Reis door Nubië De Aarde en haar Volken, 1907
Chapter 2
Velen onder haar zijn negerinnen, die nog slavinnen zijn of het vroeger zijn geweest; arme vrouwen, die bijna geen menschelijk voorkomen meer hebben door de vele ontberingen, door haar uitgestaan in een leven, waaraan zij, ondanks dit alles, toch nog waarde schijnen te hechten. De aanwezigheid dier negervrouwen zou op zich zelf reeds voldoende zijn, om een bewijs te leveren van de vermenging der rassen, die hier heeft plaats gehad, zoo men niet bovendien tallooze verschillende typen zag vertegenwoordigd, waarvan bijna geen enkel zuiver is; zoo dikwijls hebben ten gevolge der historische gebeurtenissen wisselingen en veranderingen in de bevolking plaats gegrepen.
Somtijds ontmoet men nog enkele vrouwen, die het levend evenbeeld schijnen van de eene of andere lang gestorven prinses, wier herinnering is bewaard gebleven, dank zij de vaardigheid der beeldende kunstenaars van het Nijldal. Zoo zagen wij bij voorbeeld een bijzonder mooie jonge vrouw te Deïr. Zij was klein van gestalte, maar zeer goed geproportionneerd, voor zoover haar kleeding ons veroorloofde, hierover te oordeelen. Haar handen waren fijn gevormd, hoewel de vingers door ruw werk eenigszins grof waren geworden. Haar voetjes zouden ook in Europa ieders bewondering hebben gaande gemaakt. Zij had een klein en smal gezichtje met uitstekende jukbeenderen, en haar oogen, onder fraai gewelfde wenkbrauwen, geleken niet op die der egyptische vrouwen, bij welke de beschildering met antimonium steeds de natuur te hulp komt. Zij waren klein, maar levendig, en straalden van genoegen onder de bewonderende blikken, die wij met veel vrijmoedigheid op hare bekoorlijkheden lieten rusten. Neergehurkt in een hoek, gevormd door twee muren, maalde zij in den voor haar staanden molen de sorgho, die bestemd was om er het brood van te bereiden voor haar heer en meester. De bewegingen, die zij maakte, om den molen te draaien, waren zoo bevallig en waardig, alsof zij een koningin ware geweest. Zij wist wel, dat zij mooi was; zij was jong en bij gevolg een weinig behaagziek.
Als zij lachte, liet zij een rij mooie tandjes zien, als parelen zoo wit; haar bewegingen deden de sierlijke kettingen rinkelen, die zij om den hals droeg, en waarvan schelpen en gouden kralen op haar borst afhingen; zij scheen dat gaarne te hooren en het was alsof zij zeide: "Kijkt mij maar goed aan, gij vreemde lieden; ik ben de moeite van het bekijken waard, en ik geloof niet, dat gij in uw koud land zulke schoone vrouwen zult vinden als gij hier eene voor u ziet."
Zij was werkelijk de levende belichaming van een dier vrouwen van Ramses II, welke men ziet afgebeeld naast de kolossen, die dezen vorst voorstellen in den tempel van Luxor. Zij zal dit zelve wel niet hebben geweten; maar zij voelde zich toch in dit aan vrouwelijke schoonheid arme land een koningin door haar bekoorlijkheid.
Toen zij eindelijk genoeg kreeg van de blikken en onbescheiden vragen van enkele onzer medereizigers, vroeg zij mij, daar zij mij met de inwoners der stad arabisch had hooren spreken, met een allerliefste, heldere stem, of ik aan die menschen wilde zeggen, dat ze haar nu lang genoeg hadden bekeken, en trok met een snelle beweging haar sluier half voor haar gezicht; maar haar oogen lachten ondeugend onder die bedekking.
Het gefluit van de stoomboot, dat de achterblijvers riep,--en bijna al de passagiers hadden zich om die kleine nubische schoonheid verzameld,--had meer uitwerking, dan mijn woorden allicht zouden hebben teweeg gebracht; te meer, daar ik geen recht had, mijn reisgenooten op die wijze de les te lezen.
De boot vertrok en wij aanschouwden weder andere tafereelen; maar ik bleef nog lang denken aan de kleine nubische prinses der oudheid, die thans veroordeeld was in een armoedig huisje te Deïr het koren te malen, dat haar en haar echtgenoot tot levensonderhoud strekte.
