Part 53
[124] Een soort van Marentak, of bygewas op de bomen.
[125] Linn. Sp. Pl. p. 709.
[126] Lycoperdon Tuber Linn.
[127] Linn. Sp. Pl. p. 966. Vergelyk hier mede wat in ’t vervolg van de Tahim en Tukah zal gezegd worden
[128] Toen Kapitein Amadas, de eerste Engelschman die oit in Noord Amerika landde, voet aan land zette, vloog ’er, om zyne eigene woorden te gebruiken, zulk een troep Kranen, meest allen wit, op, onder zulk een geschreuw, dat het door den weergalm verdubbeld zynde geleek als of ’er een geheel leger van menschen hard op schreuwde. F.
[129] Blackbirds, eigenlyk Shining birds, glinsterende vogels. F. Linnæus noemt dezen vogel Gracula Quiscula.
[130] Philosoph. Transactions N. 368.
[131] Het geen te meer gewigt aan dit gevoelen van den Heer Kalm geeft, is dat de Algonkins den Eland Musu heten, gelyk hy zelf naderhand aantekent. En deze Algonkins waren, voor dat de Iroquoizen of de Vyf Volken zo magtig wierden, het onzaglykste volk in Noord Amerika, schoon zy nu tot een zeer gering getal gebragt zyn. Hunne taal was in dien tyd een soort van algemene taal in geheel Noord Amerika; zo dat ’er geen twyffel over blyft of het Moose-deer is de Eland. F.
[132] Asbestus fibris ecentro radiantibus.
[133] Soapsten.
[134] Dit schynt of het zogenaamde Fransch Kryt, of misschien de Soap-rock of Zeeprots, die gemeen is in Kornwal digt by Lizardpoint, te wezen, en die behalven enige talkdelen, voornamelyk uit ene aarde gelykende naar magnetia bestaat, welke met het zure zout van vitriool een aardagtig vitriool-zout, of Epsom salt, geeft. F.
[135] Mountain Flax, Linum montanum Forster’s Miner. p. 17. Bergvlas, Berglinnen.
[136] Zodanig is het onder anderen by de Nederlanders aangenomen gevoelen, dat de wind, die op den dag der lente nagt en dag evening gewaid heeft, zes weken zal aanhouden te wayen.
[137] Nat. Hist. of Carol. Vol. 2. p. 74. tab. 74. Ray Syn. Quadrup. p. 215.
[138] Dormice in ’t Engelsch; Mus Cricetus by Linn.
[139] “Men heeft waargenomen” tekent hier de Heer Forster aan, “dat alleen zulke Eekhoorns en vogels, die hunne nesten digt by de plaats hebben daar zulke slangen komen, een zo naar geluid maken, en de takken zo op en neder lopen om daar door de aandagt der slang van hunne jongen af te trekken, en dus gebeurt het dat zy dikwyls zo digt by de slang komen, met inzigt niet om zig in haren mond te werpen, maar om weder te rug te lopen, dat de slang gelegenheid krygt van ze te byten, te vergiftigen, en dus optevreten. En dit, denk ik, is ene genoegzame verklaring van deze gehele zogenaamde betovering.”
[140] Nat. Hist. of Carol. vol. 2. p. 76. 77. tab. 76. 77. Zie ook Edwards Nat. Hist. of Birds tab. 191. Het is egter nog zo uitgemaakt niet dat deze Eekhoorn dezelve is met den Finlandschen en dien men in ’t Noorden van Asia vindt. De Amerikaansche heeft enen platten penagtigen staart, en de Europische enen ronden. F.
[141] Nat. Hist. of Carol. vol. 2. p. 75. Zie ook Edwards Nat. Hist. of Birds t. 181. Dog dezen hebben den Vliegenden Eekhoorn in ene zittende gestalte afgebeeld. Men zal hem hier vliegenden in plaat vertoond vinden, nevens ene nauwkeurige afbeelding van den Ground Squirrel of Aardeekhoorn.
[142] Sciurus striatus. Zo heet hy ook by Linnæus.
[143] Schistus tabularis Linn. Syst. Nat.
