Reis in Nepal De Aarde en haar Volken, 1887
Chapter 4
De legenden en de monumenten verhalen met onmiskenbare duidelijkheid dezelfde geschiedenis; en zoo de studie van het Boeddhisme in de eerste plaats met hunne getuigenis rekening had gehouden, zou men zich omtrent deze godsdienst niet zulke verkeerde voorstellingen hebben gemaakt, als thans algemeen in zwang zijn. Ongelukkig genoeg, werd de studie der indische monumenten tot dusver door de europeesche geleerden zoo goed als geheel verwaarloosd. Zij die ons het Boeddhisme wilden leeren kennen, hadden voor het meerendeel nooit een voet in Indië gezet; zij hadden deze godsdienst uit de boeken bestudeerd; en een noodlottig toeval deed juist hunne aandacht vallen op de geschriften der wijsgeerige sekten, minstens vijf of zes eeuwen na den dood van Boeddha vervaardigd en ten eenemale vreemd aan de werkelijke praktijk dezer godsdienst. De metaphysische bespiegelingen, over wier diepzinnigheid de europeesche geleerden zich zoo verbaasd hebben, waren overigens alles behalve nieuw. Sedert de oude indische litteratuur beter bekend is geworden, heeft men diezelfde denkbeelden teruggevonden in de geschriften der wijsgeerige sekten en scholen, die in het brahmaansche tijdvak bloeiden. Het atheïsme, pantheïsme en pessimisme, de verachting van het individueel bestaan, de zoogenoemde onafhankelijke moraal, de opvatting der wereld als een ijdel schijnbeeld: al deze en dergelijke denkbeelden, welke de moderne philosofie ons als splinternieuwe waarheden wil aanpreeken, men vindt ze reeds in de wijsgeerige geschriften onder den algemeenen naam van Oepanishads aangeduid, waarvan men er ongeveer twee-honderd-vijftig kent, die uit zeer verschillende tijdperken afkomstig zijn. Men ontmoet in deze boeken volkomen dezelfde leeringen als in de wijsgeerige geschriften der Boeddhisten. Zij allen huldigen de leer van het Karma,--het grondbeginsel van het Boeddhisme evenals van alle andere godsdienstige sekten in Indië--volgens welke de toestand waarin de mensch in de toekomende phasen van zijn bestaan verkeeren zal, wordt bepaald door zijne handelingen in dit aardsche leven; welke leer ook de grondslag is der wetten van Manoe. Het einde van deze lange reeks van gedaanteverwisselingen is de oplossing van het individu in het hoogste algemeene zijn, in den Brahma, waarvan reeds Manoe spreekt, en die zeer na verwant is aan de boeddhistische Nirwana. Eerst als zij dezen eindpaal heeft bereikt, is de ziel van de wet der gedaantewisselingen verlost en houdt haar individueel bestaan op. En om dien hoogsten trap te bereiken, is het, volgens Boeddhisten en Brahmanen beiden, vóór alle dingen noodig, alle aardsche lusten en begeerten te onderdrukken, van de goederen dezer wereld afstand te doen en zijn leven in vrome overdenking en contemplatie van het eeuwige door te brengen.
De wijsgeerige theoriën van het boeddhistische tijdperk waren dus geheel dezelfden als van de voorafgaande brahmaansche periode. Maar zij zijn ook niets meer dan theoriën, wijsgeerige stelsels en bespiegelingen, die zich ontwikkelden met en naast de godsdienst, welke door de priesters geleerd en door het volk geloofd en in praktijk gebracht werd, doch die daarmede zeer weinig gemeen hadden. Deze theoriën voor het Boeddhisme zelf te houden, is volkomen dezelfde dwaling, als in de bespiegelingen van de Oepanishads de godsdienstleer van het Brahmanisme te willen zien, of--om een meer bekend voorbeeld te noemen--de grieksche philosofen te bestudeeren om de volksgodsdienst der Hellenen te leeren kennen. Daar het Boeddhisme aanvankelijk in Europa niet anders bekend was dan juist door de wijsgeerige bespiegelingen van sommigen zijner aanhangers, is men er van zelf toe gekomen om deze bespiegelingen voor de boeddhistische godsdienst zelve te houden. Toch had men behooren te bedenken dat godsdienst en wijsbegeerte twee zijn, en dat afgetrokken bespiegelingen nooit of nimmer de stof kunnen leveren voor eenige godsdienst, laat staan eene godsdienst, die niet minder dan vijfhonderd millioen aanhangers telt. Dergelijke grove misvattingen zijn alleen verklaarbaar bij geleerden, die zich zoo zeer in de studie van boeken en stelsels hebben verdiept, dat zij het leven en de werkelijkheid uit het oog hebben verloren en de menschen niet kennen. Zoo zal waarschijnlijk, na verloop van twee- of drieduizend jaren, wanneer de zetel der beschaving zich zal hebben verplaatst en onze boeken en onze talen vergeten zullen zijn, een of ander geleerd professor, die tot de ontdekking is gekomen dat er in der tijd een engelsche taal heeft bestaan, en die de eerste de beste boeken vertaald heeft welke hem in die taal in handen zijn gekomen, als bij voorbeeld de _First Principles_ van Spencer of de _Origin of species_ van Darwin, den volke verkondigen dat deze boeken de uitdrukking bevatten der godsdienstige overtuigingen van de christelijke natiën der negentiende eeuw.
