Reis door Nieuw-Grenada en Venezuela De Aarde en haar Volken, 1887

Chapter 9

Chapter 93,979 wordsPublic domain

Bij de Guahibos bestaat de gewoonte, om bij zonsopgang uit hunne hutten te voorschijn te treden, voorzien met eene soort van pansfluit, en dan, op dat instrument blazende, een ommegang om het dorp te houden. Is dit eene hulde aan de zon, en vereeren zij die als hunne godheid?

De kapitein brengt mij bij de gebeeldhouwde rotsen. Onder weg bemerk ik dat hij om den hals een stuk rotskristal draagt, dat in de holle tand van een kaaiman is geweest; zulk een halssieraad draagt den naam van guanare. Met behulp van deze guanares trachten de Guahibos hunne gehate naburen, de Piaroas, te betooveren en hun allerlei kwalen en rampen op den hals te halen. Hoe vele geslachten hebben niet aan dit stuk kristal gearbeid, om het aldus als een brillant te bewerken en te slijpen! Welke is wel de waarde van dit voorwerp, dat alleen door de wetenschap en de bekwaamheid van machtige toovenaars tot zoodanigen staat van volkomenheid kan zijn gebracht?

De arme onwetende Indianen vermoeden zelfs niet, dat er voor onze glaswerkers maar een arbeid van weinige uren noodig is om de schoonste scheppingen der natuur op verwonderlijk getrouwe wijze na te bootsen; en evenmin dat deze kristallen, welke in zoo hooge mate hunne verbazing opwekken, op meer dan één punt in de ingewanden der aarde worden aangetroffen. Elk stuk mineraal, dat in zijne gedaante en zijne omtrekken zekere regelmatigheid vertoont, is in hunne schatting het werk van geesten of van toovenaars.

Een uur na Lejanne kwam ik te Maypoures. Wij gebruiken het ontbijt en gaan daarop aan boord van onze prauw om de watervallen te passeeren. Bij twee van deze vallen of stroomversnellingen gaat dit zonder bezwaar; bij den derden, den val van Sardinel, moet de bagage worden ontscheept en over land vervoerd. Een uit Brazilië gevluchte neger, Sylvester genaamd, heeft zich hier als veerman neergezet. Hij voert de vaartuigen, die van boven of van beneden komen over den val, en belast zich ook met het vervoer der bagage over land. Wij gaan naar zijne hut om eene overeenkomst met hem te sluiten. Nadat wij het over de voorwaarden eens waren geworden spreken wij hem bij toeval over het curare.--"Mijne vrouw weet daar alles van", zegt hij. "Zij is de dochter van een toovenaar uit den stam der Piaroas en heeft dikwerf haar vader geholpen om dit vergif te bereiden."

Juist terwijl hij dit zeide trad de vrouw de hut binnen. Wij halen uit onze prauw de kalebas met curare, die wij in den omtrek van San-Fernando gekocht hebben. Volgens haar, is dit niet het "curare fuerte" van de Piaroas. Zij kan daarvan het bewijs leveren, want op den boschrijken heuvel in de nabijheid der hut is de echte curare te vinden.

"Volg mij," zegt zij tot mij.

Weldra komen wij bij een braaknotenboom, waarvan de bladeren en de jonge twijgen met roodachtige haren zijn bezet.--Dit is de "curare fuerte". Professor Planchon, die de door ons medegebrachte exemplaren heeft onderzocht, houdt de bladeren en twijgen voor die van de _strygnos toxifera._--Men raspt de schors van deze liano en laat die gedurende eenige uren in het water koken en vervolgens het vocht door eene zeer fijne zeef loopen; het aldus gefiltreerde vocht verdikt zich en wordt daarna uitgeperst. Het aldus verkregen vocht wordt in kalebassen van tien duim in doorsnede bewaard. Men doopt de punten der pijlen eens of meermalen in dit vocht, dat in de kalebassen spoedig opdroogt en dan het voorkomen van drop aanneemt. Dit curare is een zeer sterk vergift. Al de Piaroa-Indianen, wien wij later onze twijgen lieten zien, erkenden daarin aanstonds het echte curare.

Sylvester weet ook dat in den omtrek Piaroa-Indianen begraven liggen. Hij wil, natuurlijk tegen betaling, mij behulpzaam zijn om mij hunne geraamten te bezorgen. Morgen, bij het aanbreken van den dag, zullen wij op die expeditie uitgaan. Lejanne zal eene schets maken van den waterval van Sardinel; Mirabal, meer gewoon met Indianen om te gaan, zal voor het vervoer der bagage zorgen.

