Chapter 3
Zie hem te Milaan in zijne Sposalizio, te Florence in zijne madonna's en portretten, te Rome in zijne Stanza's of Loggia's, of arrazzi; in de Farnesina of in de Sibyllen van S. Maria della Pace of in de Transfiguratie van het Vaticaan; en het zijn karakterwisselingen en -schitteringen als van steeds andere facetten, in steeds andere lichten, en niet alleen te verklaren door de drie periodes, waarin men zijn schilderleven onderscheidt. Hoog sympathiek zijn al die wisselingen mij niet, want ik zie altijd in Rafaël iets van een genialen faiseur: een artist, die heel veel en gemakkelijk kan, en alles glimlachend doet en beminnelijk. Ik heb hooger achting voor Michelangelo, met zijn streven naar het onmogelijke en zijn vechten met het marmer; ik zie in geen enkel kunstenaar zóoveel menschelijks en heroïsch samen. Maar de Sposalizio is mij minder waard dan welke schilderij ook van Perugino, dan welk stukje kunst, die heilige kunst van Perugino--al was hij zelve ook niet zoo heel heilig--omdat imitatie van manier, hoe perfect ook, toch altijd secondair blijft. Hoog bekoren mij het magistrale portret van Julius II, in de Uffizie, en de glanzig kuische en goudschoone Madonna del Gran-Duca in het Palazzo Pitti, maar in de Madonna del Cardinello vind ik het Jezuskind bepaald dik-leelijk en den voet, die op den voet der moeder staat, niet minder dan wanstaltig, en de Madonna della Sedia houdt telkens en telkens iets prenterigs voor mij, tegelijk met iets ra-terre-'s....
De goddelijke glorie van Rome zijn al hare antieke marmers: de weêrgalooze muzeums in het Vaticaan: Pio-Clementino, Chiaramonti en de Braccio Nuovo, waar allen zoo heerlijk ruim staan, alsof de eigen atmosfeer dier nu verminkte en ontheiligde goden nog om hen heen waait, en bij deze unieke verzamelingen sluiten zich de collecties aan van het Kapitool, van het Lateraan, van Borghese, van Ludovisi en van de Termen van Diocletianus....
In Pio-Clementino het eerst de zaal van het Grieksche Kruis: de antieke mozaïeken op den vloer; de kolossale zacht gespikkelde en purperende porfieren sarcofagen van de moeder en dochter van Constantijn den Groote, en vooral de aanbiddelijke Afrodite, naar die van Knidos van Praxiteles, met hare oogen van innigheid, en haar glimlach van innigheid, met hare zacht goddelijke lieftalligheid, die dichter tot ons menschen nadert dan de hoogere majesteit der Venus van Milo. Al heeft men ook hare benedenvormen verborgen achter eene barbaarsche draperie van geslagen ijzer, dat wit is gemaakt, zij is nog schoon, zoo innig, lief mooi nog, dat men haar schijnt te mogen aanbidden van heel dichtbij, zonder profanatie van hare goddelijke essence, en bij die innige mooiheid schijnt de Mediceïsche Venus--in de Tribuna te Florence--geaffecteerd en pretentieus...
En nu verder te gaan wordt louter genot voor de ziel, die zich vol gebeeldhouwde impressie's opstapelt.... In de Rotonda, in het midden, de porfieren reuzencoupe uit de termen van Diocletianus; ginds de Juno Barberini, maar zij roert me niet zeer; ze lijkt te veel op de jonge prinsessen van Wales.... Maar dan, naast haar, Antinoüs, zijne buste alleen, zijn kop van schoonheid en vol raadsel.... De nek jong krachtig en geserreerd; het gelaat beeldschoon Grieksch, de haren laag tot op het voorhoofd, in rechte krullen dan vallende achter.... En de oogen, de oogen vol weemoed, vol raadsel, vol vragen aan het leven: waarom die smart, omdat ik mooi ben; die oogen vol peinzens over het onoplosbare; die mijmerblik, waarin geheel de sfinx schijnt weg te schuilen; die straal van levend marmer!
Naast hem, tevens aan de voeten van den goudbronzen Herkules, de kop van Adrianus, maar niet zoo treffend en te veel als opgemaakt, te netjes, en uit zijne oogen de antwoordblik niet op dien van mijn Antinoüs....
Maar dan nog eens hij, wiens schoonheid zijne essence was, de essence van zijn leed en zijn geluk: Antinoüs, vergood, verheerlijkt door zijn keizer na zijn dood, als Bacchos, gekranst, den tursos in zijn hand....
