Reis in Nepal De Aarde en haar Volken, 1887
Chapter 2
Deze soort van tempels behoort uitsluitend aan de boeddhistische eeredienst; maar in Nepal zijn het Boeddhisme en het Brahmanisme zoodanig vermengd en als het ware saamgesmolten, dat de symbolen en teekenen der beide eerediensten evengoed in de tempels worden aangetroffen, onverschillig tot welke kerk dezen eigenlijk behooren. In de boeddhistische tempels zijn de afbeeldingen van den Boeddha en van zijne vroegere incarnaties natuurlijk het talrijkst, maar ook de goden van het brahmaansche pantheon, Vishnoe, Ganesa en anderen, vinden er evenzeer eene plaats.
De tweede type der tempels van Nepâl wordt vertegenwoordigd door gebouwen van baksteen en hout, volgens een zeer karakteristiek plan ontworpen en in voorkomen veel meer gelijkenis vertoonende met de thibetaansche of chineesche, dan met de indische kunst. Deze tempels zijn rechthoekige gebouwen, uit verscheidene verdiepingen bestaande, die naar boven toe in omvang afnemen en elk van een eigen dak zijn voorzien. Ook deze daken worden steeds kleiner, zoodat het geheele monument het voorkomen heeft eener pyramide. Elk dak is aan de hoeken eenigszins omgebogen, even als bij de chineesche pagoden, en met een aantal klokjes versierd. Gebeeldhouwde houten balken dragen het vooruitspringend gedeelte van het dak. Elke tempel is omringd door eene veranda, die op fijn gebeeldhouwde houten pijlers rust. Het geheele monument staat op een steenen onderbouw, die weder in verschillende terrassen is verdeeld. Aan een der zijden van dien onderbouw is een trap aangebracht, die toegang geeft tot den tempel, en die ter wederzijde met beelden van goden, helden of fabelachtige monsters is versierd.
Als voorbeelden van den derden type noemen wij de steenen tempels, die door hunne gedaante geheel afwijken van de beide vorige groepen, en die den stempel dragen eener merkwaardige oorspronkelijkheid. De chineesche invloed is hier bijkans onmerkbaar, de indische daarentegen onmiskenbaar, maar toch niet in die mate overheerschend dat de oorspronkelijkheid verloren gaat. Deze tempels zijn de eenigen, waarin men somwijlen eenige sporen kan ontdekken van muzelmanschen invloed, en wel bepaaldelijk door de aanwezigheid van koepels. Men kan bij deze tempels bezwaarlijk van een bepaalden stijl spreken, volgens welken zij zouden zijn gebouwd. Het eenige wat zij allen gemeen hebben, is dat zij rusten op een onderbouw van ettelijke verdiepingen, waarvan de trap overeenkomt met die van de hierboven beschreven tempels en ook met beelden is versierd. Deze steenen tempels staan overigens als kunstgewrochten veel hooger dan de nog min of meer barbaarsche pagoden, waarvan wij zoo straks spraken. De tempel te Patan, tegenover het koninklijk paleis, mag met recht onder de belangrijkste monumenten van Indië worden geteld, en zou zelfs in eene europeesche hoofdstad bewondering wekken.
Buiten kijf is de architectuur van Nepâl uit Indië afkomstig; maar in eene andere omgeving overgebracht, is zij spoedig van karakter veranderd. Dit is een nieuw bewijs voor de stelling, dat het verschil van ras op de ontwikkeling der bouwkunst grooter invloed uitoefent dan de overeenkomst in godsdienstige begrippen en overtuigingen.