De reiziger, die vatbaar is voor indrukken, door grootsche natuurtafereelen gewekt, zal zich voor de vermoeienissen, op zijn reis door Nubië doorstaan, rijkelijk beloond achten, want op elk uur van den dag ('s nachts wordt de tocht niet voortgezet) ontrolt zich voor hem een onafgebroken reeks van onvergetelijke tafereelen, welke onuitwischbare herinneringen bij hem zullen achterlaten. Het is in den regel niet eens noodig, zich telkens te verplaatsen, om van de prachtigste gezichten te genieten; men behoeft slechts op zijn gemak midden op de boot op een bank te gaan zitten, en nu eens naar rechts, dan naar links te zien, om als in een kaleidoscoop nu eens de bekoorlijkste, dan weder de meest ontzagwekkende natuurtooneelen te zien voorbijglijden. Elk oogenblik verandert alles van aanzien, want de stroom maakt vele bochten, en de boot eveneens, om voortdurend in diep water te blijven, zoodat telkens de verlichting van het landschap afwisselt, en men het geheel als door een tooverslag veranderen ziet. Wonderbaar zijn de spelingen van het licht in deze streek, die doen denken aan schitteringen van diamant en kristal.
Wie toch zou gelooven, dat louter zand, stroomen van zand, die van de bergen zijn neergestort, op zich zelf zulk een prachtig schouwspel konden opleveren als ons slechts zelden wordt vergund te genieten? Nu eens is dit zand glinsterend wit, als zilver; het schijnt zachtjes naar den oever te vloeien, en te spelen in kabbelende golfjes, dan wordt het donkerder van tint, gaat van zachtblond over in goudbruin, om plotseling, als een lichte wolk voorbij de zon trekt, een loodkleurigen tint aan te nemen. Dikwijls schijnt het een stroom van vloeiend goud, die een verblindenden gloed uitstraalt, en niet zacht ruischend, maar met ontembare kracht als een geweldige massa gesmolten metaal, zich in de rivier uitstort. En waar die stroom een versperring ontmoet, waar een of andere uitstekende rotspunt zijn vaart vertraagt, schijnt zijn oogverblindend felle gloed den blik te tarten, die het waagt op zijn pracht te blijven rusten.
Somtijds weer is het, alsof aan den oever der rivier door een of andere wonderbare macht met kwistige hand een overvloed van edelgesteenten is rondgestrooid; daar blinken in allerlei heerlijke schakeeringen agaat, smaragd en turkoois; daar glinstert de teergekleurde amethyst, daar flonkeren robijnen, en men zou zweren, dat de bodem bedekt was met een mozaïek van diamanten en edelgesteenten. Dit is echter een zeldzaam voorkomend verschijnsel, afhangend van bepaalde atmosferische invloeden. Mijne lezers zullen zeker wel eens verschillend gekleurd electrisch licht hebben gezien, en weten, hoe op het tooneel door dergelijke kleurspelingen een tooverachtige werking wordt verkregen; maar hoezeer vallen deze kunstmatige vertooningen in het niet naast de heerlijke wonderwerken der grootsche natuur!
Denkt u ten overvloede naast deze stroomen van gloeiende lava, uitgeworpen door een gestadig werkenden vulkaan, de zachte tinten van het schaarsche groen der karige veldvruchten, die worden verbouwd door de nooddruftige bewoners, van de slanke palmen, die luchtig hun stammen ten hemel heffen met de wuivende bladerkroon op den top, van de enkele tamarinden met hun goudbruine twijgen en groen gebladerte, van die lange lanen van sycomoren, met hun zware stammen, die in de verte een dicht woud schijnen te vormen, waardoor men zich ternauwernood een weg zou kunnen banen, en gij zult u een onvergetelijk schouwspel voor den geest hebben geroepen, waarin alle verschillende tinten elkanders waarde verhoogen, zonder ooit een schrille tegenstelling te vormen. Want onder dit wonderbare licht smelt alles liefelijk samen, alsof een betooverd schilderspalet als van zelf zijn kleuren wist te mengen tot een gelukkige harmonie van tinten. En indien uw blik vermoeid is van het staren op den glans van zooveel goud en zilver, behoeft gij slechts de oogen op te slaan, en zonder van houding te veranderen ziet gij de hooge nubische bergen voorbijglijden; geweldige rotsgevaarten, blakend in de zon; naalden van steen, die steil uit den grond oprijzen, als wilden zij met hun spits den hemel bestormen. Ook hier schijnt het, alsof de natuur heeft willen spotten met den mensch en zijn kunstvaardigheid, en heeft willen toonen hoe, wat hij als wonderwerken beschouwt, slechts een spel is voor haar ontzagwekkende macht.
