Chapter 5
En nu spoort men langs de Saronische golf tot Megara toe. In harmonische lijnen, alsof zij besef hebben van hare harmonie, wisselen en verschuiven de lijnen der Peloponezische bergen en de groote golf is steeds als een meer, geheel ingesloten door die blauwe harmonieën en zelve als een spiegel, waarin maar enkele wateringen spelen van licht. En in zijnen hoogen eenvoud is dit landschap klassiek schoon, van eene niet zegbare, alleen voelbare, klassiek eenvoudige schoonheid: de kalme wateren, de blauwe bergen, zacht schuivende in gelijk golvende lijnen, rythmisch en breed als hexameters, van een rythme, dat rust geeft, groot droomend de oogen doet openen, weg doet staren over die stilte, en de ziel heen trekt naar het verleden toe.... Men voelt zich--zelfs in zijn spoorcoupé--in Hellas; men is blij, daar gekomen te zijn; het antieke leven is in eens eene openbaring. Men begrijpt de oude Grieken, hunne ideeën van streng schoon, bij het droomend volgen dier rythmische berglijnen. Men begrijpt hunne zuilentempels; in de roze atmosfeer, tegen die harmonie van bergen, ziet men ze, in gedachte, rijzen als eene harmonie van zuilen. En het is vooral misschien, om dat stille en rustige, als van een meer, dat zenuwstillende en grootsche, dat die wateren overdrijft als een nimbus, en waardoor de bergen heenschemeren, zooals zij schemeren door het roze zonnedalen, totdat men niet meer onderscheidt en de gedachte zich weg laat sleepen in de bekoring van eene niet meer met woorden te duiden droom....
In Athene bekoren mij, zoozeer als levenlooze dingen van uiterlijkheid mij misschien nooit bekoord hebben, de Acropolis, het Theseion en de tempel van den Olympischen Zeus. Het is misschien goed voor men die ruïnes ziet, den tempel van Poseidoon gezien te hebben in Paestum. Ieder weet wat zuilen zijn, en ieder wat een tempel en toch: ik zoû het wagen te zeggen: die niet geweest is te Paestum en in Griekenland, weet het niet. Ik herinner mij nog zoo goed: in Paestum kreeg ik de sensatie van schoonheid, met deze vraag: waarom, en hoe die schoonheid door bijna rechte lijnen, die weêr andere rechte lijnen schragen? En het is misschien goed die vraag zich éens gesteld te hebben, ook al is er geen antwoord op. Want hier in Athene vraag ik nu niet meer, en ik laat mij meêslepen, geheel, alsof Paestum mij, onbewust, geleerd heeft wat zuilen zijn en wat een tempel.
Om die tempelruïnes, als die van den Olympischen Zeus en het Theseion, zweeft eene atmosfeer van heiligen weemoed, een gouden atmosfeer, een stralenkrans. In Rome is veel moderns om de ruïnes heengebouwd, hier is ruimte gelaten, en al het moderne schreeuwt er niet tegen in. En in die ruimte kan die atmosfeer drijven, die weemoed blijven hangen, die stralenkrans zacht glanzen. In zulke ruimten heffen de zestien goudene marmeren zuilen,--Penthelisch goudgewaasd marmer,--van den Olympischen tempel hunne Korinthische kapiteelen op. Ze heffen ze op in de blauwe lucht en de heilige weemoed geeft hun den nimbus. Hoe men ze ook omloopt, ze wisselen hunne lijnen, ze zingen er hunne lijnen, in goudene harmonie. En het zijn niets dan opgaande lijnen, doelloos nu opgaande, daar ze niets meer schragen dan een doellooze architraaf en uitbloesemen in een kapiteel, zonder doel.....