[144] Pinus foliis geminis, Squammis conorum oblongorum aculeatis.
[145] Spoon tree.
[146] Kalmia foliis ovatis, corymbis terminalibus, vel Kalmia latifolia.
[147] Naamlyk in de Delen van de jaren 1751. en 1752.
[148] Diospyros Virginiana.
[149] Rumex acetosella.
[150] Linum Virginianum.
[151] Pinus Abies.
[152] Pinus sylvestris.
[153] Liriodendron Tulipifera Linn.
[154] Cornus florida. Linn.
[155] Pleuritis.
[156] Diaphragma.
[157] Foxgrapes.
[158] Zie hier over het zeldzame dog opmerkelyke werk getiteld Torfæi Historia Vinlandiæ antiquæ, seu partis Americæ Septentrionalis. Hafniæ, 1715. in 4°. F.
[159] Deze proef door middel van het zilver genomen vereischt dat het afkooksel van den visch zo sterk zy dat het als een ontbindvogt op het zilver werken konne. Maar daar kunnen vergiften wezen die op het zilver niet werken en nogthans dodelyk zyn voor den mensch. Het voorzigtigste zou by gevolg wezen van enen lust tegen te gaan die zo noodlottig zou kunnen zyn, niet alleen voor enigen uit het Scheepsvolk maar voor het gehele Schip zelfs, door het van zo vele nodige handen te beroven. F.
[160] Tineæ.
[161] Gryllus domesticus.
[162] Misschien is dit de Gryllus campestris, of gemene zwarte Veldkrekel van Europa, die Rösel zeer frai heeft afgebeeld in zyn Werk over de Insekten 2. D. Gryll. f. 13. F.
[163] Cimex lectularius.
[164] Daar is een nog onfeilbaarder middel, te weten, het houtwerk, waarin dat ongedierte zit, met een smeltsel van Arsenicum of Rottekruid te wasschen. F.
[165] Voor het jaar 1754.
[166] In Siberie in ’t Landschap Wiatka, in het Gouvernement van Kazan, maken de Inwoonders kommen en ander huisraad uit de knobbels die men daar veel op de berkebomen vindt. Zy worden gedraid, tamelyk dun gemaakt, en met een seker soort van vernis overdekt, dat ze zeer frai maakt, want het goed ziet ’er geel uit, gemarmeld met bruine aderen, als of het beschilderd was. Het beste soort wordt zo dun gemankt dat het half doorschynend is, en wordt buigzaam in warm water gelegd zynde, zo dat ’er allerhande gedaantens aan gegeven kunnen worden, dog als men het aan zig zelf laat en het koud geworden is, komt het weer tot zyn oude figuur. Dit soort van hout wordt in Rusland genoemd Kap, en het daarvan gemaakte houtwerk Kappowie Tchashki. Het is duur als het van het beste soort en wel vernist is. F.
[167] En dit is iets het geen waarschynlyk het invoeren van Bisschoppen in Noord Amerika, waarop velen zo gesteld zyn, zeer bezwaarlyk maken zal.
[168] Where is my fee?
[169] Myrica aspleniifolia. Linn.
[170] Lapis ollaris.
[171] Journal historique d’un voyage d’Amerique. Tom. 5. Lettr. 13.
[172] Calumet de paix by de Franschen.
[173] Uit deze beschryving blykt klaar genoeg dat deze Hazen een onderscheiden soort zyn van onze rosagtige grauwe Hazen, zo wel als van die welken in de noorder delen van Europa en Asia gevonden worden, die des winters wit zyn, met zwarte tippen aan de oren, dog des zomers een grauw vel hebben. By een nauwkeurig onderzoek zouden de Natuurkenders misschien nog meerder onderscheidende kenmerken vinden. F.
[174] British Empire in America vol. 1. p. 444.
[175] Catesby noemt hem Passer nivalis, en Linnæus Emberiza hiemalis.
[176] Tetrao bonasia.
[177] Rhus glabra.
[178] Muskusrat, in ’t Engelsch, Rat musqué in ’t Fransch, Desmans-Rättor in ’t Zweedsch. Linnæus noemt hem Castor Zibethicus.
