Reis naar Merw De Aarde en haar Volken, 1887
Chapter 5
Wij mogen de gelegenheid niet verzuimen, om de ruïnen van het oude Merw te bezoeken, die in Europa bijna geheel onbekend zijn. Paarden worden gezadeld; een turkmeensche gids in russische dienst wordt ontboden: wij gaan op weg. Het zijn prachtige, sierlijke dieren, die turkmeensche paarden, met hun fijnen kop, hunne smalle borst, hunne gespierde pooten. Van gemengd arabisch ras, zijn zij nog beter tegen vermoeienissen bestand dan de volbloed arabische paarden. Zonder bezwaar kunnen zij een week lang honderd kilometer per dag afleggen. Zij worden in de tent, met de kinderen van het gezin groot gebracht en door de vrouwen gestreeld en geliefkoosd; het ontbreekt hun aan niets; ook waar, in eene armzalige kibitka, de meester en zijn gezin met lompen zijn gekleed, heeft het paard nog een goed warm dek.
Aan de linkerzijde van de spoorbaan liggen de overblijfselen der oude stad Sultan-Sandjar-Kala, waarvan slechts de voornaamste monumenten nog staande zijn gebleven. Van de gewone huizen is hier, evenmin als in het latere Baïram-Ali, bijna geen spoor meer over: trouwens, dit laat zich begrijpen, daar verreweg de meeste gebouwen van pisé, gestampte aarde, zijn opgetrokken. Waar zal men ook in de eindelooze steppe steen vinden? De kleiaarde, in de zon gedroogd, verkrijgt voldoende hardheid om muren te bouwen van ettelijke ellen hoogte bij eene dikte van veertig tot vijftig duim. Het vervaardigen van baksteen was en is nog zeer kostbaar: niet dan bij uitzondering werd daarvan gebruik gemaakt. Met verbazing staat men stil voor deze vaak kolossale gebouwen, waarbij geen enkele steen is gebruikt, en die toch betrekkelijk goed bewaard zijn gebleven. Uit de verte zou men ze voor gewone gebouwen aanzien, en toch is alles louter aarde.
Wij rijden langs een vormeloozen wal of dijk, volgens onzen gids, de omwalling der stad van Alexander. Heel zeker is hij daarvan niet, want als ge hem met vragen lastig valt, zal hij gereedelijk toegeven dat gij de overblijfselen voor u hebt van de stad van Zoroaster, van Ghiaoer-Kala (de sterkte van den ongeloovige). Als ge den wal beklimt, ziet ge niets dan de vlakke kale steppe, met hoog geel gras begroeid, en hier en daar eenige heuvels van aarde of scherven en puin. Vermoedelijk zouden hier niet onbelangrijke opgravingen zijn te doen.
Wij begeven ons naar de weinige monumenten, die in de stad van sultan Sandjar nog de aandacht trekken. Dat zijn vooreerst twee groote gewelfde portieken of nissen, waarvan de achterwand met gekleurde tegels bekleed is: ongetwijfeld behoorden deze ruïnen vroeger tot eene moskee. Tegenover de portieken ziet men twee sarkophagen, insgelijks van baksteen, en in die sarkophagen twee kisten van dezelfde bouwstof, met een wit marmeren zerk gedekt. Niemand kan mij zeggen, wie daar begraven ligt. De graven schijnen nieuw, maar zijn toch, volgens onzen gids, eenige eeuwen oud.--Wij rijden vervolgens langs eene soort van citadel, waarvan de aarden wallen aan de buitenzijde met regelmatige vertikale insnijdingen zijn versierd, die een zonderling effekt maken: het is als zag men eene rij reusachtige overeind staande worsten. Eindelijk komen wij aan de belangrijkste ruïne der geheele streek, aan het graf van sultan Sandjar, op eene hoogte of terp gebouwd, waardoor het monument, uit de verte gezien, veel hooger schijnt dan het werkelijk is. Verbeeld u een rechthoekig gebouw, aan iedere zijde achttien tot twintig el breed, en gedekt door een koepel, die zich vijf-en-twintig el boven den grond verheft; alles van baksteenen, die door zoo hard cement verbonden zijn, dat zelfs het breekijzer daarop afstuit. Twee kleine deuren tegenover elkander geven toegang tot het inwendige van het gebouw, maar zij zijn zoo laag, dat een der officieren, prins Gagarin, even hoog van statuur als van geboorte, zich bijna in tweeën moet vouwen om binnen te gaan. Binnen getreden, moet ge twee of drie el afdalen om den vloer van het monument te bereiken. Waar is nu de tombe van sultan Sandjar? Is zij ergens verborgen of door Dsjenghis-Khan vernield? Misschien zullen latere onderzoekingen dit raadsel ophelderen.
