Reis in Nepal De Aarde en haar Volken, 1887
Chapter 3
De koning van Nepal is overigens slechts in naam almachtig; het hoogste gezag berust feitelijk in handen van een soort van majordomus of eersten minister, die bijgestaan wordt door een raad, bestaande uit de aanzienlijkste edelen des rijks. Deze eerste minister is welhaast alvermogend, maar zijne almacht waarborgt hem niet tegen het bijna onontkoombaar lot, van vroeger of later door een mededinger vermoord te worden. Jang Bahadoer wist aan dit noodlot te ontsnappen, door onverbiddelijk het hoofd te laten afslaan van ieder, in wien hij een mededinger kon vermoeden. Ongelukkig zijn de Nepaleezen zeer achterdochtig en wantrouwend; en in den wedstrijd wie het eerst zijne tegenpartij treffen zal, kan een minister alleen door buitengewone behendigheid de zege wegdragen. Jang Bahadoer aarzelde nooit een oogenblik, kort en haastig recht te doen, des noods met eigen hand; en daaraan had hij het te danken dat hij ruim dertig jaren lang met onbeperkte macht over Nepal regeerde en eerst voor eenige jaren zijn natuurlijken dood stierf. Hij was inderdaad een van de merkwaardigste typen van een aziatisch despoot. Met buitengewone geestesgaven toegerust, bewees hij aan zijn land de belangrijkste diensten. Hij was geheel op de hoogte van de westersche toestanden; hij had Londen en Parijs bezocht, en voerde allerlei nuttige hervormingen in. Zijne spierkracht was niet minder buitengewoon dan zijn verstand: hij legde een afstand van vijf-en-zestig kilometers in zestien uren te paard af, en kloofde met een enkelen sabelhouw een panter in tweeën. Ook vond hij er geen bezwaar in, zonder veel woorden te verspillen, met eigen hand de groote heeren te onthoofden die hij gevaarlijk achtte voor den staat. De belangrijkste openbare betrekkingen werden bekleed door leden zijner familie, die trouwens talrijk genoeg was, want hij had ruim honderd zonen. Gedurende zijne lange regeering genoot het land eene hooge mate van welvaart en nam de algemeene rijkdom belangrijk toe. Hij wist elken oorlog met zijne naburen te vermijden; en deze oostersche Richelieu, die tijdens den opstand der sipayers, hulptroepen naar de Engelschen zond en tegelijker tijd eene schuilplaats verzekerde aan Nana-Sahib, wordt nog heden in Nepâl als een van de grootste mannen van zijn tijd beschouwd.
Hoewel Nepâl er een leger van twee-en-dertig-duizend man op nahoudt, bedragen de staatsinkomsten toch niet meer dan omstreeks twintig millioen francs. Maar deze som vertegenwoordigt een zeer belangrijk cijfer in een land, waar dertig centimes per dag ruimschoots voldoende zijn voor het levensonderhoud van een persoon. De hoofdbronnen van inkomst zijn de grondbelasting, de douanen en verschillende monopoliën; het grootste gedeelte der staatsinkomsten wordt ook voor militaire doeleinden gebruikt.
Het staande leger telt ongeveer zestien-duizend man, in zes-en-twintig regimenten verdeeld. De onregelmatige troepen zijn omstreeks even sterk. De kavalerie telt niet meer dan honderd manschappen, voldoende voor een zoo bergachtig land. De kleur van de uniform is blauw; een kleine tulband dekt het hoofd. De bewapening is eenigszins zonderling en onstelselmatig. Even als alle bewoners van Nepâl, is elke soldaat gewapend met de klassieke koekhri, een groot breed mes van eigenaardigen vorm. De artillerie bezit een vrij groot aantal stukken berggeschut, die in het land zelf vervaardigd worden.
