Reis door Noord Amerika

Part 23

Chapter 234,035 wordsPublic domain

[De Blauwe Vogel.]

Men vindt hier enen Vogel, dien de Engelschen en de Zweden den Blauwen Vogel noemen, om dat hy van een zeer schoon blauw is. Hy houdt zig hier het gantsche jaar op. Catesby heeft hem in zyne natuurlyke grootte en met kleuren afgebeeld, [188] dog de kleur van de borst moet daar roodbruin of donker rood zyn, de dyen en de poten zwart als git, de bek ook geheel zwart, en het blauw in ’t algemeen donkerder, levendiger en meer glinsterend. Geen vogel is ’er in Zweden die een zo glanzend en donker blauw heeft. De Meerkol kan hier en daar enige zulke veders hebben, dog niet overal. Deze vogel aast op Insekten en planten, en komt des winters, wanneer hem het eerste soort van voedsel ontbreekt, by de landhuizen om van hoizaad en ander klein graan te leven.

[De Rode Vogel.]

De Rode Vogel is een ander vogeltje, dat Catesby ook afgebeeld heeft. [189] Het behoort tot de vogels die den byen schadelyk zyn, want het past ’er op om ze te verslinden. Ik onderhield ’er een mannetje van vyf maanden in ene koi; ik gaf het niets dan Mais en Boekweit. Door zyn gezang lokte hy anderen naar het huis, en na dat ik enige mais onder het venster op den grond gesmeten had, kwamen zy daar alle dagen eten; en dus was het gemakkelyk ze in knippen te vangen. Enigen, vermoedelyk ouden, zo wel mannetjes als wyfjes, treurden zig in de koitjes dood, maar zy die mak wierden begonnen ongemeen lieflyk te zingen. Hun gezang lykt veel naar dat van den Nagtegaal. Men zendt ’er velen van naar Londen. Zy hebben zo veel kragt in de bekken, dat ze eens menschen hand aan ’t bloeden byten kunnen. In de lente zitten zy des morgens te zingen boven in de bomen. In de koyen zitten zy by pozen zeer stil en rusten, en dan huppelen zy heen en weer, en laten tusschen beiden hunne stem horen.

[Kranen.]

Den 17. Februari zag men enige Kranen noordwaards vliegen. Zy houden hier gemeenlyk vroeg in de lente stil, dog broeyen hier niet, maar gaan verder naar het noorden. Oude Zweden hebben my verteld dat in hunne jeugd, toen het land nog zo niet bebouwd was, ieder voorjaar hier een ongelooflyke menigte van Kranen was, maar tegenwoordig zyn zy zo talryk niet meer. Vele menschen eten ze als zy ze kunnen schieten. Men zegt dat ze geen schade aan het koorn doen.

Den 23. deed ik een togtje naar Penn’s neck, dog kwam des avonds weder te Rakoon.

[Sneuw.]

De sneuw lag nog op vele plaatsen in de bosschen, byzonderlyk daar de bomen zeer kort op malkander stonden. Egter was zy niet boven de vier duimen diep. De weg was byna geheel vol ys, zo dat het gevaarlyk was op paarden die niet gescherpt waren te ryden. Men weet hier niet veel van sleden, dog rydt des winters te paard naar de kerk, schoon de sneuw somtyds een voet dik legt. De sneuw legt zelden boven ene week, maar dan komt ’er veeltyds weer nieuwe op.

[Maisdieven.]

Een soort van vogel, by de Zweden Maisdieven geheten, doet grote schade in dat soort van graan, het welk zy eten, zo wel als het eerst gezaid en nog met aarde bedekt is, als wanneer het staat ryp te worden. De Engelschen noemen hem den Zwarten Vogel. Daar zyn twee soorten van, beiden door Catesby beschreven, [190] tusschen de welken ene zo grote vriendschap heerscht dat zy veeltyds t’zamen in troepen onder een vliegen. Dog in Pensylvanie vindt men meer het eerste soort, en die vliegen daar dikwyls zonder dat ’er een enige van het twede soort by is. Het eerste soort, of de Purpere Spreuw, heeft zoo veel gelykenis met de krai, de spreuw, en den exter, dat men niet weet waar men hem voor houden zal, dog hy schynt het naaste by de spreuw te komen. De bek is juist als die van den exter; de tong, de vlugt, zyn zitten op de bomen, zyn geluid en zyne gedaante, maken hem tot een spreuw. Op enigen afstand schynt hy zwart, dog van naby bezien heeft hy een blauwen of purperagtigen weerschyn, dog niet zo sterk als in Catesby’s plaat. [191] De grootte is als de Spreuw; de bek zwart, de tong is spits, het oog is bleek, de kop van boven glinsterend groen en blauw, op zyde en onder de ogen donker blauw, de rug purperagtig, in de vleugels sommige veren purperagtig en zwart; de staart, uitgespreid zynde, schynt rondagtig; de hals van onderen blauwagtig groen, de borst zwart en glinsterend groen, de vleugels van onderen en de dyen zwart, de poten zwart, met vier tenen, de agtersten ’t grootst, de nagels zwart.

