Reis door Tunis en Algiers De Aarde en haar Volken, 1906
Part 1
Reis door Tunis en Algiers
Door
M. G. Brondgeest.
Voor ons Nederlanders, bewoners van noordelijke koude luchtstreken, hebben de woorden "het Zuiden, de Middellandsche zee" een betooverenden klank. Zij doen ons zoo denken aan schitterend zonnelicht, aan koesterenden zonnegloed, waar wij vooral in den winter met zijn korte, vaak zoo sombere dagen zoo reikhalzend naar kunnen verlangen. Ook onvergelijkelijke kleurenpracht, bonte kleederdrachten en sappige zuidvruchten roepen zij voor onzen geest. Wie, al is hij nog zoo hokvast, heeft niet eenmaal in zijn leven het verlangen, eenige weken in het diepe blauw der Middellandsche zee te staren, aan hare schilderachtige kusten te droomen en te dwepen? Welke zee, met al de kuststreken, die hare golven bespoelen, biedt den reiziger zooveel natuurschoon aan als de Middellandsche zee, kan op een verleden, op een geschiedenis bogen als de hare? Te vergeefs zou men in dit opzicht haar gelijke zoeken. Tot haar gebied toch telde zij het kleine, met zeldzamen kunstzin begaafde volk der Grieken, welks edele scheppingen zelfs nu nog ons geslacht met bewondering vervullen en voor een deel nooit overtroffen zijn; zij zag dit volk politiek, ja, ten onder gaan, maar op cultuurgebied zijn schoonste lauweren behalen, daar zijn overweldiger zelf het voornaamste werktuig werd voor de verbreiding van zijn hoogstaande kunst en wetenschap over de geheele toenmaals beschaafde wereld; zij beleefde het, hoe een enkele maal haar kusten en eilanden onder één heerschappij, die der Romeinen kwamen, waardoor aan al die kusten de vaan des kruises geplant werd; zij aanschouwde met ontzetting de verwoesting van dit vermolmde en wankelende rijk door de blonde zonen van het Noorden, die het een ander, maar jonger, frisscher, nieuwer leven inbliezen; met onuitsprekelijke droefheid was zij er getuige van, dat het zegenrijke kruis bijna aan al hare kusten verdrongen werd door de troostelooze halve maan; maar ook met groote vreugde, dat het weer een rijk van haar gebied was, het kunstlievende Italië, waar oude kunsten en wetenschappen herleefden; ten slotte werd de halve maan allengs weder van hare kusten verdrongen, terwijl vooral in de laatste helft der vorige eeuw, Westersche beschaving en menschelijkheid de overhand verkregen. Vooral in de landen, gelegen aan Afrika's Noordkust, heeft de Europeesche invloed zich doen gelden en hebben orde en goed bestuur Mohammedaansch wanbeheer vervangen of verbeterd. Engeland heeft zich vooral met het oog op 't Suezkanaal voor goed in het Nijldal gevestigd. Frankrijk, dat zulke groote belangen heeft aan het kustgebied der Middellandsche zee, vestigde in 't bijzonder zijn aandacht op Tunis en Algiers en in den laatsten tijd ook op Marokko. Bekend is de moeite, die Duitschland en in 't bijzonder de Duitsche regeering zich geeft, om met den Sultan van Turkije vriendschappelijke betrekkingen aan te houden en te versterken, teneinde zoodoende den Duitschen invloed in Klein-Azië, Syrië en Palestina uit te breiden. Voor den Europeaan is in die streken een ruim arbeidsveld geopend op het gebied van handel en nijverheid. Het spreekt van zelf, dat verbetering en uitbreiding van het verkeerswezen een der eerste zaken waren, die men met ijver ter hand nam.