Dit eenmaal afgesproken zijnde, keeren wij naar den anderen oever terug. Onderweg hebben wij met geweldige draaikolken en stroomingen te worstelen. Somwijlen wordt onze kano, als die onweerstaanbare stroomingen haar van ter zijde aanvallen, als eene veer op de golven medegevoerd. De schipper heeft al zijne bekwaamheid en al zijne tegenwoordigheid van geest noodig om te beletten dat het broze vaartuig omkantelt of medegesleept wordt naar den bruisenden waterval van Sardinel. Ter wederzijde liggen groote kaimans op de loer, uitziende naar de visschen en andere dieren, die met den snel voortschietenden stroom worden medegevoerd. Wij brengen onze bagage aan den anderen oever aan land, en vinden daar een Spanjaard, don Pedro genaamd, die na eerst in La Plata, vervolgens in Brazilië te hebben gewoond, zich eindelijk te Atures heeft nedergezet. Hij is op weg naar la Urbana, met een lading maniokmeel, dat hij van de Indianen van de Vichada gekocht heeft. Het was deze don Pedro, die bij de Guahibo-Indianen tien manden maniokmeel betaalde met de stop van een karaf. Maar in onze positie kunnen wij niet kieskeurig zijn: van iedereen kunnen wij nuttige inlichtingen inwinnen.

Wij deelen ons maal met dit heerschap, voor wien wij zeer weinig sympathie gevoelen, en bieden hem koffie en sigaren aan. Dan leggen wij ons rustig in onze hangmatten, die heen en weer worden geslingerd door den sterken wind, wiens koude adem ons reeds voor den morgenstond doet ontwaken.

2 Januari.--Terwijl de heer Mirabal onze bagage door Indianen laat vervoeren, Lejanne den waterval van Sardinel uitteekent en eenden schiet voor ons middagmaal, ga ik, met Sylvester als gids, eene lange wandeling ondernemen. Eerst tegen vier uren kom ik terug, vermoeid van onzen tocht over naakte rotsen, in de brandende zon. Maar ik acht mijne moeite rijkelijk beloond, want wij brengen een ongeschonden geraamte mede. Ik vond mijne makkers aan den oever beneden den val, bij eene soort van natuurlijke grot, die eene veilige schuilplaats aanbiedt. In de onmiddellijke nabijheid bevindt zich eene kleine inham, waar de prauwen kunnen aanleggen. De kaimans zijn hier nog zeer talrijk. Wee den reiziger, wiens prauw hier omkantelde: hij zou onfeilbaar den dood in de golven vinden.

Wij strekken ons op den oever uit, want buiten het water hebben wij van de kaimans niets te duchten. Maar de wind steekt op en waait ons het zand in het gelaat; wij zijn nu wel gedwongen op de rotsen te gaan slapen.

3 Januari.--Don Pedro vaart met zijne prauw voor ons uit. Deze zeer lange en zeer smalle prauw komt ons tamelijk gevaarlijk voor: daar de bagage slecht is verdeeld en slordig vastgemaakt, is er groote kans dat het vaartuig kantelt. Don Pedro, zijn stuurman Agapito en de twee Indianen in de prauw deelen onze beduchtheid volstrekt niet. Zij moeten nog een kleinen val passeeren. Daar halen wij hen in. Zij hebben hunne bagage ontladen om de prauw over den val heen te krijgen. Apatoe is van meening dat dit voor ons niet noodig is, en in twee minuten heeft onze geladen prauw den waterval doorsneden. Wij waren zelven aan wal gegaan en konden nu weer in ons vaartuig stappen; maar wij wachten tot ook don Pedro de reis kon hervatten--en dat was zijn geluk.

