Reis naar Merw De Aarde en haar Volken, 1887
Chapter 4
Maar, mijn hemel! wat zijn die Turkmenen voor verreweg het meerendeel leelijk! Waar zijn de fiere, indrukwekkende krijgslieden, met den vlammenden, doorborenden blik, met de vorstelijke, krijgshaftige houding, waarvan de vroegere reizigers in de turkmeensche woestijn met zooveel ophef spreken. Om mij heen zie ik mannen met een breed laag voorhoofd, kleine, eenigszins schuin staande oogen, een min of meer platten neus, vrij dikke lippen, wijd uitstaande ooren, een dunnen zwarten baard en kort dik hair. Voeg daarbij dat hunne kleur zeer donker is, hun lichaamsbouw forsch en gespierd, hunne gestalte boven het middelmatige, en dat zij in den regel sterker zijn dan de Westerlingen. Maar iets edels of krijgshaftigs kan ik in hun voorkomen niet vinden; mijns inziens komen zij niet in vergelijking met de Arabieren. Is het oorspronkelijke ras misschien verbasterd door de vermenging met iranisch bloed? Wij zijn hier wel op tamelijken afstand van Perzië, maar de strooptochten der Turkmenen strekten zich zeer ver uit. Even als in de oasen van Atek en Akhal-Tekké en nog op andere plaatsen, heeft ook te Merw de verbintenis met uit Perzië medegevoerde vrouwen den oorspronkelijken type van het tartaarsche ras kunnen wijzigen. Zij erkennen zelven dat deze vermenging met een ontaard en diep vervallen volk geene goede vruchten heeft opgeleverd; de Turkmenen van het binnenland zien dan ook met zekere minachting neder op de stammen langs de grenzen, wier bloed niet meer zuiver is. Elke krijgsman van naam acht zich verplicht, althans ééne vrouw van zuiver turkmeensch ras te hebben, en de uit haar geboren kinderen worden van edeler bloed gerekend dan de anderen.
Terwijl wij den rechter oever van de Moergab volgen, langs den voet der aarden wallen van de inlandsche citadel, zeker niet minder uitgestrekt dan die van Ghéok-Tépé, komen wij aan een groot kamp, waarvan de tenten welhaast eene inlandsche stad mogen heeten, naast de handelswijk, welke voor een groot deel door Joden uit Bokhara wordt bewoond. Gaarne zouden wij zulk eene _kibitka_ (tent) hebben bezocht, en een blik geworpen op de tapijten waarmede zij versierd is, en vooral op de turkmeensche vrouwen, die in de straten van Merw niet te zien zijn. Maar de woeste, zeer gevaarlijke honden, die rondom het kamp de wacht houden, noodzaken ons op een eerbiedigen afstand te blijven: zonder onderscheid vallen zij iederen Europeaan aan; en wij zouden niet gaarne het lot deelen van dien russischen officier, die per rijtuig van Wladikaukas naar Tiflis reizende, een eind weegs te voet wilde afleggen, en wiens laarzen alleen werden teruggevonden: hij was door de honden opgegeten.
Wij keeren naar de stad terug om de winkels te bezoeken: die winkels zijn evenwel niet anders dan de bekende kleine oostersche winkeltjes of kraampjes, die men overal in de Levant aantreft. De baksteenen huisjes, die geene bovenverdieping hebben, zijn in twee winkels, een aan de voor- en een aan de achterzijde, verdeeld. Het gebouwtje is met een planken zoldering gedekt, in afwachting dat eene verdieping worde opgetrokken. Daar de grond niets of zoo goed als niets kost, heeft men de goedkoopste en vlugste manier van bouwen aangenomen. De winkeliers zijn voor het meerendeel Joden uit Bokhara of Perzen. Het voornaamste produkt van de inlandsche nijverheid zijn de tapijten, waarvan het fijne weefsel, de sierlijke patronen en de nooit verbleekende kleuren algemeen beroemd zijn. Deze tapijten, die sedert de komst der Russen zeldzaam zijn geworden, worden door de vrouwen, en wel vooral door de oude vrouwen, vervaardigd. In de winkeltjes ziet men enkele van deze vrouwen, die zich niet, als bij de Arabieren, het gelaat omsluieren. De bewoners der turkmeensche steppen zijn wel orthodoxe Mohammedanen, maar godsdienstig fanatisme is hun ten eenemale vreemd. Zoo gij er op staat, zal het u niet veel moeite kosten, in de gelegenheid te worden gesteld om de jonge meisjes van zuiver turkmeensch bloed te bewonderen in haar dagelijksch kostuum, een lang zijden hemd; of zelfs in haar feesttoilet: een sjerp van roode of gele zijde, muiltjes, armbanden, halskettingen, oorringen, goud borduursel, en op het hoofd dat monumentale kapsel, met muntstukken, valsche of echte steenen, gouden en zilveren ornamenten behangen, en dikwijls van zoodanigen omvang dat het gelaat er bijna in wegschuilt.