En op die menschelijkheid, tragedie van twee zielen, blikt neêr de Zeus Otricoli, als in een al begrijpend, olympisch medelijden....
In de Galleria delle Statue treft mij het meest de verminkte Eros naar Praxiteles, zonder armen en zonder beenen, en daarom zoo pijnlijk, zoo armoedig, als eene gemartyrizeerde godheid, maar zijn kop is intact, het haar wat opgebonden in een strik op het hoofd van voren.... Eene onuitsprekelijke peinzing in de neêrkijkende oogen, waarin bijna iets trilt van wroeging, omdat hij de liefde is en het leed geeft aan de arme menschen; en dan tevens dat aanbiddelijk noodlottige van geheel zijn armelijk verminkt wezen, alsof hij stil fluistert: ik kan niet anders en ik moet zoo: vergeef me.... En zijne ziel, de zoete ziel van dat stuk marmer is zoo iets zoets, zoo iets diep-in levends, dat mijne oogen vochtig worden, als ik hare openbaring opmerk, en dat ik hem zoû willen troosten, en hem zeggen: het leed, dat je geeft: het is het geluk, en de arme menschen, ze willen het niet missen, nooit....
Het is heerlijk daar te dwalen, en hoe langer men dwaalt, hoe levender de marmers worden, in hunne atmosfeer, tegen hunne purperende achtergronden, met hier en daar de prachtige baden van zwaar, rood-geaderd albast, en de zetels en coupes van rosso antico, en de marmeren bas-reliefs tegen de muur.
In de vier kabinetten van het Belvedere, de Laöcoon, de Apollo, de Mercurius en de Perseus en Vuistvechters van Canova.... De Laöcoon heeft mij niet zoo machtig geroerd, misschien omdat ik in een beeld meer getroffen wil worden door eene psychische stemming, dan door eene te dramatische activiteit, die de bekoring van het stille marmer voor mij te veel tourmenteert.... Van den Apollo verwachtte ik ook geen ontroering, omdat de blik er op zoo geënerveerd is geworden door duizenden slechte copies, en toch de Apollo zelve is van eene hoog geïnspireerde uitdrukking, waarvan de apotheoze straalt uit zijne oogen; zijne vormen echter hebben iets schraals en gewild elegants....
Canova is in zijne Vuistvechters van eene kracht, die verbaast als men hem zich herinnert in al zijne teederheid. De vormen der twee kolossale gladiatoren zijn van de grofste gespierdheid en blijven toch schoon, maar het is de schoonheid van twee prachtige beesten, zonder ziel.... Het is de massieve schoonheid van enkel forsche mannenkracht in het geweldigste van hunne viriliteit; de gezichten fronsend als woedende beestenkoppen, met woedend vlammende oogen en spalkende neusgaten, die snuiven... Onwrikbaar staan ze beiden geplant op hunne zware voeten, waarvan de groote teenen zich sterk uitdrukken tegen den grond aan; de een getast op zichzelven in de concentratie van alle zijne spiermassa's, waarvan zijn rug, zijne armen en beenen tot springens-uit-elkaâr schijnen op te zwellen. Hij staat in de massieve houding van die een sprong wil doen, de armen aan het lijf, de omzwachtelde handen met vingers aan elkaâr, reeds uitgestoken, als om beet te pakken zijn vijand, onder de armen...
En de ander, geheel naar boven opgerekt, ook straf op de beenen, de sterke voeten gegroeid aan den grond van louter kracht, zwaait den eenen arm omhoog tot zijn mokerslag, die af zal weren, en de vierkante vingers van zijn andere vuist drukken zich in elkaâr van stierenwoede...
En vreemd tusschen hen beiden, contrast, op den achtergrond, heft, etherischer strijder, de slanke Perseus een Meduzakop omhoog...
Maar van het Belvedere is de Hermes de hoogste schoonheid. Vroeger werd hij een Antinoüs genoemd, maar al de Antinoüskoppen vertoonen de zelfde gelijkenis als fotografisch, en deze Hermes heeft het echte Hermessengelaat, zooals de ideale Hermes van Praxiteles het ook heeft: het smalle proëminente voorhoofd van fijn verstand, de eigenaardige oogen van intelligentie en intelligentie vooral de essence zijner schoonheid. En die schoonheid is zoo wonder, zoo louter, dat zij onuitsprekelijk wordt en de woorden gaan bezwijmen bij zijn aanblik en men slechts in stilte bewondert, omdat alle woorden vaal zouden klinken bij de zijne, als hij de schoone lippen openen ging en zeggen zoû zijne eigene woorden, van goddelijk vernuft...