De kracht van het nepalsche leger kan echter niet uitsluitend naar het cijfer der legersterkte worden berekend. Het is namelijk den soldaten vergund, het land te verlaten en dienst te nemen bij de engelsche regimenten in Hindostan, waar zij naar europeesche manier gedrild en geoefend worden. Zij behooren tot de beste soldaten, die Engeland in Hindostan bezit. Wanneer zij, na volbrachten diensttijd, in Nepâl terugkeeren, vormen zij daar eene reserve, die volkomen geoefend en elk oogenblik gereed is om de wapenen te voeren. In de bergpassen zou dit leger voor den vijand geducht kunnen worden en in staat zijn om elken aanval af te slaan. In een tijd, toen deze kostbare reserve nog niet bestond, heeft het nepalsche leger aan de engelsche troepen reeds gevoelige nederlagen toegebracht. In aanmerking nemende de bijna volstrekte onmogelijkheid om met een legerkorps over de passen van de Himalaya te trekken, die naar de hoofdstad voeren, de dapperheid en bekwaamheid der soldaten die dagelijks geoefend worden, en vooral de vaderlandsliefde en het zeer levendig onafhankelijkheidsgevoel der inlanders, komt het mij voor, dat Nepâl inderdaad niets te vreezen heeft van zijn machtigen nabuur. Alleen door eene binnenlandsche omwenteling zou het land zijne onafhankelijkheid kunnen verliezen, wanneer namelijk een der hoofden de tusschenkomst der Engelschen inriep en hun den weg opende naar de hoofdstad.--Het leger bestaat uitsluitend uit vrijwilligers; bijna alle manschappen behooren tot de krijgshaftige stammen der Gorkhas. De Newars hebben een afschuw van den militairen dienst. De bevordering der officieren is geheel aan het goedvinden der regeering overgelaten. Er zijn hier generaals van vijf-en-twintig en kolonels van veertig jaar, zelfs luitenants met grijze haren; zonen van aanzienlijken ontvangen soms reeds in hun prilste jeugd den titel van generaal.
IV
De derde plaats, die ik na Khatmandoe en Samboenath bezocht, was Patan, eene der voormalige hoofdsteden van Nepal, en zeker eene der merkwaardigste steden van Azië. Hoewel ik gansch Europa, van Londen tot Moskou, en geheel het klassieke Oosten, van Marokko tot Egypte en Palestina, heb doorreisd, had ik nog nooit iets gezien, dat kon vergeleken worden met de hoofdstraat van Patan. Ongetwijfeld zijn de details van deze fantastische architectuur somwijlen barbaarsch, maar het geheel is schitterend, overweldigend. Onze afbeeldingen kunnen daarvan slechts een zeer onvolledig denkbeeld geven, want zij missen de kleur, die zoo ontzaglijk veel bijdraagt tot het tooverachtig effect van deze monumenten. Die vuurroode paleizen, waarvan de steenen en koperen daken worden gedragen door duizenden beelden van goden en godinnen, stralende in de bontste kleurenpracht, en waarvan de bronzen deuren, door steenen monsters bewaakt, schitteren in het verblindende zonnelicht, zijn niet te beschrijven, haast niet af te beelden.
Patan is eene stad met veertigduizend inwoners, ten zuidoosten van Khatmandoe gelegen; naar het schijnt, werd zij omstreeks het jaar 300 na Chr. gesticht. Het is eene der voormalige hoofdsteden van de koninkrijken of vorstendommen, waaruit Nepal vroeger bestond. Hare huizen zijn in den regel van baksteen en hout opgetrokken; de kolommen en de lijsten van deuren en vensters zijn met bewonderenswaardige kunst gebeeldhouwd. Het groote plein, waarop het koninklijk paleis en eenige tempels staan, levert zeer zeker een aanblik op, die in schilderachtigheid niet licht overtroffen wordt. Het paleis is een zeer merkwaardig monument; de groote bronzen deur, die den hoofdingang vormt, verdient vooral de aandacht. Sedert de inneming en de plundering van Patan door de Gorkhas, heeft de stad veel van haar vroegere beteekenis verloren; onderscheidene monumenten verkeeren in jammerlijk vervallen staat. De tempels zijn hier nog talrijker dan te Bhatgaon. Aan die tempels waren onderscheidene kloosters verbonden, die echter sinds lang hunne oorspronkelijke bestemming verloren hebben en in winkels zijn herschapen.
