetrokken was uit zorgvuldig gehouwen, met beeldwerk versierde steenen. Met echt-zuidelijke overdrijving, voegt hij aan zijne beschrijving de opmerking toe: "Dit monument is zoo hoog, dat men er versteld van staat." Toch bedraagt die hoogte nauwelijks tachtig voet!

Het monument bestond uit twee gedeelten: de bijna tweehonderd el breede basis met een ruim terras of platform, en de kleine pyramide, aan de noordzijde van dit terras. Op het terras stond het volk, om getuige te zijn van de godsdienstige plechtigheden, die ten aanschouwe van allen op den top der pyramide werden volbracht. In de kapel, waarvan Landa spreekt, stond het afgodsbeeld. Wij spreken hier bij analogie: want wij weten dat dit het gebruik was te Mexico en in de steden der Tolteken, Teotihuacan en Cholula.

Volgens Lizana droeg deze groote pyramide den naam van Kinich-Kakmó, omdat op den top een tempel stond, waarin het beeld van een afgod, die aldus werd genoemd. Deze naam zou zooveel beteekenen als: "Zon, met het vurig stralende gelaat." De tempel was dus een zonnetempel, met de daarbij behoorende pyramide, evenals te Teotihuacan.

Ten zuiden van deze pyramide verrees eene andere, niet minder breed, maar eindigende in een terras en dus minder hoog dan de eerste; zij heette Ppapp-Hol-Chac, dat wil zeggen: "Huis der hoofden en der bliksemstralen." Daar woonden de priesters, vermoedelijk in een fraai paleis, zoo als men die ook in andere steden vindt. De Spanjaarden bouwden op die plek een aan Sint-Franciscus gewijd klooster, benevens de parochiale kerk, die zeer mooi is.

De derde pyramide, ten oosten, droeg een tempel toegewijd aan Ytzama-ul, Itzamna of Zamna, den legendarischen stichter van de stad Izamal. "Deze koning of deze afgod, zegt Landa, werd door de Indianen voorgesteld onder de gedaante van eene hand; zij beweren dat men de zieken en zelfs de dooden tot hem bracht en dat de god hen door de aanraking met zijne hand genas of weder tot het leven opwekte; daarom noemde men den tempel Kab-ul, hetgeen beteekent de werkzame, de wondervolle hand."--Deze tempel, waar zoo vele wonderen gewrocht werden, was het doel van scharen van bedevaartgangers: daarom had men naar de vier windstreken groote wegen of heerbanen aangelegd, die tot aan de grenzen van het land waren doorgetrokken en naar Guatemela, naar Chiapas en naar Tabasco voerden. Nog heden, zegt onze schrijver, vindt men op verscheidene plaatsen sporen van die wegen.

Wij zelven hebben de overblijfselen gevonden van den met cement geplaveiden weg, die van Izamal naar den oever der zee liep, tegenover het eiland Cozumel. Wij moeten hierbij opmerken, dat deze manier van wegen te maken bij voorkeur aan de Tolteken eigen was, zoo als wij reeds vroeger in de gelegenheid waren te constateeren.

In den naam van den tempel, Kab-ul, de werkzame hand, herkennen wij zonder moeite Hueman, de lange handen, het groote opperhoofd en de wetgever der Tolteken van Tula, die door verschillende geschiedschrijvers voor denzelfden gehouden wordt als Quetzalcoatl, dien wij in Yucatan terugvinden onder den naam van Cuculkan, hetgeen hetzelfde beteekent.

De vierde, meer voorwaarts gelegen pyramide droeg de woning van den opperbevelhebber des legers, die den titel voerde van Hunpictok, hoofdman over achtduizend steenen lansen. Op den top dezer pyramide vindt men niets dan puin; in het onderste gedeelte, dat van gelijke constructie is als de piramide te Aké, bevond zich het door Stephens beschreven beeld, dat thans verdwenen is, en ziet men nog heden, aan de oostzijde, de figuur, op bladz. 28 afgebeeld. Aan dit beeld kunnen wij de manier van werken der bouwmeesters duidelijk waarnemen. Deze kolossale kop heeft eene hoogte van vier ellen; de oogen, de neus, de onderlip zijn gevormd uit ruwe steenblokken, die, even als de wangen, met versche cement zijn bestreken; de ornamenten ter rechter- en ter linkerzijde zijn evenzoo van cement; aan de versierselen links, die beter bewaard zijn gebleven, bespeuren wij nog die dubbele spiralen, zinnebeeldige voorstellingen van den wind of den adem, het woord, die wij reeds zoowel te Mexico als te Palenque hebben gezien en die wij te Chichen-Itza zullen terugvinden.

Aan de westzijde van deze pyramide, waar men een gedeelte van de basis heeft blootgelegd, zien wij een der fraaiste bas-reliefs, die wij in Yucatan hebben ontmoet. De hoofdfiguur is een liggende tijger met een menschenhoofd; het beeldwerk is van cement; de modeleering der figuren is voortreffelijk; deze tijger met het aangezicht van een mensch herinnert ons aan de teekens der mexicaansche ridderorden, arenden, tijgers en sperwers. De orde van den tijger was de voornaamste van allen; en niets past beter bij de bestemming, die het paleis, volgens de legende, zou hebben gehad, dan deze symbolische voorstelling van de kracht en den moed: eene waardige versiering der woning van den opperbevelhebber van het leger van Izamal.

Al deze monumenten, de pyramide met den zonnetempel, de tempel van Quetzalcoatl, het paleis van den vorst en de woning der priesters, leveren het bewijs dat Izamal, op het tijdstip der verovering, eene zeer talrijke bevolking had en een der hoofdpunten was van de nederzettingen der Tolteken; voorts weten wij zeker, dat de godsdienstoefeningen geregeld in de heiligdommen plaats grepen en door het volk werden bijgewoond. Dit is echter onbestaanbaar met den hoogen ouderdom, dien sommigen aan deze stad willen toekennen.