Wij vertrekken te zamen. Het water is zeer woelig: de rivier, bij den waterval tusschen de rotsen saamgeperst, is nog niet tot hare gewone kalmte teruggekeerd, maar klotst en golft en maakt allerlei bewegingen. Onze prauw houdt het midden van den stroom en wordt door de golven gedragen. De Spanjaard is niet geheel zeker van zijn zaak en poogt den rechter oever te bereiken: zijn vaartuig wordt door de branding in de flank gegrepen en slaat op tweehonderd meter van den oever om. Wij hooren om hulp roepen, en zien de schipbreukelingen, die zich aan de omgekeerde prauw vastklemmen en door het woelige water op en neer worden geslingerd. Wij zetten aanstonds koers naar de plek des ongeluks; onze Indianen roeien uit alle macht. Deze vaart tegen stroom is gansch niet zonder gevaar: onze prauw wordt duchtig heen en weer geschud en schept telkens water. Eindelijk komen wij bij de schipbreukelingen. De manden met maniokmeel dansen om ons heen op de golven. Wij nemen don Pedro bij ons aan boord. Apatoe grijpt de omgekantelde kano, keert haar weer om, en laat, door ze heen en weer te wiegelen, het achtergebleven water wegvloeien. Een der Indianen klautert nu in de boot en ledigt haar verder met eene groote kalebas; inmiddels visschen de andere Indianen de manden met meel op, die wij aan land brengen. Kort daarop bereiken de schipbreukelingen behouden den oever. De schipper Agapito is er het ergste aan toe: hij had een kist met messen, bijlen, hakmessen enz. aan boord, die natuurlijk als een steen gezonken is. Het maniokmeel, zorgvuldig in palmbladen gewikkeld, heeft niet geleden.

De oever, waar wij aan land zijn gegaan, is zeer steil; het zand is op verschillende plaatsen omgewoeld. De kaimans hebben er diepe in kuilen gegraven; in een daarvan vinden wij vijf-en-veertig eieren. Deze eieren zijn zeer langwerpig van gedaante en grooter dan eendeneieren. Lejanne, met een roeispaan gewapend, slaat al die eieren, waaruit vijf-en-veertig krokodillen te voorschijn moeten komen, stuk; terwijl hij daarmede bezig is, bespeuren wij nabij den oever de wijfjes-krokodil, die onbewegelijk deze slachting van haar aanstaand kroost aanschouwt. Haar onbewegelijk starende oogen hebben eene onbeschrijfelijke uitdrukking van woede en jagen mij eene huivering door de leden. Gelukkig zijn de schipbreukelingen in veiligheid!

We slaan tegen den avond ons kamp op op eene groote rots, die met zachte glooiing in de rivier afdaalt. Langs de beide oevers van den Orinoco vindt men van afstand tot afstand dergelijke reusachtige rotsen, _lajas_ genoemd, waar de reizigers in den regel hun bivak opslaan, bij gebrek aan zandbanken, die, zoo zij minder hard zijn, in dezen tijd des jaars althans weer onder andere opzichten minder geriefelijk zijn. Immers, ge hebt dan voortdurend last van het zand, dat de vrij sterke nachtwind u onophoudelijk in het gezicht waait en waaronder ge bijna bedolven wordt.

In den namiddag heeft Lejanne een zwarten ibis geschoten. Dat is een schraal hapje, want als die vogel geplukt is, is hij niet veel grooter dan een fiksche manshand. Daarom gaat Lejanne nu nog eens met Apatoe op de jacht, om te trachten iets voor ons diner te vinden. Zij keeren terug met eene eend en twee agoutis. Terwijl ons diner wordt gereed gemaakt, wordt onze aandacht getrokken door een dof geluid, dat zich met zeer korte tusschenpoozen herhaald, en dat nu eens van de rivier, dan weer van onder de rots schijnt te komen. Onze Indianen meenen dat dit geluid door een visch wordt veroorzaakt; ik zou het er eer voor houden, dat het veroorzaakt wordt door het water, dat in eene onzichtbare spleet van de rots doordringt.

4 Januari.--Wij gaan reeds vroegtijdig op weg: omstreeks elf uur zijn we in de onmiddellijke nabijheid van Atures. De loodrechte en zeer hooge linker oever vormt een lange geelachtige, bank, met donkere strepen getijgerd. Midden in de rivier verheft zich een rond eiland, dat aan een versterkt kasteel doet denken, en waarop weleer het klooster der Jezuïeten van Atures stond. Om half twaalf loopen we de dusgenoemde haven binnen, op korten afstand van den eersten val.

Terwijl ik eene meteorologische waarneming doe, bespeuren mijne reisgezellen, die onder den lommer der naburige boomen op mij wachten, eene prauw, waarin drie vrouwen gezeten zijn, wier jurken--wel louter toevallig--de drie kleuren vertoonen van de nationale vlag van Venezuela: geel, rood en blauw. Zij stappen in onze nabijheid aan land. Wij reiken haar de hand en groeten haar naar indiaansche wijze. Zij zijn nog jong en zien er niet onaardig uit; het prachtige zwarte hair golft vrij langs nek en schouders. Zij slaan onmiddellijk den weg naar het dorp in; eenige oogenblikken daarna begeven wij ons ook derwaarts. Het pad loopt door eene savane, met granietblokken bezaaid.

