# Reis in Utah en Arizona De Aarde en haar Volken, 1886

## Part 2

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/reis-in-utah-en-arizona-de-aarde-en-haar-volken-1886-15039/index.md

Nog dienzelfden avond, tegen zonsondergang, komen wij te Mangura-Spring, waar ik inderdaad het kamp vind, waarvan de Mormonen te Kanab mij gesproken hebben, en dat uit acht à negen tenten, op eene open plek in het bosch, bestaat. Een twintigtal Indianen houden daar verblijf met hunne vrouwen en eenige kinderen; zij hebben het zonnigste plekje uitgekozen. Hunne tenten zijn gemaakt van takken, die zij van de omringende hoornen hebben gekapt, in den grond gestoken en saamgebonden. Over die takken is een lap van grove stof of eene dierenhuid gespannen.

Wij besluiten nevens hen te kampeeren, ten einde ook van de bron gebruik te kunnen maken. Onze paarden zijn dadelijk na onze aankomst maatjes geworden met de paarden der Indianen en verdwijnen met hen in het kreupelhout.

Naast ons, onder de pijnboomen, staan twee hutten van Amerikanen; zij houden eenige runderen en leven, even als de Indianen, met hunne vrouwen en kinderen in het woud: slechts zijn zij wat beter geïnstalleerd.

Na afloop van ons avondmaal komen de Indianen mij bezoeken en zich bij mijn vuur warmen. Ik geef hun van het brood, door Nathan gebakken, en een weinigje koffie. Twee bijna geheel naakte kinderen sluipen naar mij toe en zien mij met schuwe, vreesachtige blikken aan. Ik doe wat suiker in mijne hand en bied hun die voorzichtig aan: weldra tasten zij toe en worden nu zoo familiaar, dat zij naast mij komen zitten om zich te warmen. Sommigen van deze Indianen zijn nog jong en zeer welgemaakt; twee of drie hebben hun gelaat beschilderd. Hunne geheele huid is lichtgeel gekleurd, met wat vermiljoen onder de wenkbrauwen en op de oogleden en twee ronde plekke van dezelfde kleur, zoo groot als rijksdaalders, op de beide wangen. Zij deden mij aan de clowns in onze paardenspellen denken.

De type van deze wilden is karakteristiek genoeg. Hun gelaat is eenigszins plat, met vooruitstekende wangbeenderen en groote donkere oogen. Hunne kleur is goudgeel en het best te vergelijken met die van de oude florentijnsche bronzen. Hun prachtig gitzwart hair hangt over hunne schouders in lange vlechten, met roode katoenen draden doorvlochten, even als bij de oude Galliërs. Om den hals dragen zij eenige snoeren van glaskoralen. Hunne kleeding, die bij de meesten in zeer erbarmelijken staat verkeert, is naar europeesch model gemaakt en bestaat uit een pantalon en eene soort van hemd van gebloemd katoen; op het hoofd dragen zij eene kleine roode muts.

Zoo goed als het gaat, tracht Nathan den Indianen aan het verstand te brengen, waarom ik in hun bosch ben gekomen en wat het doel mijner reis is. Onze buren, de Amerikanen, voegen zich ook bij ons. Zij vragen mij naar het jongste nieuw uit Kanab; er wordt een druk gesprek gevoerd, en zoo brengen wij in het bosch een gezelligen avond door met water uit de bron en koffie. Nadat ons vuur was uitgebrand, werd de zitting opgeheven en zocht ieder op het gras een plekje uit, waar hij, in zijn deken gewikkeld, slapen kon.

Den volgenden morgen ging ik bij de Indianen een tegenbezoek afleggen, en zag bij die gelegenheid hunne vrouwen, die juist niet op schoonheid aanspraak mogen maken. Echter hebben zij prachtig hair en dikwijls een vurigen gloed in de donkere oogen; maar zij zien er verflenst en vervallen uit, en het is niet gemakkelijk te raden, hoe oud zij eigenlijk zijn. Deze arme vrouwen, die van hare eerste jeugd het zwaarste werk moeten verrichten en vroeg in het huwelijk treden, zijn soms op haar twintigste jaar reeds oud en afgeleefd. Eene dezer vrouwen droeg, naar indiaansche wijze, haar zuigeling op den rug in een soort van mand, waarboven het geel geverfde kindergezichtje uitstak.