Men zegt dat enigen van deze vogels in de moerassen overwinteren, die geheel overwassen zyn van dik hout, en zy vertonen zig alleen maar by zagt weder. Dog het grootste getal gaat tegen den winter naar het zuiden. Ik zag ze den 23. Febr. voor het eerst van ’t jaar. Zy vlogen reeds in grote troepen. Zo dra de Mais in den grond is komen zy met grote scholen, krabben de korrels op, en eten ze. Zo dra het blad uitkomt, trekken zy het met de plant en al uit; en dus veroorzaken zy den Landman al vroeg veel schade en moeite. Om hunnen smaak tot de Mais wat te verminderen leggen sommigen de zaadkorrels in een af kooksel van den witten Nieswortel [192] eer zy ze planten. Als de Maisdief een korrel of twee zo klaar gemaakt opheeft, wordt hy duizelagtig en valt, en dit maakt zyne makkers bang. Dog tegens den herfst, als de Mais ryp wordt, halen zy hunne schade dubbeld weer in. Dan vergaderen zy by duizenden op de Maisvelden. Zy zyn zeer stout, want als men ze verjaagt, vliegen zy maar een weinig verder en gaan weder zitten. Dus gaan zy van het ene eind van een akker tot het andere, en verlaten een veld niet voor dat zy hun genoegen hebben. ’T is byna onbegrypelyk waarvandaan zo grote troepen komen kunnen, als men ’er van in den herfst ziet vliegen. Als zy opryzen maken zy den hemel als zwart. Zy vliegen dan zo in een gedrongen, dat men zeggen zoude dat zy hunne vleugels kwalyk moesten kunnen bewegen. Ik heb iemant gekend die ’er ene grote menigte van op een akker schoot, zonder de overigen te kunnen verjagen, want zy vlogen omtrent een musketschoot ver, en vielen dan weer neder, en veranderden altyd van plaats als hun vyand naderde. Dus vermoeiden zy hem, zonder dat hy ze verdryven kon, schoon hy ’er zeer velen op elken schoot van doodde. Zy eten ook het zaad van de Zizania aquatica, dog gemeenlyk na dat de Mais van ’t land is. Ook zeide men dat ze ook boekweit en haver eten, en volgens sommigen ook weit, rogge en garst, maar niet dan by nood. Evenwel doen zy gene schade in die soorten van granen. In de lente zitten zy in menigte in de bomen digt by de Landhoeven, en hun gezang is aangenaam. Daar staat in Pensylvanie en New Jersey ene beloning op het doden van hun, en in Nieuw Engeland heeft men ’er nog groter haat tegen, want, volgens het geen my de Heer Franklin verteld heeft, zyn zy daar byna uitgeroeid, hebbende daar de beloofde beloningen zo sterke aanmoeding toe gegeven. Maar toen in den zomer van 1749. ene ontelbare menigte wormen in de weilanden waren, die al het gras opvraten, is men van die vyandschap tegens de Maisdieven weerom gekomen, vermits men meende te hebben opgemerkt, dat die vogels voornamelyk op die wormen aasden voor dat Mais ryp is, en dus dezelven of uitroeiden of hunnen al te groten aanwas verhinderden. Dus schynen zy enig regt te hebben op ene beloning. Na ’t uitroeyen der Maisdieven deden de wormen meer schade dan van te voren hunne vyanden gedaan hadden. In ’t jaar 1749. lieten die wormen in Nieuw Engeland zo weinig hoi over, dat men het uit Pensylvanie, en zelfs uit Groot Brittannie moest laten komen. Buiten den mensch hebben de Maisdieven ook andere vyanden, onder anderen een soort van kleinen Havik, die op hun en op ander klein gevogelte aast. Ik heb deze Havikken op de Maisdieven, die gerust zaten te eten, zien jagt maken, ze opjagen, en in de vlugt vangen. Het vleesch der purpere Maisdieven [193] wordt niet gegeten, dog dat van die met rode vleugelen [194] wordt somtyds genuttigd. In het voorheen zo genaamde Nieuw Zweden wil men dat de Maisdieven in getal niet verminderd zyn.