Aldus worden ook voor het reizend publiek landen, rijk aan natuurschoon geopend, die tot nog toe slechts door eenige weinige bevoorrechten bezocht werden. Reisbureaux wedijveren met spoorweg- en stoomvaartmaatschappij en om het den reizigers gemakkelijk en aangenaam te maken. Zoo komt het, dat men tegenwoordig in Algiers en Tunis even goed reist als in Europa. Daar wij voor eenigen tijd gelegenheid hadden deze beide landen te bezoeken, is het ons aangenaam er in dit tijdschrift het een en ander van mede te deelen. Wij doen dit ook in de hoop, dat het enkele landgenooten, die anders hun tijd in een dolce far niente aan de Riviera doorbrengen, moge bewegen eens een kijkje aan den overkant te gaan nemen. Zij zullen zich niet te beklagen hebben.
Aan gene zijde vinden zij een prachtige, dikwerf nog maagdelijke natuur, een oorspronkelijke bevolking, oude volkrijke steden en ... geen speelbank, waar zij hun geld kunnen kwijt raken.
Algiers en Tunis, te zamen iets kleiner dan Frankrijk, vormen met Marokko en Tripoli het oude Barbarye, reeds uit de tijden onzer Republiek bekend om zijn zeeroovers. Na onder de heerschappij van verschillende volken, Oostersche en Romeinsche, Germaansche en Byzantijnsche, gestaan te hebben, werd het omstreeks 700 veroverd door de Arabieren. In afzonderlijke rijken gesplitst, bleven de Mohammedanen er meester tot in de eerste helft der vorige eeuw. Tijdens hun bestuur of liever wanbestuur zonken deze landen, eertijds parels aan de Romeinsche imperatorenkroon, hoe langer hoe meer weg in het diepste verval. Het land werd verscheurd door onderlinge twisten der verschillende emirs, beys en stamhoofden, elk spoor van Christelijke beschaving uitgeroeid en in de havensteden, als Tunis en Algiers, troonden vorsten, die hun residenties verrijkten met den buit, welken hun roofschepen daar aanbrachten. Gedurende eeuwen waren de Barbarijsche zeeroovers de schrik der Europeesche koopvaardijschepen, niet het minst der Hollandsche, die hun vlag zoo dikwijls in de wateren der Middellandsche zee vertoonden. Herhaalde expedities en veroveringen hadden wel een aanvankelijk doch geen blijvend resultaat.
Meer dan eens werd de Ruijter uitgezonden om de Barbarijsche zeeroovers te tuchtigen en nog in 1816 bombardeerde een Engelsch-Nederlandsche vloot, onder bevel der admiraals Lord Exmouth en van de Capellen, de stad Algiers naar aanleiding van zeerooverij.
Eerst in 1830 kwam aan dit schreeuwende misbruik een einde door de verovering van de stad Algiers door de Franschen onder generaal Bourmont. Tevens bezetten zij de naaste omgeving der stad.
Maar eerst in 1857 werd de verovering van het geheele land tot aan de grenzen der Sahara door maarschalk Randon voltooid.
Algerië, verdeeld in 3 provincies, Algiers, Constantine en Oran met gelijknamige hoofdsteden, is thans geheel een Fransche kolonie met Fransch bestuur, Fransche wetten en rechtspraak en Fransch bezettingsleger. Tunis is protectoraat. Na herhaalde expedities en verschillende moeilijkheden met den Bey, kwam in 1881 het tractaat van Kasr-Saïd of van Bardo tot stand, waardoor aan de autocratische macht van dezen een einde kwam. De Fransche regeering verkreeg het diplomatieke en militaire bewind, benevens de controle over administratie en financiën. De Bey bleef souverein en regeert in overleg met een gevolmachtigd Fransch minister, die te Tunis resideert; bovendien ontvangt hij van het Fransche gouvernement een jaarlijksche toelage van 1.200.000 frs.
De Franschen, die in Tunis wonen, zijn vnl. burgerlijke ambtenaren, militairen en kooplieden. Het grootste deel er van, ongeveer 10.000 wonen in de stad Tunis, waar dus de Muselmannen met hun aantal van 65.000 inwoners verre de meerderheid hebben. Daarom vindt men aldaar nog het Arabische leven en drijven in al zijn oorspronkelijkheid en heeft de stad voor den toerist vele en belangwekkende eigenaardigheden, die hij in Algerië te vergeefs zou zoeken. Algiers, Constantine, Oran en verreweg de meeste kustplaatsen hebben hun oorspronkelijk cachet grootendeels verloren, zijn bijna geheel Europeesche steden geworden. De Arabier schijnt hier eerder vreemdeling dan inboorling te zijn. Tunis daarentegen is gebleven wat de Arabieren het gaarne noemen: "de bloem van het Oosten."