Geen enkele boom beschermt ons met zijn schaduw tegen de felle zonnestralen op den twee kilometers langen weg, die ons van het dorp scheidt. Dit dorp bestaat uit acht hutten, met inbegrip van de kerk en van de dusgenoemde _casa real_. Het eenige wat de kerk van de andere hutten onderscheidt, is de klok die aan een balk voor de deur hangt. De casa real is ter beschikking van de reizigers en gelijkt op alle andere hutten: wanden of muren van pisé en een dak van palmbladeren. Het geheele ameublement bestaat uit krammen, die in den muur geslagen zijn om de hangmatten daaraan vast te maken.

Even na onze aankomst krijgt François opnieuw een hevigen aanval van koorts, waaraan hij in den laatsten tijd telkens lijdende is. Wij maken het hem zoo gemakkelijk mogelijk, en begeven ons vervolgens naar den kapitein of hoofdman van het dorp. Deze kapitein is een vrij bejaard man van den stam der Atchagua-Indianen, terwijl de mannen, waaruit zijn pueblo bestaat, Guahibos zijn. Ik weet niet, door welk een samenloop van omstandigheden de Atchagua Agostino hun hoofdman geworden is; zijne moeder behoorde tot den stam der Atchaguas en zijn vader tot dien der Guahibos, maar het kind behoort altijd tot den stam zijner moeder.--De bewoners van Atures zijn katholiek en zoogenaamd beschaafd. Ongelukkig sterven zij langzamerhand uit, en zullen weldra geen voldoend aantal manschappen meer kunnen leveren voor het vervoer der bagage. "Al mijne mannen sterven", zegt de kapitein op weemoedigen toon. Zijne vrouw is ziek: sedert drie dagen heeft zij de _calentura_. Ik onderzoek haar en bevind dat zij aan longaandoening lijdt; ik deel den kapitein mede dat ik geneesheer ben en dat ik zijne vrouw zal behandelen. Hij antwoordt, dat hij mij daarvoor zeer dankbaar zal zijn. Toch geloof ik, dat hij liever de hulp zou inroepen van een of anderen indiaanschen toovenaar, want deze arme lieden zijn wel in naam katholiek, maar hebben metterdaad nog een goed deel van hunne vroegere bijgeloovigheid behouden.

Men had mij te San-Fernando verteld, dat zich te Atures eenige _cuevas_ of indiaansche knekelhuizen bevinden en dat de kapitein daarvan weet. Ik vraag hem dus, of hij mij zou willen behulpzaam zijn om die cuevas te zien: het is hem bekend, dat er zich op twee verschillende plaatsen bevinden. Wij zouden nog heden de naast bijgelegenen kunnen bezoeken. Vol vreugde neem ik dit voorstel aan, en beloof hem eene goede belooning, als hij mij wil helpen om eenige schedels machtig te worden; ik deel hem tevens mede met welke bedoeling ik dat verzoek doe, waardoor zijne aanvankelijke bezwaren uit den weg worden geruimd.

Wij begeven ons aanstonds op weg, vergezeld door den zoon van den kapitein en door Apatoe. Wij gaan door eene savane, steken dan een arm van de rivier over en gaan aan land op een eilandje, dat den naam draagt van Cucurital. Achter eene rij boomen en hoog struikgewas verborgen, ligt een soort van natuurlijke grot, door eene opeenstapeling van geweldige rotsblokken gevormd. Wij klauteren naar den lagen ingang der grot en vinden daar een menigte potten van verschillende vormen, die elk een schedel van een Indiaan bevatten. Andere schedels en beenderen zijn eenvoudig in palmbladeren gewikkeld: zij zijn van de Guahibos afkomstig. Ik leg een vijftiental van de mooiste schedels ter zijde, en neem mij voor met Lejanne terug te keeren om een nieuwen voorraad op te doen.

Wij keeren naar het dorp terug en nemen afscheid van elkander, na vooraf de afspraak gemaakt te hebben, dat wij morgen de andere cuevas zullen gaan zien.