Een godsdienst zonder God! Het denkbeeld zelf is eene volslagen ongerijmdheid; maar gesteld, zoo iets ware denkbaar, dan nog moet men de Hindoes al zeer weinig kennen, om te onderstellen dat zulk eene godsdienst bij hen ingang zou hebben kunnen vinden. De Hindoe zou geen God erkennen! Maar de gansche wereld is in zijne oogen vol van goddelijke wezens. Hij aanbidt den tijger die zijne kudden verslindt, de slang die hem doodt door haar venijn, de spoorwegbrug door den Europeaan gebouwd, en, als het moet, den Europeaan zelf. Zoo gij daarop gesteld zijt, zal hij ten uwen pleiziere dien wonderlijken catechismus der Boeddhisten van het zuiden van buiten leeren, die onlangs met medewerking van zoogenoemd verlichte Europeanen is opgesteld, en waarin ge, onder andere fraaiigheden, ook lezen kunt, dat het heelal geen Schepper heeft, en dat de wereld niet anders dan eene schijnvertooning en het leven een benauwde droom is; maar ondanks al deze zinledige frasen zal hij de behoefte blijven gevoelen om zijn grooten Boeddha te aanbidden en met hem al de andere goden van dat pantheon, waarin hij als heerscher troont. Een der oudste boeddhistische boeken, de _Lalita Vistara_, omstreeks achttienhonderd jaar oud en dus ongeveer vijf eeuwen jonger dan Boeddha, bevat een zeker aantal vertoogen over de ijdelheid en onwezenlijkheid aller aardsche dingen; maar tot wie richt de Boeddha deze vertoogen? In de eerste plaats tot de goden, tot die ontelbare goden, van wie op elke bladzijde van het boek gesproken wordt en die, met Brahma aan hun hoofd, tegenwoordig zijn bij de geboorte van den profeet die op zijne beurt een god zal worden, hem overal vergezellen en eindigen met hem te aanbidden. Natuurlijk wemelt het boek van tegenstrijdigheden, maar voor den Hindoe bestaan die tegenstrijdigheden niet. Hij is ook geestelijk anders gevormd dan wij, en zijn denken gehoorzaamt aan andere wetten dan het onze. Er is geen enkel zijner boeken, van de antieke epopeeën de _Ramayana_ en de _Mahabharata_ tot de bovenbedoelde philosofische werken, dat niet overvloeit van de onmogelijkste tegenstrijdigheden. Men kan niet zoozeer zeggen dat de logika ten eenemale ontbreekt, doch het is eene echt vrouwelijke logika, die hare deductiën soms tot het uiterste doortrekt, maar die zich nooit om tegenstrijdigheden bekommert.
