Reis in Nepal De Aarde en haar Volken, 1887
Chapter 5
Het kastenstelsel is sedert omstreeks drieduizend jaren de hoeksteen, waarop het geheele maatschappelijke gebouw in Indië rust. Het is van zoo overwegende beteekenis, en deze beteekenis wordt over het algemeen zoo weinig begrepen, dat het inderdaad wel de moeite waard is, in korte trekken den oorsprong, de ontwikkeling en de gevolgen van het stelsel te schetsen. Een stelsel, waardoor een handvol Europeanen in staat wordt gesteld eene bevolking van tweehonderd-vijftig millioen zielen onder den duim te houden, verdient voorwaar wel de aandacht van den wijsgeer en den historiekenner. Hetgeen wij, op grond onzer persoonlijke waarnemingen, omtrent Nepâl gaan mededeelen, geldt trouwens even zoo goed voor geheel het overige Hindostan.
Zoo als ik zeide, bestaat het kastenwezen in Indië sedert meer dan twintig eeuwen. Ongetwijfeld vindt het zijn oorsprong in de door langdurige waarneming verkregen kennis van de werkingen van de wet der erfelijkheid. Toen de blanke veroveraars, die wij met den naam van Ariërs aanduiden, in Indië doordrongen, vonden zij daar, behalve vroegere veroveraars van toeranischen oorsprong, eene zwarte bevolking, die zij aan hun gezag onderwierpen. De veroveraars zelven verkeerden in den overgangstoestand tusschen het nomadendom en het gezeten leven: zij waren half herders, half landbouwers, en gehoorzaamden aan vorsten, wier gezag alleen in toom werd gehouden door dat van de priesters, de tolken en bemiddelaars der goden. Hunne bezigheden splitsten hen van zelve in drie standen, die trouwens in elke geordende maatschappij worden gevonden: die der priesters of brahmanen, die der kshatryas of krijgslieden, en die der vaisyas, landbouwers, herders en handwerkslieden: deze laatste bestond misschien uit de afstammelingen der vroegere veroveraars, die door de Ariërs uit de heerschappij werden verdrongen.
Deze drie klassen of standen komen in hoofdzaak geheel overeen met onze oude standen: geestelijkheid, adel, derden stand. Het is trouwens de natuurlijke, organische indeeling der maatschappij in wat de Duitschers zoo juist _Lehr-Ehr-und-Nährstand_ noemen: eene in de orde der dingen gewortelde hiërarchie, die door de wetgevers van alle eeuwen werd geëerbiedigd. Beneden deze aristokratie stond de massa der oorspronkelijke bevolking, de dusgenoemde soedras, die natuurlijk verreweg de meerderheid vormden.
De ondervinding bewees weldra de nadeelige gevolgen eener vermenging van het hoogere ras met de lagere rassen; en zoodra men deze waarheid eenmaal erkend had, was het streven des wetgevers er van zelf op gericht, om die vermenging en daarmede de verbastering van het hoogere ras te beletten. "Een land waarin menschen uit vermengde rassen geboren worden, zegt de oude wetgever der Hindoes, de wijze Manoe, gaat te gronde, zoowel als zij die het bewonen." De uitspraak is hard, maar het is niet mogelijk hare juistheid te loochenen. De ondervinding heeft, in spijt van alle humanitaire gelijkheidsdroomen, geleerd, dat alle hoogere volken die zich met een te zeer beneden hen staand ras hebben vermengd, zijn verbasterd of in het lagere ras versmolten. Ik behoef mij slechts te beroepen op het voorbeeld der Spanjaarden in Amerika en der Portugeezen in Indië.
Doordrongen van het hooge gewicht dezer anthropologische waarheid, welke de moderne wetenschap boven allen twijfel heeft verheven, verzuimt de wet van Manoe--die sedert zoo vele eeuwen de grondwet van Indië is en die, even als alle wetten van vroeger tijd, het resultaat was van langdurige waarneming en ervaring, en niet de formuleering eener abstracte theorie,--niets wat strekken kan om de zuiverheid van het bloed te verzekeren. Elke vermenging van de hoogere kasten met de lagere, vooral die der soedras, is op de strengste straffen verboden. Om deze laatsten van alle gemeenschap met de heerschende klasse uit te sluiten, worden geene bedreigingen gespaard: als de soedra met minachting van zijn meester sprak, werd hem met een gloeiend ijzer de mond verbrand; als hij luisterde naar de voorlezing der heilige boeken, werd hem kokende olie in de ooren gegoten. De vrucht van de verbintenis van een soedra met eene brahmaansche vrouw werd als een verworpeling beschouwd: volgens de wet van Manoe moest hij de straten en riolen reinigen en de krengen begraven, met wier vleesch hij zich voeden mocht. De soedra kende slechts plichten en geen rechten; hij kon zich zelfs niet aan zijn toestand onttrekken, want, zegt Manoe, "wie kan hem bevrijden van de wet, door de natuur zelve gesteld?" De eenige hoop voor hem was, althans volgens de mildere opvatting van den Boeddha, dat hij na zijn dood in een beteren stand kon worden herboren.