[Braambessen.]

De Amerikaansche Braambessen [195] zyn door gantsch Noord Amerika algemeen, en wassen op diergelyke plaatsen als zy in Zweden doen. De Amerikaanschen zyn groter, dog schynen anders maar ene verscheidenheid van de onzen. De Engelschen noemen ze Cranberries, de Zweden Tranbär, de Franschen in Kanada Atopa, een naam van de Wilden ontleend. Men verkoopt ze laat in ’t najaar te Philadelphia op de markt. Men kookt en bereidt ze even als wy onze blauwe bessen, [196] om in taarten en andersins te gebruiken. Dog zy vereischen veel suikers, zynde zy anders zeer zuur, maar de suiker is niet zeer duur in een Land waarvandaan de suikerplanteryen niet ver af leggen. Velen van deze bessen worden naar de West Indien en Europa vervoerd.

[De Mytilus Anatinus.]

Een soort van Mosselen, volkomen de Mytilus anatinus van Linnæus, wierd overvloedig in de gruppen op de weilanden gevonden. De schelpen waren van buiten veeltyds met ene dunne korst van yzerdeeltjes overdekt, wanneer het water in de sloten uit ene yzermyn kwam. De Zweden en Engelschen maakten hier zelden gebruik van deze mosselen, dog de Wilden plegten ze te eten, het geen ook enige weinige Europers nog wel doen.

[Sneuw.]

De sneuw lag den 2. Maart nog in de schaduwagtige plaatsen in de bosschadien, maar het veld was volkomen bloot. Het vee vond nog weinig voedsel in de bosschen.

[Sneuwvogel.]

De Sneuwvogel [197] wordt dus genaamd om dat men hem noit ziet dan als ’er sneuw legt. Sommige winters komen zy in zo grote menigte als de Maisdieven, en vliegen rondom de huizen en schuren om koorn en hoizaadtjes te vinden.

[Sneuwvuur.]

Den 3. Maart om agt uren des avonds zag men een zogenaamd Sneuwvuur aan den hemel. Ik heb dit verschynsel in de Verhandelingen der Kon. Zweedsche Maatschappy voor het jaar 1752. beschreven. [198]

[Wilde Duiven.]

In de bosschen vlogen om dezen tyd ene ongelooflyke menigte van Wilde Duiven, [199] en men verzekerde dat zy nu menigvuldiger waren dan gewoonlyk. Zy kwamen deze week, en men zag ze omtrent veertien dagen, waarna zy allen verdwenen.

[Donder.]

Den 7. Maart wierd my verteld, dat het hier een teken van slegt weder was als de Donder in het zuiden of zuidwesten opkwam en zig naar het oosten en daarna naar het noorden uitbreidde; maar dat als de bui zig niet uitbreidde, of zig zo wel naar het oosten als het westen verspreidde, zulks goed weder voorspelde. Dezen dag hoorde men het in ’t zuidwesten donderen, dog de bui verspreidde zig in ’t geheel niet.

[Vorst.]

De vorst had tot nog toe in den grond gezeten, zo dat men ’er met een houweel moest doorhakken als men graven wilde. Egter was zy niet boven ene hand diep doorgedrongen. Dog den 7. Maart raakte zy ’er uit. Dit maakte den grond zo week dat ’er de paarden, als men ryden wilde, zelfs in de bosschen, ’er zeer diep inzakten.

[Schade door de Vorst veroorzaakt.]