Wij begeven ons nu naar de perzische stad Baïram-Ali, waardoor de spoorweg loopt. Een vrij groot aantal partikuliere woningen, vroeger zeker het eigendom van aanzienlijken en hoofden, zijn nog in tamelijk goeden toestand bewaard gebleven en bieden des noods den reiziger nog eene verblijfplaats aan. Bijna allen zijn naar hetzelfde model gemaakt, en bestaan in de eerste plaats uit een vierkant gebouwtje van zes tot tien meter hoog, in twee verdiepingen verdeeld. Eene zeer smalle lage deur geeft toegang tot de benedenverdieping; een trap ontbreekt, zoodat de bovenverdieping alleen met behulp van een ladder bereikbaar was; blijkbaar is dit zoo gemaakt met het oog op de verdediging tegen een vijandelijken aanval: dan was die bovenverdieping de laatste wijkplaats. Dit gebouwtje--men zou kunnen zeggen, deze vestingtoren--is op eenigen afstand omringd door een muur van omstreeks drie el hoogte, waarbinnen zich ongetwijfeld de eigenlijke woning van het gezin bevond: in dien muur was slechts een enkele doorgang, waartegenover, aan de buitenzijde, zich een klein gebouwtje bevond, bestemd tot wachthuis voor soldaten of tot verblijfplaats voor de slaven.
Deze woningen zijn geheel van leem en kleiaarde en bevatten maar zeer weinig baksteen. Het gebruik van pisé of van in de zon gedroogde steenen is niet alleen veel goedkooper, maar verdient ook uit het oogpunt van koelte en frischheid de voorkeur. Generaal Annenkof heeft opgemerkt, dat, in het heete jaargetijde, een verschil in temperatuur van tien tot twaalf graden valt waar te nemen te nemen tusschen huizen die van gebakken steen en huizen die van in de zon gedroogden steen zijn gebouwd.
Het voornaamste monument van Baïram-Ali is de citadel, waarvan de muren met halfronde torens onwillekeurig aan het Kremlin herinneren. De omwalling is rechthoekig, en beslaat eene oppervlakte van omstreeks drie kilometers. De overblijfselen der poorten van de vesting zijn zeer bezienswaardig. In waarheid, de ruïnen van het oude Merw verdienen de aandacht der geleerden: wij zijn geen geleerden, en toch vergeten wij hier onzen tijd. Waarom is kolonel Alikhanoff niet bij ons? Hij zou ons misschien kunnen zeggen, wat die brokstukken van gebouwen eigenlijk beteekenen, waarvan wij te vergeefs de oorspronkelijke gedaante trachten te raden; hij zou ter verklaring de toevlucht kunnen nemen tot de turkmeensche traditiën, waarvan hij volkomen op de hoogte is.
De avond was reeds gedaald, toen wij onze paarden in galop zetten om naar den trein van den generaal terug te keeren, waarvan de lichten ons op een afstand van drie kilometers tegenblonken. Maar wij hebben het ongelukkig getroffen met onzen gids. Het terrein dezer verlaten steden wordt doorsneden door diepe grachten, die geheel begroeid en daardoor, vooral in de duisternis, voor de paarden niet te onderkennen zijn. Wij komen veel te laat ter plaatse onzer bestemming; gelukkig is de generaal voorkomend en ziet hij wat door de vingers ter wille van onze archeologische liefhebberijen.