[179] Castor Moschatus Linn.
[180] Pedes palmati.
[181] Magnolia glauca.
[182] De Mink of Minx is een soort van kleinen Otter, by Linnæus genaamd Mustela lutreola. F.
[183] Het vlek Rakoon.
[184] Deze krayen zyn maar ene verscheidenheid van den Corvus Cornix van Linnæus.
[185] Fagus Sylvatica.
[186] Quercus alba.
[187] Dit schynt maar ene verscheidenheid te zyn van de Quercus rubra.
[188] Nat. Hist. of Carol. vol. I. pl. 47. Hy noemt hem Motacilla Sialis. Men vindt hem ook in Edward’s Nat. Hist. of Birds p. 24. In myn Dagregister heb ik hem Moticilla cærulea nitida, pectore rufo, ventre albo genoemd.
[189] Nat. Hist. of Carol. vol. 1. pl. 38. Hy noemt hem Coccothraustes rubra. Linnæus geeft hem in zyn Syst. Nat. den naam van Loxia Cardinalis.
[190] Nat. Hist. of Carol. vol. 1. pl. 12. de Purple Daw, en pl. 13, de Red-winged Starling. Wy hebben ze in dit werk doen invoegen.
[191] De Heer Kalm beschryft dezen vogel in ’t Latyn, naar het gebruik der Natuurkundigen. Magnitudo Sturni. Rostrum subulato conicum, rectum, convexum, basi nudum, nigrum, maxillis fere æqualibus, superiori tamen tantillum longiori. Nares oblongo quadratæ, ad basin maxillæ superioris oblique positæ, nudæ; tuberculum corneum, seu prominentia parva a latere superiori. Lingua acuta, apice bifida. Oculorum iris pallida. Capitis frons, pars superior, nucha collum superna & ad latera cæruleo viridia, nitida, latera capitis sub oculis obscure coerulea. Dorsum totum tectricesque alarum puppureæ, sed non ita manifeste in parte superiori uropygii, sed ibi magis fuligine subnigræ. Remiges primariæ novem nigræ; cæteræ secundariæ nigræ, margine exteriori purpurascentes. Rectrices duodecim nigræ purpureæ, apice rotundatæ, quo lateribus propiores eo breviores, intermediæ longissimæ. Cauda explicata versus apicem rotunda videtur. Gula obscure viridis, nitida. Pectus etiam versicolor & pro varia inter lumen & oculum positura jam nigrum, jam smaragdinum. Venter fuligineus; tectrices inferiores caudæ obscure purpureæ. Pectus & abdomen sub alis purpurea, tectrices alarum inferiores fuligineæ. Alæ inferius nigræ; femora plumis fuligineis; tibiæ & pedes nigri, nitidi. Digiti quatuor more avium plurimarum. Ungues nigri, posticus cæteris major.
Deze vogel is de Monedula purpurea van Catesby, en de Gracula Quiscula van Linnæus.
[192] Veratrum album.
[193] Gracula Quiscula.
[194] Oriolus Phoeniceus.
[195] Vaccinium hispidulum.
[196] Vaccinium vitis idæa.
[197] Zie hem in Catesby Nat. Hist. of Canada. B. 1. pl. 36. onder den naam van Passer nivalis. Linnæus noemt hem Emberiza hyemalis.
[198] De Heer Forster houdt dit voor een verschynsel van Noorderligt.
[199] Hier van vindt men hier ene plaat.
[200] Rana ocellata.
[201] Linn. Turdus migratorius. Men heeft ’er hier van, nevens van den Mocking-bird of Spotvogel, ene plaat gegeven.
[202] Corylus avellana.