5 Januari.--Ten zeven uren 's morgens gaan wij op weg. Wij hebben eene zeer lange en zeer vermoeiende wandeling te doen, eer wij den granietberg bereiken, waarin de cuevas zich bevinden. Daar gekomen, stuiten wij op een schier onoverkomelijk bezwaar. Een zeer steil pad, nauwelijks een el breed en zeer glibberig, voert naar de grotten. Dit pad loopt op eene aanzienlijke hoogte langs den loodrechten bergwand. De minste misstap zou ons in den afgrond doen nederstorten. Met snellen stap loop ik zonder ongeval het pad af en kom aan de eerste grot, waar ik dezelfde voorwerpen vind als op het eiland Cucurital. Van een bezoek aan de tweede grot moet ik afzien. Toen ik mij gereed maakte om terug te keeren, werd ik door eene duizeling overvallen: ik moest gedurende eenige oogenblikken mijne oogen sluiten, en kon eerst toen naar beneden dalen. De kapitein had slechts eens in zijn leven, toen hij nog een kind was, deze grotten bezocht. Den indruk, dien dit tweede bezoek op hem maakte, vatte hij saam in de woorden: "Afschuwelijk! Ik kom hier nooit weer dan dood!"

In het dorp teruggekeerd, verneem ik dat de Indianen heden avond zullen dansen. Natuurlijk zullen wij bij dat feest tegenwoordig zijn. Na afloop van het middagmaal begeven wij ons met den heer Mirabal naar de hut, waar het bal gegeven wordt. Het orkest bestaat uit eene mandoline, een halter met holle ballen waarin harde zaadkorrels zijn en dien men op de maat heen en weer beweegt, en eindelijk uit een jongen die beurtelings zingt en fluit. De dames hebben haar mooiste en kleurigste japonnen aangetrokken: maar deze sterk sprekende kleuren hinderen niet bij de kaneelkleurige huid dezer dames, Zij dragen bottines en versieren zich met reusachtige juweelen. De mannen zijn gekleed met een strooien hoed, een linnen broek en een loshangend hemd; zij zijn barrevoets. Daar de heeren in de minderheid zijn, dansen de dames met elkander. Blijkbaar hebben allen buitengewoon veel schik.

De kapitein neemt geen deel aan deze wereldsche vermaken, die niet meer aan zijn leeftijd passen. Als een echte patriarch overweegt hij, terwijl zijne onderdanen zich vermaken, de belangen van den kleinen staat, waarvoor hij te zorgen heeft. Het dorpje vormt een vierkant, dat aan de eene zijde open ligt. Langs de hutten loopt eene breede straat, maar het midden van het vierkant is met hoog gras begroeid; welk gras nu is verdord. Het oogenblik is gekomen om het te verbranden. De wind blaast juist naar de open zijde van het vierkant. De daken zijn afgekoeld en door den dauw min of meer bevochtigd: de omstandigheden zijn dus zoo gunstig mogelijk. Met een harsachtigen fakkel gewapend, steekt de kapitein aan de windzijde het gras in brand. De vlammen verspreiden zich met groote snelheid: het is eene prachtige illuminatie, die ons het bal doet vergeten.

X

6 Januari.--Francois heeft nog altijd koorts, hetgeen ons noopt ons vertrek tot morgen uit te stellen. Wij maken van dezen dag oponthoud gebruik om met ons drieën, Lejanne, Apatoe en ik, nog eens naar de cueva van het eiland Cucurital te gaan, waar wij een nieuwen voorraad van anthropologische dokumenten opdoen. Lejanne maakt eene schets van de cueva en helpt mij de exemplaren te nummeren, terwijl Apatoe de wacht houdt. Wij verstoppen onzen buit in de struiken langs den oever, waar wij dien morgen, als wij daar langs varen, zullen wegnemen. Zoo zal niemand in het dorp, met uitzondering van den kapitein, kunnen bevroeden welke lading wij eigenlijk aan boord hebben. Men zal gemakkelijk begrijpen dat wij er het hoogste belang bij hebben, dat de zaak niet uitlekt. Wij zijn uiterst tevreden over het welslagen van onze reis, en houden ons overtuigd, dat wat wij nu nog verder te doen hebben geen bezwaar meer zal opleveren: over drie dagen zullen wij te Santa-Barbara zijn en in de beschaafde wereld terugkeeren.

7 Januari.--De prauw zal te zwaar beladen zijn om de watervallen te passeeren. Twee van ons willen zich over land naar het haventje beneden den val begeven. De afstand van Atures naar dat haventje bedraagt zes kilometers; de weg loopt door eene uitgestrekte savane, welke door de rivier Cananeapo doorsneden wordt. Deze rivier heeft eene breedte van vijf-en-dertig el: er bestaat plan om eene brug over haar te bouwen. Nadat wij de noodige schikkingen hadden gemaakt, namen wij afscheid van den heer Mirabal, die nog eenigen tijd hier blijven moet om te wachten op Indianen, die hem koopwaren moeten leveren. Wij danken hem voor zijne onveranderlijke en voorkomende vriendelijkheid jegens ons, voor de vele kleine diensten, die hij ons bewezen heeft; daarna gaat ieder zijns weegs.