Gedurende mijn bezoek waren de Indianen druk aan den arbeid. Geholpen door hunne vrouwen, ontleedden zij een os en legden de afgesneden stukken vleesch zorgvuldig op op eene rots, om ze in de zon te laten drogen. Sommigen hunner vlochten manden voor huiselijk gebruik. De vrouwen, bekleed met lange en ruime mantels van aan elkander genaaide hazenvellen, maakten vuur aan bij hunne tenten; met blijkbare ongerustheid riepen zij haar kinderen terug, die terwijl ik bezig was eene schets van het kamp te maken, nieuwsgierig over mijn schouder kwamen kijken.

Inmiddels had Nathan omgezien naar een gids. Op zijne dringende beden had een jonge Indiaan, die in zijne tent zijn toilet maakte, het besluit genomen om met ons te gaan; vergis ik mij niet, dan is zijn naam John Panichkos. Zijn gelaat is netjes beschilderd; ik zou geen mooier gids kunnen wenschen. Hij vraagt 6 francs 25 cent per dag voor zich en zijn paard; ik sla dadelijk toe en wij gaan op weg. Den volgenden morgen vertelde Nathan mij, dat John uit zijn humeur was: de verf is bijna van zijn gezicht verdwenen en hij heeft niet het noodige bij zich om zich weer op te schilderen. Toen ik mijn jongen Indiaan terug zag, met zijne natuurlijke bronskleur, zijne ivoren tanden en zijne prachtige donkere oogen, vond ik dat hij er zeer veel beter uitzag, en kon ik niet nalaten over zijn ongeluk te lachen.

Mijn tweede uitstapje heeft dertien dagen geduurd, die wij grootendeels in het maagdelijke bosch van Kaibab hebben doorgebracht. Het is daar grootsch en indrukwekkend. Natuurlijk zijn er geen wegen of paden in dit bosch, en men heeft met recht opgemerkt, dat de Indianen, om in deze wouden den weg te weten, een eigenaardig zintuig moeten hebben, dat ons ontbreekt, een soort van instinkt als dat der postduiven. Wij moesten onophoudelijk langs meer of minder steile hellingen opklimmen en afdalen, midden door eeuwenoude pijnboomen en ondoordringbaar dicht kreupelhout, dwars over doode stammen, die op den grond lagen. Somwijlen was het onder het dichte lommer zoo duister, dat ik met den tijd in de war raakte en een oogenblik dacht dat de avond begon te vallen; op sommige plaatsen was het kreupelhout zoo dicht, dat ik op eenige schreden afstands mijne reisgenooten niet meer kon zien. Van tijd tot tijd zagen wij geraamten van herten of reeën. Sommige gedeelten van het bosch zijn door de Indianen in brand gestoken.

De ter aarde gevallen boomstammen zijn vooral voor onze paarden uiterst hinderlijk. Elk oogenblik zijn zij genoodzaakt, over omgevallen pijnboomen heen te stappen of te springen, of wel een omweg te maken, als de omvang van den boom te groot is. Wij zelven, die ons een weg moeten banen midden door de dooreengestrengelde takken, betalen onze onderneming met scheuren in onze kleederen en krabbels aan onze handen.

Nadat wij weder eene met prachtig geboomte beplante helling hadden beklommen, stiet John eensklaps een luiden kreet uit en wees mij een onbeschrijfelijk panorama. Daar zijn de groote cañons met den berg San-Francisco, nog met sneeuw bedekt, en een kleinen kegel aan den horizon. Stom van verbazing staar ik dit eenig schouwspel aan: deze weergalooze opeenstapeling van rotsmuren, op en boven elkander gebouwd, van reusachtige amphitheaters, van tooverpaleizen, van torens en bolwerken, door geweldige Titanen gebouwd.

Bij het aanschouwen van dergelijke panorama's zou men bijna gaan twijfelen aan de werkelijkheid van hetgeen onze oogen zien en geneigd zijn, het geheel voor eene fantasmagorie, een visioen uit eene tooverwereld, te houden. Gedachte en verbeelding schieten te kort bij de oneindige grootheid van deze wondervolle landschappen; ge duizelt bij den aanblik dier ontzaglijke rotsmuren, dier fantastische plateaux, al hooger en hooger rijzende, in eindelooze opvolging, prijkende met den bontsten kleurentooi, en aan den schemerenden gezichteinder als samensmeltende met het smetteloos blauw des hemels.

