Reis naar Yucatan De Aarde en haar Volken, 1886
Part 2
Zoo als hij nog heden ten dage, na eene meer dan driehonderdjarige onderdrukking en vernedering is, onderscheidt de Maya zich nog van alle indiaansche stammen. Ik vind de Mayas een mooi slag van menschen, en ik betwijfel zeer of er onder de landbouwende klassen in Europa, naar evenredigheid, zoo veel welgebouwde menschen en zoo veel verstandige en intelligente koppen te vinden zijn. Zij hebben een rond hoofd, zwarte oogen, een gebogen neus, een kleinen mond en welgevormde ooren, fraaie tanden, een vooruitstekende kin en eene breede borst; hunne kleur is vrij licht bruinrood; hun haar is grof, zwart en niet krullend.
Hunne oude maatschappelijke organisatie schijnt te wijzen op eene vroegere verovering. Aan het hoofd der hierarchie stond de koning; op hem volgden de priesters, dan de adel, dan het volk, dan de slaven. Alle lasten en opbrengsten drukten op het volk; de grond was gemeenschappelijk eigendom, en elke Indiaan bebouwde het hem aangewezen stuk; de wijze van bebouwing was reeds toen dezelfde als nog tegenwoordig. Daar de rotsachtige bodem van het schiereiland geene gelegenheid aanbiedt tot ploegen, was de ploeg onbekend, evenals de Spanjaarden, die den ploeg kenden, er toch geen gebruik van maakten. Daarbij was de grond niet enkel steenachtig, maar bovendien met wouden bedekt; men kapte dus eenige maanden voor den regentijd de boomen om en verbrandde ze, nadat zij genoegzaam gedroogd waren, zoodat hunne asch tot bemesting kon dienen; vervolgens boorde men met een puntigen stok gaten in de aarde om daarin maïs te zaaien. Deze wijze van bebouwing had natuurlijk ten gevolge dat de grond lang braak moest liggen; de verdeeling der landerijen was dan ook zoo geregeld, dat de akker eerst na verloop van vijf jaren weer in bebouwing kwam. Slechts een vijfde gedeelte van den grond werd dus werkelijk bebouwd; en hoe snel de boomen ook opschoten, kon het bosch zelden iets meer zijn dan hakhout. De opbrengst van den oogst werd in magazijnen geborgen, en vervolgens aan elke familie, naar gelang van hare behoeften, een deel uitgereikt.
De Indiaan moest niet alleen den grond bebouwen, maar ook jagen en visschen, en langs de kust het zout inzamelen, en dat alles onder opzicht van daarvoor opzettelijk aangestelde ambtenaren, die over de opbrengst beschikten; de vrouwen en meisjes moesten spinnen en weven. De koningen, priesters en edelen leefden dus in overvloed en onbekommerd, te midden van feesten en uitspanningen van allerlei aard; maar zij voerden ook oorlog, en de Indiaan moest steeds gereed zijn om zijn heer in den krijg te volgen. De oorlogen waren talrijk genoeg, maar zij duurden kort: het lot van den veldtocht werd doorgaans in een enkelen slag beslist. Het ging daarbij wreedaardig toe: men kende geen medelijden met den overwonnen vijand; alles werd geplunderd en uitgemoord, en wat men niet mede kon nemen, werd vernield of verbrand. Dit verklaart ons het groote aantal van verwoeste steden en van nieuwe monumenten, die na afloop van den oorlog weder werden opgebouwd.
Als zij ten krijg uittogen, beschilderden de Mayas, even als vele andere volksstammen, hun gelaat, en Bernal Diaz del Castillo, die meermalen met hen vocht, verhaalt ons dat zij een soort van harnas van gevoerd katoen droegen: eene wapenrusting, die de Spanjaarden onder Cortez later van hen overnamen; zij waren gewapend met boog en pijlen, met lans en schild, met slingers en groote houten slagzwaarden. Zij versierden hun hoofd met schitterend gekleurde vederbossen en verfden zich het gelaat wit en zwart, sommigen ook steenrood.
