Part 21
Al wie zig in ’t huwelyk wil begeven moet zyne drie geboden van den Predikstoel hebben laten aflezen of een verlofschrift van den Gouverneur hebben. De geboden van de geringere menschen alleen worden afgelezen, al wat iets meerders wezen wil neemt een verlofschrift, waarin de Gouverneur verklaart de zaak onderzogt en niets gevonden te hebben dat het voltrekken der trouw hinderen moet, en dat hy gevolgelyk hiertoe verlof geeft. Hy ondertekent het geschrift. Dog eer het den verzoeker in handen wordt gesteld, moet de Bruidegom zelf komen vergezeld van een of twee brave manspersonen, die voor hem instaan dat ’er gene wettige verhindering is opgekomen. Dezen moeten een getuigschrift tekenen, waarin zy zig aanspreeklyk maken en verbinden tot vergoeding van alle schade die ’er door de klagten der Voogden, der Heren, of der Nabestaanden des persoons die zig in ’t huwelyk begeeft, of van zulken aan de welken hy eerder verbonden was geweest, veroorzaakt mogte worden; want dit alles kan de Gouverneur onmogelyk weten. Voorts, dat ’er niets uit hoofde der aantegane egtverbintenis te vrezen is, en dat ’er niets is dat dezelve verhinderen moete. Voor een verlofschrift betaalt men te Philadelphia vyfentwintig Pensylvanische schellingen, waarvan ’er twintig voor den Gouverneur en vyf voor zynen Sekretaris zyn. Het verlofschrift luidt alleen aan Protestantsche Geestelyken. De Quakers krygen een byzonder verlofschrift. Maar, vermits het zeer lastig wezen zou, vooral voor zulken die ver af van de verblyfplaats des Gouverneurs wonen, om een verlofschrift in de Stad te komen en hunne borgen medetebrengen, nemen de Predikanten op het land een genoegzaam getal van verlofschriften en borgtogten in blanco in voorraad, die zy aan de zulks behoevenden ter hand stellen voor den gewonen prys van vyfentwintig schellingen, en iets daarenboven voor hunne moeite. Het dus verzamelde geld brengen zy den Gouverneur als zy in de Stad komen, te gelyk met de borgtogten. Hieruit kan men opmaken, dat de Gouverneurs buiten hun jaargeld nog een tamelyk inkomen van hunne post hebben. [167]
[Jaren van Mondigheid.]
Volgens de Engelsche wetten is een manspersoon met zyn eenentwintigste, en een meisje op haar agttiende jaar mondig, en kan dan trouwen zonder het verlof van zyne Ouders. Dog voor dien ouderdom kan het zonder toestemming van ouders of van voogden niet geschieden.
[Verscheidenheid van Landaarden in de Volkplantingen.]
Men vindt in de Volkplantingen allerhande soorten van landaarden, zo wel van zulken die onlangs uit Europa zyn overgekomen, als van zulken die nog geen vast verblyf genomen hebben. Dus gebeurt het wel, dat by het trouwen van zulk een paar de Bruidegom zegt dat hy voor het tegenwoordige nog geen geld heeft, maar betalen zal zodra hy kan, en zig hiermede met zyn wyf weg pakt, [Bedrog hieruit ontstaande.] zonder dat de Predikant oit het zyne krygt. Dit heeft gelegenheid tot ene gewoonte gegeven, die nu in Maryland gemeen is. Als ’er een arm paar getrouwd wordt, houdt de Predikant op in het midden van het formulier, en vraagt waar is myn geldt? [168] Geeft dan de Bruidegom het geld, zo gaat de Predikant voort, dog heeft deze het niet, zo wordt de trouw zo lang uitgesteld tot dat hy beter by kas is. Ryke lieden, van wie de Predikant gene zwarigheid heeft van zyn geld niet te krygen, staan aan deze onaangename vraag niet bloot.
[Wetten hieromtrent.]