Als de reiziger voor de eerste maal de drie groote pyramiden van Gizeh beschouwt, staat hij verstomd van bewondering, onder den indruk van hun ontzaglijke grootheid, en de volhardende wilskracht, die noodig was, om ze te doen verrijzen. Dikwijls heeft men zich afgevraagd, hoe ooit in den geest der egyptische bouwmeesters de voorstelling was ontstaan, die hen bezielde tot den bouw der pyramiden. De geschiedschrijvers der egyptische kunst hebben ieder op zijn wijze gepoogd, dit raadsel op te lossen; zij beweren, dat de opeengestapelde aardhoopen het denkbeeld der pyramide deden ontstaan; anderen zeggen, dat de opgehoopte korenschoven in den oogst als voorbeeld moeten hebben gediend; een derde is weder een andere meening toegedaan.
Ik zal mij wel wachten, mijn verklaring van het ontstaan der pyramiden als de juiste aan mijn lezers op te dringen; ik kan alleen verzekeren, dat de egyptische bouwmeesters niet anders hebben gedaan, dan kunstmatig de voorbeelden nabootsen, die de natuur hun in Nubië aanbood.
De Egyptenaren zijn ongetwijfeld uit midden-Afrika gekomen; in de vroegste tijden zonden zij reeds onderzoekers uit naar Nubië en naar streken, die nog dichter bij den equator zijn gelegen. Bij twintigtallen nu ziet men aan den linker oever der rivier pyramiden verrijzen; natuurlijke pyramiden, van driehoekigen vorm, oprijzend uit een stevige basis. Vijf of zesduizend jaren voor onze tijdrekening konden zij van uit de rivier evengoed worden aanschouwd als thans; want de rivier is altoos de eenige begaanbare weg in dit land geweest, en zij zijn steeds op dezelfde plek gebleven, sedert de geweldige omwenteling die hen aan het oppervlak der aarde te voorschijn riep, als de onveranderlijke getuigen van menschelijke zwakheid en menschelijke ijdelheid. Men ziet ze in allerlei vormen en gedaanten, driehoekig, van treden voorzien en vierzijdig. Ik weet niet, of zij van dichtbij gezien even regelmatige en zuivere verhoudingen vertoonen als op een afstand; het licht kan natuurlijk in de verte hoeken afstompen en ongelijkheden verzachten of uitwisschen; maar al waren ook die regelmatige vormen toe te schrijven aan de werking van het licht, de oude Egyptenaren hebben ze evenzoo gezien, als wij ze thans waarnemen, en dus moet hun indruk zijn overeengekomen met den onzen.
Het is een overweldigend gezicht, deze steenen reuzen zich te zien verheffen, als pralend met hun kracht en hun weerstandsvermogen. Soms vormen zij groepen van vier, of zelfs vijf pyramiden, in een betrekkelijk kleine ruimte vereend.
Badend in den zonnegloed, die hen doet schitteren als zuiver goud, schijnen zij te heerschen over den chaos der woestijn, die hen omringt. Onze verbeelding ziet in hen de nakomelingen dier reuzen, die in andere streken Pelion op Ossa poogden te stapelen, en die, hun grootsche taak verijdeld ziende, veroordeeld zijn geworden tot eeuwige onbewegelijkheid in deze afrikaansche woestijn. Hun onbuigzame trots is hierdoor niet geknakt, en zij schijnen in ongenaakbaar zwijgen de ijdele strafoefening te tarten, hun door het lot opgelegd. Ik begroette hen met eerbiedige en bijna schroomvallige bewondering. Hoevele malen, sedert zij aan den brandenden schoot der aarde ontstegen, zagen zij niet de hechtste koninkrijken ondergaan, voortgezweept door den storm van het noodlot. Hoevele tooneelen van verschrikking hebben zij niet bijgewoond, welke bij machte zouden zijn, de hardste rotsen tranen te ontlokken? De wateren van den tijd hebben zich gesloten boven de ongelukkige slachtoffers en de menschen, medegesleept door de duizelingwekkende vaart van den levensstroom, zijn voortgegaan, misdaden op misdaden, laagheden op laagheden te stapelen, terwijl slechts een enkele maal de lichtstraal eener heldhaftige en edele daad de sombere wolk van ongerechtigheid doordringt, waaraan de mensch den naam van beschaving heeft gegeven. Alles gaat voorbij, en verdwijnt om weder terug te keeren, slechts de pyramiden zijn gebleven; zij hebben alle stormen overleefd, en aan hun voet zijn de schuimende golven gebroken van menschelijke gruweldaden en menschelijke wanhoop.