Was men van den krijgstocht teruggekeerd, dan werd die verf weggewasschen en vervangen door een onvernietigbare tatouage: dit tatoueeren was, naar het schijnt, een privilege voor de edelen en de krijgslieden, die op deze wijze de herinnering aan hunne heldendaden bewaarden en zich van de massa des volks onderscheidden; Cogolludo verhaalt dat zij hun lichaam versierden met allerlei figuren en afbeeldingen van dieren, zooals arenden, tijgers, slangen en anderen. De jeugdige krijgsman begon met een of twee van deze symbolische figuren; maar elke nieuwe overwinning moest door een nieuw teeken worden herdacht, zoodat het lichaam van in den krijg vergrijsde helden eindelijk geheel met deze hiëroglyphen bedekt was. Volkomen dezelfde gewoonte heerscht nog tegenwoordig in Nieuw-Zeeland en op andere eilanden van den Stillen-oceaan.
De kleederdracht van de lieden uit de volksklasse was bij uitstek eenvoudig en bestond uit een kleinen doek, die de plaats verving van het traditioneele vijgenblad; trouwens het warme, aangename klimaat liet dit minimum van kleeding toe. Aguilar, een Spanjaard, die acht jaren lang krijgsgevangene was bij de Yucateken, was zoo volkomen gewend aan dit primitieve kostuum, dat hij met de europeesche kleeding niet meer terecht kon. De kinderen liepen tot hun tweede jaar naakt; de kleine meisjes droegen om haar middel een koord, waaraan eene schelp hing; bisschop Landa, die ons dit mededeelt, voegt er bij dat het als eene groote zonde en eene schandelijke daad werd beschouwd, haar deze schelp te ontnemen vóór haar doop, die gemeenlijk tusschen het derde en het twaalfde jaar plaats had.
De kleeding der adellijke mannen en vrouwen was zeer rijk en bestond uit tunica's en mantels van katoen, met verschillende figuren geborduurd of in sprekende kleuren beschilderd. De Mayas lieten hun haar groeien, maar knipten het op het voorhoofd boven de wenkbrauwen af; zij hadden weinig baard en trokken dien uit; de lieden van hooge geboorte en de jongelieden naar de mode moesten scheel zien: dit gold in de oogen der dames als bijzonder schoon. Om dit voorrecht deelachtig te worden, lieten de moeders een vlok hair over den neus der kinderen hangen, waarnaar zij onwillekeurig moesten kijken, zoodat zij eindelijk scheel zagen. De Mayas doorboorden ook hunne ooren, hunne lippen en hun neus, en droegen daarin houten en metalen ringen en andere sieraden.
Evenals bij de Azteken, de Totonaken, de bewoners van Palenqué en de Peruanen, heerschte ook bij hen de gewoonte der schedelmisvorming; maar dit gebruik was verre van algemeen en gold vermoedelijk ook als een privilege voor de adellijke familiën en de priesterkaste. Torquemada verhaalt daaromtrent het volgende: "Ten einde zich een woest en krijgshaftig voorkomen te geven, geldt voor hunne vorsten, in sommige provinciën, het gebod om zich het gelaat en het hoofd (met behulp der vroedvrouwen en der moeders) te misvormen, en daaraan eene puntige en langwerpige gedaante te geven, gepaard met een breed voorhoofd." Ten aanzien van Tlaxcala voegt hij erbij: "Sommigen hebben een puntig hoofd en een plat voorhoofd; anderen gelijken op die Mexicanen en die lieden van Peru, wier schedel eenigzins de gedaante heeft van een hamer (?) of van een schip (?), die de fraaiste van allen is."--Heel duidelijk is deze beschrijving niet; vermoedelijk wil Torquemada te kennen geven, dat het hoofd buitengewoon langwerpig was. Landa zegt: "De vrouwen gingen zeer ruw met haar kinderen om; het kleine schepseltje was nauwelijks vier of vijf dagen oud, of zij legden het op den grond, op een bed van stokjes en riet, met het gezichtje voorover; dan klemden zij het hoofdje tusschen twee plankjes en drukten het met kracht, totdat, na verloop van eenige dagen, het hoofd den vereischten platten vorm had aangenomen." Deze operatie was zoo pijnlijk en gevaarlijk, dat vele kinderen op het punt stonden daaraan te bezwijken; de schrijver zelf had een kind gezien, waarvan de schedel achter de ooren gespleten was: hetgeen ongetwijfeld meermalen moest gebeuren.