Wil men dus het Boeddhisme leeren kennen en begrijpen, dan moet men de wijsgeerige bespiegelingen laten rusten, die er zich wel aan vastgeknoopt hebben, maar die de godheid zelve ongedeerd laten, zonder welke de indische godsdienst, evenmin als eenige andere, bestaanbaar is. De Boeddha dacht er even zoo weinig aan, het brahmaansche pantheon ter zijde te zetten, als hij er--in spijt van de zoo dikwijls herhaalde bewering--ooit aan gedacht heeft, de kasten af te schaffen. Geen enkele hervormer zou het hebben durven wagen, aan dien hoeksteen, waarop het gansche gebouw der maatschappelijke organisatie van Indië rust, te raken. Het nieuwe element, dat door den Boeddha in de oude aziatische wereld werd ingevoerd, was een geest van menschenliefde, die niet overtroffen werd. Nimmer was zuiverder en verhevener zedeleer nog den menschen verkondigd. Een uitstekend geleerde als Max Müller getuigt dit met groote bewondedering, zoo als trouwens menige zendeling het reeds vóór hem getuigd had. "De zuiverste zedeleer, zegt hij, die vóór de verschijning van het Christendom der menschheid werd onderwezen, werd verkondigd door mannen in wier oog de goden niets dan ijdele schaduwbeelden waren, door mannen die geen altaren oprichtten, zelfs niet voor onbekende goden." Deze getuigenis is zeer stellig onjuist, voor zoo ver de goden en de tempels betreft, want Indië is vol van de ruïnen dier heiligdommen; maar zij is volkomen waar ten opzichte der moraal. Geene enkele oude godsdienst had zoo zoeten en rijken troost voor alle schepselen, zoo diep en innig medegevoel met het menschelijk lijden. Zij heeft met brandende liefde naar de middelen gezocht om de menschen te verlossen,--en en de menschen hebben naar hare stem geluisterd. Deze koningszoon, die een bedelaar wordt om deel te hebben aan de ellenden en het lijden des volks en liefde te prediken, is een der schoonste en aantrekkelijkste figuren van de geschiedenis of misschien van de legende. Overal waar de godsdienst, die naar hem wordt genoemd, is doorgedrongen, heeft zij de harten veroverd, en dat bovenal door de zachtmoedigheid, de liefde, de zelfverloochening harer predikers. Zij heeft de zeden van Azië verzacht en bloeddorstige barbaren tot vreedzame burgers gemaakt. De wilde Mongolen, die weleer pyramiden van menschenhoofden oprichtten, zijn niet het minst ook door haar invloed beschaafd en aan tucht en wet onderworpen.
Uit het voorgaande volgt van zelve, dat het Boeddhisme niets anders is dan eene ontwikkeling, eene evolutie van het Brahmanisme, waarvan het al de goden behield en slechts de zedeleer wijzigde. Vermoedelijk verliepen er eenige eeuwen, eer het zich merkbaar van de oude eeredienst onderscheidde; het is zelfs twijfelachtig of men het, gedurende langen tijd, als eene nieuwe eeredienst heeft beschouwd. Uit niets blijkt, dat Açoka zich voor den belijder en verkondiger van eene nieuwe godsdienst hield. In de vele godsdienstige edikten, die deze koning uitvaardigde en waarvan een vrij groot aantal tot ons gekomen zijn, wordt slechts zeer enkele malen van den Boeddha gewag gemaakt. Hij predikt de ruimste verdraagzaamheid jegens alle godsdienstige sekten; in het Boeddhisme zag hij vermoedelijk niet anders dan eene dezer sekten, die zich bovenal aanbeval door den geest van liefde en menschelijkheid, die den beroemden koningszoon bezielde, door de sekte als haar stichter vereerd.
Zoo als wij zeiden, verdween het Boeddhisme langs natuurlijken weg, door zijne oplossing in het oude Brahmanisme; maar dat geschiedde niet zonder dat de godsdienst, waaruit het Boeddhisme geboren was, eene zeer wezenlijke verandering had ondergaan. In de landen buiten Indië, waar het vasten voet won, in Kambodja, Birmah en andere, bracht het Boeddhisme evenzeer het brahmaansche pantheon mede; maar aangezien dat pantheon daar nooit geheerscht had, waren er ook geen brahmanen, die er belang bij hadden aan hun goden den ouden voorrang te hergeven, zoodat de Boeddha daar bij voortduring de hooge plaats bleef bekleeden, die hij in Indië weer verloor. Men heeft er lang over getwist, of de beroemde monumenten van Angkor boeddhistisch of brahmaansch waren, omdat men er zinnebeelden en symbolen vindt die aan de eeredienst van Boeddha en aan die van Siva zijn ontleend. De vraag zou geene vraag geworden zijn, indien de geleerden, die de monumenten van Kambodja hebben onderzocht, vooraf die van Indië en Nepal hadden bestudeerd: zij zouden daar geheel dezelfde vermenging van de beide eerediensten hebben aangetroffen. Zij zouden die trouwens ook hebben gevonden in een aangrenzend land, in Birmah. De heer Wheeler, vroeger engelsch ambtenaar in dat land, merkt op dat de Birmanen, die zoo als men weet Boeddhisten zijn, ook de vedische goden aanbidden, en dat de koning van Birmah brahmanen aan zijn hof heeft. Hij voegt daarbij dat de mongoolsche khans in de streken nabij het Altaïgebergte evenzeer de vedische goden aanbidden.