Zoo aanschouwt men, rustig op het dek der stoomboot gezeten, zonder van plaats te veranderen, enkel door de bonte wisseling van het voorbijtrekkende landschap, tooneelen, waarvan ik u slechts een flauw denkbeeld kan geven. Zoo de reiziger slechts in geringe mate weet gebruik te maken van wat zijn ervaring hem heeft geleerd en zijn verbeeldingskracht hem voorspiegelt, zoo hij weet in te keeren tot zich zelf, en zich te onttrekken aan de storende opmerkingen van zijn reisgezellen, zal hij hier, zonder inspanning, het genot kunnen smaken van zijn droomen verwezenlijkt te zien, en nieuwe schoonheden voor het oog zijner verbeelding te doen oprijzen, een genot, dat hem de innigste geestelijke bevrediging zal verschaffen. En het is niet enkel de rivier, die hem deze blijde gewaarwording schenkt.
Te Korosko, waar men den nacht doorbrengt, wacht den reiziger, door de goede zorgen van Cook, een geheel eenig schouwspel. Om hiervan te kunnen genieten, moet men voor dag en dauw opstaan, een haastig ontbijt gebruiken, en zoo spoedig mogelijk de gidsen volgen, die het gezelschap een berg willen laten beklimmen, van waar zij de zon zullen zien opgaan. Een kwartier gaans van de plek, waar de stoomboot ligt, verheft zich een kleine berg, ongeveer 200 meter hoog, van waar men de geheele oostelijke woestijn overziet. De helling is verbazend steil; maar de bewoners der streek weten met groot gemak naar boven te klimmen. Zoovele bezoekers plegen reeds eeuwen lang om verschillende redenen dien berg te bestijgen, dat de steenen op meerdere plaatsen zijn uitgesleten, men heeft er nu hier en daar een soort ruwe treden uitgehouwen om ten minste eenigen steun te hebben, en niet steeds gevaar te loopen van uitglijden. In een half uur bereikt men den top. Hier bevindt zich, op een soort van plat, een vierkant gebouwtje zonder deur, maar met twee of drie vensters. Langs een ladder van zoowat tien treden, die tegen den muur steunt, kan men boven op het dak klimmen, maar men moet zich stevig vasthouden, en ook zijn knieën gebruiken; want die ongelukkige ladder is niet hoog genoeg en reikt niet eens tot aan den top van den muur. Bij de expedities, die werden uitgezonden tegen de volgelingen van den Mahdi, had het egyptische gouvernement hier een wachtpost geplaatst, om den weg te bewaken, die langs den voet van den berg van Korosko naar Berber liep. De soldaten hebben zich uit verveling vermaakt met allerlei kinderspelletjes, waarin de Egyptenaren, en zeker ook de Nubiërs, altoos veel behagen scheppen, en intusschen waarschijnlijk hun kameraad uitgelachen, die op den top van de zooeven vermelde sterkte gezeten, moest waken voor de openbare veiligheid. Op de steenen ziet men nog de sporen van hun onschuldig tijdverdrijf.
Op eenigen afstand van het gebouwtje hebben de inwoners van Korosko, die meermalen bedevaarten naar deze plaats ondernemen, blijk gegeven van hun vroomheid, door het oprichten van kleine, ruw gehouwen grafteekens, waarop eenige regels arabisch schrift zijn aangebracht. Het kleine fort is thans verlaten, er staat niets op dan een lange paal, waaraan eens misschien de engelsch-egyptische vlag heeft gewapperd en die thans beklommen wordt door verschillende reizigers, die van een nog hooger gelegen standpunt het eerst de opkomende zon willen zien verschijnen.