Het is vinnig koud op den open wagen: de uit Siberië komende noordoosten wind verstijft ons met zijn ijzigen adem. Voeg daarbij, dat een fijne regen ons voortdurend in het gezicht waait, nog verschroeid door de gloeiende zonnestralen van den vorigen dag. Er is inderdaad niet meer noodig om de koorts te krijgen; deze plotselinge overgangen van temperatuur maken het klimaat van deze streek voor vele gestellen zeer gevaarlijk. Na twee maanden van tropische hitte (Juli en Augustus), steekt plotseling een koude noordenwind op, waarmede de herfst aanvangt, die tot November duurt. De boomen ontbladeren zich en het voorkomen der oase ondergaat eene geheele verandering. Dan begint de winter met zeer strenge koude (vijftien tot twintig graden Celsius onder nul) en aanhoudende stormen uit het noordoosten. De lente (April en Mei) is misschien het eenige wezenlijke goede en aangename jaargetijde, waarin weldadige regens de warmte temperen en het aardrijk verkwikken, dat zich dan weer met zijnen groenen dos tooit. Men moet echter wel in het oog houden, dat er geene vergelijking is te maken tusschen de zon van Merw en die van sommige lage vochtige streken nabij de evennachtslijn: gevallen van zonnesteek zijn hier zeldzaam en niet gevaarlijk, hoewel de russische soldaten slechts eene eenvoudige witte pet dragen, die den nek onbedekt laat. Dit alleen bewijst, dat de zonnestralen, hoe ze ook mogen branden, hier veel minder te duchten zijn dan bij voorbeeld in de Roode-zee of in de indische kustlanden.
V
8 September.--De trein met materieel is zoo even vertrokken, maar de militaire constructietrein staat nog onbewegelijk. Het is vijf uren in den morgen. Ik bibber van de koude en heb geen ander gezelschap dan een russisch ingenieur, die noch duitsch, noch fransch verstaat, want mijn reisgenoot tot hiertoe is ongesteld geworden en met den trein voor het materieel naar Merw teruggekeerd om van daar naar Europa te vertrekken. Zou het niet mogelijk zijn, in dit vroege morgenuur een kop thee te krijgen? _Tchaï_, _tchaï_? De ingenieur begrijpt mij, en wij gaan te zamen op weg naar eene kleine cantine voor de Turkmenen en de soldaten. Vier stevige palen aan de hoeken, boomtakken bij wijze van latwerk, wanden van leem, een dak van riet met aarde bedekt: ziedaar de cantine, die, zoo als ge bespeurt, niet zondigt door overmatige weelde. Van binnen een kleine houten tafel, twee banken, een soort van buffet met eenige flesschen _wodka_ (brandewijn), tabak en de onmisbare samovar. Aanvankelijk moesten de russische officieren zich met zulke krotten tevreden stellen: zij hebben er niet tegen geprutteld en er zich nog minder door laten afschrikken. Op verschillende nog niet afgewerkte stations vindt men nog van die keten, half in den grond bedolven en door eene dikke laag aarde tegen de zonnehitte beschermd; er behoort geene geringe mate van moed toe om daar te leven, te midden van eene woestijn; maar dit is altijd toch nog beter dan, bij den noordenwind, onder den blooten hemel te slapen. Ik was althans zeer blijde, toen ik dit hol binnentrad, waar _tchaï_ te krijgen was, al struikelde ik half over twee Tekkés, die nog lagen te snorken, maar zich haastten om ruimte te maken.
Na verloop van een uur, verkwikt en verwarmd door de heete thee, maakte ik mij gereed naar den trein terug te keeren, toen ik het fluiten hoorde eener lokomotief: dat was mijn trein, die vertrok. Maar in plaats van naar Merw terug te keeren, reed hij twee wersten verder in de richting van de Amoe-darja, daarmede bezit nemende van het stuk weg, dat den vorigen avond was afgewerkt, gedurende ons uitstapje naar de ruïnen. Ik moet tot mijne schande bekennen, dat ik naïef genoeg was om den trein na te loopen--natuurlijk te vergeefs. Indien er nog lieden mochten zijn, die niet aan het bestaan van den transkaspischen spoorweg gelooven, dan raad ik hun soortgelijke proef te nemen.
Na een geforceerden marsch, waarbij ik gelukkig geen last had van de opkomende zon, kwam ik eindelijk aan de plek waar de trein stilstond. De arbeiders zijn aan het werk; de generaal is met zijne officieren te paard gestegen; overal heerscht dezelfde regelmatige en kalme drukte als bij den bouw van een fort, wanneer de vijand reeds in aantocht is. Ik heb reeds verhaald, hoe de arbeid is geregeld en verdeeld, en behoef dat dus niet te herhalen; laat ons liever enkele wagens bezichtigen.