Ik droomde en dacht niet meer. Vele dagen lang werd ik telkens op nieuw door dit gevoel van bewondering en verbazing overweldigd.

Nabij de plaats, Thompson-Springs genaamd, zagen wij groote kudden schapen, die het in dit jaargetijde vrij schrale gras afscheerden. Het is aardig te zien, hoe zij in groepen naar groote zoutblokken gaan, die door de Mormonen opzettelijk, hier en daar, voor de schapen in de weilanden worden gelegd. Zij komen, een voor een, aan het zout lekken, en schijnen zeer verlekkerd op deze spijs, die door de veefokkers van Utah en Arizona als zeer heilzaam en bevorderlijk voor de gezondheid der dieren wordt beschouwd.

Wij komen te Sublime-Point, een der hoogste punten van het plateau van Kaibab, tweeduizend-zeshonderd meter boven den spiegel der zee. Op deze hoogte vormen de rotsen eene soort van kaap, van waar men de geheele streek der cañons van Arizona kan overzien, benevens de rotsmuren, bekend onder den naam van het Indische Amphitheater, en de hoogten van Kwagunt-Valley, den Tempel van Siva, enz.

Tusschen kolossale scheuren zie ik nu en dan den Colorado, die zijn gekleurde wateren door de afgronden voortstuwt en op een diepte van achttienhonderd el beneden ons, zijne fantastische kronkelingen beschrijft.

Daar ik al deze wonderen op mijn gemak wilde bekijken, heb ik drie dagen lang gekampeerd aan den zoom van een fraaien, schilderachtigen waterplas, Forest Lagoon genoemd, waarvan de oevers waren bezet met zilverpopulieren, abeelen en oude pijnboomen. Van daar kon ik gemakkelijk in alle richtingen uitstapjes maken en alle fraaie gezichtspunten en romantische plekjes in den omtrek bezoeken.

Vogels met schitterende pluimage, zooals de _Pyranga ludoviciana_, met een geel lijf, een rooden kop en zwarte vleugels, en talrijke colibris, hunne tegenwoordigheid verradende door het zacht geruisch hunner vleugelen, vlogen heen en weder tusschen de bloemen, boomen en struiken, en schonken aan dit liefelijk plekje eene bekoorlijkheid te meer.

Terwijl ik teekende, ging onze Indiaan op de hertenjacht, gewapend met een vuursteengeweer, uit ik weet niet welken tijd afkomstig. Hij doodde eenige herten, die hij met de grootste behendigheid vilde en ontleedde; hij behield voor zich alleen het vel, dat hij in de mormoonsche dorpen zou verkoopen. Aan hem hadden wij het te danken, dat wij eenige betrekkelijk goede maaltijden konden doen. Na onze wandelingen bij helderen maneschijn, te midden eener tooverwereld van fantastische rotsen, schikten wij ons bij het vuur ter rust. John zong indiaansche liederen voor ons, terwijl hij de lange vlechten van zijn gitzwart hair losmaakte.

Wij verlieten Forest-Lagoon en daalden, dwars door bijna ondoordringbare bosschen, naar Pagump Valley af.

Daar troffen wij twee jonge Amerikanen aan, die eene kleine hut bewoonden, en paarden en vee aanfokten; zij leefden daar sedert twee jaren geheel alleen met een _cowboy_. Onze verschijning was voor hen eene verrassing: de komst van zulk eene karavaan, bestaande uit een Franschman, een Mormoon en een Indiaan, benevens vier paarden, in de stille eenzaamheid hunner vallei, was inderdaad eene belangrijke gebeurtenis. Zij kwamen aanstonds naar ons toe en knoopten een gesprek met ons aan; het verheugde en verwonderde hen zeer, zoo onverwacht bezoek te ontvangen van menschen, die als door toovermacht, uit de wouden van Kaibab, vijf- of zeshonderd meters boven hunne bosschen gelegen, waren afgedaald.

Nathan stelde mij aan hen voor, als een Parijzenaar, die gekomen was om schetsen te maken van de cañons van Arizona. Ik liet hun mijne verzameling teekeningen zien, waarin de beide Amerikanen, de heeren Gibson en Gillett, zeer veel behagen schepten. "Blijf bij ons", zeiden zij tot mij; "wij hebben u wat moois te laten zien. Uwe paarden zijn uitgeput van vermoeienis: zij moeten een poos rust nemen; wij zullen u middelerwijl andere paarden leenen."