Het Theseion ook staat zoo ruim, in volle lucht, en het staat gehéel vrij, in geheel zijn tempelrust van Dorischen eenvoud. Onsterfelijk schijnt het te zijn, ook al hebben aardbevingen de gelijkmatige onderdeelen der schachten bij sommige zuilen verschoven, zoodat ze schijnen te zullen bezwijken, geen dag meer te zullen houden... En toch ze blijven staan, als met eene onbegrijpelijke, bovenmenschelijke energie....
Maar eenig in zijne onsterfelijkheid, in heilige majesteit, goudene marmeren goddelijkheid, rijst boven de stad, op den Akropolis, eeuwig schoon, het allerschoonste wat ooit menschen bouwden. Daar rijst de maagdentempel, het Parthenon, dat Pheidias reeds lang in gedachte er had zien rijzen, tot Pericles, de Olympiër, met zijne Olympische welsprekendheid op den Pnyx de Atheners bewoog toe te stemmen uit den Schat van Delos te putten voor den goddelijken marmerbouw. Toen was er op den Akropolis nog maar het Erechtheion, het heiligdom van Athene Polias, waar het uit den hemel gevallen olijfhouten beeld der godin vereerd werd naar de aartsvaderlijke traditie, maar ook stond er reeds de Athene Promachos, de bronzen Voorvechterin van Pheidias, de reuzenstatue, die over den Piraëus heenzag en den eersten groet der stad bracht aan de schepen, die thuis kwamen. Maar Pericles sprak op den Pnyx en het eenige gebaar van zijn oratie was: het uitstrekken van zijn arm naar de leêge plek, waar het Parthenon mocht rijzen, en aller oogen volgden waar zijn vinger wees, en het sein was gegeven. Pheidias zoû zijn droom vereeuwigd zien, en de Athene van den Vrede geven in goud en ivoor, voor den tempel, die Iktinos en Kallikrates zouden bouwen in Penthelisch marmer, die de leerlingen van den hoogen beeldhouwer,--Alkamenes, Agorakritos met hunne legerschaar van jongeren,--versieren zouden met metopen en met de wonderfries der cella: den Panatheneïschen feesttocht....
En wat er nog staat van den heiligen bouw na al zijne profanatie's--na een kruithuis geweest te zijn en een moskee en een Byzantijnsche kerk--, wat er nog staat is, tot de hooge vreugde der eeuwen, nog eene volmaaktheid, nog eene harmonie van zingende lijnen, een eeuwig choor van zuilen, dat vibreert in den reinen, doorglanzenden ether, of in de oranje zonnedalingen, die aangloeien van Salamis af over den onmetelijken boog van den hemel. Nooit nog trof mij zooveel emotie voor marmer: zooveel vreugde om marmer, dat oprijst en zooveel weemoed om marmer, dat neêrligt. Want is het niet om te weenen als men ze lang uit, in de onderdeelen hunner schachten, als marmeren reuzenkolommen, nêergespreid ziet liggen door den zorg der menschen, als doode zuilen, als zuilen zonder ziel? Dan streelt de hand over hunne gefluteerde gleuven of over hun Dorisch kapiteel, dat eens zoo hoog was en neêrgedonderd ligt, dood. Dan wil verbindende gedachte en verbeelding ze weêr heffen, waar ze stonden, ze weêr zingen doen hunne lijnen, met de andere meê. Dan treft de menschelijkheid van die harmonische reuzen, die sterven, of reeds bezweken, het meest, en dan is vooral de weemoed overstelpend als men er al de gouden onkruidbloemen haar welig getier ziet tusschendringen, als men er de witte en gele en gloeiend gekleurde kapellen over heen ziet fladderen met het broze getril der weiflende wiekjes, omdat die bloemen en die kapellen--die liefde van éen dag--zoo vreemd in onderscheid is met dat marmer, dat, zelfs in den dood, eeuwig is: een zoo wijde afstand tusschen die beiden, kapellen en zuilen, of het geheele leven er tusschen ligt.
