Chapter 6
In deze laatste, Botticelli's hemelschoone Madonna met het Kind. Een ronde schilderij: als in een sfeer zit de heilige groep, en iets van een Toskaansch landschap schemert in de verte. Twee engelen houden een fijne kroon, waarvan de fijne sluiers luchtig opfladderen, boven het hoofd der zittende Maagd, die het Magnificat juist onderschrijft, dat een groep van drie engelen ophoudt; een ervan reikt den inktkoker. En niemand let op het kind, dat zit op den schoot der Maagd en het eene handje rusten laat op een geopenden granaatappel. De Maagd doopt juist hare pen; de drie engelen zijn vol verwachting; de twee anderen beuren voorzichtig de kroon. Niemand let op het kind, dat juist in eene extaze naar boven ziet... Maar zijn andere handje legt zich op den arm der moeder en op het heilige boek; hij vraagt om aandacht... Dadelijk zal de Maagd letten en de engelen ook...
En dit roerende oogenblik waast daar in een warm kleurenspel op, want de kleuren wazen door elkaâr: een zachte regenboog van rood, blauw, geel en wit, waarin de zuivere ommelijnen der figuren zich uit-graveeren met de altijd herkenbare ietwat spitse teederheid--fijne neuzen, ernstig gesloten mondjes, lange kinnen--van Botticelli.
Maar de Uffizië heeft nog een tweede byouteriekist, behalve de Tribuna: ik meen het kabinet der gemmen: allerlei kostbaarheden van fijnsten smaak en hooge waarde, die aan de Medici's hebben toebehoord: kleine kolommen van agaath en rotskristal, waarvan de kapiteelen met edele steenen bezet zijn, als stukken architectuur uit een klein feeënpaleis; bekers van onyx en vazen van lapis-lazuli; een beker van goud-geëmailleerd rotskristal, dien Benvenuto Cellini voor Diane de Poitiers maakte en waarin hare halve maan straalt; een portret van Cosimo II. in Florentijnsch mozaïek van louter edelsteen; japis beelden met chalcedonen koppen; een vaasje, gesneden uit een enkelen smaragd; een hond, gesneden uit een parel; een kolossale topaas; de Piazza dei Signoria in bas-relief van goud met eêlgesteenten; een beker van onyx van Giovanni da Bologna met rijk bewerkten deksel, waarop een gouden Herkules de veelkoppige Hydra bekampt... De adem van den tijd heeft een waas van dofheid over al die exquize pracht geblazen, maar toch is ieder voorwerp nog een reflet van het leven der Renaissance, van het leven der Medici's. En in het midden van dit kleine wonderkabinet schittert misschien het allerschoonste: eene cassette van allerfijnst gecizeleerd rotskristal, die Valerio Belli maakte voor Clemens VII; iets onwaarschijnlijks van fijnheid, want in het kristal zijn vier-en-twintig groepen en tafereelen uit Jezus' leven geëtst als met een feeënnaald, zoo klein, zoo fijn, zoo diamant-duidelijk uitkomend tegen het zilveren fond der wandjes, dat het geen menschenwerk schijnt, maar edele kunst van een klein artistje onder de elven...
Er is misschien geene stad in Italië--en ik zonder Rome zelfs niet uit--waarin de Italiaansche schilderkunst zich zoo bewonderenswaardig heeft gekristallizeerd als hier, zich zoo tot een uniek kort-begrip van Italiaansche kunst heeft geconcentreerd als hier. Misschien zoû men uit Florence alleen heel die Italiaansche kunst leeren kennen. De drie groote verzamelingen der Uffizië, van Pitti en van de Academia zijn onvergelijkbaar, en daarbij sluiten zich kerken en kloosters tot een wonderbaar volkomen geheel aan. Wil men met Cimabue beginnen, men vindt zijne Heilige Maagd in de Rucellai-kapel van Santa Maria Novella, schilderij, dat om zijn toen zoo begrepen goddelijke schoonheid in processie deze kerk werd binnengevoerd. Giotto is prachtig in Santa Croce, in de frescoverhalen van Johannes den Dooper en St. Franciscus van Assisi, en zijne school is verspreid door alle kerken van Florence heen. De oude meesters, Masolino en Massaccio bestudeert men in S. Maria del Carmine. De gelukzalige Angelico openbaart zich in geheel zijne mystische genialiteit in San Marco, en ook in het Laatste Oordeel der Academia en in de Kroning der Maagd der Uffizië....
