Reis door Nubië De Aarde en haar Volken, 1907
Chapter 3
Tot nog toe is in deze reisbeschrijving geen melding gemaakt van monumenten der oudheid, wier aanwezigheid in Beneden-Nubië het feit kon verklaren, dat wij zulk een verren tocht ondernamen om ze in oogenschouw te nemen. Als de gewone toerist Egypte heeft bereisd, de grootsche en prachtvolle tempelzalen, rijk versierde graven en indrukwekkende pyramiden heeft bewonderd, zal hij moeten erkennen, dat in Nubië, waar hij slechts oorspronkelijk minder schoone, en daarbij allertreurigst vervallen overblijfselen van bouwwerken der oudheid ontwaart, de bezwaren, aan den verren tocht verbonden, amper zouden zijn vergoed, zoo hij van den aanblik der heerlijke natuur niet volop kon genieten.
Toch treft men ook hier wel tempels aan; overal verstrooid, en somtijds zeer belangrijke, zooals die van Deïr, van Dakkeh, en zelfs van Qalabscheh; en den reiziger, die tevens archaeoloog is, valt een rijke oogst van merkwaardige ontdekkingen ten deel in de tempelreeks, die tusschen Philae en den tweeden waterval zijn gelegen; terwijl de kunstenaar in hun versiering motieven zal vinden van onschatbare waarde. Maar wie en wat hij ook zij, eenvoudig pleizierreiziger, oudheidkundige of kunstenaar, geen ander schouwspel zal hem zoozeer kunnen boeien als de twee tempels van Aboe Simbl, of zooals zij in den regel genoemd worden, van Ipsamboel.
Deze beide monumenten, vooral de grootste, mogen beschouwd worden als de meest wonderbare scheppingen, die de menschenhand in het aanzijn riep. Beiden dagteekenen uit den tijd der regeering van Ramses II, die over Egypte heerschte ongeveer veertien eeuwen vóór onze jaartelling. Deze groote bouwmeester deed in zijn gansche rijk de meest verschillend ontworpen en ten uitvoer gebrachte scheppingen verrijzen, en, niet tevreden met de monumenten, welke hij zelf had doen oprichten, aarzelde hij niet, zijn naam te laten griffen in al de lang vóór hem tot stand gekomen bouwwerken waarin hij behagen schiep, een eigenaardige vorm van tot het uiterste gedreven machtsmisbruik.
Deze Pharao, die zich beroemen kon de stichter te zijn Van het Ramesseum te Thebe, een gedeelte van de tempels van Luxor en Karnak (in 't bijzonder de groote zuilenzaal), den tempel te Abydos, die zijn naam draagt, en de versiering van de eerste zuilenzaal in den tempel van Seti I (ik noem hier slechts de schoonste en meest bekende), die steden deed bouwen aan de grenzen van zijn koninkrijk, zooals die, welke hij Heroopolis of stad der heldendaden noemde, meende nog niet genoeg te hebben gedaan om zich onsterfelijken roem te verwerven, zoo hij niet in Beneden-Nubië, op de plek die Aboe Simbl is genaamd, en waar de rivier nauw is ingesloten tusschen de lybische bergen en een zandig plateau, dat langzaam omhoog stijgt, een tempel liet bouwen ter verheerlijking van zijn vader Ammon.
Rondom ligt de woestijn in zwijgende eenzaamheid.
Het naastbijgelegen dorp is nog drie of vier mijlen verwijderd. Waarom is deze plek voor den bouw der twee tempels gekozen? De groote bouwmeester moest daarvoor zijn reden hebben, en voor wie goed ziet, blijkt die reden ook duidelijk genoeg.
De voorgevels der beide tempels grenzen onmiddellijk aan den oever der rivier, en men staat eenvoudig verstomd van verbazing, als men de kolossen van den kleinen, en daarna die van den grooten tempel ziet voorbijglijden. De bewonderende verbazing, die ons overmeestert en vervult, is werkelijk beklemmend in haar uitwerking, evenals de indruk, in ons gewekt door het aanschouwen der groote pyramide van Cheops, want dit indrukwekkende tempelfront kan gerust vergeleken worden bij dat grootsche wonderwerk. Ongetwijfeld is de vorst eens, bij het voorbijvaren langs deze plek, getroffen geworden door de bijzondere ligging en gesteldheid van het gebergte; hij zag, dat een uitlooper der lybische bergketen hier tot aan de rivier reikte, en wel een voorgebergte van buitengewone lengte, hoogte en breedte, waarvan de kalksteen uitnemend voor bewerking geschikt was. Hij zal moeten hebben overwogen, dat dit de aangewezen plek was, om een dier speos of rotsgraven in uit te houwen, waarin de egyptische werklieden al hun kunstvaardigheid ten toon spreidden, om de laatste rustplaatsen hunner groote koningen waardig te versieren.