Het weer was zacht, en alles voorspelde een van die heerlijk heldere, warme dagen, die in dit land zoo veelvuldig voorkomen. Toen wij de boot verlieten, zochten wij onzen weg bij het licht der sterren, dat een zachten, liefelijken glans verspreidde; toen we den top van den berg hadden bereikt, waren de sterren echter bijna allen verdwenen, en aan den horizon vertoonde zich eene smalle lichtstreep, die langzaam roodachtig getint werd. Van lieverlede maakte zich uit de windselen van den nacht de woestijn los, met haar geheimzinnige verschrikking, en haar aaneengeschakelde keten van lage bergruggen, die nieuwsgierig over elkander heen schijnen te gluren, alsof zij zich wilden vergewissen, of hunne buren eindelijk het geheim der beweging hadden ontdekt. In de zee van zand, die langzaam opdoemde voor ons oog, en als het ware opsteeg uit de nachtelijke nevelen, konden wij in tallooze kronkelingen de bedding volgen van een of anderen stroom der grijze oudheid, sedert duizenden eeuwen reeds uitgedroogd. De stemmen der woestijn verstomden, de een na de ander; want hier spreekt de duisternis met een kracht, die slechts geëvenaard wordt door haar welluidendheid,--en klanken uit de bewoonde wereld drongen door tot ons oor.
Plotseling baadde de horizon in licht; als de boden van een machtig koning schoten tallooze stralenbundels uit naar alle zijden, en kondigden de nadering aan van den verheven vorst, die straks zou verschijnen.
Toen steeg langzaam, als uit onbekende zeeën, de glinsterende zonneschijf boven den gezichteinder, snel groeiend, kracht en gloed uitstralend, de aarde koesterend met zijn heerlijk licht; alle schepselen tot zich lokkend, die zich vermeien in zijn weldoende warmte, mensch en dier zegenend, en elk wezen tot nieuw leven bezielend door zijn weldadige werkzaamheid. Eindelijk was hij verrezen, in statige pracht, rond en vol en gloeiend rood, en wel moest men erkennen, dat daar de vorst des daags was verschenen, onverwinnelijk door de kracht zijner doordringende stralen, en elke andere macht op aarde tartend. Hoe wel hadden de oude egyptische dichters in hun heilige zangen de werking van dit hemellichaam op al wat leeft weten te schilderen. "Prachtvol is uw opkomst aan den gezichteinder, o Aten (zonneschijf) levende god, levensbeginsel, wanneer gij verrijst in het Oosten, om de aarde te overladen met uw weldaden. Liefelijk en grootsch schittert gij, hoog boven de aarde, uw stralen omringen den aardbol en schenken leven aan alle schepselen. Gij nadert hen, gij sluit hen in uw teedere omarming, gij doet uw stralen op aarde schijnen, en de dag volgt uw schreden. Als gij in het Westen zijt ondergegaan, ligt de aarde in den nacht, als een doode in de dichte duisternis des grafs; de oogen zien niet meer; het zichtbare is uitgewischt, en ieder bedekt het aangezicht. De groote verscheurende dieren gaan niet meer uit op roof, de kruipende dieren verlaten niet meer hun holen. De heldere hemel is verduisterd en de schepselen zijn stil, als zwegen zij omdat hun schepper aan den gezichteinder verdween.
"Maar in den morgen, als gij schitterend verschijnt, zonneschijf, die de duisternis verjaagt, verspreidt gij uw stralen, en de aarde viert feest, aller oogen openen zich, en mensch en dier verrijst, want gij doet hen herleven; gij hebt hun ledematen gesterkt, en zij strekken de handen naar u uit. Elk wezen vervult zijn bestemming; de dieren des velds rusten in het groen, de boomen en planten groeien en bloeien; de vogels verlaten hun nesten en vliegen voort, met uitgespreide vleugels."
Ik herinnerde mij dien zang van een dichter uit den tijd van den Pharao Amenophis IV, zestien eeuwen voor onze jaartelling, en ik vroeg mij af, wat onze hedendaagsche schrijvers wel hadden kunnen vermelden, dat de egyptische zanger ongezegd had gelaten. Intusschen had het aanschouwen van de schitterende lichtbron, die de aarde overstroomde met haar pracht en gloed, ook mijn reisgezellen tot zwijgen gebracht, en ik had mij een weinig van de anderen verwijderd, om rustig te kunnen genieten van het indrukwekkend gezicht en mij in stilte rekenschap te geven van de indrukken, die het in mij wekte. De tallooze geruchten, die weerklinken in het nachtelijk duister der woestijn, waren tot zwijgen gebracht, en de machtige stemmen des daags en der bewoonde wereld lieten zich met kracht vernemen. Ik gevoelde zeer goed, op dit oogenblik, dat ik, zoo ik dertig of veertig eeuwen vroeger geboren ware, de hoogst gelegen plaatsen zou hebben gekozen, om het machtige hemellichaam te aanbidden, dat het ontelbare heir der sterren terugdreef in de duisternis en op de vlucht joeg door zijn verschijning aan den hemeltrans.