In Hamerlings Aspasia is het Erechtheion en zijn priester alles wat ouderwetsch is en aartsvaderlijk in tegenstelling van den nieuwen, glanzenden, vroolijken geest, die de schoonheid vereert als met godsdienst. Door de Perzen vernietigd is het inderhaast en tel-quel weêr opgebouwd, is het in den roman een sombere, geheimzinnige tempel, waarvan de priester noode, vlak voor zijne oogen, het Parthenon ziet omhoog trekken....
Zooals wij nu het Erechtheion nog zien, dagteekent het van later, van den tijd van Praxiteles. Wie dit niet weet en zich den somberen tempel uit Aspasia herinnert en daarvan de ruïne meent te zullen zien, staat verbaasd. Want het Erechtheion nu is, naast de hooge, verhevene grandeur van het Parthenon, het bevalligste marmerwerk, dat zich denken laat. De zuilen, de poorten zijn geornamenteerd als met de fijnste beitels, gecizeleerd tot marmeren juweelwerk; de schachten zijn fijn, diep-in gefluteerd; de Ionische kapiteelen gelijken om de mollige lijn van hunne ronde volute's, waarop de drie-deelige epistyl rust, zachte kussens, die met snoeren van marmeren parelen zijn omzet; verder zijn de randen onder en boven den architraaf, en boven de fries gewerkt in de fijnste Lesbische arabesken, en het geheel is als een overwinning op het marmer, niet om het groot te houwen in trotschen adel van lijnen, maar om het als met eene vrouwelijke insinuatie teeder te krijgen en bevallig en bijna week. En dan de portiek der Karyatiden aan de zuidzijde, waar de architraaf door zes vrouwen getorst wordt, en die het geheele gebouw van eene lichtheid en eene luchtigheid doen schijnen, alsof zij daar maar even zijn gaan staan en een oogenblik torsen het dak van dien portiek en niet torsen voor eeuwen....
Dat zijn de tempels, waarvoor men naar Athene gaat, omdat ze volmaakt van schoonheid zijn als nergens, misschien alleen te Paestum. En om die tempels te zien en weêr en weêr te zien, blijft men in deze stad, en blijft men in dit land. Want groot moet de verbeelding zijn en nuchter archeologisch het verstand om in modern Athene nog verder terug te vinden de stad van Pericles. Blik van af de Place de la Constitution naar den Akropolis op, van het paleis des konings naar het Parthenon, en in dien blik liggen de doode eeuwen, eene leêgte, die door niets gevuld wordt. In Florence ademt men de Renaissance; in Rome, hoe modern de stad ook zij, de oudheid; maar in Athene ademt men niet de Gouden Eeuw.
Dit is niet verder te bewijzen, het is alleen te voelen, en misschien wat te omschrijven. De Italianen zijn nog altijd de Italianen, maar de Grieken, die Albaneezen zijn, zijn geen Grieken meer. Al roepen zij, dat zij hunne oudheid lief hebben, men voelt dat dit alleen een fraze van conventie is in de couranten; men voelt dat zij het niet kunnen. Zij kunnen misschien, trots alle Grieksche toestanden, een nieuw volk worden, modern; ze hebben misschien nog een toekomst voor zich. Maar van het verleden voelen zij niets. Zij zullen dat nooit toegeven, want: zij zijn ontwikkeld, zij richten ontelbare scholen op, laten zich voorstaan, dat zij veel weten; hunne nieuwe openbare gebouwen bouwen zij in klassieken stijl, en naast hunne Akademie van