Als Ramses II niet zelf dit denkbeeld had opgevat en slechts een van de kunstenaars in zijn omgeving het plan had geopperd, mag men daarom evengoed hem de eer der uitvoering laten toekomen; want slechts zelden is een vorst, hij moge dan Pharao zijn of niet, bij machte, de geniale denkbeelden zijner onderdanen te begrijpen, laat staan te verwezenlijken; en Ramses deed beide. Hij was het, die het werk deed ten uitvoer brengen, dat ontegenzeggelijk het meest merkwaardige bouwwerk is, onder zijn regeering tot stand gebracht.
In den grooten tempel is de berg uitgehold, en tot in de geringste bijzonderheden rijk gebeeldhouwd en versierd, tot op een diepte van 68 Meter, een breedte van 38 en een hoogte van 33 Meter. In den kleineren tempel zijn de afmetingen slechts half zoo groot; maar het geheel is een Titanenarbeid, welks ontwerpers aan hun weergalooze stoutmoedigheid de geniale vindingrijkheid paarden van volmaakte kunstenaars.
Wat nog het allermeest treft, is niet de omvang van het reuzenwerk, maar de volmaaktheid van al zijn onderdeelen; van de reusachtige diervormen, die den top van den grootsten tempel bekronen, tot de bovenmenschelijke kolossen, die den tempelingang bewaken, en de wonderbaar juiste opvatting der verhoudingen van deze menschelijke schepping tot de omringende natuur.
Men moet niet pogen, aan den voet van den tempel een overzicht van het geheel te verkrijgen; want al slaat men den blik ook omhoog, een gedeelte van het tempelfront ontsnapt aan ons gezicht; men kan het geheel nog het best overzien van af het midden der rivier, of misschien nog beter aan de overzijde. Daar alleen vangt men den totaalindruk op, en niets schijnt dan ook stuitend of onnatuurlijk; de ingang tusschen de vier groote kolossen is juist van verhouding, en de diervormen die op den top, 20 Meter hooger, zijn aangebracht, onderscheidt men niet nauwkeurig, evenmin als men alle bijzonderheden zou onderscheiden van de ornamenten die het kapitaal eener hooge zuil versieren.
Het eenige voorbeeld, waarin wij een dergelijke stoutmoedigheid van conceptie en een dergelijke volmaking in de verwezenlijking daarvan kunnen waardeeren, is de raadselachtige, in de rots gehouwen sphinx, wiens reuzenhoofd zoo volkomen in harmonie gehouden is met de omgeving. Hij houdt de wacht in den omtrek der groote pyramiden, en zijn eenzame, indrukwekkende grootheid heeft hem reeds van oudsher bij de fellahbevolking den naam van Vader der Verschrikking verschaft.
Enkele opgaven omtrent de juiste afmetingen dezer beeldhouwwerken geven allicht eenig denkbeeld van de stoute fantasie der egyptische kunstenaars. De sphinx is van het einde der voorpooten tot aan den staart ongeveer 57 Meter lang en 20 Meter hoog. De neus is 1.70 M.; het oor 1.37 M. en het gelaat heeft tusschen de beide ooren een breedte van 5 M.
De kolossen van Aboe Simbl zijn 20 Meter hoog, hun aangezicht is tusschen de ooren niet minder dan 4.17 M. breed; de mond is 1.10 M., de oogkassen 0.84 M.; de neus 0.98 M., het oor 1.06 M. en de handen 2.64.
Ondanks zijn kolossale grootte maakt de Sphinx niet zulk een overweldigenden indruk, als de zittende beelden van Aboe Simbl; de Sphinx toch staat vrij; rondom hem strekt zich naar alle zijden de onbegrensde ruimte uit, en de reusachtige afmetingen van het kunstgewrocht gaan als het ware verloren in die oneindigheid.