Het was het eerste doel van onze reis.
Mogen sommige bewoners van Noordelijke streken de reis naar Afrika's Noordkust bedenkelijk ver vinden, met de Franschen is dit niet het geval. "l'Algérie c'est la France," zeggen zij. Trouwens zij zijn ook dichter bij, al bedraagt dit niet veel meer dan een halven dag sporens. Van uit Parijs bereikt men met den sneltrein in korten tijd Marseille, van waar goed ingerichte booten der Compagnie Transatlantique, die ook op Amerika varen, den reiziger in anderhalven dag over de blauwe watervlakte naar Tunis brengen.
Er is veel waarheid in het gezegde van Professor Martins: "ce n'est pas la mer, c'est le mal de mer, qui sépare la France de l'Algérie". Maar men moet de kans van zeeziekte loopen. Hij die op reis tegen eenige moeite en ontbering opziet, blijve liever thuis. Wij troffen het echter bijzonder voor de maand Maart, die gewoonlijk nog al ruw is en volbrachten den overtocht met prachtig stil weer en een schitterende zon. Een verrukkelijk gezicht was het, toen onze boot, de _Ville de Naples_, na het verlaten der haven van Marseille de rotsachtige kust met haar vele eilandjes al verder en verder achter zich liet. Daar de weg door de grootste breedte der Middellandsche zee ging, kwam men weinig vaartuigen tegen, slechts enkele visschersbooten en eenige kleine koopvaarders. Nog waren de kusten van Sardinië niet geheel verdwenen, of reeds kwam de Afrikaansche kust in 't gezicht, bergachtig, met vele eilandjes, en als evenzooveel voorposten van het Mohammedanisme zagen wij hier en daar op de heuvels zich verheffen de gekoepelde, witgepleisterde graven van verscheidene Marabouts (priesters) tot de zon onder de onbenevelde kim dook en de lichten van Tunis ons tegemoet flikkerden. Nog meer dan een uur moest de boot door het Canal de la Goulette, een uitgediepte geul in de ondiepe golf van Tunis varen, voor de aanlegplaats bereikt werd. Het ontschepen ging lang niet zoo spoedig en kalm als het inschepen. Want voor de boot goed vastgemeerd lag, kwamen reeds in verscheidene bootjes de echte, onvervalschte afstammelingen der vroeger zoo beruchte zeeroovers van Tunis opzetten, de witte of gekleurde tulband of de helroode fez scherp afstekend tegen het donkerbruine gelaat. Er waren echte galgentronies onder, die duidelijk den stempel der herediteit droegen en zij waren brutaal als de beul. Spoedig krioelde het op het dek van allerlei bruine kerels, die op de wijze hunner vroede voorvaderen de boot geënterd hadden en aan boord geklauterd waren. Kortom echt zeerooversgespuis, hetwelk den passagiers zijn diensten als pakjesdragers en gidsen aanbood. Met Argusoogen werd de longroom èn de bagage door den hofmeester en de bedienden bewaakt. Bij het aan land gaan begon het ongeluk eerst recht. Want nauwelijks de loopplank over, werden wij omringd door een zestal Arabieren, mannen en jongens, die zich, luid schreeuwende, van onze bagage trachtten meester te maken om ze te dragen. Eenmaal afgegeven, zouden wij er waarschijnlijk nooit veel van terug gezien hebben.
Dat krioelde om ons heen, trok aan onze bagage en kleederen, kroop tusschen beenen en armen door en schreeuwde ons toe in een natuurlijk onverstaanbaar Arabisch. Zoo goed als wij konden verweerden wij ons tegen de aanvallers tot een Turco, een tolsoldaat, en de gids-tolk van het hôtel waar wij kamers hadden besproken, ons van hen verlosten. De laatste bracht ons naar de omnibus, waarmede wij spoedig ons hôtel bereikten.