Ik vroeg aan verscheiden’ oude menschen, of men hier oit waargenomen had, dat ’er bomen van de vorst gedood waren, of ’er veel van geleden hadden. Het antwoord was, dat de jonge Hikories dikwyls in harde winters sterven, en dat de jonge Zwarte Eiken ’er ook wel van lyden. Zelfs gingen ’er wel in harde winters Zwarte Eiken van vyf duim over ’t kruis dood. Somtyds raakten wel alle de Persikebomen van ene gehele streek weg. Men had ondervonden dat alle deze bomen op de heuvels de koude beter konden wederstaan dan in de dalen, zelfs zo, dat somtyds die in de laagtens staan allen dood vriezen, zonder dat die welken op de heuvels wassen iets geleden hebben. De Zwarte Walnoot, de Sassafras en andere bomen leden noit van de koude. In de lente had men opgemerkt dat een koude nagt twee of drie, na dat de bomen al tamelyk grote bladen hadden, het loof dikwyls geheel vernield hadden. Dog in de plaats van dat loof waren altyd weder andere bladen te voorschyn gekomen. Het is zonderling, dat by die gelegenheid de vorst maar werkt op het onderste loof, tot zeven of agt voet van den grond, en het blad in den top ongeschonden laat. Verscheiden’ oude Zweden en Engelschen hadden deze opmerking gemaakt, en, volgens de aantekeningen van den opmerkzamen Ingenieur Lewis Evans, was hier de nagt tusschen den 14. en 15. Juni 1746. zeer koud geweest, en had de zelve uitwerking voortgebragt. De bomen, toen in bloei staande, hadden meest hunne bladen en bloemen, die digst by de aarde waren, verloren; enigen tyd daarna kregen zy nieuwe bladen, maar gene bloemen. Verders is het merkwaardig, dat de vorst dan voornamelyk schade toebrengt op zulke plaatsen waar kalksteen gevonden wordt, zelfs al merkt men anders nergens enig nadeel van de zelve, al leggen zelfs die kalkstenige gronden hoog, en al lopen de andere lage gronden vry. De Heer Evans is de eerste die deze aanmerking gemaakt heeft, en ik heb verscheiden’ malen gelegenheid gehad dezelve bevestigd te zien, gelyk ik in ’t vervolg zal aantekenen. De jonge Hikories, en na dezen de jonge Eiken, lyden in zulke gevallen het meest, gelyk ik zelf ook in de jaren 1749. en 1750. ondervonden heb.

[Spegten.]

Van de Spegten vindt men hier alle die soorten welken Catesby, in het eerste Deel van zyn kostbaar werk over de Natuurlyke Historie van Karolina, beschreven, en met hunne natuurlyke kleuren afgebeeld heeft. Ik zal ze alleen maar optellen, en ’er ene of twee van hunne eigenschappen bydoen, het overige voor een ander werk sparende.

De Koningsspegt, of Picus principalis, wordt hier, dog zeldzaam, en maar in een jaargety gevonden.

De Goudenkoekoek, Picus auratus, is hier overvloedig. De Zweden noemen hem Hittock en Piut, ter oorzake van zyn geluid. Hy zit meest altyd op den grond, en men ziet hem zelden in de bomen pikken. Hy leeft voornamelyk van Insekten, dog wordt zelf somtyds een proi van den Havik. Hy is gemeenlyk zeer vet en zyn vleesch smakelyk. Dewyl hy hier het gehele jaar over blyft, en ’s winters niet wel Insekten krygen kan, moet hy waarschynlyk ook van gras en kruiden leven. Zyne gedaante en sommigen zyner eigenschappen doen hem naar den Koekoek gelyken.

De Karolynsche Spegt, Picus villosus, is een middelmatig soort, en hier menigvuldig. Hy bederft de Appelbomen met gaten ’er in te byten.

De Roodkoppige Spegt, Picus erythrocephalus, was zeer overvloedig in het land. De Zweden noemden hem alleen Hackspick of Spegt. Dit soort is zeer schadelyk in de Maisvelden en de boomgaarden, want hy pikt door de Maisairen henen, en vreet de appelen op. In sommige jaren zyn zy zeer overvloedig, vooral omtrent de zoete appelen, waarvan zy niet meer dan de schil overlaten. Voorheen stond ’er ook een prys op hun. Zy houden ook veel van eikels. Tegens den winter trekken zy zuidwaards, en als men ze nog in ’t begin van den winter in de bosschen ziet, houdt men dit voor een teken van zagt weder.

De kleine bonte Spegt met het gele onderlyf, Picus varius, is hier maar in al te groten getale, want hy doet veel kwaads aan de appelbomen.

De kleinste bonte Spegt, Picus varius minimus, Picus pubescens, is hier in overvloed. Hy is de schadelykste van allen in de boomgaarden, dewyl hy de stoutste is. Zodra hy een gat in enen boom gepikt heeft, maakt hy ’er een ander vlak by, in ene horizontale strekking, tot dat hy rondom den boom enen kring van gaten heeft gebeten. Dikwyls hebben de Appelbomen hier verscheiden’ zulke kringen rondom den stam, veeltyds maar een duim boven malkander. Somwylen maken zy ’er zo vele gaten in dat de boom sterft. Hy is zo gelyk aan den laatst voorgaanden, dat men hem ’er voor nemen zoude, was hy niet veel kleinder.