Het moois, waarvan deze heeren met zooveel ophef spraken, waren uitgestrekte cañons, die Nathan niet kende: de zoogenoemde Marble-Cañons. Getroffen door hunne vriendelijkheid, nam ik hun voorstel aan.

John, ziende dat wij nu ook zonder zijne hulp den weg naar Kanab zouden weten te vinden, verdween in de bosschen met zijn paard, zonder afscheid van ons te nemen en zonder zich te bekommeren om het geld dat wij hem schuldig waren. Nathan had hem gezegd, dat men te Kanab met hem zou afrekenen, wanneer hij gelegenheid had daar te komen: dat was voor hem genoeg; hij geloofde Nathan op zijn woord. Vermoedelijk had hij nog geene kennis gemaakt met echte Amerikanen.

Om van Pagump-Valley naar de Marble-Cañons te gaan, heeft men ruim een dag noodig, wanneer men althans het landschap inderdaad wil zien. Dit uitstapje behoort tot de schoonste van mijne reis. De Marble-Cañons verschillen in voorkomen van de andere rotskloven van Kaibab. De onmetelijke amphitheaters zijn volkomen ontbloot van plantengroei: het is eene echte steenwoestijn, maar die in hare doodsche majesteit een onuitsprekelijk grootsch karakter draagt.

Des avonds wordt er in de uit boomstammen opgetrokken hut van onze amerikaansche vrienden een schitterend diner gegeven, waartoe wij ook van onzen kant eene bijdrage konden leveren.

Den volgenden morgen wilden onze gastheeren ons hunne kudden laten zien, bestaande uit achttienhonderd runderen en tachtig paarden, die door de weiden rondzwerven. "Wij zijn dit jaar bijzonder gelukkig geweest", zeide de heer Gibson tot mij; "er werden vijfhonderd kalveren geboren. Als dit zoo voortgaat, dan hopen wij na verloop van ettelijke jaren, die wij nog als kluizenaars in deze woestijn moeten doorbrengen, genoeg dollars bijeengebracht te hebben, om u te Parijs een tegenbezoek te brengen en vervolgens in eene groote amerikaansche stad van onze rente te gaan leven."

Wij namen een zeer hartelijk afscheid.

Op onze terugreis kampeerden wij te Kane-Spring. Op zekeren dag, des morgens ten vier uur, maakte ik mijn toilet bij eene bron, door rooskleurige en goudgele rotsen omringd, toen mijne aandacht eensklaps getrokken werd door geschreeuw en gehinnik. Een honderdtal paarden, door een _cowboy_ geleid, stormden in vollen galop naar de eenzame plaats, waar ik den nacht had doorgebracht; de bron lokte hen aan. Na hun dorst gelescht te hebben, keerden zij in galop weer naar de weide terug.--Het was inderdaad een aangrijpend tafereel: die troep vurige paarden, in wilden ren daarheen stuivende, in dit romantische, schilderachtige landschap, waarover de vroege ochtendzon een gouden gloed uitstraalde.

De _cowboy_, een jonkman van even twintig jaren, die zich over zijne dieren niet zeer ongerust maakte, was achtergebleven; hij vroeg vergunning om mij tot eene volgende pleisterplaats te mogen vergezellen, hetgeen ik hem volgaarne toestond. Inmiddels hield Nathan zich onledig met de bereiding van ons dagelijksch brood.

De _cowboy_ wees mij een troepje Indianen te paard. Ter wederzijde van hun ros hangen potten en kruiken; zij komen die aan de bron met versch water vullen, om dat mede te nemen naar het kamp, dat zij pas in de woestijn hebben opgeslagen, altijd op eene zonnige plek. Ik herken onder hen onzen John, netjes opgeschilderd met twee mooie roode plekken op zijne wangen; hij is vergezeld van zijne vrienden en zou gaarne wat meel en wat koffie hebben. Gelukkig kan ik dien wensch bevredigen. De andere Indianen wilden toen de teekeningen in mijn album zien, waarvan John hen gesproken had. Toen zij in mijne schetsen Forest-Lagoon herkenden, benevens enkele punten in de cañons, begonnen zij eerst te lachen en daarop druk met elkander te praten. Het speet mij, dat ik van hetgeen zij zeiden geen woord kon verstaan: naar het scheen, hadden zij niet dan lof voor mijn werk. Zij kregen nog eene extra-portie koffie, en verdwenen toen met hunne paarden achter de rotsen, zonder afscheid van ons te nemen: naar het schijnt, is dit bij hen geene gewoonte.