Twee uren later bevinden wij ons aan het haventje beneden den val. Wij moeten nu nog een val passeeren. Even boven dezen val leggen wij tegen den linker oever aan, nadat wij ons gelukkig door zeer sterke en zeer gevaarlijke kolken hadden heengeworsteld. Onze stuurman is zeer bekwaam in zijn vak en volkomen bekend met dit lastige vaarwater. Wij moeten nu de bagage ontladen en die, even als de prauw zelve, over land vervoeren. Gedurende die operatie gebruiken wij ons ontbijt in eene soort van grot of spelonk tusschen de rotsen. Groote zwermen van vleermuizen hebben zich in de kloven en spleten genesteld; zij schreeuwen en piepen als jonge ratten. Behalve de schaduw, hebben wij in de grot ook nog een weinig koelte, dank zij een tochtje dat door eene onzichtbare spleet dringt: het een zoowel als het ander is eene onwaardeerbare weldaad te midden van deze zwarte rotsen, waarvan de zonnestralen brandend terugkaatsen. De dag is reeds half verstreken, eer wij den tocht hervatten kunnen. Wij kampeeren dien avond op een rots.

9 Januari.--Wij begeven ons reeds vroegtijdig op weg; maar helaas! met zonsopgang is ook de wind opgestoken, en naar mate wij de rivier afzakken, neemt die wind al meer en meer in hevigheid toe. De rivier is breed en woelig: het water golft als eene onrustige zee. Sedert twee uren bespeuren wij de monding van de Meta, maar het is ons niet mogelijk die te bereiken. Wij houden ons aan den rechter oever, die door eene vrij breede zandbank is omzoomd, waarop wij aan land stappen om te ontbijten.

Omstreeks een uur gaan wij weder scheep; eindelijk varen wij voorbij den mond van de Meta; nu gaat het beter tot vijf uren. Nog voor het vallen van den avond komen wij bij Caribeni; de bedding van de rivier is bezaaid met eilandjes, rotsen en zandplaten; op een dezer laatsten gaan wij aan land. Apatoe en de Indianen trachten te vergeefs met hunne pijlen eenige visschen te vangen, terwijl Lejanne eene schets maakt van het eiland, waar wij den nacht zullen doorbrengen en dat vroeger door blanken werd bewoond. Thans zijn er echter geen sporen meer van hun verblijf te vinden. Weldra bereiken wij dat eilandje, hetwelk den naam draagt van Caribeni en dat uit zand, klei en graniet is gevormd; het verheft zich twaalf el boven den tegenwoordigen waterstand. Gedeeltelijk is het eiland met struiken en kreupelhout begroeid; elders verheffen zich groote boomen, die hunne takken over den kalen grond uitspreiden: deze plek is uitnemend geschikt om er ons nachtleger op te slaan. Voor ons hebben wij de met rotsen bezaaide rivier; verder, eene met boomen bedekte vlakte; nog verder, eene keten van rotsachtige bergen, die door de stralen der ondergaande zon met violette tinten worden gekleurd. De licht-grijze rook wolkjes van drie vuren steken aardig af tegen den donkeren achtergrond van het geboomte en de bergen.

Deze vuren wijzen het bivak aan van lieden, die zich bezig houden met het opsporen van sarrapia of zoogenaamde tonkaboontjes, waarin een vrij levendige handel gedreven wordt. De boomen waaraan deze bonen groeien, staan in het wild door het woud verspreid; ik geloof niet, dat tot dusverre iemand op de gedachte is gekomen, ze regelmatig aan te planten en te kweeken. Toch zou zoodanige plantage waarschijnlijk genoeg voordeel opleveren: in ieder geval ware de proef te nemen. Een enkele boom kan vijf-en-twintig pond bonen opleveren; in den loop van dit jaar werd een pond bonen te Bolivar voor tien francs verkocht. Telken jare gaan een aantal menschen de bosschen in om deze bonen in te zamelen. De eigenlijke vrucht is besloten in eene vleezige schil of peul, die in de maanden Februari en Maart, vóór den regentijd, van zelf afvalt. De sarrapia wordt met name naar Noord-Amerika verzonden, waar zij voor parfumerie wordt gebruikt en ook als surrogaat voor kinine.