[Kikkers.]

Men vindt hier een soort van Kikkers [200], by de Zweden Sill-häppetässor, dat is Haringspringers, genaamd, die nu reeds des avonds en ’s nagts in de poelen begonnen te schreuwen. De Zweedsche naam is hun gegeven om dat zy aanvangen te schreuwen in den zelven tyd dat men hier op de vangst gaat van den zogenaamden Haring, die egter veel van den Europischen verscheelt. Deze kikkers hebben een byzonder geschreuw, onderscheiden van dat der onzen; het gelykt veel eer naar het geschirp van sommige vogels, en kan byna door Pjit Pjit uitgedrukt worden. Dit geraas begint de gehele lente door met het ondergaan van de zon en duurt tot den morgenstond. Het was scherp, en kon zeer ver gehoord worden. Als ’er regen aan de lugt was, schreuwden zy nog veel harder, en vingen zelfs aan op ’t midden van den dag, of wanneer het begon te betrekken. De regen volgde gemeenlyk zes uren daarna. Den 16. Maart sneuwde en stormde het den gehelen dag, en ’s avonds deed ’er zig niet een horen, en dit duurde zo lang de sneuw bleef leggen en de koude aanhield. Dog zodra het weder warm wierd begonnen zy hun gezang op nieuws. Zy waren zo schuw dat het moeilyk was ze te vangen, want zodra een mensch omtrent hen komt zyn zy ten eersten stil en onzigtbaar. Het schynt dat zy geheel onder water blyven, en maar het uiterste van den neus boven steken als zy schreuwen, want ik konde ’er niet enen zien in de plassen daar zy in waren, ten zy men enen gehelen plas leeg maakte. De kleur is een morssig groen met bruine vlakken hierendaar gespikkeld. Als men ze aanvat geven zy een kermend geluid. Ook schynt het als of zy dan een gedeelte van den rug opblazen, zo dat zy ’er ene hoogte op hebben, en houden zig dan dood stil al raakt men ze aan. Levendig in wyngeest gelegd sterven zy in weinige minuten.

[Robin red-breast.]

De Vogel, door de Engelschen Robin red-breast [201] genaamd, wordt hier al het jaar over gevonden. Hy is geheel onderscheiden van dien in Engeland den zelven naam draagt. Hy zingt zeer lieflyk, is niet zeer wild, maar huppelt op den grond digt by de huizen.

[Hazelaars.]

De bloemen van den Hazelaar [202] begonnen den 12. Maart open te gaan. Zy slagen het best in ene vette tuinaarde, en de Zweden hielden het voor een teken van enen goeden grond, als zy ze zagen staan.

[Bloeyende bomen.]

De Elzebomen begonnen den 13. te bloeyen, gelyk ook het Dracontium foetidum, dat menigvuldig in de poelen wast. Dit is de stinkendste van alle planten. De reuk was zo sterk, dat ik nauwlyks de bloem bekyken kon, en als ik ’er wat te lang aan rook kreeg ik hoofdpyn. De Zweden noemen het Byorn-blad, dat is Bereblad, en Byornretter, dat is Berewortel. De Engelschen heten het Polecat-root of Polecatwortel, om dat het byna al zo erg stinkt als de Polecat. De bloemen zyn violet. Als de bloeisem in volle kragt is beginnen de bladen uit den grond te komen. In den zomer zal het vee deze plant niet aanraken. Dr. Colden zeide my, dat hy den wortel in alle die gevallen gebruikte waarin men den Arum wortel voorschryft, in zonderheid tegens het blauwschuit. Den Zweedschen naam heeft het gekregen om dat ’er de Beren in ’t voorjaar, wanneer zy hunne winterwoningen verlaten hebben, zeer gretig naar zyn. Het is zeer gemeen in gantsch Noord Amerika.

De Draba verna was hier overvloedig en stond in bloei.

[Veratrum album.]