De Tekkés zijn van nature veeleer landbouwers dan handelaars; sedert de komst der Russen arbeiden zij met veel ijver aan de spoorwegwerken. Zij zijn zeer goede werklieden, zeer ijverig en zeer nauwgezet. Generaal Annenkof gebruikte twee-en-twintigduizend inlandsche werklieden te gelijkertijd voor het leggen der spoorbaan. Men kan ook hieruit afmeten, met hoeveel energie het werk werd aangevat en voltooid. Voor het zeer matige loon van achttien tot twintig roebels per maand, verrichten de Tekkés, naar het schijnt, meer werk dan de beste perzische aardwerkers; zelfs knapen van vijftien, zestien jaar arbeiden even goed als de volwassenen en verdienen hetzelfde loon.
IV
7 September.--Ten acht uren des morgens melden wij ons aan bij generaal Annenkof, wiens trein gereed is om te vertrekken. De zon is heeter dan gisteren; wij bestijgen den open waggon, welke den trein sluit. De burgerlijke en militaire werklieden zijn sedert lang aan den arbeid. Langs de groepen der soldaten heengaande, zegt de generaal met luider stemme:
"Goeden morgen, mijne kinderen!"
En de soldaten staken hun werk, stellen zich in postuur, met de pink op de naad van de broek, en antwoorden in koor:
"Wij wenschen Uwe Excellencie eene goede gezondheid!"
De weg waarop wij rijden is eerst in de laatste dagen gelegd, sedert de hervatting der werkzaamheden, die tijdens de groote hitte gestaakt waren. Wij rijden niettemin met eene snelheid van twintig kilometers in het uur; maar de lange materieel-treinen, die dikwijls uit vijftig wagens bestaan, leggen niet meer dan vijftien kilometers in het uur af. De weg doorsnijdt de oude turkmeensche vesting, waarbinnen geene kibitka meer verrijzen zal, buigt zich dan naar het noordoosten, en bereikt een minder bevolkt gedeelte van de oase. Eenige kilometers voorbij Merw gaan wij over een vrij belangrijken arm van de Moergab: zoo als men weet, verliest deze rivier, welke vroeger in de Amoe-darja uitliep, zich thans in het zand van de Karakoem. De ijzeren brug waarover wij rijden is zoo goed als voltooid; de generaal wil haar beproeven en laat zijn trein met eene snelheid van veertig kilometers in het uur er over heen snorren. De proef gelukt: wij komen niet in de rivier terecht.
Twee uren na ons vertrek komen wij aan den vermaarden constructietrein, die vijftienhonderd menschen kan bevatten, en die elken dag eene etappe verder naar het Oosten voortschuift. Hij staat voor ons stil, en ik tel vier-en-dertig wagens; te weten: vier wagens met twee verdiepingen voor de officieren; een waggon-eetzaal voor de officieren; een keuken-waggon voor de officieren; drie keuken-waggons voor de manschappen (drie kompagniën elk van tweehonderd man); een ambulance-waggon; een telegraaf-waggon; eene smederij-waggon; een waggon met levensmiddelen; een reserve-waggon met al hetgeen noodig is voor het leggen der rails over eene lengte van twee kilometers; en eindelijk twintig waggons met twee verdiepingen voor de huisvesting der manschappen en der werklieden (zeshonderd russische soldaten en driehonderd inlandsche aardwerkers). De russische soldaten en de aziatische werklieden zijn in afzonderlijke waggons gehuisvest. Een russische waggon is zeven meter lang en drie meter breed; hij heeft op elke verdieping ruimte voor vijf-en-twintig man, die in een soort van kooien boven elkander slapen.