In het kabinet van den generaal ontvangt zijn partikuliere secretaris de telegrammen uit Petersburg en stelt de antwoorden op, die door den generaal in der haast worden gedicteerd; kozakken, met de lange tsjerkesse gekleed, komen en gaan onophoudelijk: dat zijn de ordonnansen van Zijne Excellencie. Onder deze flinke manschappen, naar de circassische mode gekleed, bevindt zich een Kirghizen-sultan, een geboren vorst, dien ge u wachten moet voor een gewoon oppasser te houden. Hij heet Araslanof, is geboortig van Orenburg en heeft den rang van adjudant. Zijne geschiedenis is merkwaardig genoeg. Na aan het hoofd te hebben gestaan van een opstand zijner stamgenooten, bood hij den Tsaar zijne onderwerping aan. Tot russisch officier benoemd, deserteerde hij en trad in dienst bij den khan van Khiwa, die hem tot minister van oorlog benoemde. Dank zij zijne maatregelen en beschikkingen, kon Khiwa gedurende zekeren tijd aan de Russen weerstand bieden. Toen hij eindelijk zag, dat het spel verloren was, aarzelde onze vriend niet langer: hij begaf zich naar de russische voorposten en leverde zich zelven over. "Ik weet wel, zeide hij, dat ik den kogel verdiend heb; maar als gij verstandig zijt, zult gij mij niet doodschieten, doch liever van mijn raad en hulp gebruik maken."--Inderdaad verschafte hij aan de russische officieren alle inlichtingen omtrent de sterkte van den vijand en de meest geschikte punten voor den aanval; in ruil voor dit verraad kreeg hij vergiffenis en werd in zijn vroegeren rang hersteld. Het voorval is typisch: beter dan een lang vertoog teekent het de aziatische zeden. Maar dat de russische militairen zulke officieren niet bijzonder hoog achten, is niet meer dan natuurlijk. Trouwens, zoo als ik zeide, zij voeren nooit het bevel over russische soldaten.
De ambulance-waggon is ledig; de verblijven van de soldaten en de turkmeensche werklieden zijn ontruimd en aangeveegd (van tijd tot tijd worden zij uitgestoomd); de slaapsteden zijn bedekt met de groote grijze kapotjassen, die zoo goed tegen de koude beveiligen; de soldaten van de tweede, de namiddag-brigade slapen, of verrichten partikulier werk, of wel zitten in troepjes rondom reusachtige samovars. Zingen doen zij alleen des avonds, als de dagtaak is volbracht.
De koks zijn bezig met het gereedmaken van het ontbijt in de keuken-waggons. Het is voorzeker iets zeer ongewoons, in een goederenwagen een grooten steenen oven te zien. Wij hebben reeds iets dergelijks in den trein van Oezoen-Ada kunnen opmerken. De oven wordt noch met hout, noch met steenkolen gestookt: men gebruikt daarvoor het bezinksel dat bij het distilleeren van petroleum overblijft en van Bakoe wordt aangevoerd. Voor het stoken van de lokomotieven wordt dezelfde brandstof gebruikt, zonder dat dit eenig gevaar oplevert. De ontvlambare vloeistof wordt, na eerst door heet water verwarmd te zijn, in aanraking gebracht met den heeten damp van kokend water: de brandbare deeltjes vatten vuur, en zoo ontstaat een vlam, die de gansche breedte van den oven of den haard beslaat.
Deze wijze van verwarming met petroleum heeft het groote voordeel, dat men eenvoudig door het omdraaien van een kraantje het vuur onmiddellijk kan uitblusschen. Dit is van overwegend belang zoodra er gevaar ontstaat voor springen. Bovendien beveelt dit stelsel zich aan door goedkoopheid: vergeleken bij de kosten van verwarming door hout, worden op deze wijze per maand vijf-en-dertig roebels uitgewonnen voor de voeding van eene kompagnie van tweehonderd man. Voor de lokomotieven berekent men dat het gebruik van deze naphta zes maal goedkooper is dan dat van steenkolen. In dat opzicht profiteert de transkaspische spoorweg van de nabijheid van petroleum-bronnen, wier rijkdom, volgens sommige geologen, onutputtelijk is.