In de nabijheid van Patan ziet men verschillende groote, half bolvormige tôpen, geheel overeenkomende met die van Boeddnath en Samboenath, en waarschijnlijk even oud. Volgens de overlevering zouden deze tempels gesticht zijn door Açoka, bij zijn onderstelden pelgrimstocht naar Nepâl, ongeveer tweehonderd-vijftig jaren voor onze jaartelling. De opschriften dier tôpen zijn onleesbaar geworden.
Even als te Bhatgaon, vindt men ook te Patan verscheidene steenen tempels; een van de voornaamste en tevens een van de merkwaardigste van geheel Indië, uithoofde van zijn eigenaardigen en smaakvollen bouwtrant, verrijst tegenover het koninklijk paleis. De tempel rust op een massieven onderbouw en bestaat uit twee inspringende verdiepingen of terrassen, gekroond met eene soort van pyramide. De zuilenportiek en de smaakvolle met kolommen versierde paviljoenen op de beide verdiepingen geven aan dit monument eene sierlijkheid en bevalligheid, die aan weinig indische monumenten eigen is. Ik kan niet met zekerheid zeggen, hoe oud deze tempel is, want het is mij niet mogelijk geweest, het inwendige te bezichtigen: ieder Europeaan, die het wagen zou in dit heiligdom te willen doordringen, zou onfeilbaar door het volk worden vermoord. Niettemin houd ik het er voor, dat hij niet veel hooger opklimt dan het begin der zestiende eeuw.
Te Patan ziet men, even als te Bhatgaon en te Khatmandoe, dikwijls voor de tempels hooge zuilen, versierd met beelden, meestal de rajahs voorstellende, die de heiligdommen hebben gesticht. Bij den zoo even genoemden tempel te Patan staat eene vierkante zuil, die eene knielende figuur draagt, boven wier hoofd zich eene bronzen slang verheft; op den kop der slang zit een vogeltje.
Van Patan begaf ik mij naar Pashpatti. Deze stad ligt op den linkeroever van de rivier Baghmati, ten noordwesten van Khatmandoe, en is rijk aan tempels van steen en hout. Een van de beroemdste en eerwaardigste dezer tempels is die van Pashpatinath, dien geen vreemdeling zelfs mag naderen; de poorten van dit in geheel Nepâl hoog vereerde heiligdom zijn van geciseleerd zilver. In de nabijheid van dien tempel is eene bijzondere plaats aangewezen, waar de weduwen, die haar echtgenoot niet willen overleven, den vuurdood ondergaan.
De tempels van Pashpatti zijn modern en niet ouder dan het einde der zeventiende eeuw. De meest kenmerkende trek van deze steenen monumenten is de koepel in de gedaante van een klok. De steenen tempels zijn, in geheel Nepâl, verre in de minderheid: maar naar het schijnt, hebben hunne bouwmeesters er zich op toegelegd, om telkens iets nieuws te leveren; met uitzondering van de tempels te Pashpatti, wijken alle steenen tempels zeer belangrijk van elkander af. Met de baksteenen en houten tempels is het juist omgekeerd: die schijnen allen naar hetzelfde model gebouwd.
Ik noemde zoo even den naam van Boeddnath. Boeddnath is slechts een dorp, maar het bevat den grootsten tempel van Nepal, die niet alleen door de Nepaleezen, maar ook door hunne buren uit Thibet wordt bezocht. Even als de tempel van Samboenath, bestaat ook die te Boeddnath uit een grooten half bolvormigen koepel, waarboven zich een vierkante toren verheft, die met eene pyramide is gekroond. De tempel verschilt hierin van dien te Samboenath, dat hij op een terras van drie verdiepingen is gebouwd. De totale hoogte van dat terras komt bijna overeen met die van den koepel; op elk der vier zijden staat een kleiner heiligdom. De afmetingen van dezen tempel zijn grooter dan die van eenigen anderen in Nepal: hij heeft bijna negentig el in doorsnede en is ongeveer twee-en-veertig el hoog.