Het Laatste Oordeel: de Rechter, gezeten in den eivormigen aureool, achter welks stralen de teederste engelenkopjes uitkijken, en omstuwd door legioenen van strijd- en van vrede-engelen. Aan zijne zijden Maria en Johannes de Dooper en de scharen der heiligen; onder naar de aarde toe, de bazuinende engelen; op de aarde de naïve allee van open graven in perspectief.... Links de hel en de duivels, die koningen en monniken meêsleepen, en rechts het paradijs....
En men moet Il Beato niet te veel vragen naar zijne hel en zijn duivels, maar men moet met hem meêgaan, dat paradijs in. De voortuinen bloesemen; de zaligen dansen er glimlachend een melodieuzen rondedans, en wie gescheiden waren op aarde ontmoeten er elkaâr, en omhelzen er elkaâr zacht met hemelsche omhelzingen, en die jaren lang gewacht hebben, voeren er de weêrgevonden zusterzielen den rondedans in, over het tapijt van bloemen.... En ginds zijn de goudene poorten open, en de stralen van het vlekkelooste licht vloeien de poort uit, en twee zielen, naast elkaâr, de zachte extaze in de golving harer gewaden, in het verrukt opheffen der armen, zweven er op de stralen heen, de poort in, het paradijs binnen....
In onuitsprekelijke teederheid, in heilig verwachten van zulk een binnenzweven, is dat alles geschilderd, zóo heilig teeder dat men er gaarne aan zoû willen gelóoven...
In de Uffizië de kroning: dat heiligste en feestelijkste oogenblik in den hemel. In de zon van het empyreum zitten Maria en Jezus, en juist heeft de Zoon zijne Moeder gekroond tot Koningin der Hemelen, en zijne vingers raken nog, met het wegtrekken der hand, haren grooten aureool aan, waartegen de kroon straalt. Om de zon dansen de engelen, schetteren de engelen op lange bazuinen en blazen ze op trompetten en spelen ze op cithers, op violen en harpen, en lager zwaaien ze wierookvaten. Dan, lager ook, de dichte scharen der heiligen, der bisschoppen met hunne beparelde myters.... En dat alles in de primitieve voltinten van blauw, roze, rood, en groen voor het laagste, als een choraal van volle tonen, dat opgaat in al het goud der zonnesferen, het goud van de zon der zonnen, in welker kern het hooge feest gevierd wordt, met goddelijke eenvoudigheid....
Een allerliefst contrast met dit hooge feest, van goud en blauw en zang en licht, is de Kroning in een der cellen van St. Marco, luchtig dun gewasschen fresco: niets dan de twee zittende goddelijke figuren, in stille witte tinten, als een witte vrede, als eene witte rust....
En verder kristallizeert zich het schoonste der Italiaansche kunst hier samen tot éen juweel met duizenden facetten; elk facet een meesterstuk; want ziet men hier niet de meeste schilders in eene zelf-overtreffing hunner karakteristiciteit: Filippino Lippo, in zijne wat morbide fragiliteit van madonna's en expressieve waarheid van kinderen--de Apparitie aan St. Bernard in de Badia--; Andrea del Sarto, in zijne gezonde, reëele lijnen, zijne ietwat ra-terre werkelijkheidzin, maar gesublimizeerd door een tegenstralend koloriet: in alle de drie groote verzamelingen en dan nog in de Annunziata en het Scalzo-klooster; Ghirlandajo in zijne Florentijnsche bevalligheid van geheel Florentijnsche types: de choorfresco's van St. Maria Novella--en in zijne luxe-zucht: de Adoratie der koningen van St. Maria degli Innocenti. En waar ziet men Lorenzo di Credo inniger, waar Perugino heiliger, waar Botticelli schitterender en magistraler dan te Florence? Waar zag ik in Siena--en de Flagellatie niet uitgezonderd--zulk een prachtigen Sodoma als hier zijn St. Sebastiaan met die mengeling van menschelijke pijn en martelaar-extaze?