[203] De Heer Kalm schreef dit wanneer het nog niet aangenomen was van de pokjes op de koude wys te genezen, en dus dagt hy dat de behandeling der Amerikanen deze ziekte zo gevaarlyk maakte. Maar hierin schynt hy zig te bedriegen. Wanneer de Khalmukken in Rusland de kinderziekte krygen, komen ’er weinig door, en ik denk dat hier gene andere reden van kan gegeven worden, dan dat deze ziekte altyd gevaarlyk is, of wanneer de opene poren in de huid te talryk zyn, het welk komt als men zig in warm water baadt, of wanneer zy te veel gesloten zyn, het welk plaats heeft by alle morssige volken. Alle de Amerikanen smeren hunne lichamen met olie, de Khalmukken wasschen zig noit, en besmeren hun lyf en hunne klederen met vet. De Hottentotten zyn, denk ik, voorbeelden van morssigheid, hunne lichamen zyn besmeerd met schapevet. Dit sluit de poren toe, belet geheel en al de doorwaasseming, en maakt de kinderpokjes altyd dodelyk onder die volken, waarby men voegen kan het gedurig gebruik van sterke dranken, waaraan zy, sedert hunnen omgang met de Europers, zeer zyn overgegeven. F.
[204] Convallaria.
[205] Dit schynt de Scarabæus Carolinus van Linnæus Syst. Nat. p. 545. te zyn. Hy is gemeen in New York, New Jersey, Pensylvanie, Maryland en Karolina.
[206] Acari.
[207] Scarabæus stercorarius.
[208] Cimex lacustris.
[209] Dytiscus piceus.
[210] Typha latifolia Linn.
[211] Allium arvense, odore gravi, capitulis bulbosis rubentibus. Gronov. Flora Virgin. 37. Het schynt het Allium Canadense, scapo nudo tereti, foliis linearibus, capitulo bulbifero van Linn. Sp. Pl. te zyn. F.
[212] Deze drie stippen zyn den meesten Insekten eigen, en moeten by gevolg niet voor kentekens van een byzonder soort worden gehouden. Men noemt ze Stemmata, en zy zyn een soort van ogen, dienende om in de verte te zien, gelyk hunne andere ogen dienen om naby zynde voorwerpen te beschouwen. F.
[213] Het is een stuk dat onder de Natuurkundigen in verschil staat, of de Zwaluwen, wanneer zy in de noordelyke landen verdwynen, naar warmer gewesten verhuizen, dan of zy in holle bomen en gaten in rotsen kruipen, en daar den winter ongevoelig doorbrengen, dan eindelyk of zy zig onder water verbergen en met den aanvang der lente weder te voorschyn komen. De twee eerste gevoelens hebben de meeste goedkeuring verworven, het laatste is by velen als een spreukje uitgejouwd. Maar de Natuurlyke Historie, gelyk alle andere Historien, steunt niet altyd op ene innerlyke waarschynlykheid, dog op daden, gegrond op het getuigenis van geloofwaardige lieden. Men heeft zelden Zwaluwen in ’t water zien wegduiken; Zwaluwen zyn niet met zulke werktuigen geschapen als kikkers en hagedissen, die des winters ongevoelig zyn; by gevolg kunnen de Zwaluwen des winters niet onderwater leven.—Zulk ene wys van redeneren, denk ik, zou ons te ver voeren in vele gevallen; want, schoon men niet wel begrypt hoe Zwaluwen onder water leven kunnen, zoude het egter waar kunnen zyn. Hagedissen en kikkers zyn dieren al te zeer van de Zwaluwen verschillende, dan dat de laatsten van een diergelyk maaksel als de eersten zyn zouden. De beer en de bergrot zyn in den winter in enen gevoellozen staat, en hebben egter gene werktuigen gelyk de kikkers en hagedisssen, en niemant twyffelt ’er aan dat zy in de ruwste lugtstreken in enen staat van gevoelloosheid zyn. De bewoonders der Alpes graven de hollen der marmotten op, en vinden ze in enen gevoellozen staat, zo dat zy hun den hals afsnyden kunnen zonder dat de dieren het minste teken van leven geven. Dog als men den slapenden marmot in een warm vertrek brengt en voor het vuur plaatst, wordt hy levendig. Derhalven moet de vraag door daden worden beslist, en die ontbreken hier niet. Dr. Wallerius, die beroemde Zweedsche scheikundige, schreef in ’t jaar 1748. den 6. Sept. O. S. aan den Heer Klein, Geheimschryver der stad Dantzig, dat hy meer dan eens de Zwaluwen op het riet zig had zien verzamelen, tot dat zy allen in ’t water wegzonken, na dat zy, als ware het, een kwartier lang een doodlied gezongen hadden. Ook getuigt hy dat hy ene Zwaluw gezien heeft die in den winter met een net uit een poel gehaald was, zynde, gelyk dit in de noorder landen gewoonlyk is, onder het ys gezonken, welke in ene warme kamer gebragt zynde by zig kwam, begon te vliegen, dog kort daarna stierf.