De militaire constructietrein voert, als alle treinen op de transkaspische lijn, niet alleen zijn petroleum of naphta, maar ook zijn water mede in speciale wagens, hetzij van hout, hetzij van geslagen plaatijzer, die elk zeshonderd pond--ongeveer negenduizend liter--vloeistof kunnen bevatten.
Ten slotte gaan wij een bezoek afleggen bij den adjudant van den generaal, den heer Milioutin, in den bureau-waggon. Men kan altijd iets leeren van de zeer beschaafde en ontwikkelde officieren van het russische leger: mocht gij soms lust gevoelen om een uitstapje te maken naar Bokhara, dan zal de heer Milioutin u weten te verhalen van den met het walgelijkste ongedierte gevulden kuil, waarin de emir weleer zijne vreemde bezoekers placht op te sluiten. Sedert Bokhara het russische protektoraat heeft moeten erkennen, is daarin verandering gekomen; maar toch, indien ge niet zeer op uw hoede zijt en de ontevredenheid of het wantrouwen van den emir opwekt, dan.... Hij zal u ook het vermakelijke verhaal doen van de lotgevallen van een engelschen dagblad-correspondent, een zekeren heer O'Donovan, een dier onuitstaanbare lieden, die overal bij willen zijn en over alles willen babbelen. Deze kwant wilde volstrekt den veldtocht der Russen in Turkmenië mede maken: een aanval van typhus verhinderde hem aan de eerste expeditie van Ghéok-Tépé deel te nemen; Skobeleff, die niet van reporters hield, zond hem bij de tweede expeditie uit het leger; niettemin volhardde hij bij zijn voornemen om naar Merw te gaan, en werkelijk gelukte het hem, onder eene vermomming, het eerst tot deze bijna onbekende oase door te dringen; maar eenmaal te Merw, werd hij gevangen genomen, en ondanks zijne hoedanigheid van onderdaan van Koningin Victoria, in den kerker opgesloten, waaruit hij eindelijk door de Russen moest worden bevrijd.
Eenige dagen geleden, had een fransch reiziger, de heer Bonvalot, in dezen zelfden waggon inlichtingen gevraagd omtrent de beste wijze om met zijne reisgenooten in Afghanistan door te dringen, waar hij eene of andere wetenschappelijke missie had te vervullen. Zoowel de generaal als de heer Milioutin trachtten hen van dit voornemen terug te brengen. Sedert had men niets meer van hen vernomen; de vergunning om over de grenzen te gaan was hun geweigerd, hetgeen ieder zeer begrijpelijk vond. Eene maand later ontmoette ik een engelsch officier, aan wien vergunning was verleend om langs den transkaspischen spoorweg en door Kaukasië naar zijn vaderland terug te keeren; hij deelde mij mede dat het verbod om de grenzen te overschrijden louter in het belang der reizigers was uitgevaardigd: in Afghanistan heerschen burgeroorlog en anarchie, en de vreemdelingen loopen zeer groot gevaar gevangen genomen en zelfs wel vermoord te worden. Wanneer zullen Europeanen te Herat, even als thans te Merw, in volkomen veiligheid kunnen rondwandelen?
9-14 September.--Merw ligt achthonderd-twee-en-twintig kilometers van de Kaspische-zee; Baïram-Ali is de zevenhonderd-vijf-en-negentigste werst, en wij naderen de mijlpaal achthonderd-vijftien, waar eene kleine halte, Koerban-Kala, zal werden gemaakt. Wij hebben de grens van de oase bereikt; wij bevinden ons op nieuw in de zandwoestijn, afgewisseld door onbebouwd alluvium, dat zich tot de Amoe-darja uitstrekt. Over deze rivier zal eene brug worden gebouwd te Tsjardjoeï, eene stad van dertigduizend inwoners, die tot het khanaat van Bokhara behoort; de afstand van deze stad tot Oezoen-Ada bedraagt duizend-vijf wersten. Op den achtsten September 1886 moest de spoorweg dus nog over ruim tweehonderd wersten worden doorgetrokken om den alouden Oxus te bereiken; de bouw van dit vak, het moeilijkste van de geheele lijn, was reeds den dertigsten November daaraanvolgende voltooid, zoo dat men nu slechts eenige uren noodig heeft voor de reis door eene woestijn, welke vroeger drie of vier dagen vorderde, waarbij men dan nog de kans liep, half verblind te worden door de wolken van zand, die de sterke wind voor zich uitdrijft. Ik had eigenlijk mijn bezoek drie maanden moeten uitstellen. Om de reis voort te zetten, moeten wij nu nog te paard stijgen en voor nachtverblijf ons met eene tent tevreden stellen. Gelukkig is de weg althans afgebakend; zelfs zou men reeds, over eene lengte van honderd kilometers, met een rijtuig de baan kunnen volgen.