Bij den tempel van Aboe Simbl echter, waar het gezicht wordt beperkt door de lijn der rotswanden, die opzettelijk tot op een bepaalde hoogte zijn teruggebracht, om het effect van het beeldhouwwerk te verhoogen, winnen de beelden in grootte, wat de berg aan hoogte heeft verloren, en schijnen daardoor nog reusachtiger dan zij in waarheid zijn. Toch is in het schouwspel niets, dat ons onaangenaam treft; want alles smelt samen, de bergen, de reusachtige diervormen, de geweldige friezen, het machtige beeld van den god Râ in het midden, en de kolossen, die de wacht houden naast de tempelpoort.
Hoe schoon zijn zij in het avonduur, als de ondergaande zon ze baadt in zachten gloed, en alles in het rond innige, weemoedige teederheid ademt; de strakke, als verstijfde glimlach, die speelt om hun breede, omgekrulde lippen, schijnt plaats te maken voor een zachtere, meer menschelijke uitdrukking; niet langer zien zij met zoo verpletterende verachting, in het trotsche bewustzijn hunner onvergankelijke grootheid, uit de hoogte neder op de arme stervelingen, die reeds zoovele eeuwen lang voorbij trekken aan hun voet, om nooit terug te keeren. Hun gelaat vertoont thans veeleer de kalme, vredige goedheid, welke op het gezicht te lezen staat van den grijsaard, die aan den avond zijns levens vol welwillende toegevendheid het spel der kinderen gadeslaat, die zich vermaken in zijn nabijheid. Hun glimlach is vol goedaardige vriendelijkheid, en in plaats van de zooeven nog geduchte reuzengestalte zien wij thans een kalm en wijsgeerig beschouwer, verzonken in bespiegeling. Alles een gevolg van het wisselende licht en de scheppende kracht onzer verbeelding.
Wanneer men de rivier, dien van ouds beroemden Nijlstroom, opvaart, komt men eerst aan den kleinen tempel, die gewoonlijk de tempel van Hathor genoemd wordt, en die getuigt van de vereering, door de koningin, welke den Pharao ter zijde stond, gewijd aan de vrouwelijke godheden, die het egyptische volk haar gunst verleenden, zooals de groote tempel gewijd is aan de nagedachtenis der eerste grondleggers van Egypte's grootheid.
Eerst vertoonen zich aan den blik van den voorbijvarenden reiziger de zes kleinere kolossen in hun eeuwige, strakke onbewegelijkheid; daarna de vier groote, die onze bewondering ten top doen stijgen. De reiziger gevoelt, dat hij naar die verwijderde streken van het binnenland trekt, waar de natuur haar grootste wonderen aan haar meest geduchte verschrikkingen paart; naar dat onbekende land, dat van oudsher alle Egyptenaren tot zich lokte, zoowel onder Ramses II als onder de Pharao's der zesde dynastie en hun voorgangers, door de aantrekkingskracht van het onbekende, zooals het nog heden ten dage de belangstelling wekt der beschaafde volken, en voedsel biedt aan de weetgierigheid en zucht naar avonturen der onderzoekingsreizigers.
Gaat de reis daarentegen weder stroomafwaarts, verlaat men de pracht van den tropischen plantengroei, de verschrikkingen en geheimen der maagdelijke wouden van Midden-Afrika voor die streken, welke nader bij de beschaafde wereld zijn gelegen, dan wordt alles van lieverlede kleiner en nietiger; na de geweldige kolossen volgen de minder reusachtige beelden van den koninginnetempel, terwijl de rivier zelf, eerst zoo statig en indrukwekkend, langzaam smaller wordt, en ten slotte niet meer dan één kilometer breed is, waar hij in den bovenloop vijf kilometer besloeg.
Is het schouwspel, dat de kolossen aanbieden, wanneer zij worden beschenen door het licht der ondergaande zon, reeds indrukwekkend, veel plechtiger en verheffender nog is hun aanblik bij maanlicht, vooral wanneer de maan ten Westen van den tempel staat. Dan zijn alleen de reuzenbeelden verlicht, en het grillig spel der schaduwen verleent hunne gestalten iets onbeschrijfelijk tooverachtigs.
Men is als het ware verplaatst in een droomenrijk, en voelt zich als opgelost en verzwonden in de schaduw der geweldige Ramsessen, die bewakers der tempelpoort, bij welke zij meer dan vijf en dertig eeuwen de wacht hebben gehouden, ondanks aardbevingen en omwentelingen, waarin de natuur en de mensch om strijd hun boeien verbraken. Wij duizelen bij die gedachte, welke onze verbeelding bijna niet kan omvatten, en de hedendaagsche mensch gevoelt zijn nietigheid in de tegenwoordigheid dier getuigen van zulk een grootsch verleden.