Schoon een Predikant verlof gekregen heeft tot het trouwen van een paar, kan hy egter, indien hy niet voorzigtig is, in onaangename omstandigheden geraken, want op vele plaatsen is ’er ene wet, die, niettegenstaande zulk een verlofschrift, de magt van den Predikant zeer bepaalt. Hy mag een onmondig paar niet trouwen, indien hy niet verzekerd is van de toestemming der ouders. Ook mag hy zulke vreemdelingen niet trouwen die verbonden zyn een zeker getal jaren te dienen zonder de bewilliging van hunne Heren. Indien hy zonder zulke toestemming ene trouw verrigt, vervalt hy in ene boete van vyftig Pensylvanische ponden, alhoewel hy een verlofschrift en den borgtogt heeft van twee mannen, want de Ouders en Heren storen zig niet aan die borgtogten, maar spreken den Geestelyken aan, die zyne schade kan zien te herhalen op de genen die hem borg gebleven zyn. Dog met de bewilliging van ouders of meesters kan hy zonder gevaar de trouw verrigten. Geen Predikant mag enen Zwart met iemant van Europische afkomst trouwen, onder straf van honderd pond boete, volgens de wetten van Pensylvanie.
[Kortswylig gebruik.]
Hier heeft een kortswylig gebruik by sommige huwelyken plaats. Als een man stervende zyne weduw in armoede laat zitten, of zo, dat zy alle de schulden niet betalen kan met het weinige dat haar overblyft, en dat dit niettegenstaande ’er een man is die haar trouwen wil, moet zy trouwen in haar blote hembd. Door deze plegtigheid staat zy aan de schuldeischers van haren overledenen man hare klederen, en al wat zy in huis vinden kunnen, af. Dog boven dat is zy niet gehouden hun iets meer te betalen, als hun alles hebbende overgegeven wat zy had, uitgenomen maar een hembd om haar te dekken, het welk de wetten van het Land haar niet ontnemen kunnen. Zodra zy getrouwd is, en niet meer tot den eersten man behoort, trekt zy de klederen aan die haar de twede gegeven heeft. De Zweedsche Predikanten hebben verscheiden bruids in zo een goedkope en lugtige kleding getrouwd, gelyk uit de registers in de kerken blykt. Ook heb ik dikwyls van zulke huwelyken in de Engelsche Koeranten gelezen, die in de Volkplantingen uitkomen. Het volgende in ’t byzonder zal ik uit ene aantekenen. “Ene vrouw ging, met niets anders aan dan haar hembd, begeleid door hare naaste vrienden, uit het huis haars overledenen Mans naar dat van haren Bruidegom, die haar ten halven wege te gemoet kwam met fraye nieuwe klederen, en in tegenwoordigheid van allen zeide, dat hy die aan zyne Bruid leende, en trok ze haar met eigen handen aan.” Waarschynlyk zeide hy haar die klederen te lenen, uit vreze dat als hy ze haar gegeven had de schuldeischers van haar eersten man mogten opkomen en ze haar ontnemen, onder voorgeven dat zy moest worden aangezien als tot den eersten man behorende, eer zy met den tweden getrouwd was.
[Europeanen hier te lande voor de aankomst der Zweden.]
Het schynt uit de volgende waarnemingen zeer waarschynlyk, dat ’er voor de Zweden hier te lande alreeds Europeanen geweest zyn, en in ’t vervolg zullen wy nog iets ter bekragtiging van deze mening by brengen. De zelve oude man, Maons Keen, van wien ik alreeds gesproken heb, verhaalde my meer dan eens, dat toen de Zweden in de voorleden euw zig hier nederzetteden, en ene Volkplanting, Helfingburg genoemd, op de Dellaware aanleiden, iets beneden de plaats waar nu Salem staat, zy op de diepte van twintig voeten enige gemetselde putten vonden. Dit kon onmogelyk een werk der Wilden wezen, die gene gebakken stenen voor de aankomst der Europeanen gekend hebben, en gevolgelyk nog minder wisten hoe die te gebruiken. De putten lagen wel op ’t land, dog evenwel op zulke plaatsen aan de Dellaware die somtyds onder water en somtyds droog zyn. Dog sedert is het land zo afgenomen dat de putten geheel onder water geraakt zyn, en het is zelden laag genoeg om de putten te zien. Toen de Zweden naderhand op enigen afstand van de voorgaanden nieuwe putten groeven, vonden zy in den grond enig gebroken aarden vaatwerk, en nog gehele goede gebakken’ stenen, diergelyken zy ook dikwyls onder ’t ploegen hebben bovengehaald.
[En voor Columbus tyd.]