Het is bij uitstek moeilijk, ook maar bij benadering, den ouderdom te bepalen van de verschillende tempels van Nepâl. In het algemeen gesproken, kan men van sommigen hunner zeggen, dat zij zeer oud zijn, dat wil zeggen uit de eerste eeuwen onzer jaartelling afkomstig; sommige anderen zijn betrekkelijk modern, dat wil zeggen, jonger dan de vijftiende eeuw. Maar daar zijn er wellicht nog anderen, hoewel ik zeer geneigd ben daaraan te twijfelen, wier stichting tusschen de twee genoemde tijdperken ligt en omtrent wier ouderdom wij dan geheel in het onzekere verkeeren. De oudste tempels zijn de halfbolvormige tôpen van aarde en baksteen, waarvan wij boven gesproken hebben. In aanmerking nemende dat het Boeddhisme omstreeks de eerste eeuw van onze tijdrekening in Nepâl is ingevoerd, en lettende op de groote overeenkomst van deze monumenten mot de tôpen van centraal Indië, zou ik geneigd zijn de stichting dezer heiligdommen, althans in hunne hoofdbestanddeelen, terug te voeren tot de tweede eeuw na Christus.--De tempels van baksteen en hout zijn daarentegen zeer jong; van de voornaamsten hunner is de dagteekening der stichting bekend, en deze klimt doorgaans niet hooger op dan het jaar 1700.--De steenen tempels zouden ongetwijfeld veel ouder kunnen zijn, maar verschillende teekenen leiden mij tot het besluit dat zulks niet het geval is; ik geloof niet dat een dier tempels, die ik bezocht heb, ouder is dan het jaar 1500.
De bouwstijl der paleizen en huizen komt het meest overeen met dien der baksteenen tempels. Ook zij zijn van baksteen en hout opgetrokken, en hebben verschillende verdiepingen, maar die verdiepingen springen niet in, en het geheele gebouw wordt door één dak gedekt. Wat deze gebouwen vooral onderscheidt, is de menigte der beeldwerken, waarmede zij overdekt zijn. De pilaren der verandas, de lijsten der deuren en vensters, de balken waarop het uitspringende gedeelte van het dak rust, zijn met het fraaiste beeld- en snijwerk versierd. De vensters zijn doorgaans met houten traliewerk voorzien, daar het gebruik van glas in Nepal zoo goed als onbekend is; behalve in het koninklijk paleis te Khatmandoe, ziet men haast nergens glasruiten.
Het midden van het huis wordt gewoonlijk ingenomen door eene binnenplaats, omgeven door eene veranda, waaronder de bedienden verblijven. De kamers zijn klein en slecht verlicht. De vertrekken der verschillende verdiepingen hebbon alleen door luiken met elkander gemeenschap; hetgeen in geval van nood de verdediging mogelijk maakt van elke verdieping afzonderlijk.
Na de stad Khatmandoe in alle richtingen doorkruist en haar tempels bestudeerd te hebben, moest ik de andere steden in de vallei van Nepâl bezoeken. Zij liggen meest allen in de nabijheid der hoofdstad; de wegen, die deze steden onderling en met de talrijke dorpen verbinden, zijn ter nauwernood gebaande voetpaden; alleen aan het onderhoud van den weg van Khatmandoe naar Bhatgaon wordt eenige zorg besteed. Het vlakke, hier en daar heuvelachtige, rijk bebouwde land herinnert aan de vlakten van noordelijk Italië, maar met weelderiger plantengroei en een meer zuidelijk karakter.
Mijn eerste bezoek gold het dorp Samboenath. De weg naar dit dorp loopt over eene groote rivier, de Vishnoemati, die veel breeder is dan de Seine te Parijs. De brug over deze rivier laat wel iets te wenschen over. Verbeeld u eene rij kleine, smalle plankjes, vastgespijkerd op palen, die in de bedding der gelukkig niet diepe rivier zijn geslagen. Daar ik geen koorddanser van beroep ben, liet ik een mijner dragers door het water waden, en op zijn schouder steunende, waagde ik den tocht over de smalle brug.
De tempels van Samboenath of Swayambhoe--een bijnaam van Boeddha, beteekenende "hij die door zich zelven bestaat";--staan op den top van een heuvel, die eene hoogte bereikt van omstreeks honderd el en geheel met boomen is beplant. Een steenen trap van ruim vijfhonderd treden voert naar den top van den heuvel. Aan den opgang van de trap prijkt een kolossaal beeld van den Boeddha, in 1637 opgericht. Zoodra ge den top des heuvels bereikt hebt, ziet ge voor u een piedestal van gehouwen steen, met figuren versierd, waarop een soort van bronzen staaf, anderhalve meter lang, de zoogenaamde "bliksem van Indra", is geplaatst. Dit symbool is voor de Boeddhisten van Nepal even heilig als het kruis voor de Christenen; men vindt het onder de beeldwerken van bijna alle nepaleesche tempels.