Alles is even geheimzinnig, en de donkere ingangspoort schijnt toegang te verleenen tot een rijk van eeuwige duisternis. Toch is het de mensch, zoo klein tegenover de grootsche natuur, uit wiens brein deze wonderwerken zijn ontsproten, en die ze in het aanzijn heeft weten te roepen; die als het ware voorzag, hoe eenmaal deze reuzenschaduwen, oneindig gerekt en verlengd, zich zouden uitbreiden en alles omhullen, tot ook zij wegsterven, wanneer de opgaande zon ze doet verdwijnen, om ze aan gene zijde weder in het leven te roepen.
Dit is het uur, waarop men zich gaarne onttrekt aan het dikwijls storende gezelschap zijner reisgenooten, om te genieten van het geheimzinnig stilzwijgen, dat heerscht in het rond, om alleen te zijn met zijn mijmeringen, zijn gemengde gewordingen vol vrees en hoop, godsdienstigen twijfel en wetenschappelijke zekerheid.
Onze overpeinzingen in zulke stille uren leiden tot diepe overweging der gewichtige raadselen, welker oplossing den mensch nog niet beschoren is, en uit die duisternis gevoelen wij dat eenmaal licht zal geboren worden, zooals bij het aanbreken van den morgen de vorst des daags de nevelen doet verdwijnen en leven en vruchtbaarheid wekt waar de dood te heerschen scheen.
Het wekt dan ook geenszins onze bevreemding, dat de Egyptenaren in hun godsdienstige voorstellingen steeds terugkeerden tot het licht, dat voor hen het zinnebeeld en de bron van alle leven was; dat zij al de kracht van hun geloof samenvatten in die zonnemythen, waarin zij hun denkbeelden omtrent het leven aan deze en gene zijde des grafs nederlegden, denkbeelden, die onder andere vormen zijn blijven voortbestaan en nog steeds worden gehuldigd in een wereld, die, zonder zich daarvan bewust te zijn, veel heeft te danken aan de wijsheid der oude bewoners van Egypte.
De Egyptenaren bezaten een vurige verbeelding; hun ziel was toegankelijk voor schoonheid, in welken vorm deze zich ook openbaarde, uit hun geest ontsproten die bekoorlijke, maar soms ook verschrikkelijke mythen, die door andere volken in dichterlijke vormen werden gekleed, maar wier oorsprong in Egypte is te zoeken.
Men zou geneigd zijn te gelooven, dat, na indrukken als die welke reeds door ons zijn opgevangen, geen schouwspel in staat zou zijn, de reeds doorleefde aandoeningen te verdringen, of de tot nog toe aanschouwde tooneelen in de schaduw te stellen; en toch is dit niet het geval. Niet alleen bij zonsondergang, niet alleen in het kalme licht der maan moet men den tempel van Aboe Simbl beschouwen, maar vóór alles bij het aanbreken van den dag, wanneer onze verrukking tot het uiterste zal stijgen bij den aanblik dier onvergelijkelijke schoonheid.
In het Oosten, boven de arabische woestijn, komt de zon op.
Nauwelijks stijgt de gloeiende schijf boven den gezichteinder, of haar stralen verlichten den top des tempels, waarop de twee en twintig bekronende diervormen het licht des daags begroeten, zooals in het tropische woud van de hoogste boomtoppen hun gelijken den dageraad verwelkomen, als de duisternis verdwijnt uit het woud, dat hun tot schuilplaats strekt. De zon stijgt hooger, beschijnt vervolgens den tempelfries met de gevleugelde zonneschijven, en daarna, steeds toenemend in kracht, het kolossale beeld van den god Râ, in de rots zelf gehouwen, de verpersoonlijking van de zon, en de bron van alle leven. Steeds hooger stijgt het heerlijk hemellichaam en doet de kolossen tintelen van leven, als waakzame wachters, machtige beschermers van het heiligdom, waar weldra de zonnegod als onbetwistbaar heerscher zijn intocht zal houden.