Van Leonardo da Vinci is in Florence weinig, maar Rafaël heb ik hier liever dan in Rome, en Michelangelo misschien zelfs ook--als schilder--om zijne H. Familie van de Tribuna....
De groote lijn, die ik hier zwaai, ommelijnt het juweel-met-duizend-facetten natuurlijk zeer onvolkomen, en stippelt alleen de punten dier facetten in epistolaire vlugheid aan. Ik wil ook niet meer. Maar ik wed, dat weinigen, die in Italië zijn geweest, mij geen gelijk zullen geven. In alle andere steden van Italië ontvangt men onbetaalbare alleen-indrukken van Italiaansche schilderkunst; in Florence alleen concepieert men het geheel dier kunst in geheel zijne flonkering, alsof dat veelfacettige juweel éen geconcentreerden straal van schoonheid schiet, die in de ziel valt en hare onwetendheid in éens verlicht....
Nog eens, in Florence, behalve in Riccardi en in het gemmenkabinet der Uffizië, ziet men de onwaarschijnlijke luxe der Medici's in hunne grafkapel van San Lorenzo. Deze kapel is in het begin der 17de eeuw opgericht, heeft twee-en-twintig millioen franken gekost, en is nooit voltooid; alleen de sepultuur van Ferdinandus III is geheel af. Een achtkantige kapel, als eene kerk, de koepelfresco's onbeduidend en recent, maar weinig in het oog vallend. Want de kapel zelve is geheel opgetrokken van verschillende marmers en edele steenen, van steensoorten, die alleen een geoloog kent. In de kolossale nissen staan de zes sarcofagen van spikkelig serpentina of roze graniet, gedekt door kronen, en twee beheerscht door de--eene slechts vergulde--statuen der doode vorsten. De edelsteenen der kronen waren eens echt, maar zijn door de Franschen weggenomen en nu door glas vervangen. Maar wat geeft dit, als de geheele kapel is éen spiegel van juweel? Kornalijn van Spanje en jaspis van Sicilië en Corsica wisselen de veelkleurige marmers af. Onder de sarcofagen zijn de namen der prinsen vermeld, met letters van chalcedoon, in mozaïek op porfier. Een breede rand, menschenhoog, omringt de kapel beneden en vertoont in mozaïek eene afwisseling van urnen met de wapens der zestien Toskaansche steden. Rosso antico, verdo antico, het oude zwart, dat men paraone noemt, het oude geel van Numidië, koraal, parelmoêr en lapis-lazuli, onyx, bloed-jaspis en albast, dat alles bloesemt daar in eene fabelachtige heraldiek op den spiegelmuur, en misschien nergens ziet men zooveel kostbaarheid en zooveel smaak te zamen als op het wonderpiedestal dier Mediceïsche grafkapel.