Maar in den loop der eeuwen moesten deze geduchte bolwerken toch, uit den aard der zaak, op menige plaats worden doorgebroken. Hoe laag ook geplaatst door hare kaste, behoudt de vrouw, hare verlokkende bekoorlijkheid. Trots het verbod van Manoe, greep de vermenging van rassen toch veelvuldig plaats; en het is niet noodig, lange jaren in Hindostan vertoefd te hebben, om te bespeuren dat de bevolking van alle standen tegenwoordig zeer gemengd is. Het aantal personen wier blanke kleur bewijst dat hun bloed zuiver is gehouden, is zeer gering. Het woord kaste, in de oorspronkelijke beteekenis opgevat, is thans niet meer, als in het sanskriet, synoniem met kleur; en zoo het kastenstelsel zich op niets anders kon beroepen dan op de boven aangegeven ethnologische gronden, dan zou het geen reden van bestaan meer hebben. Feitelijk zijn de oorspronkelijke onderscheidingen tusschen de kasten als rassen sinds lang verdwenen. Maar daarvoor zijn andere onderscheidingen in de plaats getreden, waarvan de oorsprong elders te zoeken is dan in het verschil van ras--met uitzondering altijd van de brahmanen, wier bloed betrekkelijk nog het zuiverst gebleven is.
Doch ook bij de latere oorzaken, die het kastenwezen in stand hebben gehouden, speelt het beginsel der overerving een overwegende rol. Naar het oordeel van den Hindoe, worden aanleg en bekwaamheid door overerving voortgeplant: de zoon moet dus, als het ware krachtens de natuurwet, het beroep van zijn vader volgen, omdat hij ondersteld wordt daarvoor de meeste geschiktheid te hebben. Daar het beginsel van de erfelijkheid der beroepen algemeen is aangenomen, volgt daaruit het ontstaan van even zoo vele kasten als er verschillende beroepen en bedrijven zijn: het aantal kasten in het hedendaagsche Indië bedraagt dan ook eenige duizenden. Met elk nieuw beroep of bedrijf wordt tevens eene nieuwe kaste geboren. Een Europeaan, die zich in Hindostan komt vestigen, bemerkt al spoedig hoe talrijk die kasten of gilden zijn; hij ziet zich toch daardoor verplicht, een groot aantal personen in zijne dienst te nemen, want ieder van zijn bedienden weigert hardnekkig iets anders te doen dan datgeen wat de wet zijner kaste hem vergunt. Nooit zal de kok, die uwe spijs gereed maakt, er in bewilligen om het noodige water te gaan halen ten einde het eten te koken; de palfrenier, die trouw de de paarden verzorgt, zal voor geen goud den stal aanvegen. De geringste ambtenaar is op die wijze wel genoodzaakt, een dozijn bedienden er op na te houden, waar een of twee Europeanen meer dan voldoende zouden zijn.
Bij de twee genoemde oorzaken van het ontstaan en het behoud van het kastenstelsel--het rassenverschil, dat tegenwoordig weinig beteekenis meer heeft, en het beroepsverschil, dat nog zeer grooten invloed uitoefent,--voegen zich nog de staatkundige ambten en het verschil van geloofsbelijdenis.