Voor de inwijding van het station te Merw bestond deze trein uit vijf-en-veertig wagens met vijftienhonderd soldaten en werklieden: er waren toen redenen om zooveel mogelijk voortgang met het werk te maken, welke nu niet meer bestaan. Voorbij Merw verliest de transkaspische spoorweg een groot deel van zijne strategische waarde. Het naaste en onmiddellijke doel van den spoorweg was de pacificatie en de verzekering van het rustig bezit der turkmeensche oasen: dat doel is den 14den Juli 1886 bereikt.
Het is tien uren in den morgen: de generaal houdt algemeene inspectie. Wij stijgen te paard en volgen Zijne Excellencie onder de luide kreten en begroetingen van de soldaten en zelfs van de Tekkés, die op hunne manier het russische saluut uitschreeuwen. Wij rijden langs den trein, waarin zich nog een aantal soldaten bevinden, deels op hunne slaapsteden uitgestrekt, deels de thee klaarmakende. Als wij hierover onze verwondering te kennen geven, heldert de generaal ons het raadsel op. Om, in dit klimaat, maanden lang, een moeilijken arbeid te kunnen volhouden, is het volstrekt noodig, de krachten der arbeiders te sparen. De manschappen worden dus in twee brigaden van gelijke sterkte verdeeld, die dagelijks niet langer dan zes uren werken, de eerste van zes uren in den morgen tot 's middags, de andere van 's middags tot zes uren 's avonds.
Twee spoorwegbataillons, transkaspische bataillons genaamd, worden gebezigd voor den aanleg en de exploitatie van den weg. Het eerste bataillon heeft in 1880 de lijn tot Kizil-Arwat gemaakt; het is nu belast met de exploitatie en met de telegraafdienst. Het tweede transkaspische bataillon wordt uitsluitend gebruikt voor het leggen der rails, het plaatsen van de telegraaf, en in het algemeen voor alle werken, die niet aan inlanders kunnen worden toevertrouwd. Dit bataillon is eerst onlangs gevormd en werd in den tijd van twintig dagen, van 10 Mei tot 1 Juni 1885, saamgesteld uit soldaten van het staande leger, die de vereischte bekwaamheden bezaten. Sedert de weg tot Merw is doorgetrokken, wordt een deel der manschappen van dit tweede bataillon gebruikt voor de exploitatie: voor het leggen der rails zijn nu nog zeshonderd man aangewezen.
Al de aard- en metselwerken worden door inlandsche werklieden verricht. De soldaten met hun witte boezeroen en witte pet, die onder het oog van hunne te paard gezeten officieren zoo vlug en handig met de rails omspringen, raken geen schop of troffel aan. Zij vinden de baan vooruit gereed gemaakt door de inlandsche aardwerkers, die, onder opzicht van de ingenieurs, in ploegen verdeeld, daaraan arbeiden. Ieders taak is juist aangewezen, en elke botsing tusschen het militaire en burgerlijke element voorkomen.
Zijn de plannen door de ingenieurs opgemaakt en door den generaal goedgekeurd, dan tijgt een ploeg Turkmenen, onder leiding en bevel van de ingenieurs, aanstonds aan het werk voor het gereed maken der aarden baan. Zulk een ploeg is dikwijls zeer talrijk en wordt dan in onder-afdeelingen gesplitst: de hoofdzaak is dat deze werklieden steeds vóór zijn.--Op dien eersten ploeg volgt het bataillon met het leggen der rails belast, waaraan inlandsche opperlui zijn toegevoegd, die het grove werk moeten doen en den soldaten alle noodelooze vermoeienis besparen. Hieruit blijkt, dat zoo in het russische leger eene zeer strenge discipline heerscht, de officieren ook wel degelijk voor de gezondheid der soldaten zorgen.--Is het spoor eenmaal gelegd, dan komen de ingenieurs met hunne werklieden om de laatste hand aan het werk te leggen: zij gaan aan de militaire brigade vooraf en volgen haar. Ook moeten zij voor het onderhoud zorgen.
Het is niet meer dan natuurlijk, dat waar het leggen van het spoor zoo vlug geschiedt, er daarna nog het een en ander na te zien, bij te werken en te verhelpen valt. Ongetwijfeld is de weg niet aanstonds volkomen in orde, maar dat wordt ook niet verlangd. Het is voldoende dat de spoorbaan geschikt zij voor den militairen trein en voor de treinen met materieel, die tweemaal per dag aankomen: en dit doel is bereikt, want tot heden is nog geen enkel ongeluk voorgevallen.