Want steeds meer naar het Zuiden wendt zich de zon, en op een gegeven oogenblik dringen haar stralen door den open tempelingang binnen, verlichten de voorhal en glijden door de poorten, in een rechte lijn tegenover den hoofdingang gelegen, tot diep in het heilige der heiligen, waar op een steenen voetstuk de vier beelden verrijzen der beschermgoden van het egyptische rijk.
Oorspronkelijk hadden de Egyptenaren, evenals de Chineezen, en de volkstammen van Midden-Afrika, als alle primitieve volken trouwens, geen woord, om het begrip uit te drukken, dat wij thans door het woord "God" vertolken, en zelfs in de taal der Kopten, dat is dus de taal, die door de egyptische Christenen gesproken wordt, is het woord god een soortnaam, steeds voorafgegaan door het lidwoord, zelfs waar zij God zelf aanroepen.
In de oogen van Egyptenaren en Chineezen waren de goden de _beschermers_, die de familie, de _voorvaderen_ hadden geschapen.
Aan de nagedachtenis dier voorvaderen waren hun eerste tempels gewijd, die zij _woningen der beschermers_ noemden, lang eer de godsdienstige mythen ontstonden, die datgene moesten uitdrukken, wat voor hun verstand verborgen bleef.
Elke stad, elk dorp, elk huis had zoodoende zijn beschermgoden, en vandaar dan ook, dat men Egypte een reuzenpantheon zou kunnen noemen, waarin het uiterst moeilijk, zoo niet onmogelijk is, zich rekenschap te geven van al die verschillende godengestalten.
Gewoonlijk bevindt zich in de tempels het beeld van den koning die ze stichtte, naast de afbeeldsels der goden, aan wie de tempel is gewijd. Hier zien wij, hoe de Pharao Ramses II in het heiligdom vier godenbeelden liet plaatsen, eerst Annakhis, die Râ vertegenwoordigt, dan hij zelf en vervolgens Ammon en Phtah.
Achtereenvolgens beschijnt de zon de vier godengedaanten met haar levenwekkende stralen, zij drukt een vluchtigen kus op het voorhoofd van Annakhis, daarna op dat van Ramses, Ammon en Phtah, om, een oogenblik later reeds, eerst het heiligdom, dan de zuilenzalen en eindelijk den ganschen tempel, in duisternis en zwijgen gehuld, achter te laten. De Egyptenaren geloofden dat de oude goden voortdurend hun levenskracht verloren, en dat deze vernieuwd moest worden door besproeiing met het levenswater, waarom dan ook achter de godenbeelden een langwerpige, vierkante trog is aangebracht.
Te Aboe Simbl echter is die telkens terugkeerende stroom, die hen tot nieuw leven bezielt, de dagelijks herhaalde zonnekus, welke hun voorhoofd beroert op het oogenblik, dat de zon in volle glorie harer kracht haar baan begint, om, als zij haar hoogtepunt heeft bereikt, te dalen en den dood te gemoet te gaan, die haar wacht aan het einde van den dag.
Het is duidelijk gebleken, dat deze symbolische voorstelling opzettelijk door de geniale ontwerpers van het grootsche bouwwerk is in beeld gebracht, en dat zij gezocht hebben naar bepaalde middelen, om het doel, dat zij beoogden, te bereiken.
Op den rechteroever toch van den Nijl, in de arabische woestijn, bevindt zich een berg, die zoodanig is gelegen, dat hij juist de zonnestralen onderschept, welke anders onbelemmerd in den tempelingang zouden zijn binnengedrongen. Wanneer des morgens de zon hoog genoeg is gestegen, om over den top van dien kegelvormigen berg, die daar midden in de vlakte oprijst, haar stralen op de voorzijde van den tempel te werpen, zou het reeds te laat geweest zijn, en de beschermgoden van Egypte zouden den bezielenden kus der eerste zonnestralen niet hebben ontvangen, nimmer zijn doorstroomd door den weldoenden gloed, die hun levenskracht moest vernieuwen. Maar deze belemmering werd door de egyptische kunstenaars overwonnen. Om de gewenschte werking te verkrijgen, holden zij den berg uit, en gaven aan den top den vorm van een liggende halve maan. Waar de reiziger ook den blik laat weiden, nergens in den omtrek zal hij een dergelijk verschijnsel ontdekken.