De moderne geschiedschrijver Eligio Ancona beschrijft als volgt de politieke organisatie des lands voor de verovering: "Een of meer vorsten regeerden met onbeperkte macht; de priesters beheerschten het geweten; de edelen bekleedden alle openbare betrekkingen; de overgroote meerderheid des volks was in twee kasten verdeeld: plebejers, die alle lasten hadden te dragen voor het onderhoud der bevoorrechte standen, en slaven, die geheel aan de willekeur van den meester waren prijsgegeven.--Op politiek gebied, de autokratie; in stede van godsdienst, fanatisme; eene zeer onvolkomen beschaving en ontwikkeling, uitsluitend in handen der priesterkaste; bij de massa, onwetendheid en verdierlijking; slavenhandel en menschenoffers; de vrouw buiten de maatschappij zoo wel als buiten de familie gesloten; en bovenal de onrustige, onverzadelijke eerzucht der caciquen, telken dage en onder de nietigste voorwendsels het bloed des volks doende stroomen."
Deze beschouwing verraadt in ieder woord haar modern, doctrinair karakter: ge gevoelt het aanstonds, hier spreekt een man, in wiens mond de afgesleten fraseologie der negentiende eeuw bestorven ligt. Dit is zeker, dat, ondanks al deze gruwelen, dit kleine volk niet ongelukkig was, veel meer het tegendeel: het land was dicht bevolkt, en de monumenten leggen nog getuigenis af van den bloei der kunst. Wat heeft dit volk nu wel van de Spanjaarden ontvangen? Hebben zij zijn lot verbeterd; is het door hen minder onwetend geworden; is het peil der zedelijkheid werkelijk verhoogd? Voor de verovering werd Yucatan door ettelijke millioenen Indianen bewoond; tegenwoordig zijn er ter nauwernood nog honderdduizend over, en dezen verkeeren in ellendiger toestand en zijn dieper gezonken dan ooit te voren. Vanwaar dit? De verklaring is gemakkelijk genoeg: ieder volk heeft de godsdienst die het waard is en die het beste past bij zijne geestelijke ontwikkeling; elke beschaving is geschikt voor het volk, dat haar uit zich zelve ontwikkelt of van anderen overneemt en dan zoodanig wijzigt dat het zijn eigen karakter daarin ontplooien kan en ruimte en vrijheid van beweging vindt in gebruiken en instellingen, overeenkomende met zijn aard en zijn aanleg. Of die beschaving, in onze oogen en gemeten met onzen maatstaf, hoog of laag staat, is eene kwestie van ondergeschikt belang; aprioristische beschouwingen, uitgaande van eene of andere abstracte theorie, doen niets ter zake: de eenige vraag is, of die bepaalde kultuurtoestand past voor het volk, bij hetwelk wij dien aantreffen. En het antwoord op die vraag kan alleen de historie geven. Zooveel is zeker, en de indiaansche stammen van Centraal-Amerika leveren daarvan op nieuw het bewijs, dat het opdringen van nieuwe instellingen en gebruiken, van eene vreemde, laat het zijn hoogere beschaving, den ondergang en den dood van een volk ten gevolge kan hebben.
Wij moeten met een enkel woord gewag maken van de vrouwen van gemengd bloed, die tot de voornaamste bekoorlijkheden van Merida en andere steden van Yucatan behooren. Deze mestiezen vormen als het ware eene kaste op zich zelve en schijnen zonder morren de geringschatting te dragen, waarmede zij over het algemeen behandeld worden; zij weten zich echter op verschillende wijze daarover te wreken, waarbij de bekoorlijkheid der vrouwen van geen geringe dienst is. Deze vrouwen schijnen allen mooi, en al zijn ze niet werkelijk mooi, hebben zij toch eene bijna onwederstaanbare aantrekkelijkheid. Dat is zeker voor een groot deel toe te schrijven aan haar smaakvol kostuum, bestaande uit eene wijde tunica met korte mouwen, en op de borst vierkant uitgesneden. Deze tunica, _uipile_ genoemd, is van boven en van onderen versierd met roode, groene, of blauwe borduursels, bloemen, bladeren, vogels, en heeft, evenals de uitstaande rok, een breeden zoom van kant. Zij steken een zilveren haarspeld door haar prachtig, gitzwart haar, dat in twee zware tressen is verdeeld; haar vingers zijn overladen met ringen, en om haar hals dragen zij lange gouden kettingen, vaak haar geheele fortuin.