Hieruit, schynt het, mag men opmaken, dat in oude tyden hier, of Europeanen of een ander beschaafd volk, door storm of andersins moeten zyn naar toegedreven, zig neergezet, stenen gebakken, en ene Volkplanting gemaakt hebben; dog dat zy naderhand zig met de Amerikanen vermengd hebben, of door dezelven omgebragt zyn. Misschien hebben zy allengskens door den omgang met de Wilden derzelver zeden en denkingswyze aangenomen. Men heeft de Zweden zelfs beschuldigd, dat zy alreeds halve Wilden waren, toen de Engelschen hier in ’t jaar 1682. aankwamen. En men ziet nog werkelyk, dat de Franschen, de Engelschen, de Duitschers, de Hollanders, en andere Europers, die vele jaren in afgelegene landschappen, digt by de Wilden, gewoond hebben, zo veel overeenkomt met dezelven krygen, zo in hun gedrag als denkwys, dat men ze ’er alleen door hunne kleur van onderscheiden kan. Dog de geschiedenissen en overlevering der Wilden verzekeren ons, dat de gemelde putten niet konnen gemaakt zyn ten tyde van Columbus onderneming of kort daarna, dewyl de Amerikanen zeggen dat zy veel ouder zyn. Het geen ik hier aangaande deze putten gezegd heb, is my naderhand op nieuws door verscheiden’ Zweden verhaald.
[Tekens aangaande het weder.]
Den 22. December voorspelde ons een oude Landman verandering van weder, omdat de lugt op den middag zeer warm was, zynde zy ’s morgens zeer koud geweest. Buiten dat maakte hy het zelve daaruit op, dat de wolken zig om de zon zo hadden t’zamengetrokken. En de hieragter gevoegde waarnemingen zullen tonen dat deze voorzegging juist is vervuld geworden.
[Middelen tegens tandpyn.]
Schoon ieder oud wyf onfeilbare middelen tegens tandpyn waant te bezitten, waarvan de meesten vrugteloos worden aangewend, wil ik nogthans enigen van die middelen aantekenen die hier gemeenlyk tegens dat ongemak aangewend worden.
Als de pyn ontstaat uit holle kiezen, steekt men een weinig katoen in ene tabakspyp, doet ’er de tabak boven op, steekt ze aan, en rookt tot dat het alles byna verbrand is. Onder ’t roken komt de olie van de tabak in het katoen, het welk men ’er dan uitneemt, en zo heet als men ’t verdragen kan tegens de kies legt.
De vrouw van Kapitein Lindsey te Oswego heeft my verhaald, dat de Iroquoizen in dit geval het volgende middel voor het beste houden, en zy had zelve het zeer goed gevonden. Zy nemen de zaadhuisjes van de Virginische Anemone, zodra het zaad ryp is, en wryven ze aan stukken. Dan zien zy ’er uit zo ruw als katoen. Men doopt deze stof dan in sterken brandewyn, en steekt ze in de holle kies. De pyn gaat ’er gemeenlyk van over. De brandewyn is bytende, en de Anemone zaden zyn insgelyks scherp, gelyk de meeste zaden van bloemen die te gelyk de stamina en de pistilla hebben. Dus helpt dit malkanderen om de pyn te verligten. Wy hebben ook vele zaden die de zelve eigenschappen hebben als de Amerikaansche Anemone.
Tegens de tandpyn vergezeld met zwelling wierd het volgende middel het meest gebruikt. Men kookt meel van Mais met melk, doet daar, terwyl het nog over ’t vuur staat, wat varkens of ander vet by, en roert het om tot dat het alles wel gemengd is. Dan doet men ’er een handdoek over, en legt het daarin, zo heet als men ’t verdragen kan, op de pynelyke wang, waar men ’t op leggen laat tot dat het koud is. Ik heb dit zeer kragtig tegens de zwelling gevonden, die het niet alleen vermindert, maar het verzagt ook de pyn, opent de dikte, indien ’er zig enige kwade stof gezet heeft, en doet den etter uitlopen.
Ik heb de Iroquoizen den binnensten bast van den Kanadaschen Vlierboom zien koken, en op de wang leggen daar de pyn het sterkst was. Dit verzagtte, zeide men, de smert dikwyls.
Onder de Iroquoizen, of de Vyf Volken op de Rivier Mohawk, zag ik ene jonge vrouw, die, door het sterk theedrinken, ene geweldige tandpyn gekregen had. Om zig hiervan te genezen kookte zy de bladen van een soort van Myrteboom, [169] en bond die zo heet als zy ’t uithouden kon op de wang. Dit middel zeide zy had haar dikwyls geholpen.
[Het yzer eertyds onbekend aan de Wilden.]