De witte Nieswortel, of Veratrum album, was zeer gemeen in de poelen en natte plaatsen door gantsch Noord Amerika. Het is ene vergiftige plant, welke het vee noit aanraakt, of het moest in ’t voorjaar wezen, wanneer het land nog kaal is, en deze plant reeds een schoon groen loof heeft, en dit kost den beesten dikwyls het leven. Schapen en ganzen zyn ’er van gestorven. Men gebruikt den wortel om de Mais voor de Maisdieven te bewaren, gelyk ik reeds verhaald heb. Maar men moet voorzigtig zyn dat geen ander vee aan de daarin gedoopte korrels rake, want enden en ganzen worden ’er zeer ziek van en sterven als de hoeveelheid wat groot is. Den rauwen wortel zal geen beest eten, dog gekookt wel. De honden heeft men ’er zeer ziek van gezien, dog zy kwamen na ene braking weer by; maar als een beest het zig niet kwyt kan maken loopt het groot gevaar. Sommige menschen wasschen zig op de scheurbuikige delen met een afkookzel van den wortel. Dit veroorzaakt enige pyn en dryft de pis af, dog wordt gezegd den Lyder te helpen. Dat afkooksel doodt ook de luizen, wanneer men ’er de kam indoopt. De kinderen maken poppen van den steel dezer plant, en daarom noemen de Zweden ze Dack, Dackor, of Dackretter, dat is Poppewortel. De Engelschen noemen ze Itchreed of Ellebore.

[Oude Amerikanen.]

By de eerste aankomst der Zweden in dit Land was het vol van Amerikanen. Toen de Europers het land begonnen te bebouwen, verkoften het hun de Wilden, en trokken meer landwaards in. Egter was het het kleinste gedeelte van hun dat op deze wys hun vaderland verliet, de meesten kwamen in het zelve om, ’t zy door oorlogen onder malkander, ’t zy door de kinderpokjes, ene ziekte waaraan zy voor dien tyd gene kennis hadden, dog die sedert ene ongelooflyke menigte van hun heeft om hals gebragt. Want schoon zy middelen weten om wonden te helen, weten zy met koortsen en andere ziektens niet omtegaan. Men kan zig verbeelden hoe kwalyk zy de kinderpokken behandelden, daar, zodra de uitslag zig openbaarde, zy naakt in de rivier of een meer sprongen, of anders het koude water zig over ’t hoofd wierpen, om de hette der koorts te matigen. Ook dompelen zy hunne kinderen die de pokjes hebben in koud water. [203] Dog de brandewyn heeft de meesten omgebragt. Na dat de Amerikanen dezen drank van de Europers gekregen hebben, konden zy ’er noit genoeg van vinden. Nauwlyks kan men ergens meer opgezet zyn dan een Amerikaan op brandewyn. Ik heb ze horen zeggen, dat zig daaraan dood te drinken was enen roemryken dood te sterven. En inderdaad velen hebben zig dood gezopen.

[Hun voedsel.]

Het voedsel dezer menschen was zeer onderscheiden van dat van de overige bewoonders van den aardbodem. Weit, rog, garst, haver, ryst, was hun alles onbekend; zo was het ook met vele soorten van de vrugten der oude wereld. De Mais, enige soorten van bonen en kawoerden, maakten al den akkerbouw der Wilden uit; en honden waren hun enige huisdieren. Hun landbouw kon hun nauwlyks twee maanden van het jaar den kost verschaffen, de jagt en visschery moesten, en moeten nog, het voornaamste onderhoud aan deze menschen bezorgen, behalven nog enige planten en vrugten die in ’t wild wassen. Sommigen van de oude Zweden waren nog in leven, die in hunne jeugd met de Wilden omgang gehad en hunne huishouding van naby nauwkeurig gezien hadden. Ik was begerig de wilde gewassen te kennen die deze menschen gewoon waren te gebruiken, en ik kreeg van hun het volgende bescheid.

[Hopnis.]

Hopnis of Hapnis was de naam dien zy aan een wild gewas gaven, dat zy aten. De Zweden noemen het nog zo; het wast in de weiden op enen goeden grond. De wortels gelyken naar de Potatoes, en wierden gekookt zynde in plaats van brood gegeten. Sommige Zweden volgden in dien tyd dat voorbeeld by gebrek van brood. Nog gebruiken ze sommige Engelschen in plaats van Potatoes. De Heer Bartram verhaalde my dat de Wilden verder binnens lands niet alleen deze wortelen, die ruim zo goed als de Potatoes zyn, eten, maar zelfs de erwten, die in de zaadhuisjes der plant zitten, als gemene erwten bereiden en gebruiken. Linnæus noemt deze plant Glycine Apios.

[Katnis.]