Deze mestiezen wonen in de voorsteden, in kleine langwerpige huisjes met rieten daken; de buitenmuren zijn doorgaans met schuine ruiten versierd, bezaaid met kleine steentjes op de kruispunten der lijnen. Zulk eene hut heeft stellig zeer veel overeenkomst met de woningen der Mayas in den tijd voor de verovering; de wijze van decoratie herinnert ook aan het beeldhouwwerk der oude paleizen. Van binnen vindt men geen andere meubelen dan een hangmat, een paar koffers tot berging van de kleedingstukken bij feestelijke gelegenheden, en een _butaca_, een kleinen fauteuil met eene lage rugleuning en met leer bekleed.--Deze voorsteden zijn inderdaad bosschen: bij iedere woning behoort een terrein van omstreeks een tiende bunder, beplant met eene bijzondere soort van boom, _ramon_ genoemd, waarvan de bladeren tot voedsel dienen voor de lastdieren.
Men leeft over het algemeen te Merida zeer stil en huiselijk; de dames gaan weinig uit; men ziet haar zelden in de vuile straten, die geen riolen hebben, vol kuilen en gaten zijn en in den regentijd in moerassen zijn herschapen. Zij hebben geene andere afleiding dan het bezoeken der kerk, en des avonds, van vijf tot zes uur, een toertje met rijtuig. De eerste kerkdienst begint reeds des morgens tusschen drie en vier uren; op dit onmogelijke uur worden, tot schrik van alle vreemdelingen, alle klokken geluid, hetgeen een allesbehalve aangenaam concert is.
Het gezellig verkeer is echter te Merida zeer levendig: letterkundige bijeenkomsten, danspartijtjes, concerten, schouwburgen, dagbladen en tijdschriften:--men vindt er van alles; er is wrijving genoeg van denkbeelden en een opgewekt litterair leven. Twee geschiedschrijvers, Eligio Ancona en de canonigo Crescentio Ancona, schilderen in hunne verhalen de heldendaden der veroveraars, het lijden der eerste kolonisten, de innerlijke partijtwisten en beroeringen en de bloedige episoden van den burgeroorlog. De Yucateken zijn niet alleen staatsambtenaren, zoo als dat meestal het geval is met de Mexicanen der hoogvlakten: zij drijven ook handel en leggen zich toe op industrie: in hun land wordt dit arbeidsveld niet, als bijna overal elders, aan de vreemdelingen overgelaten. Zij zijn een eigenaardig ras, door harde beproevingen geleerd en gestaald; een jong en levenslustig ras, bij hetwelk de noodlottige invloed van het klimaat zich, naar het schijnt, alleen toont in de kleine gestalte en het overwicht van het vrouwelijk element in de bevolking. Men kan den Yucateken misschien al te groote winzucht verwijten, die er hen toe brengt met name den vreemdeling op onbeschaamde wijze te plunderen. Ik kan uit eigen ondervinding daarvan een merkwaardig voorbeeld mededeelen.
Ik wilde een huis huren met den amerikaanschen consul, die overal rondkeek en mij inmiddels aan zijne talrijke vrienden voorstelde. Wij werden overal met de meeste welwillendheid ontvangen; men betuigde zijn spijt, dat men ons niet kon helpen; men verklaarde zich overigens geheel tot onze dienst bereid; maar daar bleef het bij. Eindelijk zeide een van de vriendelijksten en ijverigsten, een dagbladschrijver, tot ons: "Ik heb wat gij zoekt; in die straat heb ik een huis; hier is de sleutel; gaat het eens zien; als het u aanstaat, is het tot uwe beschikking." Wij gaan het huis zien, dat echter voor ons niet geschikt blijkt; terugkeerende loopen wij even bij onzen vriend aan om te zeggen, dat wij het niet nemen. Maar Aymé, de consul, vergeet den sleutel terug te geven en brengt dien eerst na verloop van vijf dagen, zich verontschuldigende over het verzuim.
"O, dat is niets, antwoordt onze vriend: maar ik krijg dertig francs van u.
--Dertig francs: waarvoor? vraagt Aymé.