Langs den kolossalen Herkulestors door het Chiaramonti-muzeum, maar hoe schitterende marmers de lange galerij ook verzamelt, men is er een weinig moê na al het hoogschoone van zoo even.... Ik herinner mij er toch vele:
Een Eros, die zijn boog spant, in eene losse houding van mikken; een Niobide, alleen romp, geen hoofd en geene voeten en toch vol vlucht in de loopende beenen, die gedrapeerd zijn, en zoovele interessante archaïsche stukken... Toch is het een rust er wat vlugger door te loopen, naar den Braccio Nuovo, en daar, tergend ver en toch treffend dadelijk, schittert de Apoxuomenos van Lusippos me toe. En ik moet altijd eerst naar hem, zonder links of rechts te zien... En toch, daar staan de keizerlijke Augustus, een typische Domitianus met een laagwreeden kop; de Dorufoor, de Canon van Polukleitos, copie natuurlijk, evenals zijne Amazone; en dan links een reeks athleten en rechts een troep van verschillende saters, die gieren van leven en vroolijkheid. Maar de Apoxuomenos lokt nader en nader....
Het is een beeld, waaruit eene complexe moderniteit van idee schiet. Een athleet, maar fijn van leden, de beenen zelfs slank en de voeten heel lang en tenger; de rechterhand is uitgestoken en twee vingers er van houden een dobbelsteen, die zij juist willen laten vallen.... Maar machinaal gaat de andere hand door te schrappen met den schrapper de olie van zijn onderarm, den balsem, waarmeê hij zijne leden had gewreven, voor lenigheid. En in zijn beeldschoon gelaat van eene dwepende, modernere schoonheid--en het zelfde gelaat van Lusippos' rustenden Ares in Ludovisi--staren zijne mijmeringen uit, als denkt hij niet aan zijn schrappen, dat gaat van zelf in de machinale beweging van het steeds-zelve-doen; als denkt hij alleen aan wat hem zeggen zal de val van den dobbelsteen: zijne overwinning.... of zijn nederlaag....
En hoog boeiend in de gewone realiteit van zijn eenvoudig doen, van zijn reinigenden uitgestoken arm met den sikkelvormigen schrapper, is hij; omdat zijne prachtige oogen blikken van eene geheel andere gedachte en uit zien naar zijne dadelijk nabij zijnde athletentoekomst, waaraan hij wil gelooven, zoodra de teerling valt.... [4].
De marmers van Rome zijn talloos en wonderschoon. De pen, die hier schrijft, is een vlugge pen, de pen van een brief uit den vreemde, die even trekt eene impressie van herinnering; ze schrijft geene apodiktische, aestethische studie van sculptuur. En ze tikt aan, en tikt aan, vlug, en hare woorden vallen neêr en willen niets geven dan de reflets dier indrukken zelve. Ze weet niet, hoe ze ze allen zal melden, mijn marmers, die ik liefheb....
Een der machtigste gebeeldhouwde impressie's, als gedrukt met een zegel op de ziel, geeft mij de stervende Gladiator van het Kapitool, de barbaar met het ruw-mooie gezicht en het steile haar, en met de stervens-emotie in de oogen.... De galerij aldaar van de keizerbuste's is vol verrassingen; Caracalla prachtig typisch; Caligula een heerlijk mooien, intelligenten bazalten kop, die alles verwart in het brein wat men van Caligula las; Heliogabalus, leelijk en geheel niet gevend de charme van den vrouweschoonen zonnepriester; en Nero, ook niet dàt, evenmin als in het Vaticaan waar hij gelauwerd staat.... Ik herinner me de charmante kinderkopjes van Nero in de Uffizie, vol van de alleraanvalligste jeugd!
En ik wil nog eindigen hiermeê: zoo ge in Rome komt, ga naar de Termen van Diocletianus. Er zijn prachtige beelden, een rustende vuistvechter van brons, een koploos lichaam met gebogen knie van toch nog hoog harmonische schoonheid, maar er is een kopje....!