De vlakke top van den heuvel is bedekt met kapellen en talrijke beelden; maar het grootste gedeelte der ruimte wordt ingenomen door den grooten tempel, die door bedevaartgangers uit alle deelen des lands en zelfs uit de verwijderdste streken van Thibet wordt bezocht. De tempel heeft de gedaante van een halfronden bol, uit aarde en baksteen opgetrokken, geheel overeenkomende met den tôpe van Sanshi, maar bovendien gekroond met een vierkanten toren, waarboven een kegel oprijst uit smalle ronde schijven saamgesteld. Op de vier zijden van den toren is, met roode, witte en zwarte verwen, het oog van den Boeddha afgebeeld. De voet van den tôpe is rond; hij steekt een weinig vooruit en is met steenen zerken bekleed.--Om den tôpe staan, naar de vier windstreken gekeerd, vier kleine kapellen, waarvan de voorzijden met geciseleerd brons zijn bedekt, en waarin zich een gebeeldhouwde zerk bevindt. De kapelletjes, de toren op den tôpe en verreweg de meeste gebouwen op den heuvel zijn zeker niet ouder dan ruim tweehonderd jaren; het oudste is van 1593. Maar zoo de bijgebouwen en de toevoegsels van betrekkelijk jongen datum zijn, met den tempel zelven is dit niet het geval. Op de boven aangegeven gronden mogen wij veilig aannemen, dat hij tot de eerste eeuwen onzer jaartelling opklimt. In een der huizen in de nabijheid van den grooten tôpe woont eene familie van thibetaansche lamas, die sedert onheugelijke tijden belast is met zorg voor het onderhouden van het heilige vuur, het zinnebeeld der godheid. Al de tempels van Samboenath worden trouwens door thibetaansche lamas bediend.
III
De bevolking van Nepâl bestaat uit een zeer groot aantal stammen, die elkander vreemd zijn en verschillende dialekten spreken. Sommigen zijn van thibetaanschen oorsprong; anderen zijn ontstaan uit de vermenging van Thibetanen en de oorspronkelijke bewoners des lands met immigranten uit verschillende deelen van Hindostan. Van deze immigranten zouden sommigen hebben behoord tot de Radjpoets, dat wil zeggen tot de edelste en zuiverste vertegenwoordigers van het indische ras; anderen daarentegen zouden half wilde stammen zijn geweest, zoo als de Kohls in Shota Nagpore en de provincie Orissa. De groote massa der bevolking in de eigenlijke vallei van Nepâl bestaat uit twee zeer scherp onderscheiden groepen: de Newars, de afstammelingen der oude bewoners, en de Gorkhas, die tegen het einde der vorige eeuw Nepâl veroverden en de bevolking aan zich onderwierpen. Deze Gorkhas waren tot op dien tijd een der vele krijgshaftige stammen, die binnen het gebied van Nepâl zijn gevestigd; zij beweeren de afstammelingen te zijn van de Radjpoets, die weleer naar deze afgelegen streken emigreerden om zich aan de mohammedaansche overheersching te onttrekken. Buiten kijf zijn zij van hindoeschen oorsprong, doch ik heb er maar weinigen ontmoet, die niet de teekenen droegen van vermenging met thibetaansch bloed.