Dit was gelegen in het zoogenaamde quartier Franc, dat eerst dagteekent van de laatste 20 jaren en de verbinding vormt tusschen de haven en de eigenlijke oude stad Tunis. Voornamelijk wordt die verbinding gevormd door de Avenue de la Marine en de Avenue de France, prachtige breede straten, waarop verschillende zijstraten uitmonden. De reiziger staat er over versteld, welk een groote verandering de Franschen in nog geen 20 jaar in de stad gebracht hebben.
Aanvankelijk zou men denken, in een welvarende Fransche stad te zijn. Electrische trams onderhouden het verkeer, elektrisch licht zorgt voor de verlichting, terwijl de reinheid der straten niets te wenschen overlaat.
In de Fransche wijk wonen de Europeanen en bevinden zich de voornaamste Europeesche gebouwen, zooals het theater, de kathedraal, het paleis van den Franschen minister-resident, de voornaamste winkels en hôtels.
Het hôtel, waar wij onzen intrek genomen hadden, gelegen in de Avenue de France, bevond zich in de onmiddellijke nabijheid der Porte de France, die toegang verleende tot de Arabische stad. Deze bestaat uit drie deelen, nl. de middenstad, cité of Medina, die zich aansluit aan het quartier Franc, en twee buitenwijken, een ten N. de Rebat bab-el-souika en een ten Z. de Rebat bab-ed-djazira, (rebat-wijk en bab-poort). De Medina is de voornaamste. Want in deze bevinden zich de beroemde Souks, de bazars of markthallen. Deze bezochten wij den dag na onze aankomst het eerst onder geleide van een gids-tolk, een Tunesiër van geboorte, die echter de schilderachtige Arabische kleedij voor de gemakkelijker Europeesche verwisseld had. Wil men Tunis en speciaal het volksleven goed zien, dan is zoo'n persoon onmisbaar.
Met behulp van een papieren gids kan men slechts de voornaamste merkwaardigheden uitvinden; wie meer wil zien, is in de grootste verlegenheid, daar hij de landstaal, het Arabisch, verstaat noch spreekt. De tolk weet echter alles, wat noodig is, zooals: waar men te voet en met een rijtuig heen moet, tot wien men zich wenden moet om deze of gene merkwaardigheid te zien, hij weet den weg door den doolhof van nauwe straten en stegen, weet wat alles kost (behoudens de noodige provisie voor hem zelf) en laat ons meermalen merkwaardigheden zien, die men alleen nooit ontdekt zou hebben. De besparing in tijd, moeite en kosten wegen ruimschoots op tegen het matige daggeld, dat hij vraagt.
Zoodra wij door de Porte de France de Souks binnengetreden waren, viel ons op, dat wij ons in een zeer oud stadsgedeelte bevonden. Nauwe kronkelende straatjes en steegjes, te zamen één groot doolhof vormend, waar men zonder gids deugdelijk in verdwalen kon, nu eens uitloopend op een klein pleintje, dan weer doodloopend in een donker gangetje. Somtijds moest men vrij steile trappen op, dan weer daalde de straat zeer sterk.
Een liefhebber van oude gebouwen, van schilderachtige kijkjes en verrassende eigenaardigheden kon op deze wandeling veel genieten. Naast armoedige krotten verhieven de woningen van rijke Arabieren trotsch en ongenaakbaar hun platte daken, de groote deuren van massief cederhout dikwijls met ijzer- of koperwerk versierd, de ramen van onder- en bovenverdieping van stevig en kunstig traliewerk voorzien, opdat vrouwen en meisjes goed bewaard mochten zijn.