De Heer Klein vervoegde zig aan sommige algemene Pagters in de landen des Konings van Pruissen, in wier landstreken vele wateren waren, welker visschery een deel uitmaakte van hunne inkomsten, en die het voordeligst in den winter is onder het ys, geschiedende met netten die meer dan twee of driehonderd vademen zig uitstrekken, zo dat zy dikwyls met werktuigen van wegens hunne zwaarte, moeten worden opgehaald. Nu alle de volgende personen ondervraagd zynde hebben voor de wethouderschap onder ede het volgende betuigd. I. De Moeder der Gravin van Lehndorf zeide, dat zy enen klomp van Zwaluwen gezien had, gehaald uit het Frisch Haff, een Meer dat by Pillau gemeenschap heeft met de Oostzee, welken, in een matiglyk warm vertrek gebragt zynde levendig wierden en begonnen te vliegen. II. De Graaf van Schlieben gaf een bezegeld getuigschrift, behelzende, dat des winters in het Meer, behorende aan zyn Landgoed van Gerdauen, visschende, hy verscheiden Zwaluwen in het net kreeg, waarvan hy ’er ene opnam, ze in een warm vertrek bragt, alwaar zy, een half uur gelegen hebbende, zig begon te bewegen, en een half uur daarna herom te vliegen. III. De Amptman Witkowski betuigde, dat in het jaar 1740. drie Zwaluwen in een net opgehaald wierden in het grote Meer te Didlacken. In het jaar 1741. kreeg hy twee Zwaluwen uit een ander deel van het Meer en bragt ze naar huis, dewyl zy in zyn byzyn gevangen waren. Na den tyd van een uur wierden zy allen in ene warme kamer levendig, vlogen, en stierven drie uren daarna. IV. De Amptman Bonke zeide, dat hy, het Landgoed Kleskow in pagt hebbende, negen Zwaluwen in een net van onder het ys had zien ophalen, die hy allen in ene warme kamer bragt, waar hy duidelyk zag hoe zy allengskens bykwamen, dog zy stierven allen kort daarna. Ene andere reis kreeg zyn volk weder enige Zwaluwen in een net, dog hy deed ze weder in ’t water smyten. V. Andries Rutta, een Visscher te Oletsko, getuigde in ’t jaar 1747. dat tweeëntwintig jaar geleden hy in een net twee Zwaluwen optrok van onder het ys van daan, die in ene warme kamer bykwamen. VI. Jakob Kosiulo, ook een Visscher te Stradauen, betuigde dat in ’t jaar 1736. hy in een net van onder, het ys op het Meer te Ratski ene dood schynende Zwaluw optrok, die binnen een half uur in een warm vertrek bykwam, dog een kwartier uurs daarna zwak wierd en kort daarop overleed. VII. Ik kan my zelven onder de ooggetuigen rekenen van deze vreemde stelling in de Natuurlyke Historie. In het jaar 1735. in den winter, zag ik, een kleine jonge zynde, verscheiden’ Zwaluwen door enen Visscher uit de Weissel in myn vaders huis brengen, waarvan ’er twee in een warme kamer zynde gebragt bykwamen, en aan ’t vliegen gingen. Ik zag dat ze verscheiden’ malen op den kacchel gingen zitten, en het heugt my dat zy den zelven morgen nog stierven, en dat ik ze dood in myne handen had.