Het woord Gorkha is, overigens niet de naam van een bepaald ras. In Nepâl verstaat men daaronder de nakomelingen der lieden van allerlei stand en van zeer verschillende afkomst, die in de vorige eeuw de nepaleesche provincie Gorkha verlieten en geheel Nepâl aan hunne macht onderwierpen. Naar gelang van hunne afkomst vormen zij verschillende kasten. De hoogste dezer kasten, die der kshatryas, is gesproten uit de verbintenis van de bovengenoemde Radjpoets met de vrouwen van een oorspronkelijk inlandschen stam, die den naam draagt van Khoes. De Gorkhas vormen de kern der krijgshaftige bevolking van Nepâl, waartoe verder nog verschillende stammen behooren, bij wie de mongoolsche type veel meer op den voorgrond treedt dan bij de Gorkhas. De vereeniging van Nepâl onder het gezag van één souverein is het werk der Gorkhas, die zich door hunne groote dapperheid en militaire bekwaamheden boven alle anderen onderscheiden. Deze krijgshaftige aristokratie acht alle andere bezigheden buiten den wapenhandel beneden hare waardigheid: zij bemoeit zich noch met handel, noch met industrie, noch met landbouw, en is ook ten eenemale ontbloot van zin en smaak voor kunst. Hunne godsdienst is het Brahmanisme; hunne taal is een dialekt van het sanskriet, vermengd met thibetaansche woorden; zij gebruiken het sanskrietsche letterschrift.
De Newars vormen de groote meerderheid der bevolking van de vallei van Nepâl; zij werden eeuwenlang door hunne eigene rajahs geregeerd, onder wier bestuur in de steden van Nepâl vele belangrijke monumenten werden gesticht. Even als de Gorkhas, zijn ook de Newars gesproten uit de vermenging van Hindoes en Thibetanen; maar het thibetaansche element heeft bij hen veel meer de overhand. Toen ik de vallei van Nepâl betrad, had ik onder mijn gevolg ook een bediende, die met mij de verschillende deelen van Indië had doorreisd, zonder eenig begrip te hebben van de landstreken, waarheen onze weg voerde. Maar ter nauwernood waren wij in het eerste grensdorp van Nepâl aangekomen, of hij vroeg mij, of wij ons niet in China bevonden. Volgens hem hadden de inlanders eene zeer sterke overeenkomst met de Chineezen, die hij te Bombay had gezien. De taal der Newars, het newari, verschilt zeer van die der Gorkhas, hoewel zij evenzeer een mengsel is van sanskriet en thibetaansch. Het newari is de eenige taal van Nepâl, die eene letterkunde heeft.
De Newars zijn ten eenemale ontbloot van den krijgshaftigen geest en de militaire bekwaamheden der Gorkhas, maar bezitten daarentegen een zeer opmerkelijken aanleg voor landbouw, handel en nijverheid. Zij zijn de bouwmeesters der met prachtig beeld werk versierde, merkwaardige tempels, waarmede de vallei als bezaaid is. De kunst om het hout te bewerken en te snijden heeft bij hen eene hoogte bereikt, die, naar mijn oordeel, door geen enkel volk van het hedendaagsch Europa wordt geëvenaard. Maar het thans heerschende ras, de Gorkhas, doet volstrekt niets om de kunst aan te moedigen; zij gaat dan ook sterk achteruit; de bekwame kunstenaars zoeken elders een goed heenkomen; en tegenwoordig vindt men in de geheele vallei ter nauwernood een dozijn lieden, die inderdaad de kunst van houtsnijden verstaan. Wanneer de laatste van deze kunstenaars verdwenen zal zijn, zal ook de kunst van houtsnijden zelve in Nepâl ten onder zijn gegaan, zoo als de kunst van het brons te bewerken hier reeds zoo goed als vergeten is. Ook de architectuur is in verval; bijna al de merkwaardige monumenten dagteekenen van vóór den tijd der heerschappij van de Gorkhas.
Een derde gedeelte der Newars belijdt de hindoesche godsdienst: zij zijn volgelingen van Siva; de anderen zijn Boeddhisten. Zoowel Brahmanisten als Boeddhisten hebben het kastenstelsel in stand gehouden.
Twee sprekende karaktertrekken zijn aan alle Nepaleezen, Gorkhas zoowel als Newars, gemeen: hunne groote godsdienstigheid en hun onafhankelijkheidsgevoel. De Nepaleezen zijn misschien het godsdienstigste volk der wereld. Mij is geen ander land bekend, waar, naar verhouding, het getal der tempels en der priesters zoo groot is. Godsdienstige feesten en plechtigheden nemen het grootste gedeelte van den tijd der bevolking in beslag. De astrologen, die doorgaans onder de priesters worden gekozen, spelen bij alle handelingen van het leven eene gewichtige rol; en evenmin als de oude Romeinen, zullen de Nepaleezen eene onderneming op touw zetten of eene reis aanvaarden, zonder vooraf het lot te hebben geraadpleegd en een gunstigen dag uitgekozen. Jammer maar dat, ondanks hunne godsdienstigheid, hunne zedelijkheid zoo veel te wenschen overlaat; vooral is hun volkomen gemis van waarheidszin zeer opmerkelijk. Een Hindoe zegt nog somtijds de waarheid, een Nepalees nooit.