Wetenschappen richtten zij twee hooge zuilen op met vergulde en marmeren statues van Phoibos en van Athene. Maar die neo-antieke gebouwen en zuilen detoneeren in de brandnieuwe, stoffige stad en schijnen niet noodig, omdat de Grieken er niet meer zijn. Dit volk vertoont duidelijk de ruw gehouwen trekken van zijn afkomst. Hun kostuum van goud en kleurig geborduurde jakje en zwaar geplooide witte balletrokje en schoenen met opgewipte punten, de fez op het hoofd, kleedt hun goed, maar is niet Grieksch en hoeft dat ook niet te zijn. Hun koning is een Deensch vorst, dien zij niet beminnen en nauwlijks eer bewijzen, als hij zich vertoont. Somber kijken zij, met hunne schuine oogen, en hunne passie's schijnen te zijn: kleine kopjes koffie te nippen, vele glazen water te drinken en aanhoudend schoenen te doen poetsen. In geene stad zag ik nog zooveel koffie en water drinken en zoovele schoenen gepoetst worden. Zij zijn niet onvriendelijk en niet onwillig en zelfs beleefd, maar ook zeer onhandig en brengen u zelden waar ge zijn moet. Ik geloof niet, dat ze ooit lachen, en ik geloof, dat als Aspasia hier terug kwam, ze op nieuw tot het volk van Athene zeggen moest: Je moet vroolijk zijn; het leven en de liefde zijn vroolijk in hun wezen; het leven moet genot zijn en al het andere is maar ziekelijk! Maar ik geloof niet, dat ze er dezen keer veel succes meê hebben zoû, en ik geloof, dat ze eindigen zoû, zooals ze eindigde tegen Pericles: Neen, jullie zijn geen Grieken meer.
XI.
BRIEF UIT FLORENCE.
De lente nadert aan; van Brindisi tot Foggia zilverden de stoere olijven--en deze even stoer als die van Corfu--met tintelende looverglanzen in de zon en de weg was verder als door toovergaarden van sneeuwig bloesemende vruchtboomen, wit en zacht roze en heel zacht violet, fabelachtig lieflijk als tuinen van het Paradijs. Goede Vrijdag in Rome was één bloem al bloem; op de Piazza di Spagna liepen de jongens en meisjes met korven vol op het hoofd, tulpen en narcissen, irissen en ooft-bloesemtakken, lelietjes-van-dalen en violen en vooral de donkere, zoetgeurige violetten, en de geheele piazza geurde en was er bont om. Goeden Vrijdag gaat natuurlijk iedereen naar St.-Pieter, en de Engelsche dames stroomden er heen met onafscheidelijke vouwstoeltjes, bengelende aan een arm. Want de kerkmuziek is er een rage; van halfacht 's morgens tot 's middags laat vliegt men van de eene kerk naar de andere om toch alle muziek te hooren. Wat Romeinsche kerkmuziek betreft, geef ik den voorkeur boven alles aan het divine gezang der nonnen van de Trinita de' Monti, met die eene nonnestem als vol heilig klinkend kristal, dat zwellend luidt de extaze der woorden. Maar Goeden Vrijdag ging ik, als het behoort, naar St.-Pieter, want het Miserere van Mozart _moet_ men hooren, Maureschi _moet_ men hooren zingen.... Dan gaat men omdat het _moet_, en dan hoort men het Miserere, en geniet het, als men kan, in die gouden reuzen-architectuur, tusschen al die dwarrelende menschen en dan vindt men Maureschi mooi, als men kan, met zijn hooge falset-stem, die toch altijd het kristallijne der vrouwlijke sopranen mist, en mij altijd toeklinkt als van een chanteuse légère op haar retour.