De kasten, door het bekleeden van staatsambten ontstaan, kunnen gerangschikt worden onder de beroepskasten of gilden; maar de kasten voortspruitende uit het verschil van godsdienstige overtuiging vormen eene afzonderlijke groep. In theorie, dat wil zeggen volgens de boeken, behoort de geheele bevolking van Hindostan tot twee of drie groote godsdiensten: Brahmanen en Mohammedanen, voorts Boeddhisten, Christenen, enz. Doch in de werkelijkheid is het geheel anders, en bedraagt het getal der godsdienstige sekten misschien ettelijke duizenden. De oorspronkelijke godsdiensten, waaruit deze sekten zijn ontstaan, zijn zoo onbepaald, zoo weinig duidelijk omschreven en zoo rekbaar, dat bijna allerlei meeningen en opvattingen daarin plaats kunnen vinden zonder de schijnbare eenheid te verbreken. Zij zijn te vergelijken bij de takken van een boom, die allen onderling verschillen, zonder dat de boom waaruit zij spruiten daarom ophoudt dezelfde boom te zijn. Nieuwe goden, die eenvoudig voor incarnaties van oude goden doorgaan, ontstaan en verdwijnen om zoo te zeggen elken dag; en hunne aanhangers vormen weldra eene nieuwe kaste, niet minder exclusief dan de reeds bestaande.
Twee hoofdregelen zijn er, die voor alle leden eener kaste gelden en hen scheiden van allen die buiten, vooral die beneden staan: eerstens, dat de leden eener kaste slechts met elkander mogen eten; ten tweede dat zij uitsluitend onder elkander mogen huwen. Deze twee voorschriften zijn onverbrekelijk, en het eerste niet minder dan het tweede. In Hindostan zult ge honderden brahmanen aantreffen, die postjes bekleeden bij de posterijen of de spoorwegen, tegen eene bezoldiging van vijf-en-twintig francs per maand, of zelfs die als bedelaars rondzwerven. Maar die ondergeschikte beambte, die havelooze schooier, zal liever sterven dan aan te zitten aan de tafel van den onderkoning van Indië; en de machtigste rajah, zoo hij tot eene lagere kaste behoort,--want men kan koning zijn en toch tot eene lagere kaste behooren, getuige de rajah van Gwalior,--zal van zijn olifant afstijgen om hem te groeten.
De hoedanigheid van brahmaan is erfelijk, even als de adeldom in Europa, en is volstrekt niet synoniem met de priesterlijke waardigheid, zoo als men vrij algemeen gelooft, omdat de priesters uitsluitend uit de kaste der brahmanen genomen worden. Men wordt brahmaan geboren, zoo als men bij ons baron of graaf geboren wordt. Deze titel, die tegenwoordig veel van zijne waarde verloren heeft, was vroeger zoo hoog geacht, dat zelfs het bezit eener koninklijke kroon ter nauwernood voldoende was om naar de hand te mogen dingen der dochter van een brahmaan. Wij zien dat in het drama van Sakontala, omstreeks de vijfde eeuw door Kalidasa geschreven; als Doeshanta, de koning van Hastinapoera, Sakontala ontmoet, vraagt hij zich met eenige ongerustheid af of zij soms niet tot de kaste der brahmanen zou behooren, in welk geval hij haar niet zou kunnen huwen.
De regels en bepalingen, die het kastenwezen in stand houden, missen onder het engelsche bestuur alle legale sanctie; maar zoodanige sanctie is ook niet noodig: het door de eeuwenoude traditie gewijde en overgeleverde stelsel is zoo diep in de gemoederen geworteld, zoo geheel in het leven ingeweven, dat niemand daartegen in verzet komt. De gronddenkbeelden, waarop het stelsel rust, zijn in merg en bloed der Hindoes overgegaan; zij worden met hen geboren en beheerschen al hun denken en gevoelen. Een Hindoe zou liever sterven dan de wet zijner kaste schenden. Een magistraatspersoon aan de kust van Orissa verzekerde mij, dat tijdens den jongsten hongersnood, duizenden inwoners dier streek van honger gestorven zijn, omdat zij geen rijst wilden aannemen die door Europeanen was toebereid. Zij die, door honger gedwongen, eindelijk deze spijs gebruikten, vormden nu eene nieuwe kaste, waarvan de leden wederom slechts met en onder elkander kunnen eten en trouwen. Toen de indische regeering het plan vormde om inlandsche troepen naar Soedan te zenden, was een van de moeilijkste en lastigste vraagstukken dit: hoe men elk regiment van den noodigen voorraad en het noodige materieel zou voorzien, zoodat de soldaten van de verschillende kasten afzonderlijk hunne spijzen konden bereiden en afzonderlijk eten. Ik bevond mij destijds in Hindostan, en men behoefde slechts een oog in de dagbladen te slaan, om te bespeuren, hoezeer deze vraag de gemoederen bezig hield. Een verzuim op dit allerbelangrijkst punt zou de ernstigste gevolgen kunnen hebben: was niet eene dergelijke nalatigheid, indien al niet de oorzaak, dan toch stellig de aanleiding tot dien geduchten opstand der sipayers, die Engeland bijna op het verlies van zijn indisch rijk was te staan gekomen?