Wat de bewoners van Nepâl zeer beslist van de Hindoes onderscheidt, is hunne vaderlandsliefde en hun onafhankelijkheidsgevoel. Deze beide eigenschappen, waarvan men elders in Indië geen spoor vindt, zijn bij de geheele bevolking van Nepâl in zeer hooge mate ontwikkeld. In die gezindheid wortelt hun onbedwingbaar wantrouwen jegens alle vreemdelingen; zij is het ook die hen tot het besluit heeft gebracht om den toegang tot hun land aan alle Europeanen te ontzeggen.
De mythische geschiedenis van Nepâl begint met de helden van de Mahabharata, maar van de werkelijke geschiedenis des lands weten wij al even weinig als van die van het overige Indië. Voor het jaar 1300 van onze jaartelling is ons met zekerheid eigenlijk niets van de historie des lands bekend, dan alleen dat het Boeddhisme er omstreeks de eerste eeuw werd ingevoerd. Ongetwijfeld was eertijds de bevolking hoofdzakelijk thibetaansch. Na de inneming van Shittor, door Ala-oed-din, in 1306, namen een aantal Radjpoets, die zich aan de muzelmansche heerschappij niet wilden onderwerpen, de wijk naar de bergen van Nepâl. Zij werden in 1336 gevolgd door andere Radjpoets uit de koninkrijken Oudhe en Kanoeje, die insgelijks voor de nieuwe veroveraars vluchtten. Uit deze emigratie van Radjpoets zouden de Gorkhas gesproten zijn, die in Nepâl een klein zelfstandig vorstendom vormden, dat eeuwenlang zijne onafhankelijkheid wist te handhaven. In 1765 vatten de Gorkhas het plan op om geheel Nepâl onder één gezag te vereenigen. Na een vierjarigen oorlog gelukte het hun, de drie koninkrijken te onderwerpen, waarvan Bhatgaon, Patan en Khatmandoe de hoofdsteden waren, en die sedert het begin van de veertiende eeuw werden geregeerd door dynastieën van rajahs, die van een gemeenschappelijken stamvader afstamden en tot het ras der Newars behoorden, dat van mongoolschen oorsprong is en nog de massa der bevolking vormt. Na zich aldus van de drie hoofdsteden te hebben meester gemaakt, vernietigden de Gorkhas de talrijke kleine vorstendommen, het best te vergelijken met onze oude leenen, waarin het land destijds was verdeeld. Sedert dien tijd is geheel Nepâl onderworpen aan het gezag van een enkelen souverein, en heeft slechts eene hoofdstad, Khatmandoe.
Bij herhaling werd de onafhankelijkheid van Nepâl bedreigd door zijne twee machtige buren, de Engelschen en de Chineezen, en heeft het rijk tegen hen bloedige oorlogen moeten voeren; maar zoo de Nepaleezen soms werden overwonnen, is het toch nog aan geen vreemde legermacht gelukt, hunne hoofdstad te bereiken, en ondanks alles bleef de onafhankelijkheid des lands gehandhaafd. De zwaarste aanval, dien Nepâl te verduren had, was de oorlog met Engeland in de eerste jaren dezer eeuw. In 1814 door de Engelschen aangevallen, brachten de Nepaleezen hun een bloedige nederlaag toe, en doodden hun generaal Gillespie; maar toen in 1816 de Engelschen met een leger van zes-en-veertigduizend man, tot op drie dagreizen afstands van Khatmandoe waren doorgedrongen, moest de kleine staat, die een heldhaftigen tegenstand had geboden, den ongelijken strijd opgeven en zich de vredesvoorwaarden van den overwinnaar laten welgevallen. Een van de voornaamste bepalingen van het vredesverdrag was, dat de regeering van Nepâl een engelsch gezant in hare hoofdstad zou ontvangen. Deze voorwaarde, hoe hard ook voor de Nepaleezen, bracht hen echter feitelijk in geen anderen toestand, dan waarin alle europeesche mogendheden tegenover elkander verkeeren, want de engelsche gezant is niets meer dan een diplomatiek vertegenwoordiger en heeft hoegenaamd geen recht, zich met de regeering des lands te bemoeien. "De engelsche minister", zegt doctor Wright, gewezen geneesheer bij het gezantschap te Khatmandoe, "heeft in het minst geen recht of bevoegdheid zich te mengen in de regeering des lands. Metterdaad vervult hij geene andere functiën dan die van consul, geheel overeenkomende met die van een engelsch consul in eene of andere europeesche stad. De Nepaleezen zijn in hooge mate trotsch en naijverig op hunne onafhankelijkheid, en dulden niet dat een vreemde zich met hunne zaken bemoeie."