Terwijl de generaal mij dit een en ander mededeelt, zijn wij bij de manschappen gekomen, die met het leggen der rails bezig zijn; de twee laatste rails zijn juist op de dwarsliggers gespijkerd, en ik heb ter nauwernood den tijd om mijn paard op de aarden baan te drijven, of de twee volgende rails zijn ook gelegd: binnen weinige sekonden is de lijn zeven meters verder doorgetrokken in de richting van Samarkand.
Vlak voor mij zie ik een licht wagentje, dat door inlanders, onder bevel van een soldaat, op het zoo even gelegde spoor wordt voortgeduwd; op dit wagentje liggen tusschen de twaalf en twintig rails. Aan het einde van de laatst gelegde rails gekomen, staat het stil; vier soldaten staan gereed, twee aan iedere zijde van den weg; met hunne tangen nemen zij twee rails van het wagentje en leggen ze op de baan; andere soldaten plaatsen die rails in de juiste richting en bevestigen ze met drie hamerslagen op de dwarsliggers; dan rijdt het wagentje weer zeven meters verder; wederom worden twee rails ontladen en gelegd. Deze operatie wordt onafgebroken met mathematische nauwkeurigheid uitgevoerd; gestadig verlengt zich de spoorlijn naar het Oosten.
Waar komen nu de rails en de dwarsliggers en het verdere materieel van daan?
Tweemaal in de vier-en-twintig uren wordt al het benoodigde voor het leggen van twee wersten aangevoerd door een reusachtigen trein van vijf-en-veertig tot vijftig wagens. De eerste trein komt 's nachts aan, voor de morgenbrigade, die van 's morgens zes tot 's middags twaalf uur werkt.--De tweede trein komt in den voormiddag, voor de andere, wier taak om twaalf uren begint en 's avonds om zes uur eindigt.--Deze treinen moeten achter den militairen trein stoppen, want er is geen dubbel spoor. Zij lossen dus hun materieel achter dien trein: de rails aan den eenen kant van den weg, de dwarsliggers aan den anderen. Zoodra de lossing is afgeloopen, vertrekt de trein op nieuw om voorraad te halen voor den volgenden dag.
Dan zet zich de militaire constructietrein in beweging en rijdt terug tot voorbij de plaats waar straks de trein met materieel stond, zoodat de baan vrij is voor het vervoer van de rails en het overige naar het einde van het spoor. Stuit men op geen buitengewone hinderpalen, dan zijn om twaalf uur twee kilometers voltooid; de constructietrein rijdt nu zoo ver door, het ontbijt der soldaten met zich brengende.
Dan tijgt de tweede brigade aan het werk. De trein met materieel, die in den loop van den morgen is aangekomen, nadert zoo dicht mogelijk den constructietrein, lost zijne lading en vertrekt weer; de constructietrein loopt op zijn beurt eenige honderden ellen achteruit, en dezelfde werkzaamheden beginnen op nieuw voor het vervoer en het leggen der rails en der dwarsliggers. Als de avond invalt zijn wederom twee kilometers van den transkaspischen spoorweg voltooid.
Op deze wijze is het mogelijk geweest, binnen weinige maanden het traject door de turkmeensche woestijn tot stand te brengen, en den schijnbaar onoverkomelijken slagboom op te ruimen, dien de natuur tusschen Rusland en Engeland had opgeworpen. Toen de generaal naar zijn trein terugkeerde, vroeg hij mij welken indruk dit alles op mij gemaakt had: ik gaf hem mijne ongeveinsde bewondering te kennen en voegde er bij, dat zijne wijze van werken ongetwijfeld tot voorbeeld zal genomen worden bij elken spooraanleg midden door woestijnen.
In waarheid, de boven omschreven regeling schijnt zeer eenvoudig; men zou zoo zeggen, alles loopt van zelf: maar weinigen zullen beseffen, hoeveel inspanning, hoeveel nadenken, voorzorg en oplettendheid er noodig is geweest, om dezen regelmatigen gang van het werk te verzekeren en vertraging te voorkomen. Daartoe bestond meer dan eene aanleiding.