Eenige minuten lang gevoelde ik mij innig verbonden met de grootsche natuur; ik had werkelijk de duisternis zien vluchten naarmate de stralen der zon van de bergen nederdaalden en het aardoppervlak verlichtten, ik had uit dat duister zien aanlichten wat men den weg van Korosko naar Berber noemde, maar wat in waarheid de bedding was van een thans verdroogden stroom der oudheid, dien de menschen in deze onmetelijke, onbewoonde uitgestrektheid volgen, als een gebaanden weg. Hel verlicht, strekte hij zich uit, in grillige bochten en kronkelingen, met het glinsterende zand, dat reeds in het licht begon te schitteren, als de huid van een reuzenslang, die zich warmt in de zon. Plotseling moest ik weer terugkeeren tot het gewone leven; wij werden geroepen om den terugtocht te aanvaarden naar de boot, die floot in de verte. Niets is mij zoo onaangenaam als het aanhooren van de alledaagsche opmerkingen mijner reisgenooten, als ik pas doordrongen ben geweest van de nabijheid eener oneindige, grootsche macht, en hier werd ik maar al te onzacht uit mijn mijmeringen gewekt door het aanschouwen van de meest banale werkelijkheid; daar ik bij onze aankomst aan de boot reeds weer de luide kreten hoorde, het woeste geworstel, het dringen en vechten zag van een menigte lieden, die zich begeerig op de geldstukken wierpen, welke enkele reizigers hun toesmeten.
Ik begreep zeer goed, dat Mozes, toen hij van de hoogten van den Sinaï afdaalde, waar hij van nabij Jehovah's stem had gehoord, en de Israëlieten op dergelijke handelingen betrapte, zoo vertoornd was geworden, dat hij de steenen tafelen brak, waarop de Heer zelf zijn wet gegrift had.
Het einddoel van onze reis was Wadihalfa, een dorp, dat als begraven ligt in het zand, dat zich aan den voet der bergen uitstrekt. Ten Noorden van dit dorp maakt de rivier vele bochten, en de oevers zijn geheel van aanzien veranderd. Ter linker zijde ziet men slechts een uitgestrekte woestijn, een geweldige zandzee, kalm toen ik haar aanschouwde, maar vreeselijk en geducht, als de gloeiende stormwind waait, met golven van zand, die plotseling verstijfd schijnen in strakke onbewegelijkheid.
Bergen ziet men niet meer, behalve aan den verren gezichteinder. Ter rechterzijde verheffen zich eenige heuvels, met zachtgeronde omtrekken, en enkele verspreide rotsen, die hun steilen top opwaarts heffen; de tamarinden, die eerst verdwenen waren, keeren weder terug, evenals de palmen, en onze oogen die reeds vermoeid waren door het gezicht van al dat dorre zand, rusten met welgevallen op het groen. In de kromming van een bocht der rivier ligt het dorp Wadihalfa op den rechteroever; de minaret eener moskee schijnt zich fier ten hemel te willen verheffen, maar is midden in haar trotsche vlucht geknakt, die zeker te stout zou zijn geweest; daarnaast zien wij eenige witte huizen schemeren tusschen het groen eener laan van mimosa's en acacia's, en achter die huizen, in de karig bebouwde en met moeite besproeide velden, zien wij vrouwen, in gebukte houding, haar arbeid verrichten, als arme verschroeide insecten, in de brandende hitte van den vollen middag. Want in Nubië, evenals in den Soedan en geheel midden-Afrika, komt den man de hoogste waardigheid toe, en al geldt bij ons de schoone spreuk: "Arbeid is vrijheid", in Afrika is het tegendeel het geval. De man doet niet anders dan rooken, drinken, eten, zorgen voor de instandhouding van zijn geslacht en oorlogvoeren; de vrouw verricht zwaren arbeid, om haar heer en meester voedsel te verstrekken, en te voorzien in de bescheiden behoeften van haar gezin. Wat aan den eenen kant der Pyreneën als waarheid mag beschouwd worden, geldt geenszins aan de overzijde.