De positie van engelsch gezant in Nepal is dan ook verre van benijdenswaardig. Zijn eenige metgezel gedurende de vele jaren, die hij soms in deze ballingschap moet doorbrengen, is een geneesheer, de eenige Europeaan aan wien het vergund is, met hem in Nepal te vertoeven. Hij kan officieel geen voet buiten zijne woning zetten dan onder het geleide van soldaten der lijfwacht, die, zoo als het heet, voor zijne veiligheid moeten zorgen, maar wier eigenlijke taak het is, hem te bewaken en onverwijld aan het hof bericht te geven van al zijne handelingen. De engelsche gezant woont in een door een zijner voorgangers gebouwd huis, op eenige mijlen afstands van de stad. Dit huis bevat alles wat voor het levensonderhoud noodig is, met inbegrip van eene bakkerij en eene slagerij. Een wacht van sipayers moet, des noods, vijandelijke aanvallen der inlanders afslaan. Daar is wel al de zwijgende vastberadenheid en zelfgenoegzame energie van de engelsche ambtenaren toe noodig, om bij zulk eene manier van leven niet van verveling te sterven. Trouwens niet enkel in Nepal treft men Engelschen aan, die jaren lang geheel alleen leven te midden eener onverschillige of zelfs vijandig gezinde bevolking. In deze eenzaamheid blijven zij onveranderlijk trouw aan de gewoonten en de levenswijze van hun vaderland: in die mate zelfs, dat zij zich nooit dan zwartgerokt en witgedast aan tafel zetten, hoewel hun eenige dischgenoot hun eigen beeld is, dat door den spiegel wordt weerkaatst. Maar deze zwijgende metgezel is voor hen genoeg; ik heb Engelschen gekend, die sedert vijf-en-twintig jaren op deze wijze hun leven doorbrachten en met smart dachten aan het oogenblik, waarop zij verplicht zouden zijn hun ontslag te vragen en in de maatschappij terug te keeren.
Sedert de vereeniging van alle koninkrijken en vorstendommen van Nepal onder een zelfden scepter, ten gevolge van de overwinningen der Gorkhas, is het land eene absolute monarchie; maar in werkelijkheid is de staatsinrichting toch niet zoo eenvoudig als zij op het eerste gezicht schijnt. Zij omvat velerlei vormen, verschillende naar gelang van de afzonderlijke landstreken, te beginnen bij den eenvoudigsten vorm van politieke organisatie, de stamordening, die nog in de meeste bergvalleien geldt. Bovendien verschilt het begrip van souvereiniteit aanmerkelijk van de moderne europeesche opvatting, maar komt daarentegen veel meer overeen met die onzer middeleeuwsche feodaliteit. Nooit toch zou het in het brein van een europeesch monarch opkomen, om een deel van zijn rijk, in vrij en onafhankelijk bezit, met den titel van koning, aan een onderdaan weg te geven. Toch deed dit de koning van Nepal, in 1855, toen hij twee provinciën aan zijn minister Jang Bahadoer en diens erfgenamen ten geschenke gaf, met onbeperkte macht van leven en dood over al de bewoners.