In het jaar 1754. na den dood van mynen Oom Godefried Wolf, Kapitein in het Regiment Poolsche Gardes te voet, een van wiens erfgenamen ik zelf was, bestierde ik ten behoeven myner medeërfgenamen verscheiden landgoederen, geheten de Starosty van Dirschau in Poolsch Pruissen, die myn overleden Oom van den Koning had gepagt. In Januari beval ik onder het ys van het Meer van Lybsbau te visschen, en in myne tegenwoordigheid wierden ’er verscheiden Zwaluwen opgehaald, welken de Visscher weer in ’t water smeet, uitgenomen ene, die ik zelf in huis bragt, hetwelk vyf mylen van daar lag, waar zy bykwam, dog kort daaraan overleed. Dit zyn daden bevestigd door lieden van den hoogsten rang, waarvan sommigen openbare ampten bekleedden, of door anderen, die, schoon van minder aanzien, dezelven met eden bevestigd hebben. Het is onmogelyk te onderstellen, dat alle deze lieden zonder onderscheid belang gehad zouden hebben van ene onwaarheid als ene gebeurde zaak optegeven. Het is dan zeer waarschynlyk, of liever het is onbetwistbaar waar, dat in de noordelyke landen de Zwaluwen gedurende den winter zig in het water verbergen, en daar in enen staat van gevoelloosheid blyven tot dat de warmte in de lente ze weder levendig maakt. Derhalven, dunkt my, moest de stelling dus worden voorgesteld, “de Zwaluwen in Spanje, Italie, Frankryk, en misschien sommigen in Engeland, verhuizen naar warmer lugtstreken. Anderen in Engeland, sommigen in Duitschland en andere gematigde gewesten, begeven zig in spleten en holen in de bergen en klippen, en blyven daar in enen staat van ongevoeligheid. In de kouder landen verbergen zy zig in ’t water, en blyven daar den winter over zonder gevoel onder het ys.” Dog daar zyn enige tegenwerpingen tegen dit laatste gevoelen, die wy moeten oplossen. Men zegt, hoe komt het dat de visschen en andere viervoetige waterdieren de Zwaluwen onder het water niet opvreten? Het antwoord is gereed. De Zwaluwen kiezen alleen tot haar winterverblyf zulke plaatsen die digt by ’t riet zyn, zo dat zy tusschen het zelve in nederzinkende bevryd zyn voor de gulzigheid harer vyanden. Anderen werpen tegen; waarom haalt men gene Zwaluwen uit waters daarmen gedurig met netten in vischt? Ik denk, dat het zo even gegeven antwoord ook op deze vraag past. De Visschers dragen zorg met hunne netten die plaatsen te vermyden waar veel riet staat, uit vrees van in het zelve vastteraken en de netten te scheuren; en dus is de legging der Zwaluwen onder ’t water oorzaak dat zy zelden in haar winterverblyf gestoord worden. Wat deze mening nog verder beveiligt is, dat men noit in Pruissen Zwaluwen uit het water gehaald heeft als in dat gedeelte van het net dat langs het riet ging, en somtyds zaten de Zwaluwen met hare poten vast aan het riet wanneer zy met het net wierden opgetrokken. En wat de zwarigheid aangaat hoe zy zo lang onder water kunnen zyn zonder te verrotten, schynt het my toe, dat ’er een wezenlyk onderscheid is tusschen dieren die in ’t water versmoord zyn en zulken die daar gevoelloos in leggen. Daar zyn voorbeelden van dingen die lang onder water zyn geweest; waarby men de scherpe koude dier landen voegen kan, die de verrotting belet. Wie zou gedagt hebben dat men slakken en polypes in stukken snyden kon, en dat zy de afgesneden stukken van hun lichaam wederom konden voortbrengen, indien dit niet ene daad was? Men behoort de Natuurlyke historie te beoeffenen als zynde ene verzameling van daden, en niet als de Historie van onze gissingen en meningen. De Natuur is op ene oneindige wys verscheiden, en de Voorzienigheid heeft den aard der dieren en hunne huishouding zeer onderscheiden gemaakt, en alles geschikt naar de verschillende jaargetyden en lugtstreken. Ik oordeelde dezen langen buitenstap nodig en te verschonen te zyn, des te meer omdat deze grote voorstanders der Natuurlyke Historie, de Heren Collinson en Pennant, beiden hebben beweerd, dat het onmogelyk was dat de Zwaluwen onder ’t water zouden in ’t leven blyven. Ik eerbiedige de geheugenis en de assche van den enen, en agte de vriendschap van den anderen ene eer voor my te zyn, dog ik ben verzekerd dat de waarheid altyd by hun boven hunne eigene meningen geschat geworden is, en dat zy altyd gereed waren om ene zedige tegenspraak te dulden, wanneer zy opregtelyk wordt voorgesteld, met inzigt om de waarheid te bevorderen, en met gevoelens van eerbied en dankbaarheid, gelyk ik in dit geval ben doende. F.