Wij zijn in een mohammedaansch land, en in den loop van het jaar schrijft de Koran verschillende feesten voor, die soms lang duren. De Tekkés zijn wel geen fanatieke Muzelmannen, maar toch zeer gesteld op de feestdagen, die tevens rustdagen zijn: zij blijven dikwijls weg als men hen het meest noodig heeft. Deze werkstakingen zijn zeer lastig, wanneer men met vijftien- of twintigduizend arbeiders te doen heeft: maar toch heeft het werk aan den spoorweg er nooit ernstig door geleden. Gebeurt het soms, dat om eene of andere reden de trein met materieel oponthoud ondervindt, dan neemt men zijn toevlucht tot den voorraad in den constructietrein en tot de depôts van dwarsliggers en rails, die de zorgzame generaal langs de geheele lijn heeft doen aanleggen.
Maar de muzelmansche feesten zijn niet de grootste moeilijkheid. Alles wat voor den bouw van den transkaspischen spoorweg noodig is, moet uit europisch Rusland komen en dus over de Kaspische-zee worden vervoerd. De vaart op die zee is dikwijls zeer lastig en gevaarlijk; bovendien is de haven van Astrakan gedurende eenige maanden door vorst gesloten. Van daar vertraging en stilstand in den aanvoer van materieel. Toch werd het werk met de grootste regelmatigheid en zonder eenige stoornis voortgezet: reeds aanstonds, bij den aanvang der werkzaamheden, had de generaal een aanzienlijken voorraad van materieel in de magazijnen doen opleggen; was het noodig, dan werd daaruit genomen wat men behoefde, en de voorraad vervolgens weder aangevuld en kompleet gehouden.
Staan reeds Europeanen verbaasd over de spoedige voltooiing van dien reuzenarbeid, dan kan men begrijpen, welken indruk dit op de Tekkés van Merw moet maken. Zij beseffen dat het eene vergeefsche poging zou zijn, den strijd te willen aanbinden met de Russen, die al loopende twee ijzeren sporen hebben gelegd tusschen de zee en hunne oase. Deze ijzeren sporen, welke de verovering mogelijk hebben gemaakt, hebben niet minder bijgedragen tot de volledige onderwerping en de aanvaarding van den nieuwen toestand, waarvan men gevoelt dat hij voor goed gevestigd is. Ik durf niet beoordeelen of het precies waar is, wat Elisée Reclus zegt, dat de Turkmenen zoo eerlijk en trouw zijn, dat iemand die een ander geld leent daarvoor geene schuldbekentenis vordert of die bekentenis in handen van zijn schuldenaar laat; maar al zou ik niet zoo onbepaald op hun nakomen van het gegeven woord vertrouwen, dit is zeker, dat de vreeze het begin der wijsheid is.
Wij ontbijten met generaal Annenkof in zijn open wagen en hebben van daar het uitzicht op uitgestrekte ruïnen, waarvan ik nog niet gesproken heb. De plaats waar wij ons bevinden heet Baïram-Ali; daar stond het Oude-Merw, op een plateau dat minder aan de overstroomingen van de Moergab was blootgesteld dan het lage land langs den oever. Rechts en links van den spoorweg, tot op een afstand van drie of vier kilometers, zien wij brokken van muren, van vierkante torens, van vestingwerken, en te midden van die bouwvallen een grafmonument met een grooten koepel gedekt.
De geschiedenis van deze streek, die tegenwoordig bijna onbewoond is, maar vroeger de zetel was eener bloeiende beschaving, is nog zeer in het duister gehuld. Naar het schijnt, kan men haar in drie groote tijdperken verdeelen, waarvan het eerste zich tot omstreeks de zesde of zevende eeuw onzer jaartelling uitstrekt. Volgens de traditie zouden er in dien tijd twee groote bloeiende steden hebben bestaan, waarvan de eene door Zoroaster, de andere door Alexander de Groote zou zijn gesticht. Wel wijst men u enkele ruïnen aan, welke voor overblijfselen dezer steden worden gehouden; maar met zekerheid weet men omtrent dat tijdperk niets. Misschien zullen nasporingen en opgravingen daaromtrent eenig licht kunnen verspreiden.