Een slapend kopje van bijna goudgeel marmer, afgeslagen aan den hals, en liggende op een fluweelen kussen, voor een venster, waardoor het licht er dommelschaduwend op valt. De neus is wreed verminkt, als weggevreten door een kanker.... Maar de oogen, als onder een floers van doorschijnende oogleden, leven in de sluimering. De mond haalt adem. En niets is tot ademloosheid toe treffender--om niet wakker te maken--dan die indruk van innige sluimerschoonheid van dat aanbiddelijke amberkleurige vrouwekopje, met haar geschonden neus!
V.
MICHELANGELO'S CUPOLA.
Een langzaam opglooiende ronden steenen weg eerst, als eene kronkelende viale, die ingebouwd is door een reusachtige steenmassa. Dan een groote wenteltrap als een reuzenkurketrekker...
En het dak van St. Pieter breidt zich uit, een dak als eene stad, want, als kerken, rijzen er overal koepels omhoog, waartusschen zich wegen verliezen, en, eene kathedraal zelve, verheft zich voor me de cupola...
Eene hangende stad, hangende over de wereld beneden haar: Rome. Maar de stad is desolaat, het gehamer van werklieden weêrklinkt er...
Trappen weêr, eerst buiten, de cupola langs, dan binnen hàar. Een deur opent zich, op eene galerij...
En de immensiteit van den koepelafgrond gaapt aan mijne voeten. Boven mij welft het zich nog met de welvingen der reuzenmozaïeken. Maar aan mijne voeten, even onder de lijn van mijn oog, breidt zich de duizelingwekkende schijn-ellips uit van den koepel zelve, met de reuzenspreuk: Tu es Petrus et super hanc petram aedificabo ecclesiam meam et tibi dabo claves regni coelorum.
En die schijn-ellips is subliem, omdat de rondte, die zij in waarheid is, gemaakt werd door menschen en ongelooflijk is, van eene onwaarschijnlijke realiteit.
Heel beneden zwemt de middenruimte van de baziliek als een heilige afgrond, en een geruisch als van golvende zee, als van duizenden echo's, fel bewogen lucht, zoemt suizende op, uit die diepte, die toch beneden eene doodstille kerk is, waar slechts ver, in ééne kapel, wat wordt gepreveld...
Weêr trappen en trappen altijd, vluchten van nauwer wordende steenen trappen... Maar rissen van lachende seminaristen, die boven zijn geweest, rennen er af; uit alle hoeken zwermen zij neêr, als mieren.
Hunne stroom is voorbij. En nu weêr de trappen, die trappen tusschen den buitenkoepel en den binnenkoepel, al de trappen die naar de lanterna leiden... En eindelijk, uit de benauwdheid der nauwer en nauwer wordende blauwe houten trappen, in de lucht, in de ruimte, op de galerij om de lanterna...
Ik zoû mij kunnen begrijpen, dat een seminarist--een van die, welke mij daar juist voorbijzwermden--zoo er eerzucht in hem was en genialiteit, op die galerij, eene zwellende emotie had gevoeld.
Want Rome, de wereld, lag beneden hem, en hij troonde boven Rome, hij stond op een rand van Rome's heilige tiara, en alles was lager dan hij, alleen de hemel niet, de zon.... En het moest in hem opkomen, dunkt mij, dat alles te willen veroveren en dan te heerschen....
Over de stad, die de Albaansche bergen en de Abruzzen insluiten, drijven de middagnevelen, en wemelt het middagwaas, dat de zon optrekt als met gordijn na gordijn... En aan den anderen kant deint zich onmetelijk de desolate campagna uit en daarachter schemert de verre zee...
De tijd gaat voorbij, het is jammer hier van daan te moeten. Een zwellende blijdschap, dat de wereld zoo mooi, een zwellende trots, dat de mensch zoo titanisch kan zijn, om tòch Babel op te trekken, omhoog tot het einde van den dampkring, kluisteren hier....
Twaalf uur. Ginds, van de ronde massa van Castel San Angelo, gaat een dikke, witte wolk geluidloos plotseling over den Tiber heen. Dan davert het schot, dat den middag meldt, en kaatst als tegen de bergen aan en kaatst dan weêr terug...
En de klokken van Rome trilleren ver, klateren dichterbij, zingend hoogschel uit hun brons en metaal, en onder mij, zwellende op tot mij hun goudenen slag, daveren een voor een, in langzame majesteit, de twaalf donderslagen van St. Pieter zelve...
Jan. '94.
VI.
VIA APPIA.