Door zeer verschillende oorzaken, die wij niet allen kunnen opnoemen, kan iemand zijne kaste verliezen; daaronder is een der voornaamste het aannemen van spijs en drank, al ware het ook slechts een glas water, uit handen van iemand van lager kaste. Toen Jang Bahadoer van zijne reis naar Engeland in Nepal was teruggekeerd, ware hij bijna gevallen als het slachtoffer eener samenzwering, die voornamelijk hierin haar grond had dat, aangezien hij met vreemden had moeten eten, hij zijne kaste verloren had.
Het kastenwezen is in Indië zoo machtig, zoo zeer saamgeweven met het denken en gevoelen, het geheele leven des volks, dat alle veroveraars het onaangetast hebben gelaten niet slechts, maar ook zelven zijn invloed ondergaan. De Muzelmannen hebben het in de praktijk, in meerdere of mindere mate overgenomen, hoewel het in strijd is met de eerste beginselen hunner godsdienst. Ook de Engelschen hebben het overgenomen, en dat wel in veel sterker mate dan een oppervlakkig beschouwer der indische toestanden wel meenen zou. Ongetwijfeld hebben zij het beginsel niet in hunne wetboeken geschreven; maar de engelsche maatschappij vormt metterdaad eene niet minder streng afgesloten kaste dan eenige andere in Hindostan. Even als de leden van andere kasten, eten en huwen zij uitsluitend met en onder elkander. De tijd ligt verre achter ons, waarin engelsche ambtenaren inlandsche vrouwen trouwden. De Europeaan die zulk eene verbintenis aangaat,--een uiterst zeldzaam voorkomend geval,--wordt door de maatschappij in den ban gedaan en vindt alle deuren voor zich gesloten. Een gewoon soldaat zou zich door zulk een huwelijk onteerd achten. "Zoudt gij een uwer manschappen vergunnen, eene hindoesche vrouw te trouwen?" vroeg ik eens aan een engelsch kolonel, met wien ik te Benares dineerde.--"Ik zou het hem niet kunnen beletten, antwoordde hij, omdat de wet het niet verbiedt; maar ik geloof niet dat het een mijner manschappen ooit in de gedachte zal komen, zulk eene vergunning te vragen."
Deze volstrekte scheiding tusschen de nieuwe veroveraars en het volk dagteekent eerst uit den laatsten tijd; vóór een dertig, veertig jaar waren huwelijken tusschen de beide rassen volstrekt niet zeldzaam. Het gevolg echter van deze verbintenissen was het ontstaan van eene anglo-indische, zoogenaamd eurasiaansche bevolking, die al de gebreken der Hindoes heeft, zonder de deugden der Engelschen te hebben geërfd: een ras zonder traditie, zonder geschiedenis, zonder moraliteit, dat door Europeanen en Hindoes beiden even diep wordt veracht. Daar zij eigenlijk geene plaats in de maatschappij heeft, zou deze bevolking een ernstig gevaar voor de indische regeering kunnen worden, indien zij niet onverbiddelijk tot wegkwijnen en uitsterven scheen gedoemd.