Uit al het gezegde blijkt ten duidelijkste, dat de diepe kloof tusschen het Boeddhisme en het Brahmanisme, waaraan men vroeger toen men het eerste alleen uit de boeken kende geloof hechtte, in werkelijkheid nooit bestaan heeft. Alleen uit deze vooropgezette meening omtrent de verhouding tusschen de beide godsdiensten, laat het zich verklaren, dat men geen oog heeft gehad voor de eenvoudige oplossing van het raadsel der verdwijning van het Boeddhisme in Indië. Een der scherpzinnigste waarnemers, die in Indië hebben gewoond, Hodgson, sprekende over sommige tot den Siva-cultus behoorende zinnebeelden, die men in de boeddhistische tempels van Hindostan vindt, geeft zich veel moeite om dit verschijnsel te verklaren. Men mag, zegt hij, geen oogenblik denken aan eene samensmelting tusschen de beide eerediensten, die, altijd volgens hem, even ver van elkander gescheiden zijn als de aarde van den hemel. Hodgson was toch, toen hij dit schreef, gezant van Engeland in Nepal, en hij had slechts om zich heen te zien, om te bemerken hoe telkens en telkens de boeddhistische en brahmaansche goden vreedzaam naast elkander zetelen in de tempels van het land waar hij woonde. Maar destijds beschouwde men de twee godsdiensten als in die mate principieel gescheiden, dat de gedachte aan eene samensmelting of gemeenschap tusschen haar bij niemand kon opkomen.
Om de juistheid van het boven gezegde omtrent de geleidelijke transformatie en de eindelijke oplossing van het Boeddhisme in Indië ten volle te bewijzen, zou men zich moeten kunnen verplaatsen in de negende eeuw ongeveer onzer jaartelling, of wel in een land, dat in een toestand verkeert, in hoofdzaak overeenkomende met dien waarin Indië zich destijds bevond. Dit nu is werkelijk het geval met Nepâl, mede een bakermat van het Boeddhisme, en waar deze godsdienst het best weerstand heeft geboden aan de transformatie die haar overal bedreigde waar zij in aanraking kwam met het oude Brahmanisme. Nepal verkeert nog in dat tijdperk, waarin het Boeddhisme reeds vele brahmaansche bestanddeelen in zich heeft opgenomen, maar zonder zich nog geheel met het Brahmanisme te vereenigen. De hindoesche en boeddhistische goden zijn in de tempels van Nepal in die mate door elkander gemengd, dat het dikwijls onmogelijk is te bepalen, tot welke eeredienst een tempel behoort. Dit wordt trouwens ook erkend door de engelsche geleerden, die deze monumenten hebben bestudeerd, maar zij weten voor dat verschijnsel geene verklaring te vinden. Dit feit, dat ook inderdaad onverklaarbaar scheen zoo lang men niet voldoende aandacht had gewijd aan de studie der oude indische monumenten, verklaart zich echter van zelf, zoodra men deze laatsten nauwkeurig bestudeert. Dan blijkt het, dat diezelfde bijeenvoeging en vermenging van godheden zich, op een zeker tijdstip, overal heeft voorgedaan; en dan begrijpt men volkomen, hoe zelfs hindoesche geleerden dezelfde oude tempels nu eens aan de eene, dan weer aan de andere eeredienst toeschrijven. Dan kan men zich ook het schijnbaar zoo raadselachtige en zoo vaak voorkomende verschijnsel verklaren, dat boeddhistische en brahmaansche tempels, blijkbaar uit denzelfden tijd afkomstig, naast elkaar verrijzen. Denkt men zich terug in den tijd, toen de samensmelting der beide eerediensten op het punt stond voltrokken te worden, dan is er niets verwonderlijks in dat een indisch monarch zich jegens beiden even vrijgevig betoonde, juist zoo als een middeleeuwsch koning dit kon doen ten aanzien van kerken aan verschillende heiligen gewijd. Wij bezitten slechts een enkel reisverhaal betreffende Indië, afkomstig uit den tijd dien wij op het oog hebben: dat is het verhaal van den chineeschen pelgrim Hioën Thsang. Welnu, daarin vinden wij juist een indisch vorst, die ter gelegenheid van een feest, zijne gaven gelijkelijk verdeelt tusschen de toen heerschende eerediensten, die op den eersten dag geschenken uitdeelt aan de aanhangers van het Boeddhisme, en op den tweeden aan die van het Brahmanisme. Men was dus reeds zoo ver gekomen, dat de beide godsdienstvormen vreedzaam naast elkander bestonden en tot elkaar naderden: een tijdperk van overgang, dat door hunne volledige samensmelting gevolgd werd.