Voor de aankomst van de Europeanen onder het geleide van Columbus in Amerika, waren de Wilden geheel onkundig van het gebruik van ’t yzer, het welk ons zeer wonderlyk moet voorkomen, daar Amerika byna overal zeer vele yzermynen bevat. Dus waren zy verpligt dit gebrek te vergoeden door het gebruik van scherpe stenen, schelpen, klauwen van vogels en wilde beesten, en andere dingen, om bylen, messen en diergelyke snydende werktuigen te maken. Hieruit kan men zien dat zy een armoedig leven moeten geleid hebben. De oude Zweden, die in hunne jeugd omgang met de Amerikanen gehad hadden, toen zy hier nog vry talryk waren, wisten nog veel van hunne levenswys te vertellen. Nog vindt men by toeval vele werktuigen die de Wilden voor de aankomst der Zweden of andere Europers gebruikt hebben. Tegenwoordig gebruiken de Amerikaansche Wilden geen andere werktuigen als die van yzer of andere metalen gemaakt zyn, welken zy van de Europeanen krygen. Maar alzo ik gelegenheid gehad heb van velen van de oude werktuigen der Amerikanen te zien en zelfs te verzamelen, zal ik dezelven hier beschryven.
[Werktuigen der oude Amerikanen.]
Hunne Bylen waren van steen. Hare gedaante gelykt veel naar die van onze wiggen, waarmede wy het hout kloven, omtrent enen halven voet lang en breed naar evenredigheid. Zy zyn gemaakt als onze wiggen, scherp aan het ene einde, dog egter iets botter. Dewyl zy aan enen steel moesten vastgemaakt worden, zo was ’er boven aan een rand om aan het dikke einde. Om den steel vast te maken spleet men ze op, en stak de gespleten’ einden van den stok in den rand van den steen, en bond dan de gespleten’ stukken vast op malkander, omtrent zo als de Smids in de spleten van den steel de yzeren byl vastmaken. Sommigen van deze bylen hadden geen rand van boven, en het schynt dat zy die maar in de hand hielden om ’er mede te hakken of te stoten, zonder dat ’er een handvat aan behoefde te zyn. De meesten dezer bylen, die ik gezien heb, bestonden uit ene harde rots, dog anderen waren gemaakt van enen harden, zwarten, fynen vuursteen. Als de Wilden enen zwaren boom vellen wilden, konden zy dit met hunne bylen niet uitvoeren, dog bedienden zig dan van het vuur. Zy verbrandden de wortels van den boom, en deden hem dus tuimelen. Maar op dat het vuur niet verder gaan mogte dan hun oogmerk was, staken zy enige oude lappen aan een stok, doopten die in ’t water, en maakten daar den boom een weinig boven het vuur gestadig mede nat. Wanneer zy enen dikken boom tot een Kano wilden uithollen, lagen zy droge takken om den stam, zo ver zy den boom dagten hol te maken, en staken die in brand. In de plaats van die verbrand waren werden anderen aangebragt. Ondertusschen waren zy gestadig bezig met den boom boven en onder het vuur, daar hy niet branden moest, nat te maken. De boom hol gebrand zynde, zo ver zy zulks verlangden, schraapten zy met hunne bylen, met scherpe schalen, en diergelyken, het gebrande ’er af, en maakten de Kano van binnen glad. Op deze wys gaven zy zulk ene gedaante ’er aan als zy goedvonden. Ene Kano was gemeenlyk tusschen de dertig en de veertig voet lang. Het voornaamste waartoe hunne bylen dienden was de velden bekwaam te maken voor het planten der Mais; want als zulk een veld, daar zy Mais telen wilden, met hout bedekt was, hakten zy den bast rondom de bomen af met hunne bylen, vooral in den tyd dat hy sappig was. Dus verdorde de boom, terwyl hy geen voedsel meer krygen kon, en de bladeren beletteden de zonnestralen niet langer door te schieten. De kleinder bomen wierden met geweld uitgerukt, en men roerde daarna de aarde met kromme en scherpe takken om.
[Messen.]
In plaats van messen behielpen zy zig met scherpe stukken vuursteen, quarts, of enig ander soort van steen, of met enen scherpen schulp, of een scherpgemaakt been.
[Pylen.]
Vooraan de pylen maakten zy dunner en hoekige stukken steen vast, gemeenlyk vuurstenen of quartsen, dog somtyds wel een ander soort. Sommigen gebruikten de beenderen der dieren, of de klauwen van vogels of beesten. Enigen van deze oude werppylen zeer vry stomp, egter schynt het dat zy ’er vogels en beesten mede hebben weten te doden; dog of zy door de kragt van den boog sterk genoeg voortgejaagd wierden om diep in het lichaam van een mensch door de klederen heen te kunnen indringen, kan ik niet zeggen. Men heeft ’er nogthans gevonden die zeer scherp en wel gemaakt waren.