--Waarvoor? Wel, gij hebt den sleutel vijf dagen gehouden; vijf dagen, tegen zes francs per dag, dat maakt dertig francs. Mij dunkt, dat is eenvoudig genoeg."
Het was inderdaad zeer eenvoudig; en er schoot niet anders over dan te betalen. Wij hadden evenwel de voorzichtigheid, van dat heerschap, wiens naam ik niet noemen wil, eene kwitantie te vragen.
De Yucateken zijn er op gesteld, meester in hun eigen land te blijven en hunne eigene zaken te beheeren. Met meer ondernemingsgeest bezield, energieker en hooghartiger dan hun volksgenooten op de hoogvlakten, hebben zij voor den aanleg van spoorwegen en andere openbare werken geen beroep gedaan op de kapitalen der Yankees; uit hun eigen, waarlijk niet overvloedige middelen hebben zij de kosten bestreden. Wel vorderen de werken langzaam, maar de Yucateken mogen er dan ook roem op dragen, dat zij er niemand dank voor hebben te brengen.
Het is inderdaad treffend te zien, hoe dit kleine volk, dat zoo vreeselijk door binnenlandsche oorlogen en beroerten werd geteisterd en vergeefs elders om hulp smeekte, zich weer heeft opgericht, met ijver en inspanning zijne hulpbronnen ontwikkelt en de bittere beproevingen te boven komt. In tegenoverstelling van hunne trage en verkwistende buren, zijn de Yucateken arbeidzaam en zuinig: twee onmisbare deugden, die zij zich verwierven in den moeielijken strijd tegen de ongunstige omstandigheden, waarin zij geplaatst waren: de betrekkelijke armoede van den grond, het ontbreken van minerale schatten, en die verschrikkelijke verdelgingsoorlog, die het volk op den rand des ondergangs bracht.
De geschiedenis van dien oorlog is dramatisch in hooge mate; ik zal haar hier niet vertellen, maar slechts aanstippen dat de bewegingen onder de Indianen, reeds in 1761 begonnen, in 1846 tot een geweldigen algemeenen opstand leidden, die nog niet geheel onderdrukt is. Men mag echter aannemen, dat de bloedige oorlog ten einde loopt; de wilde trekt zich voor de beschaving terug en ziet schier met den dag zijn gebied inkrimpen.
III
Nadat wij te Merida eenige dagen hadden vertoefd, maakten wij ons gereed voor een uitstapje naar Aké. Dit uitstapje was inderdaad een reisje _en famille_, want Louis Aymé, de amerikaansche consul, die ook in archeologie liefhebberde, en die reeds meer dan eens de ruïnen bezocht had, wilde mij vergezellen; maar mevrouw Aymé, eene Amerikaansche, gaf daartoe alleen hare toestemming, onder voorwaarde dat zij ook mede zou gaan; en daar Shuty niet alleen thuis kon blijven, moesten wij hem ook mede nemen. Shuty was de gunsteling van mevrouw, een mooi hondje, met lange zijdeachtige haren. Met inbegrip van mijn secretaris en mijn bediende, waren wij dus met ons zessen: wij hadden mitsdien twee rijtuigen noodig.
Aké is eene hacienda, hofstede, van don Alvaro Peon, bij wien ik een bezoek ga afleggen om hem vergunning te vragen tot het bezichtigen der ruïnen, en tevens een brief van aanbeveling voor den majordomo of intendant. Don Alvaro deed meer dan van hem verlangd werd: niet tevreden met den brief van aanbeveling, zond hij zijn chineeschen bediende met allerlei levensmiddelen en benoodigdheden, opdat het ons aan niets ontbreken zou.