Want, zoo als ik zeide, de inlandsche arbeidersploegen, die de aardwerken moeten uitvoeren, zijn den constructietrein zeer ver vooruit. De turkmeensche werklieden, die met hunne groote mutsen van schapenwol het steken van de zon kunnen trotseeren, hebben den ganschen zomer doorgewerkt. Ook treft men overal langs de baan ingenieurs en landmeters aan, die het opzicht houden over de werkzaamheden, het terrein bestudeeren en opnemen, en de richting van den weg bepalen; hunne kampementen zijn van vijf-en-twintig tot dertig kilometers van elkander verwijderd. Deze ijverige mannen, die zich ter wille hunner plichtsvervulling allerlei ontberingen getroosten en letterlijk buiten de beschaafde wereld leven, zullen u steeds met de grootste hartelijkheid en gastvrijheid ontvangen. Een hunner heeft zelfs zijne vrouw bij zich.
En deze onvermoeide ingenieurs konden niet volstaan met het bestudeeren van slechts eene richting voor de te maken baan. De turkmeensche woestijn was nog ten vorigen jare zoo volkomen eene _terra incognita_, dat men aan gene zijde van Merw zoo goed als op den tast te werk moest gaan. Behalve de richting van Tsjardjoeï, waarop ten slotte de keuze is gevallen, omdat in die richting aan den rechter oever van de Amoe-darja minder zand wordt aangetroffen en de spoorweg door het meest bevolkte gedeelte van Bokhara loopt; behalve deze richting heeft men ook nog het ontwerp opgemaakt voor eene andere lijn met eene afwijking van minstens driehonderd kilometers, die te Boerdalik, nabij de afghaansche grens, over de rivier zou gaan. Onder de leiding van den hoofdingenieur Danilof, zijn al de terreinsopnemingen en voorbereidende werkzaamheden tusschen Askhabad en Samarkand, over eene uitgestrektheid van negenhonderd-dertien wersten of negenhonderd-zeven-en-zeventig kilometers, in weinige maanden, van Mei tot December 1885, verricht; als men de mede bestudeerde afwijkingen en wijzigingen daarbij in rekening brengt, omvat de arbeid eene uitgestrektheid van meer dan dertienhonderd kilometers. Bedenkt men daarbij, wat het zegt te leven en te werken in eene woestijn waar zelfs geen water is te vinden, dan zal men moeten toegeven, dat hetgeen hier door de russische ingenieurs is verricht, zonder voorbeeld was.
Negen stations scheiden Merw van de Amoe-darja; ik geef hier de lijst dier stations met vermelding van den afstand van Oezoen-Ada:
Baïram-Ali........... 795 wersten. Koerban-Kala......... 815 id. Keltsji.............. 839 id. Ravina............... 862 id. Oetsjadji............ 887 id. Peski................ 912 id. Repetek.............. 936 id. Esjek-Rabat.......... 959 id. Selim................ 982 id.
Met uitzondering van het eerste station, dat wij bezocht hebben en waar eene vrij waterrijke beek wordt aangetroffen, liggen al de andere midden in de woestijn; geen enkel inlandsch kamp of dorp, behalve dat van Selim, brengt eenige afwisseling in deze doodsche eenzaamheid; overal ontbreekt drinkwater, uitgenomen bij de stations Koerban-Kala, Oetsjadji, Repetek en Selim, waar men met veel moeite geslaagd is in het opsporen van wellen; de kale zandduinen zijn ontbloot van iedere soort van plantengroei:--in één woord, de gansche landstreek is niet meer dan eene akelige naakte wildernis, waar slechts nu en dan de kreet van het wild gedierte de stilte verbreekt. En toch stonden hier eenmaal bloeiende steden en woonde hier eene talrijke beschaafde bevolking.