Eindeloos gaat de antieke weg, komt van Rome, dat reeds ver ligt en gaat tot in het eindelooze door, naar de Albaansche bergen, die ginds in den zonmiddag waasblauwen en zelfs witgloeien, in den zachten winterzonglans.... En uit de transparante lucht, boven de ver uitgespreide campagna, valt drukkende neêr de melancholie van die antieke eenzaamheid....
Verder weg, links, loopen de oude, telkens verbroken aquaducten met bogen na bogen weg, en verliezen zich, tusschen de steeds smaller wordende perspectieflijnen van hunne boogsprongen, in het blauwige middagwaas der verschieten....
Aan den weg de ruïnes der antieke sepulturen met de stukken marmer en de busten van wier asschen daar rustten.... En ze zijn allen verdwenen, al hebben ze eens geleefd in Romeinsche oudheid, al hebben ze eens hunne levens gehad, met al wat het leven geven kan....
Drukkender, den adem benemend, en zittende als een spook op de borst, zinkt de melancholie zwaar neêr....
Dichtbij, langzaam, zich nauwlijks bewegende, weidt een herder,--in schaapsvellen en langen mantel, langen stok in de hand,--zijne schapen en hij is van een warm bruin tegen het waas van den blauwen middag.... Bij eene oude, kleine pachthoeve,--een hooge steenen trap gaat naar boven--praaten een paar vrouwen, de eene op de trap, de andere op den weg melodramatisch gebarende naar boven, en schel vlakken de penseelvlakjes van hunne roode en gele rokken en witte doeken in het waas van het dommelende licht op....
Rechts de eindelooze wijdte, ernstig, desolaat in de zon. Troepen van bersaglieri, dragende den zwaren ransel, die zij verschikken telkens, op den rug, en, in de hand, het geweer, komen aan, loopen los van elkaâr, om ergens te kampeeren. Romantisch wapperen hunne zwarte vederbossen, afhangende van den ronden hoed, die schuin staat....
En eeuwig schijnt de weg te gaan, eeuwig in vreemde zonmelancholie....
Jan. '94.
VII.
BRIEF UIT NAPELS.
Napels, Febr. '94.
Milaan, een groote stad als in het Noorden, toen ik ze zag voor het eerst, des avonds, in grijze mist, waardoor de lantarens schenen als Londensche lantarens, en met een cosmopolitische grandeur, die men ook in Stockholm vindt.... Genua, de haven, en aan den rand van de zee, langs de arcaden der oude paleizen, het bonte leven van allen, die aan de zee werken; maar vooral de paleizen, de nauwe straten van paleizen, en de nauwere kleine straten, donker hoog in den avond, met hier en daar een lichtje, als rooverholen.... Dan langs de zee, door een lange reeks tunnels, die telkens het licht onderscheppen; maar in het licht, iets van wat we het Zuiden denken: blauwe lucht en daartegen groote aloës met bladeren als blauwachtig metalen zwaarden, en gouden gespikkel van mandarijnen.... Spezia, de kleine haven; Pisa, de doode stad: tusschen de wijde straten en verlaten paleizen zweeft de schim van vroegere macht en rijk Italiaansch renaissance-leven, zweven de schimmen der Torelli's, en, als op eene grassige vlakte houden zich de wonderschoone Toskaansche dom en de scheeve Campanile en het Battisterio en het antieke Campo-Santo dicht bij elkaâr.
En zoo naar Florence, zoo was mijn eerste route, nu juist, op den dag af een jaar geleden; en mijne tweede, nu, van Milaan naar Parma, het bekoorlijke kleine Parma, en als ik aan Parma denk, zie ik altijd den vroolijken cour van een Italiaansch hôtel; alle verdiepingen komen er met galerijen op uit en op eene galerij speelt een trio: de cour is vol Italiaansche officieren, die luidruchtig dineeren--manoeuvres zijn in den omtrek--en ze vullen den cour met hun los-flinke elegance van losse soldateske beweging, als van luchtige kracht... Als ik aan Parma denk, zie ik dien cour, die eene scène was als uit Carmen en ik zie ook Correggio's ideaal eetzaaltje der abdis van het Convent van St. Paul: de gekoepelde treille met open medaillons, waardoor de lucht schijnt te blauwen, en putti, die er uit neêrkijken en bevallige schilderingen van sluiers, waarin borden en ramskoppen, en op het mantelstuk van den schoorsteen de mooie, mondaine abdis Giovanna van Piacenza zelve, in het gewaad van Diana...