De tempel verrijst te midden van een soort van plein, dat door huizen is omringd, welke vroeger tot kloosters dienden, maar nu bewoond worden door handelaars in koperen afgodsbeelden, juwelen, amuletten, bidrollen en andere voorwerpen van dien aard. Even als te Samboenath, is in een dezer huizen eene familie van thibetaansche lamas gevestigd, met de bewaking van het heilige vuur belast. De kapellen en andere kleine gebouwen rondom den tempel hebben niets bijzonders.
De laatste stad van Nepâl, die ik bezocht, was Bhatgaon, op vijftien mijlen afstands van Khatmandoe, op een heuvel gelegen. De stad werd in de negende eeuw gesticht; zij was vroeger de hoofdstad van een der drie koninkrijken van Nepâl; haar tempels en paleizen behooren, met die van Patan, tot de merkwaardigste des lands. Slechts een derde gedeelte der bevolking van Bhatgaon is Boeddhistisch. Daar de meerderheid de hindoesche godsdienst belijdt, zijn ook de meeste tempels aan brahmaansche godheden gewijd.
Voor de verovering van Nepâl door de Gorkhas, was de koning van Bhatgaon een gewichtiger personage dan de rajahs van Khatmandoe en Patan. Daar de stad zich aanstonds overgaf, toen de Gorkhas zich gereed maakten haar te belegeren, bleven hare monumenten beter gespaard dan die van de beide andere steden. Bhatgaon is ook nu nog eene zeer bloeiende stad, die geenerlei sporen van verval vertoont. Oude monumenten heb ik er evenwel niet gevonden. De materialen waaruit de tempels zijn opgetrokken, baksteen en hout, maken van zelf een langen duur mogelijk. Ik geloof niet dat de oudste monumenten meer dan twee à drie eeuwen tellen.
De voornaamste tempels van Bhatgaon staan bij elkander op een plein, waarvan de eene zijde geheel wordt ingenomen door het koninklijk paleis. De plaat op bladz. 53 geeft eene getrouwe voorstelling van dit plein.
In het midden ziet men een tempel van eene verdieping, waarvan het houten, met ivoor ingelegde snijwerk uitmuntend is uitgevoerd.--Links, half verborgen door een modern gebouw, staat een steenen tempel van uiterst bevalligen vorm. Even als de tempels van hout en baksteen, staat hij op een vrij hoog, trapvormig terras, waartoe trappen toegang geven, welke ter wederzijde met steenen monsters zijn bezet. Maar de tempel zelf heeft verder geene overeenkomst met de pagoden van baksteen en hout; hij heeft dezelfde gebogen pyramidale gedaante als de tempels van noordelijk Indië.
In het voorbijgaan zij opgemerkt, dat tijdens het gezantschap van Megasthenes, dat is dus drie eeuwen voor onze jaartelling, de paleizen der indische vorsten van baksteen en hout waren gebouwd. Steenen monumenten waren toen eene hooge uitzondering. Nepâl nu bevindt zich nog heden in het tijdperk van overgang, waarin noordelijk Indië kort voor Christus geboorte verkeerde. De nauwkeurige zorg, waarmede de steenen zuilen der tempels worden gekopieerd naar de houten kolommen, schijnt wel de algemeen aangenomen meening te bevestigen, dat de eerste steenen monumenten in Indië de zuivere navolging waren van vroegere houten gebouwen.
Tot de belangrijkste monumenten van Bhatgaon behoort ook een groote tempel van hout en baksteen, vijf verdiepingen hoog, die wel de grootste van alle tempels der stad mag worden genoemd. Deze tempel werd gesticht door een koning, die omstreeks het einde der zeventiende eeuw leefde. Even als alle tempels van de derde groep, waarvan wij tot dusver gesproken hebben, rust hij op een rechthoekigen, terrasvormigen onderbouw. Aan een der zijden bevindt zich een steenen trap, versierd met steenen beelden van goden, helden en fabelachtige dieren.