Wij verlaten Kane-Spring met Nathan en mijn _cowboy_. Wij hebben eene tamelijk vermoeiende dagreis af te leggen: vijf uren midden door de woestijn in de brandende zon! Eindelijk komen wij te House-Rock, eene bijna even eenzame bron als die, welke wij verlaten hebben: slechts vonden wij hier eene hut, bewoond door een grijsaard en een jongen knaap, die daar op eenige runderen passen en de weinige cowboys, die deze afgelegen plek bezoeken, herbergen. De jonge Mormoon is een vroolijke, levendige knaap, wiens mond niet stilstaat; tot mijne verwondering doet hij mij allerlei vragen over Europa, over Parijs enz. Hoe komt die jonge herder hier in de woestijn aan de kennis, waarvan deze vragen getuigen?

Mijn laatsten nacht in Arizona heb ik doorgebracht te Navajo-Well, een bij uitnemendheid eenzaam plekje. Men vindt daar in den grond, tusschen twee rotsen, een kuil of gat, een soort van natuurlijken regenbak, waarin zich het regen- en sneeuwwater verzamelt: van heinde en ver trekt men daarheen om te drinken, hoewel het water afschuwelijk slecht, bijna bedorven is. Maar men heeft geene keus; en zoo ziet men ook gansche zwermen van vogels naar deze plek heenvliegen.

Toen wij tegen zonsondergang Navajo-Well naderden, zagen wij reeds op eenigen afstand geheele troepen van wilde tortelduiven en raven, die eendrachtig naar den plas zich heenspoedden om te drinken. Zij naderden bijna een voor een tot het gat, heel ordentelijk _queue_ makende als aan den ingang van den schouwburg, en wachtten al fladderende of heen- en weerstappende hun beurt af.--Ik begon onze kruiken met dit troebele water te vullen; wij moesten in de eerste plaats den dorst onzer paarden lessen; vervolgens wachtte ik een poos, om zoo mogelijk wat minder troebel water voor ons zelven te bekomen.

Terwijl wij aldus beslag legden op den put, schaarden zich een honderdtal tortelduiven, blijkbaar weinig gesticht door mijne tegenwoordigheid, op een afstand van nauwelijks tien ellen op den grond; nog andere vogels voegden zich daarbij. Ik maakte zoo weinig mogelijk beweging, om de lieve, bevallige diertjes niet te verschrikken: weldra was ik dan ook omringd door dichte zwermen van vogels. Er was voor hen een overwegende reden om het niet zoo gauw op te geven: het was nagenoeg zes uren in den namiddag: de avond begon, en zij moesten toch drinken eer zij gingen slapen. Met het grootste genoegen maakte ik voor hen plaats.

Navajo-Well ligt in het open veld; roode rotsmuren sluiten den gezichteinder af; de laatste schemering van den dag dooft meer en meer; de halve maan begint haar schijnsel over het landschap uit te gieten. In de struiken en tusschen de bloemen weerklinkt het gezang van de krekels, waaraan zich het weemoedig gekir paart der tortelduiven, die op de takken der ceders schuilen, en het getjingel van de bellen onzer paarden: een heerlijk concert te midden van de doodsche stilte dezer wildernissen. Nooit zal ik de tooverachtige landschappen bij Navajo-Well vergeten, noch dezen avond bij maneschijn en sterrenlicht.

Te Kanab teruggekeerd, achtte ik nu den tijd gekomen om naar Salt-Lake-City en naar hetgeen men de beschaafde amerikaansche wereld noemt, weer te keeren. Ik aanvaardde mitsdien de terugreis. Maar ook dit laatste gedeelte van den tocht is interessant genoeg. Van Kanab tot Panguitch draagt de natuur een niet minder vreemd en buitensporig karakter dan in Arizona.

Wij volgen geruimen tijd het bed der rivier, dat nu, in de maand Juni, bijna geheel droog is: onze paarden loopen over vochtig zand, tusschen twee roomkleurige bermen van zandsteen; boven de bermen verheffen zich oranjekleurige heuvels, gedeeltelijk bedekt met donkergroene ceders en blauwachtige saliestruiken; verder ziet men weder muren van rooskleurigen, wit geaderden zandsteen; aan den horizon eindelijk de White-Cliffs, reusachtige rotsen, die door haar zonderlinge vormen en haar verblindend witte kleur aanstonds de aandacht trekken. Over een gedeelte van haar loop is de Kanab-River omzoomd door eene uitgestrekte bank van vulkanisch gesteente, waarboven de White-Cliffs oprijzen.