Het tweede tijdperk begint met de muzelmansche verovering. Omstreeks acht eeuwen geleden werd door sultan Sandjar de naar hem genoemde stad Sultan-Sandjar-Kala gesticht: het met den koepel gekroonde gebouw is zijn grafmonument. Deze machtige monarch, die uitgebreide waterwerken aanlegde, om de Moergab aan de uitbreiding van den landbouw dienstbaar te maken, was eigenlijk niet meer dan de stedehouder van den Khalief van Bagdad, die zich, als zoo vele andere stadhouders, bij het zinken van het khaliefaat, onafhankelijk had gemaakt. In de vijftiende eeuw werd Turkmenië door de Mongolen overstroomd: Merw, destijds de mededingster van Samarkand, werd verwoest. Men verhaalt dat Dsjenghis-Khan al de bewoners der rampzalige stad, ten getale van zevenhonderd-duizend, liet ombrengen.
Het derde tijdperk eindelijk omvat het zoogenaamde perzische tijdvak, toen een groot deel van Turkmenië, althans in naam, van den Shâh van Perzië afhankelijk was. In dien tijd valt de stichting van een nieuw Merw, thans nog onder den naam van Baïram-Ali bekend. Ook deze stad telde in haar bloeitijd, naar men verzekert, eenige honderdduizenden inwoners: en de uitgestrektheid der ruïnen schijnt voor de waarheid der traditie te pleiten. De waterwerken werden hersteld; het land bloeide en genoot eene hooge mate van welvaart; maar in 1787 werden de Turkmenen van Merw geslagen door Maäzoen-Khan, emir van Bokhara, die de stad verwoestte, een groot deel der inwoners als gevangenen wegvoerde en de stuwen en waterwerken vernielde, waardoor een groot stuk van de oase tot een woestijn werd gemaakt.
De oase schijnt toen gedurende eenigen tijd onbewoond te zijn geweest: daarna werd zij weder ingenomen door de Turkmenen van Pendjdeh, bekend onder den naam van Sarikhs. Hunne heerschappij duurt tot omstreeks 1830, toen zij door de ingeborenen des lands, de Tekkés, werden verdreven. Deze Tekkés, aangevoerd door een befaamden bandietenhoofdman, Kaoetsjoe-khan, werden de schrik van alle buren; zelfs de Russen hadden van hunne strooptochten te lijden. In 1855 verslaat Kaoetsjoe de troepen van den khan van Khiwa, maakt hem zelven gevangen en slaat hem het hoofd af, dat hij aan den Shâh van Perzië zendt. Pogingen, door de perzische regeering aangewend, om de vroegere opperhoogheid over Merw te herwinnen, mislukken ten eenenmale; in 1861 werden de Perzen geslagen en moesten terugtrekken met achterlating van een dertigtal kanonnen, die men nog te Merw, naast de woning van kolonel Alikhanoff zien kan. Latere expeditiën hadden geen beter gevolg of werden wel ontworpen maar niet uitgevoerd. Om zich tegen een dreigenden aanval der Russen te kunnen verdedigen, liet Kaoetsjoe-khan de groote citadel van Merw bouwen, die een omtrek heeft van acht kilometers. Toen de oorlog met Rusland eindelijk, in 1879, uitbrak, was Kaoetsjoe-khan reeds overleden: voor de muren van Ghéok-Tépé bracht zijn opvolger het russische leger eene nederlaag toe. Een veldtocht van een jaar, een geregeld beleg van eenige weken was noodig om deze krijgshaftige bandieten te dwingen en tot onderwerping te noodzaken. Omstreeks drie jaren na den val van Ghéok-Tépé bood Merw vrijwillig zijne onderwerping aan en werd de geheele oase bij het reusachtig rijk der Tsaren ingelijfd.
De Russen schijnen er zich op te verstaan, om de verschillende volksstammen, die zij onder hun gezag vereenigen, ook voor zich te winnen en met de vreemde heerschappij te verzoenen. Hier althans zou niets u doen vermoeden, dat ge in een veroverd land zijt; uit de inlanders worden speciale korpsen gevormd, die bij een eventueelen oorlog groote diensten kunnen bewijzen, en waarbij de khans of aanzienlijken den graad van officier kunnen verwerven. Maar tusschen deze inlandsche en de russische officieren bestaat volstrekt geene gelijkstelling: al zijn de khans ook tot den rang van kolonel opgeklommen, zal hun toch nimmer het bevel over eene afdeeling kozakken worden opgedragen, en de tweede luitenants van het nationale leger bewijzen hun wel de eer, die zij hun volgens de militaire wet verschuldigd zijn, maar laten zich verder niet met hen in. Men acht de handhaving van dit onderscheid noodig voor het prestige van het heerschende ras.