De beschouwing van den tegenwoordigen godsdienstigen toestand van Nepâl leert ons, hoe die samensmelting tot stand kwam. Reeds zeer vroeg werd het Boeddhisme in dit land ingevoerd; volgens de overlevering zou de Boeddha zelf hier zijne heilleer hebben verkondigd. Zooveel is in ieder geval zeker, dat de oudste boeddhistische manuscripten in de voormalige kloosters van Nepâl zijn gevonden. Mede volgens de overlevering, zou Açoka, de koning van Magadha, die in de derde eeuw vóór Chr. regeerde, een pelgrimstocht naar Nepâl hebben ondernomen om de tempels van Samboenath, Pashpatti en andere te bezoeken. Hij zou ook de stichter zijn van de stad Patan, waarvan de naam in het newari Lalita Patan is, eene verbastering van Patalipoetra, zoo als de hoofdstad van Açoka heette. Nepâl was dus een van de kweekplaatsen van het Boeddhisme, en de kerk bestaat hier sedert ruim tweeduizend jaar. Moge al de afgezonderde ligging van het land haar bewaard hebben voor de ontbinding die wij in het overige Indië hebben waargenomen, zoo heeft zij toch ook hier de transformatie ondergaan, die elders tot hare vernietiging geleid heeft. De bijzondere lokale omstandigheden hebben hier het ontbindingsproces slechts vertraagd; en juist aan dezen langzamen voortgang hebben wij het te danken, dat wij ons rekenschap kunnen geven van hetgeen het Boeddhisme in Indië omstreeks de achtste of negende eeuw onzer jaartelling was, toen de kerk hare oude kloosterlijke inrichting had verloren, toen de priesterlijke waardigheid weer erfelijk was geworden, en de oude, nooit geheel onttroonde godheden weder haar ouden rang hadden hernomen.
Boeddhisme en Brahmanisme zijn thans in Nepâl, als in het middeleeuwsche Indië, twee in naam onderscheiden godsdiensten, maar die elkander zoo goed verdragen en zoo nauw met elkander verwant zijn, dat hare aanhangers een zeker aantal tempels, godheden en feesten met elkander gemeen hebben. In plaats van, met sommige boeddhistische sekten, de eeuwigheid der stof on der haar inwonende krachten te leeren, vereert de boeddhistische kerk in Nepâl eene hoogste drievuldigheid, bestaande uit Adi-Boeddha, den hoofdpersoon, den vertegenwoordiger van den geest; Dharma, vertegenwoordigende de stof; en Sangha, den vertegenwoordiger van de zichtbare wereld, door de vereeniging van geest en stof voortgebracht. Deze drievuldigheid, welke reeds in de edikten van koning Açoka vermeld wordt, is zeer na verwant aan de brahmaansche drievuldigheid, Brahma, Vishnoe en Siva.--Op deze hoogste drievuldigheid volgen in rang de goden van het oude brahmaansche pantheon, Vishnoe, Siva, Ganesa, Laksmi en andere, die niet anders zijn dan openbaringen, uitstralingen van het hoogste goddelijke wezen. Hoewel afgedaald van den verheven rang, dien zij in de brahmaansche eeredienst bekleedden, staan zij toch nog hoog genoeg om recht te hebben op de aanbidding der stervelingen. De theoriën van de Boeddhisten van Nepal over de ziel der menschen verschillen niet wezenlijk van de oude brahmaansche leer. De ziel is eene emanatie van Adi-Boeddha en als zoodanig in haar wezen vlekkeloos rein; door hare vereeniging met de stof wordt zij in meerdere of mindere mate bezoedeld, de prooi van zonde en ellende--beiden zijn één--, en moet om hare reinheid te herwinnen, eene reeks van wedergeboorten ondergaan, om daarna weder in het goddelijk wezen, van waar zij uitging, te worden opgenomen. De verlossing van deze reeks van wedergeboorten, van dit individueel bestaan, door het verzinken in Adi-Boeddha, is het einddoel van het streven aller geloovigen. Het aantal en de aard van deze wedergeboorten hangt geheel af van 's menschen gedrag gedurende dit leven: zijne daden bepalen zijn toekomstig lot.