Te Panguitch maakte ik een uitstapje in de bergen, die de vruchtbare vallei, waarin het stedeke gebouwd is, omlijsten. Geruimen tijd reden wij door uitgestrekte weilanden, bezaaid met dorpen van eene eigenaardige soort: de holen der prairiehonden, die men hier in groote menigte aantreft. Deze vreedzame, zeer makke dieren blijven bij onze nadering meerendeels rustig zitten op den zandhoop, die zich boven hun hol verheft, en zien ons met nieuwsgierige blikken na; anderen loopen en springen al spelend in het hooge gras.

Vervolgens kwamen wij in het gebergte. Te midden van plateaux van licht groenen zandsteen verheffen zich een aantal rotsen van dezelfde steensoort, die hooge, kale heuvels vormen. De hevige regenvlagen en het in het voorjaar afstroomende water hebben in deze uit losse steenen saamgegestelde heuvels diepe groeven en geulen gegraven en veranderen telkens hunne gedaante op de zonderlingste wijze. Door vorm en kleur beiden maken deze groene rotsen een buitengewonen, verrassenden indruk: ook hier weder is het, als dwaalde men door eene fantastische tooverwereld.

In de bergkloven en in den omtrek van Panguitch heb ik een aantal ratelslangen gezien; zij zijn in deze streken niet groot, maar maken met haar staartschubben eene zeer luidruchtige muziek, die men op tamelijken afstand hoort, lang voor men de slangen zelven ziet. Ik heb er enkelen gedood, die eene lengte hadden van ongeveer een el. Een dezer slangen bleef, met fonkelende blikken, onbeweeglijk op den weg liggen en scheen gereed zich op mijn paard te werpen, dat eensklaps stilstond zoodra het de slang gewaar werd. De paarden zijn zeer bang voor die dieren; het mijne stond op het punt om de vlucht te nemen, toen een steen, met behendigheid door mijn gids geworpen, de slang verpletterde.

De mormoonsche gezinnen leven in deze afgelegen streken nog op de wijze der oude herderstammen; bijna elk gezin staat op zich zelf. In hunne eenvoudige woningen vindt men enkele boeken en landkaarten, tegen den wand der huiskamer gespijkerd. Maar zeer zelden ontvangen deze kluizenaars tijding van de buitenwereld: er wordt in de prairiën niet druk gecorrespondeerd.

Toch verschijnt vrij regelmatig een postbode met zijn ouderwetsche kar, waarop plaats is voor een enkel reiziger; maar hij bezorgt de brieven niet aan huis. Op eene bekende plaats staat, midden in het weiland, een paal, waaraan een houten bak is bevestigd, voor het opnemen der brieven bestemd.

Naar het mij voorkomt zijn de Mormonen nog niet geschokt in het geloof aan hunne zonderlinge godsdienst. Zij beweren nog altijd, dat zij zoo getrouw mogelijk de voetstappen willen drukken van de oud-testamentische aartsvaders: bepaaldelijk verdedigen zij op dien grond hunne polygamie. "Abraham en Jakob", zeggen zij, "hadden meer dan eene vrouw: waarom zouden wij het recht niet hebben, hun voorbeeld te volgen."

Toch heb ik maar weinig gezinnen gezien, waar bigamie of polygamie heerschte. Ik ben de meening toegedaan, dat deze arme lieden voor het meerendeel maar eene vrouw hebben, met een aantal kinderen. Bij een Mormoon, die twee jonge vrouwen had, vroeg ik eens aan eene van haar of zij de moeder was van een allerliefst klein meisje, dat tusschen de bloemen liep te spelen.

"Het is onze dochter," antwoordden beiden te gelijk. Ik vroeg niet verder; dit antwoord scheen mij het bewijs dat zij niet jaloersch waren van elkander. De echtgenoot verzekerde mij dat zij beiden als liefhebbende zusters leefden. Over het algemeen schijnt het familieleven onder hen gelukkig; jegens vreemden zijn zij vriendelijk en gastvrij.

End of Project Gutenberg's Reis in Utah en Arizona, by Albert Tissandier