Onder plechtig zwijgen, bijna met eene aandoening van vrees, ziet men de levenwekkende stralen naderen tot het aangezicht der vier groote goden, en hun achtereenvolgens den geheimzinnigen lichtkus op het voorhoofd drukken, om geruischloos te verdwijnen, als het wonder is geschied. Wel mag men vol eerbied het genie erkennen van den vorst, die dit grootsche ontwerp het aanzijn schonk!
Thans, nu de godheid den tempel heeft verlaten, mogen schilders, beeldhouwers, geschiedschrijvers, archaeologen zich verdringen, om dezen drempel te overschrijden. Ieders verlangen zal worden bevredigd; want deze zalen zijn versierd door groote kunstenaars, die zeker waren van hun zaak, die aan de geringste bijzonderheden hun zorgvuldige aandacht wijdden, en nimmer afweken van het doel, dat zij zich hadden voorgesteld. De geschiedschrijver ziet hier het verleden in beeld gebracht; hij kan de veldtochten van den grooten Ramses volgen, en al de verrichtingen van zijn talrijke legerscharen gadeslaan, hij kan de genrestukjes bewonderen, die het leven in het kamp schilderen, evengoed als de heldendaden van den grooten koning, die het aantal afgehouwen handen en verminkte ledematen zijner vijanden laat tellen; hij kan zien, hoe de vorst zijn dapperen beloont, en zijn vader Ammon dank en eer bewijst, door de gevangenen te laten vermoorden, die slechts aan den dood op het slagveld zijn ontsnapt, om te vallen als offers aan de verlossers van Egypte. De oudheidkenner ziet hier godsdienstige plechtigheden afgebeeld, de aanbidding der voorvaderen; en den Pharao, waar hij, niet als een god verheerlijkt, zooals velen ten onrechte meenen, maar zelf God, krachtens zijn geboorte en zijn hooge waardigheid zijn vaderen de eer bewijst, welke hij hun als zoon is verschuldigd.
In den tempel der koningin zal het hem blijken, dat de koninklijke vrouwen, opgenomen in de goddelijke familie, nauw verbonden zijn met dezen eeredienst, evenals thans nog de keizerin van China haar echtgenoot ter zijde staat, wanneer zij aan den Hemel en de Aarde, de beide groote voorvaderen van het chineesche volk, hulde moeten bewijzen, en den dank overbrengen van het geheele rijk.
Ook zullen zij, die zich wijden aan de studie der oudheid, gelegenheid vinden, om de geheimzinnige bewoners te leeren kennen van Midden-Afrika. Voor den grooten tempelingang, op de geweldige basis, die de kolossen schraagt, zijn twee rijen gevangenen afgebeeld, die de Pharao op zijn veldtochten medevoerde. De eene stelt gevangen negers voor, waaronder zich een figuur bevindt, die het haar juist zoo draagt als thans nog de Chineezen.
Zij die zich weinig voelen aangetrokken tot het verleden, tot die krijgshaftige en godsdienstige schilderingen, of eenvoudige afbeeldingen uit het dagelijksch leven van die lang vervlogen dagen, die medegaan met hun tijd, en enkel in het moderne leven belangstellen, behoeven den tempel van Aboe Simbl niet te verlaten zonder ook dien wensch bevredigd te zien.
Links van den grooten tempel ziet men een zwart marmeren plaat, waarin met gouden letters een opschrift is aangebracht ter herdenking van het gevecht, dat hier geleverd is tegen de troepen van den Mahdi, nadat deze pas de woestijn waren doorgetrokken.
Wij lezen daar:
"Deze gedenksteen is hier geplaatst ter herinnering aan het gevecht van Taski, dat plaats had op den 3den Augustus 1889, toen het leger der opstandelingen in den Soedan, onder bevel van Abd-er-Rahman Nad-el-Nedjem, uitgezonden om Egypte te veroveren, geheel werd verslagen, en hun aanvoerder gedood door het egyptische leger onder bevel van Grenfell, pacha-sirdar."
Bij het lezen dezer woorden moet men onwillekeurig denken aan een ander opschrift, in het Fransch, dat in een tempel te Philae werd gegrift door een grenadier.
"In het jaar zes der Republiek, den 12den Messidor, is een fransch leger, onder bevel van Bonaparte, te Alexandrië aangekomen. Nadat dit leger, twintig dagen later, de Mamelukken bij de Pyramiden op de vlucht had gedreven, heeft Desaix, kommandant der eerste divisie, hen vervolgd tot voorbij de Katarakten, waar hij den 13den Ventôse van het jaar zeven aankwam."