Sommige huizen zijn van balcons voorzien, die dikwijls zóóver uitsteken, dat de bovenste verdiepingen der aan beide kanten der straat staande huizen elkander aanraken. Dikwijls zijn de bazars overwelfd, het gewelf gesteund door slanke Moorsche pilaren. Komt men in een onoverdekte straat, zoo valt de blik op de slanke torens der moskeeën, die ijl in de lucht stijgend, een schilderachtigen aanblik bieden en het geheel als 't ware beheerschen. Vooral de Djama-ez-Zitouna, de groote moskee, verrukt het oog door haar slanke vormen en kunstig op de muren _en relief_ aangebracht complex van miniatuurbogen. Ofschoon hobbelig geplaveid, viel de reinheid der straten ons erg mede, hoewel men er niet tegen op moest zien af en toe een doode hond of kat te ontmoeten, die zoo maar neergeworpen was. In die bazars wordt van 's morgens vroeg tot laat in den middag levendige handel gedreven. De verschillende kooplieden hebben er, met uitzondering van eenige zeer rijke, slechts kleine winkeltjes, sommige slechts eenige M_2_ groot, waar zij, in 't halfduister neergehurkt, hun waren uitstallen. Eenige wachten met Mohammedaansch fatalisme af, of er een kooper komt opdagen, anderen prijzen luid schreeuwend hun waar aan, loopen een eind met u mede, en zijn niet van u af te slaan. Elk artikel en handwerk heeft zijn vaste bazar. Een geur van rozen, geranium of wierook verraadt, dat men in de Souk der parfums is; de lucht van leer, dat men zich in die der leerlooiers bevindt. Prachtige uitstallingen van zijde en fluweel, kunstig met goud en zilver geborduurd, afgewisseld met lange fijne burnous en helroode fezs, wijzen er op, dat men de duurste wijk, die der voortbrengselen om welke Tunis beroemd is nadert en dat het zaak is, zijn kooplust te bedwingen. In een andere bazar weer worden kunstig bewerkte koperen voorwerpen en geciseleerde wapenen verkocht of kan men het hart ophalen aan de vruchten van het Zuiden. Timmerlieden, schoenmakers, schrijnwerkers en kleermakers, allen hebben hier hun vaste wijk en standplaats. En tusschen al die uitstallingen beweegt zich de bontste menigte, die men zich denken kan. Rijke, gezette Arabieren in prachtige gewaden, zich ten volle bewust van het gewicht hunner persoonlijkheid, met glanzend witte burnous, wisselen af met bedelaars in lompen gehuld. Jonge mannen, krachtig en slank gebouwd, met fijn besneden gezichten en sprekende oogen, prachtige typen van het Arabische ras en donkerbruine Mooren met trotschen en fanatieken blik en zwarten baard; pikzwarte negers, echte knechtjes van St. Nicolaas, zich statig in een burnou van het grofste zakkenlinnen hullend, op het hoofd een fez, die eens rood was, maar nu meer op hun gelaatskleur lijkt, als eerste dandys een sigaret rookend of luidkeels lachend met een mond tot aan de ooren en dikke lippen, terwijl de hagelwitte tanden zichtbaar worden; Arabische vrouwen, zich schuchter het gelaat bedekkend, de arme en onbemiddelde met een slip van haar kleed, de rijke zich hullend in een lange kostbare shawl van fijne, doorschijnende zijde--dit zijn de typen, die men het meest tegenkomt. Niet alle vrouwen zijn echter gesluierd, slechts de Arabische, maar de Joodsche niet. Voor 't overige hebben deze geheel de Arabische kleeding overgenomen, ook de houten pantoffels met zeer hooge hakken, waarop de vrouwen hier als 't ware loopen te balanceeren.
Vroolijk komen hier en daar de kleurige uniformen der Fransche soldaten, vooral die der zouaven uit, met hun wijde roode broeken en blauwe korte jassen, de fez met de bengelende kwast op een oor, geheel het beeld van "vive la bagatelle". Hier en daar ziet men een bruingebranden Bedouïn uit de woestijn voortschrijden met onderzoekenden blik, het lange geweer aan den bandelier over den schouder. Kleine meisjes en aardige jongens met groote verwonderde kijkers loopen overal door het gewoel, dat somtijds zoo dicht is, dat men er zich met de ellebogen door heen moet wringen, en vragen u onophoudelijk om sous. Jongens en mannen op ezels laten u aanhoudend uitwijken, want langoor wordt hier niet gespaard, maar eigenlijk afgebeuld. Ook kameelen bezoeken de bazars, en somtijds liggen zij in rijen van 10 of meer uit te rusten van hun tocht uit de binnenlanden, van waar zij houtskool, dadels en andere voortbrengselen naar de hoofdstad brengen. Daarbij is het dikwijls een geschreeuw, dat men elkander niet verstaan kan, kooplieden, die hun waren aanprijzen, koopers, die afdingen, druk redeneerende en gesticuleerende Arabieren en Mooren. Kortom het is een tooneel vol Oostersche levendigheid en Oostersche kleurenpracht, dat door zijn bontheid en telkens afwisselende indrukken, mede door de bekoring van het nieuwe, den vreemdeling van het Westen ten zeerste boeit en verrukt.