Het verkeerde en verderfelijke van zulke verbintenissen--dat de Ariërs oudtijds zeer goed hadden begrepen en dat bij hen den grondslag legde voor hun kastenwezen,--hebben ook de Engelschen op hunne beurt eindelijk leeren inzien; en aangezien dezelfde oorzaken steeds dezelfde gevolgen hebben, zijn ook zij, ondanks hun humanitaire theorieën en al schreven zij haar niet in hunne wet, feitelijk moeten komen tot die volstrekte scheiding tusschen het heerschende en het onderworpen ras, die eene onvermijdelijke anthropologische noodzakelijkheid schijnt te zijn, wanneer de twee rassen onderling te veel verschillen. Zoo is er tusschen de beide volken een kloof ontstaan, die de Engelschen door alle middelen trachten in stand te houden en onoverkoombaar te maken. In alle groote steden van Indië is de europeesche wijk, het kantonnement, zooals het heet, op vrij grooten afstand gelegen van de inlandsche stad, en niet dan bij uitzondering zal men in deze laatste Europeanen ontmoeten. Zelfs op de spoorwegen zijn de Europeanen en de inlanders volkomen gescheiden. Zeer zeker hebben de inboorlingen, althans in theorie, evenzeer recht als de Engelschen op het bekleeden van de hoogste ambten, en sommigen brengen het ook inderdaad zoover, vooral in de rechterlijke macht; maar ook dan bepaalt zich de aanraking tusschen beide klassen tot het ambtelijk en officieel verkeer. De europeesche maatschappij blijft ook voor hen onverbiddelijk gesloten. Vooral ten aanzien van de ongelukkige Eurasiërs, de bastaardteelt van Europeanen en Hindoes, laat het kastenvooroordeel zich in al zijne strengheid gelden. Mij zijn te Parijs portugeesche bankiers, met hindoesch bloed in de aderen, bekend, die daar in alle salons ontvangen worden, en die, in Hindostan, buiten de twee of drie half-europeesche metropolen, nimmer aan eene engelsche tafel zouden worden toegelaten, ja zelfs niet in tegenwoordigheid van een Engelschman zouden mogen gaan zitten.
Ik ben niet geroepen om over dit stelsel een oordeel te vellen, maar bepaal mij eenvoudig tot de mededeeling van de door mij waargenomen feiten. Men oordeelt noodzakelijk oppervlakkig en eenzijdig, en dus valsch, wanneer men dergelijke eeuwenoude instellingen uit een bloot theoretisch oogpunt gaat beoordeelen. Zij hebben alle omwentelingen overleefd; en haar macht en invloed moet wel groot zijn, dat zelfs een der beschaafdste volken van de wereld, hoewel in theorie, van den kansel en de tribune, in de pers en in de boeken al dergelijke instellingen veroordeelende, niettemin metterdaad het stelsel onvoorwaardelijk in praktijk brengt. Dit is niet de minst te waardeeren vrucht van het reizen, dat wij leeren begrijpen, dat de volken hunne maatschappelijke en staatkundige instellingen niet naar willekeur kunnen kiezen, maar dat die de noodzakelijke vrucht zijn van de geaardheid, van het ras, van de omgeving, van de historische ontwikkeling. Door hooger dan menschelijke macht bepaald, leidt iedere poging om ze ter zijde te zetten en naar eigen willekeur te vervangen, nooit tot iets anders dan tot verwarring, ontbinding en eindelijk tot ondergang.
Dank zij de afgezonderde ligging van hun land, die hen tegen de muzelmansche overheersching vrijwaarde, en het weren van allen europeeschen invloed, hebben de Nepaleezen hunne eeuwenoude zeden en gewoonten schier ongeschonden bewaard. Vooral geldt dit van de Gorkhas, de afstammelingen van Hindoes, die, om zich aan de mohammedaansche heerschappij te onttrekken, de wijk namen naar de ontoegankelijke valleien van Nepâl.
Het voedsel der Nepaleezen is hetzelfde als in Hindostan, met dit onderscheid evenwel dat het gebruik van vleesch er zeer algemeen is, althans onder de gegoede klasse. Schapen- en geitenvleesch, gevogelte en wild verschijnen dagelijks op tafel. De armsten leven van rijst en eenige groenten. De meest algemeene drank is water, zooals trouwens in geheel Indië. Echter bereidt men ook een alkoholischen drank, rakhi genoemd, die uit rijst en meel wordt gestookt; dronkenschap is evenwel eene hooge uitzondering. Het gebruik van thee, die uit Thibet wordt ingevoerd, is zeer algemeen.--De kleeding der mannen bestaat uit een soort van tuniek of kiel van witte of blauwe katoen. Aan den gordel hangt altijd de geduchte koekhri, een wapen dat bepaaldelijk in Nepâl inheemsch is en dat zoowel wordt gebruikt om hoofden af te houwen, als om hout te hakken en biefstuk te snijden. De vrouwen dragen, behalve de tuniek, nog een jakje. Als alle hindoesche vrouwen, zijn zij overladen met sieraden: halskettingen, armbanden, oorhangers, ringen in den neus, bloemen in het haar, en andere fraaiigheden van dien aard. Zij verschijnen in het openbaar zonder sluier; zelfs zag ik in sommige dorpen winkels, die door vrouwen werden gehouden.