En heeft men dan het Miserere gehoord, dan mag men Rome verlaten, zelfs al is het Eerste Paaschdag en zelfs al kijken al uwe kennissen u verwijtend aan, omdat ge niet méer kerkmuziek gaat hooren. En toch, al hangt mijn hart nu niet zoo sterk aan Rome, ik verliet de stad toch, na drie dagen, met eene aandoening. Want als men rechtstreeks van Athene komt, is het dan geen genot en geen geluk in Italië terug te zijn en zich te laten bederven door al de charme der Italiaansche gentilezza? Te gaan naar Italië is een délice, er te zijn ook, maar er terug te keeren is misschien het hoogste genot. Na al het sombere, schuin-starende, wantrouwende der Albaneezen, is het een dubbel pleizier weêr overal op uw weg te ontmoeten den Italiaanschen glimlach met de Italiaansche hartelijkheid. Hoe ze het zijn kunnen, zoo hartelijk, tegen al die vervelende vreemdelingen, die over hun mooi land zwerven, ik weet het niet. Maar ze zijn het en geheel uit hun hart, komt dat voor, en den glimlach, waarmeê zij u ontvangen, schijnen zij genomen te hebben uit hunne zonneschijn. Ik geloof niet, dat ik anders veel generalizeer, maar de Italiaansche hartelijkheid generalizeer ik gaarne, en gaarne zeg ik: Italianen zijn hartelijk en over hun land waait een adem van sympathie en in hun hart woont de liefde voor hun naasten...
En mij waait die adem van sympathie vooral in Florence toe. Ik weet niet, wat dat bijna is, om het in woorden te zeggen; ik weet bijna niet sympathie te verwezenlijken in taal. Maar het is dit: zoodra ik weêr ben aan het station van S. Maria Novella, ben ik thuis. Zoodra ik weêr hier ben, in dit stille paleis, ben ik thuis. Beneden woont de markies Niccolini; in zijne kelders verkoopt hij zijne wijnen en olieën; op de eerste verdieping is een spoorwegmaatschappij, waarvan men niets merkt; op de tweede dit pension, waar ik mijne kamer heb, kijkende op den hangenden tuin van den markies; onder den tuin zijn zijne stallen. Links de kleine Via del Moro met al de kleine ramen, in welker omlijstingen een veelvuldig, stil arm leven schemert; rechts de Via de' Fossi, met iets van hare antiquiteitenwinkels, vroolijk nu van de vlaggen om de koningin van Engeland. En wat ik zie uit mijne ramen heeft een intime bekoring voor mij; de kleine, hangende tuin met zijne bloeiende oleanders en den vijver met goudvisschen en het paviljoen, over welks dak ik de huisjes van de Via del Moro zie; de tuin, afgesloten door den muur van weêr het eerste huis der Via de' Fossi, waar iets van fresco's schemert, geen kunststukken, maar toch kleur van bekoring voor mij; en dan de daken, waarvan de lijnen zich verliezen, en de windwijzer in de lucht.... En dat geheele stille stadsgezicht heeft zoo iets innigs, terwijl de zon er over een breede gouden klaarte neêrgooit, dat ik me betrap op de gedachte, dat ik hier gaarne zoû willen wonen, zoû willen blijven.... Het is dan een stille sentimentaliteit, die in mij opkomt, een week gevoel, een vreemde rust, en ik herinner mij zoo een dergelijk gevoel gevoeld te hebben, toen ik las Töpffers Bibliothèque de Mon Oncle, alsof ik ook in die bibliotheek had willen wonen, vanwaar men op een stil stuk van oud Genève zag, een plek, die ik, in September, expres daarom ben gaan zien.... En dat alles is zoo vreemd, en klinkt, in woorden, zoo nuchter flauw, omdat ik het eigenlijke toch niet zeggen kan. En dan ook de oude Zwitsersche dame, die het pension houdt, en altijd in den kleinen hall bij de deur der étage aan hare schrijftafel en in hare boeken zit; de kleine, dappere, vrome dame van twee-en-zeventig jaar, die veel te goed is voor hare locataires, en daarom zeker nooit rijk is geworden, en die mij ook al bederft, en, wie weet, dat misschien niet zoo zoû doen, als ze wist, dat ik _Noodlot_ geschreven had.... Maar nu weet ze alleen maar, dat ik schrijf en niet, dat ik gaarne ter analyze iets nerveus' en morbide's zoek, en ik wacht mij wel het haar te vertellen....