Hoewel de Bey van Tunis in de hoofdstad een paleis heeft, Dar-el-Bey (huis van den Bey) genaamd, houdt hij daar zelden verblijf. Hij vertoeft er slechts voor regeeringszaken en bewoont liever het schoone buitenverblijf Kasr-Saïd of El-Bardo, in de nabijheid van Tunis. Geregeld eens per maand komt hij in de hoofdstad om in den voorhof van zijn paleis in hoogste instantie recht te spreken. Dit gebeurde juist eenige dagen na onze aankomst, en hiervan tijdig door onzen gids verwittigd, maakten wij aanstalten van zijnen intocht getuigen te zijn. Reeds te half acht begaven wij ons daartoe naar het plein van de Kasba (de burcht), waar ook het paleis gelegen is en waren getuige van de aankomst der verschillende hoogwaardigheidsbekleeders van den Bey. Militaire en burgerlijke autoriteiten, allen het hoofd bedekt met de onvermijdelijke fez, stelden zich bij de poort op, velen versierd met de orde der Beys, de Nicham-Iftikhar. Beambten van gelijken rang begroetten elkander plechtig met een kus op elke wang; de jongeren de ouderen met eerbiedigen handkus. Na eenigen tijd wachtens kondigden eenige Fransche officieren van de Chasseurs d'Afrique, als ordonnansen, de komst van den Bey aan. Weldra kwam een afdeeling cavalerie in Turksche uniformen, op kleine vlugge paarden, wit van het stof, aandraven, daarop volgden eenige rijtuigen met hofbeambten en ten slotte de Bey zelf in een à la daumont gereden rijtuig met 6 muilezels. Bij 't uitstappen vertoonde hij zich een oogenblik. Een man van middelbare lengte, met korten grijzen baard, geelachtig, streng gelaat en ernstige sombere oogen. Er wordt van hem verteld, dat hij nooit lacht. Niet onwaarschijnlijk, zoo men de gebeurtenissen der laatste jaren in aanmerking neemt. Na de Fransche bezetting toch is het met de onbeperkte heerschappij van den Bey voor goed gedaan. Reden genoeg voor een Oostersch despoot om over te treuren.
Wie zich wel degelijk nog in 't bezit van hun onbeperkte heerschappij mogen verheugen, al is het dan maar over redelooze dieren, zijn de Arabische slangenbezweerders, die nog steeds de giftigste exemplaren van het, den menschen zoo weinig sympathieke ras, in letterlijken zin, naar hun pijpen laten dansen. Ongeveer eens om de 14 dagen kan men te Tunis een dergelijke vertooning bijwonen, die gegeven wordt door een derwisch, een soort van armen priester of monnik uit de binnenlanden. Het is in zekeren zin een godsdienstige plechtigheid. Maar dan toch zeker een van een weinig ernstig en meer vroolijk karakter, want het in grooten getale toegestroomde publiek vermaakt zich er goed bij. Voor den vreemdeling gaat natuurlijk de godsdienstige beteekenis door onbekendheid met Arabische taal en Mohammedaansche gebruiken verloren; hij beschouwt het als een kermis-voorstelling, een merkwaardig schouwspel, nl. om de groote moreele kracht, die de mensch op de dieren kan uitoefenen. De voorstelling heeft plaats in de open lucht, meestal op een plein voor een Arabisch café, waarvan het in Tunis krioelt. Deze keer op het plein Halfoüin.