In Nepal bestaat nog de slavernij. Elk vermogend man heeft een groot aantal slaven, die tot zijn huisgezin behooren; men schat hun aantal in het geheele land op minstens veertigduizend. Velen zijn als slaven geboren; maar anderen waren aanvankelijk vrij en zijn wegens een of ander misdrijf, met name wegens overtreding van de wet der kaste, als slaaf verkocht. De prijs van een slaaf bedraagt twee- à driehonderd, die van eene slavin drie- à vierhonderd francs. De slaven worden over het algemeen zeer goed behandeld, en zijn, zoo als trouwens in alle oostersche landen, tevreden met hun lot.
De rechtsbedeeling is in Nepal veel eenvoudiger en veel minder omslachtig en langdradig dan in Europa; daar advokaten hier weinig in tel zijn en men van hunne tusschenkomst in den regel geen gebruik maakt, is het te onderstellen dat de rechtspraak minder dan elders ontaardt in een wedstrijd van behendigheid tusschen spitsvindige _debaters_. Sedert de hervormingen van Jang Bahadoer wordt de doodstraf alleen voor de volgende misdaden toegepast: doodslag van een mensch of eene koe--vooral van eene koe--verraad en desertie.
De heilige koeien spelen eene zeer gewichtige rol in Nepâl; de koning en zijne ministers worden niet in die mate vereerd als deze dieren. Wie, zelfs onwillekeurig en bij vergissing, eene koe verwondt, wordt gestraft met levenslange gevangenis. De koeien kuieren dan ook ongehinderd rond door de straten, zonder dat iemand het waagt ze aan te raken. De soldaten der lijfwacht, die mij vergezelden wanneer ik de drukke straten van Khatmandoe doorkruiste, deelden, om ruim baan te maken, rechts en links onder de saamgepakte menigte slagen uit; maar wanneer wij eene koe ontmoetten, gingen zij eerbiedig uit den weg. De engelsche gezant vertelde mij eens, dat de eerste minister hem met den meesten nadruk had aanbevolen, alle vijandelijke aanraking met koeien te vermijden. "Een mensch te dooden", zeide hij, "beteekent in Nepâl niet zoo veel en heeft niet zulke slimme gevolgen; maar mijne macht zou te kort schieten om het leven te redden van iemand die eene koe gedood had."--Ik begreep toen ook, waarom de engelsche gezant mij, in een zijner brieven, zoo ernstig had gewaarschuwd geen koeien aan te randen of te wonden. Die waarschuwing had mij toen zeer verbaasd, en ik had daarop geantwoord met de stellige verzekering, dat ik, hoewel geen lid van de vereeniging tot bescherming der dieren, nooit in mijn leven eene koe eenig letsel had gedaan. Toch is de waarschuwing in Indië te minder overbodig, omdat de koeien zeer bepaald vijandig gezind zijn jegens de Europeanen.
De familie is hier vrij goed ingericht, althans bij de Gorkhas. De vaderlijke macht is onbeperkt, de moeder wordt door hare kinderen met eerbied bejegend. Ook na hun huwelijk blijven de zonen in het ouderlijk huis, tot de vermeerdering van hun gezin hen noodzaakt eene eigene woning te vestigen. De huwelijksbanden zijn, in tegenstelling van de Gorkhas, die ook in de eerbiediging van het huwelijk hun indischen oorsprong verraden, bij de Newars, in wie het thibetaansche bloed de overhand heeft, zeer zwak en los. Even als bij alle Hindoes, heerscht echter ook bij de Gorkhas de veelwijverij; desniettemin verstaan zij op het punt van huwelijkstrouw geen gekscheren, en boet de overspelige vrouw haar misdaad met levenslange kerkerstraf. De vrouwen schijnen over het algemeen veel van haar echtgenooten te houden, althans te oordeelen naar het feit, dat nog altijd een aantal weduwen zich met het lijk van haar man laten verbranden. Zelfs Jang Bahadoer is niet geslaagd in zijne poging om dit gebruik af te schaffen; na zijn dood lieten drie zijner vrouwen zich met hem verbranden.
Bij de Newars is de huwelijksband veel losser dan bij de Gorkhas. De vrouw kan van haren man scheiden wanneer zij wil. Zij heeft daartoe niets anders te doen dan een betelnoot onder het hoofdkussen te leggen, waarna zij, zonder verdere formaliteit, de echtelijke woning kan verlaten. Bij dezen stand van zaken is echtbreuk eene kwestie van ondergeschikt belang.