Op onze plaat ziet men links een gedeelte van het koninklijk paleis, dat geheel van rooden baksteen is gebouwd. De lijsten van deuren en vensters zijn met uitmuntend snijwerk versierd. De hoofdingang van dit paleis, dat insgelijks in het laatst der zeventiende eeuw werd gebouwd, is eene prachtige bronzen deur, die den naam draagt van de Gouden-poort, en waarvan de plaat op bladz. 49 eene getrouwe afbeelding geeft.
V
Het hoofddoel van mijne reis naar Nepâl was de studie van de architectuur: maar daarnevens was het mij te doen om, zoo mogelijk, eene oplossing te vinden van een moeilijk vraagstuk dat sedert lang de geschiedvorschers bezig houdt en waarvan de vergelijkende studie van de indische monumenten mij reeds de verklaring had doen gissen: ik bedoel de oorzaak van de verdwijning van het Boeddhisme uit Indië. Ik beschouw de oplossing van dit hoogst belangrijke vraagstuk als een van de gewichtigste resultaten mijner reis.
Het is algemeen bekend, dat het Boeddhisme, na zich uit Indië door geheel oostelijk Azië te hebben verspreid, na in China, in Tartarije, in Birmah, groote veroveringen te hebben gemaakt, na de negende of tiende eeuw onzer jaartelling is verdwenen uit het land waar het geboren was. Deze godsdienst, waartoe, heden ten dage vijfhonderd millioen menschen--dat wil zeggen, bijna een derde van de bevolking der aarde--behooren, wordt tegenwoordig nog slechts aan de twee uiterste grenzen van het groote indische schiereiland beleden: in Nepâl ten noorden en op Ceilon ten zuiden.
Daar de geschriften der Hindoes van deze verdwijning van het Boeddhisme geene melding maken, heeft men, tot verklaring van het feit, de toevlucht genomen tot de hypothese van bloedige vervolgingen. Maar ook al neemt men aan, dat de van nature zoo verdraagzame Hindoes tot godsdienstige vervolgingen zijn overgegaan, en dat deze vervolgingen--in strijd met hetgeen de geschiedenis schier overal elders leert--eene godsdienst hebben uitgeroeid, in plaats van haar aanhangers tot nieuwen ijver te prikkelen en haar uitbreiding te bevorderen; al neemt men deze onwaarschijnlijkheden aan, dan nog stuit men op eene andere moeilijkheid: hoe is het denkbaar dat in een land, in zoo verschillende koninkrijken verdeeld, al die vorsten eensklaps tot het besluit zouden zijn gekomen om de sedert eeuwen door hunne voorvaderen beleden godsdienst af te zweren en hunne onderdanen te dwingen eene andere godsdienst aan te nemen?
Zoodra ik mij ernstig ging bezighouden met de studie der oude monumenten van Indië, begon het probleem van het verdwijnen of liever van de transformatie van het Boeddhisme mij allengs duidelijker te worden; na mijn bezoek in Nepâl was het raadsel voor mij opgelost en besefte ik ten volle de onjuistheid der tot dusver gegeven verklaring. Na eene oplettende studie van de meeste belangrijke monumenten van Indië, ben ik tot dit besluit gekomen, dat het Boeddhisme eenvoudig daarom verdwenen is, omdat het zich langzamerhand weer heeft opgelost in de godsdienst waaruit het geboren was.