Wie in het binnenland reizen wil, heeft tusschen twee vervoermiddelen te kiezen: de groote kales, eene soort van diligence, bij ieder bekend; en den _volan coché_, het eigenlijke nationale rijtuig. Wij kozen het laatste. De volan coché is geheel van hout, met uitzondering alleen van de ijzeren banden om de wielen. Op een zwaar en lomp onderstel rust, gedragen door twee lederen riemen, een soort van langwerpige bodemlooze bak of kist; over een van touw gevlochten net wordt een dunne matras uitgespreid, om het schokken en stooten minder hinderlijk te maken. Voorop zit de koetsier; van achteren is plaats voor de bagage; terwijl ook een aantal voorwerpen onder aan het net hangen. Reist men alleen, dan gaat men lang uit op de matras liggen; maar is men met zijn drieën, dan moet men op turksche manier, met samengevouwen beenen, gaan zitten: eene houding, welke iemand, die daaraan niet gewoon is, in het eind onuitstaanbare kramp bezorgt. De inlanders zitten met hun zessen of achten--hoe, begrijpt men niet--in zulk een wagen. Hoewel de bak volkomen in evenwicht hangt, schokt en slingert hij toch op eene geweldige manier; en wanneer de half dronken koetsier zijn drie muildieren in vollen ren laat draven over de ongelijke, rotsige wegen, schokt en hotst het rijtuig zoo hevig, dat de reizigers door en over elkander geworpen worden. Gevaar is er echter niet; het verwonderlijkste is dat er nooit iets aan het rijtuig breekt, en op al mijne tochten ben ik maar eens omgevallen.
Aké ligt tien mijlen ten oosten van Merida. Wij volgen den weg naar Izamal, ter wederzijde omzoomd door onafzienbare velden met agaven beplant, en laten ter rechterhand twee met ruïnen bekroonde heuvels liggen. Vervolgens komen wij aan het dorp Tixpeual, waar de Spanjaarden in 1541 een langdurig en bloedig gevecht moesten leveren. Het dorp ziet er zoo armoedig uit en heeft zoo veel bouwvallige en verwoeste huisjes, als ware de veldslag eerst gisteren geleverd; dat komt, omdat de opstandelingen in 1848 tot aan de poorten van Merida doordrongen en Tixpeual in de asch legden. Maar de gansche landstreek, met haar weinige vervallen dorpen, haar eenzame wegen en schralen plantengroei, maakt een zeer somberen indruk.
Drie mijlen verder wijzen palmboschjes de ligging aan van Tixkokob, waarvan al de inwoners zich bezig houden met het vervaardigen van hangmatten. In de openstaande huizen, ziet men overal de witte, gele, blauwe, roode of veelkleurige netten uitgespannen; deze hangmatten, de eenige soort van bedden waarvan de Indianen gebruik maken, zijn zeer goedkoop: zij kosten niet meer dan drie à vijf francs; de mooisten komen uit de omstreken van Valladolid.
Te Tixkokob waar wij een kop chocolade gebruikten, verlaten wij den grooten weg, en slaan een zijweg in, waarop wij alle gelegenheid hebben om met den volan coché nader kennis te maken. De rotsen zijn steil, en het rijtuig schokt op de merkwaardigste wijze: wij zitten te dansen als de poppen in een poppenkast.--Het was inmiddels avond geworden; de indiaansche hutten, in de duisternis verloren, waren nog maar alleen kenbaar aan het wegstervende schijnsel van de niet langer onderhouden wordende vuren; de omtrekken der pyramiden teekenden zich in zwarte massa's tegen den donker blauwen hemel; overal heerschte een doodelijke stilte, alleen afgebroken door het knarsen en kraken van het hotsende en stootende rijtuig. Wij vonden den toegang tot de hacienda gesloten: men verwachtte ons niet meer. Op het luid geblaf der honden verscheen de majordomo; hij liet de zware balken wegruimen, die de poort barrikadeerden; weldra waren wij geïnstalleerd en sliepen in de vervallen, verwaarloosde zaal der heerenhuizinge.
Aké is eene hacienda voor de veeteelt; en men had ons gewaarschuwd, dat het, overal waar runderen zijn, wemelt van garrapaten. Wij hadden dus alle mogelijke voorzorgen genomen, want deze verfoeilijke houtluis is het geduchtste insekt dat ik ken. Wij knoopten al onze kleeren dicht; wij staken de pijpen van onze pantalons in hooge laarzen; wij stopten zoo veel mogelijk alle denkbare openingen. Mevrouw Aymé, in een sierlijk bloomerskostuum, scheen ook tegen de indringers gewapend; maar Shuty, de aardige Shuty, hoe zou hij zich verdedigen? Ten slotte bleek dat al onze voorzorgen ons niets baatten. De hongerige garrapate laat zich door niets weerhouden; schier onmerkbaar en dunner dan een velletje papier, dringt zij overal door, ook door onzichtbare openingen; wij ondervonden het tot onze schade.