De voornaamste tempels van Nepal zijn aan Adi-Boeddha gewijd. In allen ziet men de boeddhistische drievuldigheid afgebeeld, onder de gedaante van beelden, met gevouwen beenen op lotusbladen gezeten. Boeddha heeft twee armen, Dharma en Sangha hebben er doorgaans vier. Dharma alleen, de godin der stof, wordt als eene vrouw voorgesteld. Voorts vindt men in de tempels de beelden van den stichter der godsdienst en van de Boeddha's, die hem zijn voorafgegaan; en daarna de goden van het hindoesche pantheon: Mahenkal, een der avatars van Siva; Kali, zijne echtgenoote; Indra, den koning des hemels; Garoeda, den god met den vogelkop; Ganesa, den god der wijsheid, met den kop van een olifant, en nog anderen. Deze laatste vooral wordt algemeen vereerd; men vindt zijn beeld aan den ingang van alle tempels, en alle boeddhistische ceremoniën beginnen met de aanbidding van deze godheid.
Is alzoo het Boeddhisme in Nepâl sterk met brahmaansche elementen vermengd, zoo heeft het Brahmanisme zich evenmin aan boeddhistische invloeden kunnen onttrekken. In de tempels aan Siva gewijd, vindt men zeer dikwijls den Boeddha afgebeeld; en een aantal heiligdommen, waarin godheden worden vereerd, die aan de beide eerediensten gemeen zijn, worden ook door de aanhangers van beiden bezocht. Dit zelfde verschijnsel openbaart zich in tallooze legenden en bij de godsdienstige feesten. Van sommige dezer laatsten zou men inderdaad niet kunnen zeggen, of zij boeddhistisch, dan wel brahmaansch zijn. De pelgrims bezoeken met even veel devotie en ijver de tempels der beide eerediensten.
Zoodanig is tegenwoordig de toestand van het Boeddhisme in Nepal. Op grond van het boven aangevoerde valt het niet moeilijk te voorspellen dat, eer twee of drie eeuwen verloopen zijn, de geheel verwereldlijkte boeddhistische kerk, even als voor ettelijke eeuwen in het overige Indië is geschied, ook hier zal zijn ontbonden en in het Brahmanisme opgelost. Het is zeer opmerkelijk dat de godsdienst van den Boeddha op den duur onmachtig is gebleken om zich in haar vaderland te handhaven, terwijl zij daarentegen--zij het ook in een vorm, zeer verre afwijkende van de oorspronkelijke gedachte des stichters,--hare heerschappij over honderden millioenen van niet-indisch ras heeft uitgebreid en tot dus ver behouden.
VI
Het kastenstelsel is in Nepâl niet minder diep ingeworteld dan in het overige Indië, en dat zoo wel bij de Boeddhisten als bij de Brahmanisten. Het is eene algemeen verspreide en toch ten eenemale onjuiste meening, dat de Boeddha de afschaffing der kasten zou hebben geleerd. Wel leerde hij dat alle menschen, onverschillig tot welke kaste zij behooren, de verlossing deelachtig kunnen worden en door hunne daden hun toekomstig lot bepalen; maar verder ging hij niet. De boeddhistische geschriften van Nepâl--de oudste die wij kennen--bewijzen onwedersprekelijk, dat het Boeddhisme nimmer het kastenwezen als maatschappelijke instelling heeft aangetast. Het stelsel wordt dan ook in Nepâl niet minder streng gehandhaafd dan elders in Hindostan. Voor een Nepalees staat het verlies zijner kaste gelijk met het verlies van alles wat hij heeft en is. Hij die van zijne kaste wordt ontzet bij vonnis van het hooge kerkelijke gerechtshof, dat met de behandeling van alle kwesties betreffende het kastenwezen is belast, verliest zijne familie, zijne vrienden en zijne maatschappelijke positie; hij verkeert vrij wel in denzelfden toestand als de geëxcommuniceerde in de middeleeuwen. In Hindostan heeft de ontzetting uit de kaste tegenwoordig geene strafrechtelijke gevolgen, al zijn de maatschappelijke gevolgen dezelfde gebleven; maar in Nepâl gaat zij met verschillende straffen, bepaaldelijk kerkerstraf, gepaard. In zeer ernstige gevallen kan de schuldige als slaaf verkocht worden; bij zijn dood wordt zijn lijk op het veld geworpen ter prooi der roofvogels en jakhalzen.