[Stampers.]
Zy hadden stenen stampers omtrent een voet lang en zo dik als een mans arm. Dezen bestaan voornamelyk uit een zwart soort van steen, en wierden voorheen gebruikt om Mais te stampen, het welk van over oude tyden af hun voornaamste of enig graan is geweest. Zy hadden generhande soort van molens om het te malen, en wisten niet wat voor een ding een molen was. Oude Franschen in Kanada hebben my verteld, dat de Amerikanen ten uitersten verbaasd stonden toen zy de Franschen den eersten molen zagen opregten. Zy kwamen, zelfs van zeer ver, in groten getale, om dat wonder te zien, en wierden niet moede van ’er verscheiden dagen by te blyven zitten om het te bekyken. Zy waren lang van mening dat hy niet van den wind, maar van geesten, die ’er binnen in zaten, wierd omgedreven. By het bouwen van den eersten watermolen waren zy ook meer of min in de zelve verwondering. Voorheen stampten zy al de Mais in holle bomen met de beschrevene stenen stampers. Velen hadden ze evenwel maar van hout. De zwartagtige steen, waarvan de bylen en de stampers voor dezen gemaakt werden, is een zeer goede slypsteen, en om die reden gebruiken de Engelschen en de Zweden dezelven, als zy ze vinden, om hunne messen te wetten.
[Ketels.]
De oude ketels der Wilden waren of van klei of van een soort van dufsteen. [170] De eersten bestonden uit ene donkere klei gemengd met witte zand- of quartskorreltjes, en in het vuur gebakken. Velen van deze ketels hebben twee gaten in den bovenrand aan elke zyde, waardoor men enen stok stak, en den ketel, zo lang hy kookte, boven het vuur hield. De meesten hebben geen voet. ’T is iets zonderlings, dat genen van die ketels van binnen of van buiten verglaasd waren. Enige weinige oude Zweden konden zig nog herinneren, dat zy de Wilden in zulke potten hadden zien koken. Zy zyn zeer dun, en van verschillende grootte, somtyds van enen groenagtigen, en somtyds van enen grauwen dufsteen, en enigen zyn van een soort van vuursteen. De bodem en de rand zyn dikwyls ruim een duim dik. Schoon de Amerikanen gene kennis van yzer, staal, of enig ander metaal hadden, wisten zy evenwel deze stenen ketels zeer aardig uittehollen.
[Tabakspypen.]
De oude Tabakspypen der Wilden waren ook van klei, of van duf- en slangesteen. Die uit klei zyn hebben de gedaante van de onzen, dog zyn wat ruwer en niet zo wel gemaakt. De pyp is dik en kort, naauwlyks een duim, dog somtyds een vinger lang. De kleur is byna zo als de onzen die wat lang gebruikt zyn. Die, welken uit dufsteen gemaakt worden, bestaan uit de zelve stof als de ketels. Sommigen van dezelven zyn tamelyk wel gemaakt, schoon de Wilden nog yzer nog staal hadden. Maar behalven deze tabakspypen, vindt men nog een ander soort, die zeer vernuftig uit een zeer frayen roden dufsteen, of een soort van slangagtig marmer gemaakt zyn. Dezen zyn zeer schaarsch en zelden in gebruik dan by de Sachems of Oudsten der Wilden. De fraye rode steen, waarvan die pypen gemaakt zyn, is ook zeldzaam, en wordt alleen in het land der Ingouez gevonden, die, volgens Vader Charlevoix, [171] aan de overzyde der Missisippi wonen. Ene pyp van dit soort wordt by de Amerikanen veeltyds hoger geagt als een stuk zilvers van dezelve grootte. Uit het zelve soort van steen bestaat gemeenlyk hunne zo genaamde Pyp van vrede, [172] van de welke zy zig bedienen by het aangaan van vrede of verbonden. Byna alle Schryvers, die van dit volk gewag hebben gemaakt, spreken van deze pyp, en ik zal ’er in ’t vervolg breder over handelen.
[Vischangels.]
In plaats van Vischangels gebruikten de Wilden hoeken van been of vogelklauwen. Sommigen van de oudste Zweden alhier vertelden my, dat in hunne jeugd zeer vele Amerikanen in het toen zo genaamde Nieuw Zweden gewoond hebben, die met zulke hoeken op de Dellaware vischten.