Er zijn van die wereldschoonheden in Florence, die gratie's zijn voor het oog of voor de ziel. Onder die wonderen heb ik genoemd de kapel van Riccardi, de Sieneesche Annonciatie, het kabinet der gemmen, de Mediceïsche kapel.... Onder die wonderen zoû ik gaarne nog eens noemen: Giotto's marmerjuweelen campanile, en ik zoû die willen na-noemen met een heel mooi beeld van Mrs. Oliphant--uit hare: Makers of Florence--de lelie, die bloesemt naast Maria op het oogenblik van de H. Boodschap: de lelie, de slanke blanke toren, en Maria, S. Maria dei Fiore zelve, de prachtige kathedraal.... Onder die wonderen zoû ik willen noemen de bronzen poorten van het Battisterio, van Lorenzo Ghiberti: poorten, die Michelangelo waardig noemde om het Paradijs te sluiten. En nog zulk een weêrgaloos wonder is het marmeren orgelstuk van Luca della Robbia in de Opera del Duomo. Er is er ook een van Donatello: een lange ris dansende kinderen: vroeger waren beide marmeren orgelstukken in den Dom; daarna zijn ze bewaard geweest in het Bargello. Dat van Donatello is heel mooi, maar dat van Luca della Robbia is een wonder. Een wonder van zingen en dansen en spelen van kinderen, van jongens en meisjes: dolle, lachende rondedans; op het rythme van den zang en, hand in hand, met dolle cancanbeweging van hoog in de lucht gegooide beentjes; of bij het slaan op de trommen, bij het pijpen van lange bazuinen, die eenige blazen en andere beuren, omdat ze zoo zwaar zijn, bij den zwaren bazuinenmond: een dans van twee of drie, een dans van naakte jongetjes met antieke beweging van armen en van beenen. Dan groepen, die spelen, op harpen en luiten en cithers; een groep, die slaat met cymbalen, en om de verschillende en wonderfijn genuanceerde vingerzettingen aan de verschillende instrumenten, is het als hoort men de verschillende klanken ruischen uit het levend-vroolijke marmer. Ernstiger de twee groepen op zij, zingende van een lange rol en zingende uit een boek, en vol aandacht bij hun zingen, de monden geopend in vollen zang, en sommige slaande de maat met een hand of een vinger... Heeft Luca della Robbia in Griekenland gereisd? Ik herinner mij een antieke sarcofaag in het muzeum van Athene en daarop een groep van dansende genieën, en wat geleken de groepen van Luca niet wondergelijkelijk op die antieke groep!
Van morgen ben ik nog eens voor het laatst in het Bargello geweest. Het is het oude paleis der Podestaten, in het einde der 16de eeuw gevangenis en rezidentie van den bargello of chef der politie. In den mooien cour werden de gevangenen ter dood gebracht; die cour, die nu een geliefkoosd motief is voor schilders: bont en als heraldisch bezaaid met de wapens der oude podestaten, en met de typische trap, die naar eene loggia voert, gedekt met arcaden, waarop Florences lelie zich goud op blauw spikkelt: loggia, waar antieke klokken worden bewaard. Het Bargello is nu Nationaal Muzeum. Er is eene zeer schoone verzameling bronzen: een klein langwerpig bas-relief, waar Silenus, dronken en spelende met een fauntje, dat hij in zijne armen opgooit, op een kar wordt getrokken en voorgegaan door een dollen stoet van, met druiventrossen spelende, wijngodjes. Dan het Offer van Abraham, twee haut-reliefs, van Brunelleschi en van Ghiberti, gemaakt in concours voor de bronzen deuren van het Battisterio. In het midden dier zaal de David van Andrea da Verrocchio, het lichaam slank en spierig mager, maar het gezicht met die ouwelijke trekken, die Andrea dikwijls heeft. In de andere zaal vooral de zwevende Mercuur van Giovanni da Bologna, vlucht en luchtigheid, opgeblazen door den bronzen adem van een windgod, met zijn luchtige teen slechts staande op dien adem; en de staf in de hand, met windsnelheid zijn doel tegemoet...
Maar wat een genot is het Donatello te bestudeeren in zijn groote zaal van het Bargello. Ik kan hier niet alles van hem uit die zaal ommelijnen, maar een paar woordenkrabbels wil ik maken van zijne twee Davids. De eene, de marmeren, heeft iets vreemds in de houding, iets gemaakts in het gezicht, iets laatdunkends in den blik, iets gewilds in de draperie om beenen en pols. Maar de bronzen! Dat is de volmaaktheid in brons! Wat een ideale schoonheid kan toch een mensch, een artist, kon Donatello ons geven! Die bronzen David is eenvoudig subliem, is het hoogste. Op het oogenblik is het het ideaalste brons, dat ik ken. Ga alleen naar Florence om dien David...