En dit alles is, niet waar, erg sentimenteel, maar ik laat het dit zijn, want het is van een groote bekoring, en zoo gaarne zoû ik die bekoring laten duren, maar dat kan niet, omdat een leven niet is éene bekoring alleen... En nu reeds kan ik treurig zijn als ik bedenk, dat ik hier over tien dagen vandaan moet, en dan hier misschien terug keer, wie weet, nooit meer...
Ik heb hier zeker voorbestaan. De groene Arno, waaruit de grillig bevensterde achterhuizen oprijzen, en de Ponte Vecchio, en de Piazza de' Signoria met het Palazzo Vecchio en den Duomo met Giotto's marmerjuweelen campanile, dat alles ken ik van heel vroeger, van eeuwen her. Onlangs heeft mijn meester, Prof. ten Brink, gezegd, dat ik, als kind, wel den sleep had kunnen dragen van een Venetiaansche dogarezza, maar als ik ooit, in een voorbestaan, page ben geweest, dan ben ik het niet in Venetië geweest, maar in Florence, en misschien wel aan het Hof van Lorenzo il Magnifico, in het Palazzo Riccardi. Want in het Palazzo Riccardi voel ik nog altijd een zeer bizondere emotie; ik meen in de kapel der Medici's, die Benozzo Gozzoli beschilderd heeft. Die fresco's behooren voor mij tot het schoonste, dat men in Florence zien kan, niet het schoonste van religieuze stemming, maar het schoonste van mondain vertoon.
Op de drie muren der kapel ontrolt zich met al de luxe van Lorenzo's hofstoet zelven, de optocht der Drie Koningen naar Bethlehem. Het landschap schijnt eene aaneenschakeling van tuinen en wijde jachtterreinen; de drie koningen, op hunne monumentale paarden, witte met goud gecaparaçonneerde schimmels, zijn portretten: Lorenzo zelve; de keizer van Byzantium, Giovanni Paliolologa Michele; en de Grieksche Patriarch; de beide laatsten toen te Florence om de belangen der Kerk. [5] De vorsten zijn omstuwd door schitterende cortèges; in het cortège van Lorenzo reien zich al de portretten der toenmalige Medici's met ook dat van den schilder zelven.
Vooral wonderschoon zijn de figuren van den toen twaalfjarigen Lorenzo en zijne pages en schildknapen; ook de Byzantijnsche keizer, in zijnen langen goudgebloemden, brokaten wapenrok, op zijn goud-getuigd paard, is van eene hooge Renaissancebevalligheid. Het geheel heeft niets orientalisch', maar is een schitterende afspiegeling van het Mediceïsche leven in en bij het Palazzo Riccardi zelve, afspiegeling van een Mediceïschen jachttocht met luipaarden aan kettingen, het geheel zich ontrollende door het wijde landschap op de drie muren, terwijl ginds, in de hoogte, den heuvel opklimmende, zwaar beladen kameelen alleen schijnen te herinneren aan wat de prachtflonkerende compozitie voorstelt: de optocht der Drie Koningen, die schatten brengen van myrrhe en goud aan het Heilige Kind van Bethlehem.
Vroeger schijnt de kapel geen venster gehad te hebben, met kunstlicht beschilderd te zijn geworden, met kunstlicht altijd beschenen. Want waar nu het venster is, was vroeger Maria's Aanbidding van het Kind door Filippo Lippi--nu in de Academia,--op de vierde muur dus, waarheen de optocht zich scheen te begeven.