[214] Linnæus noemt ze Hirundo riparia.
[215] Musträd. Mousewood.
[216] Bois de plomb.
[217] Dit Currants moet wel onderscheiden worden van het Currants dat men in Engeland heeft, en ’t welk het Ribes rubrum is. F.
[218] Caprimulgus minor Americanus Catesby Nat. Hist. of Carolina vol. 3. t. 16. Edwards’s Nat. Hist. of Birds t. 63.
[219] Geitemelker.
[220] Kungsfogel.
[221] Veratrum album.
[222] Juglans regia.
[223] Malus Sylvestris, floribus odoratis. Gronov. Fl. Virg. p. 55. Pyrus coronaria. Linn. Sp. Pl. p. 480.
[224] Dit kan zo zyn in de noordelyker landen van Europa dan de Nederlanden, dog daar gebeurt het dikwyls dat de vorst den bloeisem vernielt.
[225] Linnæus noemt ze Azalea nudiflora.
[226] Azalea erecta, foliis ovatis, integris, alternis, flore luteo, piloso, præcoci. Cold. Ebor. 25.
[227] Linnæus noemt dezen Kikker Rana boans. Syst. Nat. T. 1. p. 358. Catesby Nat. Hist. of Carol. Vol. 2. p. 72. heeft hem afgebeeld en beschreven onder den naam van Rana maxima Americana aquatica.
[228] Cypressus thyoides. Linn. Sp. Pl. p. 1422. Cypressus Americana, fructu minimo. Miller’s Gard. Diction.
[229] Juniperus Virginiana. Linn. Sp. Pl. p. 114.
[230] Juniperus communis. Linn. Sp. Pl. p. 1470.
[231] Een Eiland in de Rivier St. Laurence, by Montreal in Kanada.
[232] Warglo; Felis Lynx, Linn. De Zweden maken gewag van twee soorten van Lynxen, het ene Warglo of de Wolflynx, en het ander Kattlo of de Katlynx genaamd. De Duitschers maken het zelve onderscheid, en noemen het eerste Wolf-luchs, en het andere Katz-luchs. Het eerste soort is het zwaarste, bruinrood, gemengd met wit en grauw op den rug, en wit naar den buik toe aan met bruine vlakken. Het laatste soort is kleinder, zyn huid is wat witagtiger en meer gespikkeld. F.
[233] Anguis niger. Zie Catesby’s Nat. Hist. of Carol. vol. a. p. 48. tab. 48.
[234] Scuta abdominalia.
[235] Sqamæ subcaudales.
[236] Men heeft by ene herhaalde ondervinding bevonden, dat het byzondere kenmerk ’t welk Linnæus gebruikt om de soorten der Slangen te onderscheiden, ontleend van derzelver scuta abdominalia en caudalia, of squamæ subcaudales, in Slangen van het zelve soort grotelyks verschilt, zo dat ’er dikwyls een verschil plaats heeft van tien of meer. Somtyds is het gehele getal der schilden een behulp om het soort uittevinden, mits men verdagt zy of de Slang ook by geval haren staart verloren hebbe en die weder aangegroeid zy, in welk geval men zig van dit kenmerk niet kan bedienen. Dit kenmerk is zo zeker en goed niet als men wel wenschen zoude; dog de tekens ontleend uit de kleur, vlakken of strepen, en diergelyken, zyn ook niet standvastig; en derhalven is het beter zig aan een onvolmaakt kenmerk te houden dan ’er geen te hebben. De tyd en ene grondiger kennis van dit gedierte zullen misschien deszelfs natuurlyke kenmerken nader en zekerder doen vaststellen. F.