Een jonge held, een kind nog, rijst zijn efebelijf, den voet op den Goliathkop, uit den cirkel van een grooten lauwerkrans,--die zijner overwinning--naar boven. Die lauwerkrans is zijne sfeer. Nooit was een conceptie zoo bevallig, zoo krachtig tegelijk, zoo louter volmaakt. De jeugd zijner bronzen ledematen is gemodelleerd in de nog halve teederheid van het kind, dat zich reeds begint te spieren tot jonge man. Nooit was overgang zoo buigzaam uitgedrukt. Dat is de juiste leeftijd voor den jongen herdersheld. Zijne slankheid is heerlijk, zijn buik verrast door een ietwat vrouwelijke lijn. De ronde herdershoed, losgestrikt, dempt een beetje zijn hoofd, beschaduwt zijn blik, die neêrkijkt naar het groote afgehouwen reuzenhoofd, nog in zwaren, rijk gecizeleerden, en wijd gewiekten helm omprangd. Op dat hoofd drukt hij in bescheiden overwinningspraal den voet. Zijne onderbeenen zijn gepantserd in gecizeleerde beenstukken, maar anders is hij naakt. Zijn rechterhand steunt op zijn zwaard; zijn linker- rust op de linkerheup en houdt nog een bal vast voor zijn slinger... En hij is een epos van schoonheid en moed, van jeugd en zege.
Dan de H. George van Or San Michele--in deze zaal kopie--een jonge held ook, maar zoo geheel anders; geserreerd achter zijn lang schild, den fronsblik spiedende in de verte: het moment, dat de draak aanblazende komt... Dan de buste van het Florentijnsche meisje; de gipsen kopieën der kindjonge, zuiver kind-bevallige H. Johannes en Jezus; het steenen relief van den jongen Johannes, met dat ascetisch magere halsje en dien ascetischen blik, type, dat men weêr terug vindt in den loopenden, lezenden Dooper; dan de Eros, brons, dansende met zijn afzakkend broekje aan riemen, de handjes in de lucht, en trappelende op een slang. En dan geheel iets anders weêr: de in kleur gemodelleerde terracotta kop van Niccolo da Uzzano: Romeinsche kop met spitse faunooren; een gezicht met niet te vertrouwen, opgetrokken oogen, slechte pupillen, een slecht gegroefd gezicht, waarachter een slechte geest schuilt, een leven van slecht geheim: zoo prachtig in het schemeren van dat ondeugdmysterie. Wat is dat alles mooi, wat doet het goed daarmeê te dwepen! Wat dankbaarheid voelt men, dat dit bestaat, dat dit een mensch kon maken, kon geven uit zijne ziel in marmer of in brons; wat dankbaarheid vooral om dat zoo allerschoonste van Florence, dien lieveling van mijn oogen, dien David!
AANTEEKENINGEN
[1] Redevoeringen volgden. De prezidenten der verschillende Katholieke sociëteiten werden toegelaten tot den Handkus. Dames van de Romeinsche arristocratie boden een rijk verlucht perkament aan, in gouden doos.
[2] Nu in het Muzeum van St. Jan Lateraan.
[3] Eene vergissing, die natuurlijk slechts een allereersten keer kan worden gemaakt.
[4] Men zegt mij, dat deze opvatting niet juist is, en dat de athleet met den dobbelsteen slechts zijn volgnummer wierp: dit is mogelijk, maar ik behoû liever mijne eerste, misschien dan foutieve opvatting, omdat ik het beeld zoó zag en zoó mooi vond.
[5] Ik heb dit en den naam des keizers slechts uit den mond van den custode en kan het op het oogenblik niet verifieeren.
VAN LOUIS COUPERUS VERSCHEEN:
Majesteit, Roman in 2 deelen. Prijs ingen. f 4.90, geb. f 5.50. Extaze, Een boek van geluk. 2e druk. Prijs ingen. f 1.90. geb. f 2.50. Een Illuzie. Met portret van den schrijver. Prijs ingen. f 2.50, geb. f 2.90. Een Lent van Vaerzen. 2e druk. Prijs ingen. f 1.40, geb. f 1.90. Orchideeën. Een bundel poëzie en proza. 2e druk ter perse.
End of Project Gutenberg's Reis-impressies, by Louis Marie Anne Couperus