Deze transformatie is zeer langzaam in haar werk gegaan; maar ten aanzien van een land dat geene geschiedbeschrijving kent, in welks historie wij nu en dan tijdvakken vinden van vijf of zes eeuwen waarvan wij volstrekt niets weten, ontbreekt ons ieder middel om begin, ontwikkeling en einde na te gaan van de verschijnselen, die ons eensklaps voor oogen treden. Wij verkeeren te dien aanzien in denzelfden toestand als de oude geologen, die wel de belangrijke veranderingen constateerden welke de verschillende lagen der aarde en hare bewoners hebben ondergaan, maar die niet konden nagaan wat tusschen die verschillende phasen lag, en ze daarom toeschreven aan geweldige plotselinge omkeeringen. Voortgezette studie en nauwkeuriger waarneming heeft ons evenwel geleerd, dat ook de grootste en ingrijpendste veranderingen slechts gaandeweg door eene reeks van bijna onmerkbare evolutiën zijn tot stand gekomen.
Wanneer men nu de bas-reliefs en de beelden, waarmede de monumenten van Indië als overdekt zijn, nauwlettend bestudeert, kan men daarin de geschiedenis der transformatie van het Boeddhisme duidelijk lezen. Zij toonen ons hoe de stichter eener godsdienst, die alle goden verachtte, zelf god werd, en na eerst in geen enkelen tempel eene plaats te hebben gevonden, eindelijk in alle tempels troonde; hoe hij langzamerhand samensmolt met de oude brahmaansche godheden; en hoe hij, die zich aanvankelijk zoo hoog boven deze talrijke godenschaar verheven had, stap voor stap een hunner werd, zoodat hij ten slotte niet meer was dan eene godheid van ondergeschikten rang, in niets onderscheiden van talloos vele anderen. Wil men weten, wat oudtijds het Boeddhisme was, dan moet men niet zoozeer de boeken, maar veelmeer de monumenten bestudeeren, en hetgeen zij ons leeren verschilt zeer wezenlijk van hetgeen sommige boeken ons trachten diets te maken. Die monumenten leveren het bewijs dat het Boeddhisme, hetwelk onze moderne geleerden als eene atheïstische godsdienst--eene _contradictio in terminis!_--voorstellen, integendeel in de hoogste mate polytheïstisch was.
In de oudste boeddhistische monumenten, die achttien tot twintig eeuwen oud zijn, zooals de balustraden van Bharkoe, Sanshi, Boeddha-Gaya, enz., wordt de groote hervormer slechts onder een of ander zinnebeeld voorgesteld. Men vereert den indruk van zijn voet, de afbeelding van den boom, waaronder hij de hoogste wijsheid deelachtig werd; maar welhaast zien wij den Boeddha zelf god worden en eene plaats innemen in alle heiligdommen. Aanvankelijk is hij alleen of zoo goed als alleen, zoo als in de oudste tempels van Ajoenta; maar gaandeweg verschijnen naast hem de voornaamste goden van het brahmaansche pantheon: Indra, Kali, Sarasvati en anderen, zoo als men dat zien kan in do boeddhistische tempels der monumenten van Ellora. Opgenomen te midden van den talrijken drom van goden, die hij weleer beheerschte, gold hij zelf, na verloop van eenige eeuwen, nog slechts als eene incarnatie van Vishnoe. Toen het zoover gekomen was, was het Boeddhisme in Indië dood.
Deze transformatie, die wij hier in enkele regels hebben aangeduid, heeft in werkelijkheid misschien meer dan duizend jaren noodig gehad om geheel tot stand te komen. De talrijke monumenten, die ons het verloop dezer evolutie te aanschouwen geven, dagteekenen uit het tijdvak, beginnende met de derde eeuw vóór en eindigende omstreeks de negende eeuw na Christus geboorte. Gedurende dit geheele tijdvak werd de Boeddha door zijne vereerders als een goddelijk wezen aangebeden. In de zoo talrijke legenden verschijnt hij in heerlijkheid aan zijne volgelingen en verleent hun zijne gunstbewijzen. De chineesche pelgrim Hioën Thsang, die in de zevende eeuw onzer jaartelling Indië bezocht om het Boeddhisme aan de oorspronkelijke bron te bestudeeren, verhaalt ons, dat hem in eene gewijde grot eene verschijning van den Boeddha te beurt viel.