Maar wel zijn op de inspringende zijmuren van het venster, links en rechts, nog de tuinen van het Paradijs, met de zingende en aanbiddende engelen, van Gozzoli. En even als de optocht zeer wereldsch is, is dat Paradijs wereldsch. Die tuinen met pauwen--éen engel voedert er een pauw--zijn weêr de tuinen van een Mediceïsche villa. De engelen zijn fabelwezens, met bont-schitterende vedervleugels, met rijke draperieën, met het Adoramus van hunnen zang, geschreven in hunne diadeemachtige aureolen. En toch, neemt men dit mondaine Paradijs voor een oogenblik in vrede aan, dan vindt men het van een verblindende schoonheid. Die aanbiddende en zingende engelen bewegen zich vol harmonie en leven, en schijnen te stralen van een onverbleekbaar, eeuwig koloriet. En noode mist men het Voorwerp van hunne glorificatie, het Kind, waarheen de koningen zich begeven, en dat, vroeger, daar, aangebeden werd door zijne Moeder, waar nu het daglicht binnenvalt, dat de custode vangt op reflectors, om het te doen schijnen op tafereel na tafereel, op groep na groep, op gelaat na gelaat, tot alles begint te leven met zijn fabelleven, subliem tableau-vivant; alsof de Medici's er mimeeren het aanbiddellijke verhaal van de koningen, die kwamen knielen en geschenken bieden aan het Kind.
Over Florence, over de Arno heen, verbindend hare beide boorden, bloesemt een paradijs van kunst: ik meen de twee paleizen der Uffizië en Pitti, die de portrettengalerijen boven de Ponte Vecchio verbinden tot een ontzaglijk geheel, iets unieks van uitgebreidheid en van artistieke waarde. Uit de Uffizië domineert men geheel Florence; uit de zaal der antieke meesters ziet men op San Miniato en Santa Croce; uit den zuidelijken corridor op den Dom en het Palazzo Vecchio, en ook op de Arno en de Ponto Vecchio. Met die uitzichten verwezenlijkt men zich geheel Florence...
Door de vestibule, waar de beroemde marmeren ever is, gaat het eerst naar de oostelijke galerij, waar een mijner heiligste doeken hangt: de Annonciatie van Simone Martini en Lippo Memmi, van Siena. Als men bedenkt dat dit stuk dateert van 1333, evenals de fijn-religieuze heiligen St. Ansan en St. Julia, die er aan beide zijden hangen, dan realizeert men gaarne de verblindende perfectie der Sieneesche school, ook vóór de eigenlijke Renaissance.
Door deze galerij treedt men de Tribuna binnen, eene kleine, achtkantige zaal, met een plafond van op blauw ingelegde parelmoêrschelpen: eene zaal als een byouteriekist, opgestapeld en, misschien te veel, met schilderkunst en sculptuur, alsof het er vol is van juweelen, en de edele steenen er door elkaâr rammelen en de parelsnoeren er uit neêr hangen. Er zijn daar de Mediceïsche Venus, gevonden in de villa van Hadrianus bij Tivoli; een sater, die dol de pedalen trapt; een compacte groep van twee worstelaars; een Scyth, die zijn mes slijpt om Marsyas te villen... Van Rafaël het portret van Julius II, de Madonna del Cardellino, een jeugdige Johannes; van Titiaan twee liggende Venussen, geheel Venetiaansch van koloriet; van Dijk, Correggio, Veroneze; een prachtige Perugino; een meer gesculpteerde dan geschilderde H. Familie van Michelangelo; een zeer schoone Epifanie van Albert Dürer, het kind treffend door een heerlijk naïf gebaar, waarmeê het grabbelt in het juweelenkistje, dat een der oude koningen reikt; dan Guercino, Dominichino, Rubens en Fra Bartolomeo... Dat alles is te veel en te veel schitterend op elkaâr; het glanst er tegen elkaâr in; het is er geen muzeumzaal, maar een byouteriekist. Het is er meestal ook vol kijkers, vol kopiïsten, en het is er heel moeilijk zuivere impressie's te krijgen, ook al keert men er nog zoo dikwijls terug.
Om de Tribuna heen schitteren de zalen der Toskaansche, Venetiaansche en Lombardische scholen; die der Hollandsche, Vlaamsche en Duitsche scholen; de zaal van Botticelli...