[Wyze van vuur te maken.]
Om vuur te maken hadden zy de gewoonte van twee harde droge stukken houts sterk tegens malkander te wryven, tot dat het hout begon te roken en daarna in vlam vloog.
[Aanmerking.]
Dusdanig waren de werktuigen die de Amerikanen voor de aankomst der Europers gebruikten, voor dat zy geleerd hadden zig van het yzer te bedienen. Noord Amerika heeft overvloed van Yzermynen. De Wilden woonden door het gehele land verstroid; en men kan vele plaatsen aanwyzen waar men thans yzermynen ontdekt heeft, daar nog geen honderd jaren geleden grote dorpen van Wilden gestaan hebben. Dus is het zonderling dat zy geen gebruik hebben weten te maken van een metaal dat zy overal onder hunne ogen hadden, en daar zy alle dagen op traden. Zy woonden op plaatsen daar men naderhand yzererts ontdekt heeft, en reisden vele mylen ver om ene elendige byl, een mes, of iets diergelyks van steen te krygen. Zy moesten verscheiden dagen te koste leggen om hunne werktuigen scherp te maken, met ze tegens ene rots of andere stenen te wryven, en wierden dan nog kwalyk voor hunnen arbeid beloond, want zy konden nimmer met hunne bylen enen dikken boom vellen, en bezwaarlyk konden zy ’er enen kleinen mede omhouwen. Het was hun onmogelyk met die bylen enen boom uittehollen, of het honderdste gedeelte van het werk te doen dat wy met onze yzeren bylen verrigten. Hieruit ziet men hoe nadelig de onkunde, of de dwaze veragting is van nuttige konsten.
[Hazen.]
Men vindt hier een genoegzaam getal van Hazen, dog zy zyn veel kleinder dan de Europischen en niet veel groter dan onze Konynen. Zy blyven zo wel des winters als des zomers grauw, gelyk de onzen maar des zomers zyn. De tippen hunner oren zyn altyd grauw en niet zwart; de staart is ook in alle jaargetyden grauw van boven. Zy jongen verscheiden’ malen in het jaar. In de lente leggen zy hunne jongen in hollen bomen, en des zomers, in Juni en Juli, in het gras. Wanneer zy verrast worden nemen zy gemeenlyk hunne schuilplaats in holle bomen, waar men ze met een stok met een haak van voren uithaalt, of door een gat in den boom te snyden, of door rook rondom den boom te maken uit dryft. In alle die gelegenheden heeft men ’er honden by van doen. Deze hazen byten noit, en men kan ze zonder gevaar aanraken. By dag zitten zy gemeenlyk in holle bomen, en komen ’er zelden uit, ten zy ze door menschen of honden gestoord worden; dog ’s nagts gaan ze uit om voeder te zoeken. By slegt weder, of als het sneuwt, leggen zy een dag of twee stil, en wagen zig niet buiten hunne schuilplaatsen. Op de koollanden doen zy grote schade; en de appelbomen moeten oneindig veel van hun lyden, want zy schillen ze digt by den grond geheel af. Men stemt hierin overeen, dat zy in enen kouden harden winter vetter zyn dan in enen zagten en vogtigen. Men gaf hiervan verscheiden’ oorzaken by gissing op. De huid is zo los dat men ze niet van ’t lyf aftrekken kan, en by gevolg deugt zy nergens toe, want als men ze by de hairen trekt volgt het vel met stukken van zelf. Deze Hazen kan men niet mak maken. Zy hebben altyd, zelfs in ’t midden van den winter, ene menigte van vloyen. [173]
[Muizen.]
Muizen van het gemene soort vond men hier te lande in de steden en op ’t veld, en dat in zulke menigtens, dat zy hier, even als in andere landen, zeer veel schade doen. Oldmixon [174] verhaalt dat ’er nog muizen nog ratten in Noord Amerika geweest zyn, eer zy met de schepen uit Europa overgekomen waren. Hoe ver dit waar is weet ik niet. Dog dit is zeker, dat ik op vele woeste plaatsen, waar noit een mensch gewoond heeft, velen van ’t gemene soort van Muizen doodgeslagen heb, die in de spleten der bergen zaten. En is het waarschynlyk dat alle die Muizen, die door alle de binnenlanden verspreid zyn, van die zouden afkomstig wezen die uit Europa zyn overgebragt?
[Ratten.]