Modena, altijd met mijn levendig klein Parma genoemd in één adem, maar dood, een stad van doode arcaden. En Bologna, de wijze stad van geleerden ernst, la docta, met hare twee scheeve torens, haren ouden San Petronio en haar modern straatgewoel, en dan Florence...
Maar over Florence kan ik niet ter loops schrijven: er hangt te veel van mijn hart aan die stad: alleen, ze is nog altijd niet geheel het Zuiden der fantazie: de Arno kan gloeien in de zon, maar koud, hoog en somber duisteren de kleinere straten en strak en streng zijn de paleizen, Pitti Strozzi, Riccardi, als uit rotssteen gehouwen.
Om Siena heen, het op en neêr kronkelende Siena, de fijne Italiaansche landschappen, met de dof zilverende olijven, die flauw-fijntjes schemeren tegen de niet al te blauwe, als opalen koepels; het landschap, zooals Perugino het heeft in zijne onuitsprekelijk schoone kruisiging van S. Maria Maddelena de' Pazzi, in Florence...
Maar het eerst trof mij het Zuiden in Rome; nergens nog was de lucht geweest zoo transparant, maar ook zoo blauw, en moorsch bijna sneden er de witte en roomgele lijnen van gebouwen op af, en de Pincio wàs het Zuiden! En toch, Rome was maar nu en dan het Zuiden, maar Napels, dat is het! Het ideale Zuiden van de fantazie: de zee blauw als zee maar blauw kan zijn: de punt van Sorrento en Capri schemerig omlijnd--van louter licht--in de verte; de Vezuvius, de berg vol inwendig vuurgeheim, en steeds met zijn op- en opkronkelenden witten wolkpluim, die zich in eene langzame, grijze zweving verijlt naar Capri heen; Castellamare schitterend vierkant geplekt in het waas-blauw der verre bocht en het Castel dell' Ovo, vestingsterk en massief in het water, als eene realiteit zich scherp kantende in den droom der lichtwaastinten.... En, verder af, ziende van af de Chiaia, de palmen der Villa Nazionale, schelgroen tegen de blauwe zeekleur bladeren aanzettend; de marmeren beelden.... En verder weêr, de Villa del Popolo en de strada Santa Lucia en de strada Nuova, met die intense zuidkleur van het volk der Napolitaansche kaden, alsof hun leven er is als een weefsel van oud versleten brokaat van het Zuiden, waarin de schelle kleurvlakken van het rood en het blauw en het geel en het goud door stof en vuil verrot zijn tot schitterrafels met metaalreflets, die in het diffuze zonlicht telkens opflikkeren en gloeien in abjecte schoonheid....
Dat leven van kleur als oud brokaat gaat door naar San Giovanni a Teduccio, Portici, Resina, Torre del Greco, alles aan elkaâr gebouwd en aangekleefd, alsof de lava, die er eens gevloeid heeft, en er versteend is aan de huizen, er het leven bij elkaâr plakt. De Vezuvius altijd links, met steeds duidelijker wordende kraterlijn en, kookende als stoom, steeds de dikke, witte wolken krullende uit zijn geheimenis.... Links de zee, met de punt van Sorrento, een landschap uit een droom in opalen waas-tint, waarin oneigenlijk enkele bootjes de zeilen doopen; en die zee, nu en dan maar zichtbaar, over een muur, of door de open poort van een villa en haar tuinperspectief heen.... Dan de weg naar Torre Annunziata, keiachtig en stoffig; bossen van op elkaâr bladerende cactussen tieren aan de muren.... Het rijtuigje hotst vliegende door en langs dat alles heen, eerst als door een weefsel van reëele, tastbare kleurschoonheid, en dan als door eene fantasmagorie van onbestaanbare tinten. Want er is in geheel de atmosfeer om Napels iets dat aan onbestaanbaarheid doet denken, of er een aroom uit rijst der Duizend-en-Een-Nachten....
En door dien morgendroom bereikt men Pompeï. Tusschen twee kleine hôtels gaat de weg naar de ruïnes; overal gidsen, gegalonneerde jongens van Cook; muzikanten, die op cithers dwepen; bedelaars als oude gentlemen in onmogelijk gelapte jassen; kinderen, de billen uit den broek, of alleen in een hemd, die een stukje steen oprapen en je naloopen met: antiche, antiche....: een aplomb, waar je altijd weêr om lachen moet....
Na den ingresso gaat de weg als door een desolate villa heen. Dan het eerst de Porta Marina en de doode stad ligt zichtbaar....