Reis door Nieuw-Grenada en Venezuela De Aarde en haar Volken, 1887
Chapter 8
De vaart over de rivier valt ons lang. De zwarte kleur van het water geeft aan het landschap een eigenaardig vreemd karakter: de kleuren en tinten der naburige voorwerpen schijnen veel helderder en levendiger. Op den oever tegenover ons bevinden zich enkele vrouwen, wier gele of blauwe japonnen ons letterlijk in het oog steken.--Eindelijk bereiken wij den oever. Het gerucht onzer komst is spoedig verspreid, want de aankomst van eene prauw is voor dit dorp eene gebeurtenis van zeker gewicht. Is de prauw met Indianen bemand, dan komen de kooplieden zich spoedig vergewissen, welke koopwaren zij medebrengen. Maar wie kunnen deze blanken zijn, die van de Guaviare komen? Geen enkel van de inwoners van het dorp is dien kant uitgegaan om handel te drijven.
Vier of vijf personen spreken ons zeer beleefd aan, blijkbaar brandende van begeerte om hunne nieuwsgierigheid bevredigd te zien. Hun kostuum perst François een glimlach af: zij dragen een pantalon en daarover heen een wijd loshangend hemd. Deze mannen zijn bleek, vermagerd, zwak, de koorts ziet hun de oogen uit. Een enkele, een mulat wiens haar reeds grijs begint te worden, ziet er gezond en welvarend uit. Zoo als ons later bleek, is hij iemand van een zeer vroolijk humeur, een pretmaker, die zeer tevreden is met zijn lot.
De waarnemende gouverneur, don Manuel Fuentes, is een man van omstreeks vijftig jaar, bleek, uitgeteerd, met reeds grijzenden baard en haar, en groote zwarte schitterende oogen, door zware grijze wenkbrauwen overschaduwd. Hij spreekt goed en vlug, is zeer vriendelijk en voorkomend, maar gevoelt toch blijkbaar al het gewicht van zijne betrekking. Hij ziet onze papieren in, en wij deelen hem het een an ander nopens onze reis mede, waarnaar hij met groote belangstelling luistert. Hij spreekt ons breedvoerig over Michelena, een venezuelaansch reiziger, die een boek heeft uitgegeven over de reis van Humboldt, waarin hij, met zeer veel warmte, tracht te betoogen, dat deze beroemde reiziger niet tot de bronnen van den Orinoco is doorgedrongen. Mag men den hartstochtelijken kritikus gelooven, dan zou Humboldt niet verder zijn gegaan dan tot de Guapo, op een of twee mijlen afstands van Esmeralda en driehonderd mijlen boven den waterval van de Guaharibos. De Guaharibo-Indianen zijn, volgens de bewoners van San-Fernando, zeer vreemde wezens met een blanke huid en rood haar: zij schilderen hen af als zeer wild en bloeddorstig en beweren dat zij steeds ieder belet hebben, tot de bronnen van den Orinoco door te dringen. Eenige jaren geleden liet Michelena zich tot gouverneur van San-Fernando benoemen, uitsluitend met het doel om het onderzoek van die rivier ten einde te brengen. In een zijner tochten op de Atabapo werd hij door den val van een boom gedood. Hij was tachtig jaren oud, en men kan hem althans geen gebrek aan ijver en energie verwijten: in dat opzicht maakte hij vele jongeren beschaamd.
Het dorp San-Fernando heeft geene herberg: gelukkig kunnen wij onzen intrek nemen in eene bouwvallige hut, die aan de voorzijde gestut wordt en waarvan wij hopen mogen dat zij, zonder onvoorziene toevallen, gedurende den tijd van ons verblijf overeind zal blijven staan. Onze naaste buurman is de heer Mirabal, koopman, die bijna alle Indianen uit de omstreken kent en die ons met hen in aanraking zal brengen, als zij voor ons vertrek te San-Fernando komen. Hij neemt op zich, het noodige voor onze tafel te leveren.
Voor onze hut staan twee breedgetakte ceibos, waaronder banken zijn geplaatst: hier komen de aanzienlijken van het dorp des avond bijeen om te praten. Van daar overziet men de Atabapo en de Guaviare; zelfs kan men het punt onderscheiden waar de Guaviare zich met den Orinoco vereenigt. Van welken kant ook prauwen of vaartuigen mogen komen, steeds vallen ze hier aanstonds in het oog. Men praat en keuvelt hier over alles, zelfs, o goden, over politiek! en dat bij helderen maneschijn, en terwijl in den stillen plechtigen nacht, daar beneden langs de oevers, de fakkels flikkeren der visschers die op buit uitgaan.
Het dorp San-Fernando was vroeger van meer beteekenis dan tegenwoordig. De ligging van het vlek is uitmuntend: juist op een punt waar de Orinoco, de Guaviare, de Atabapo en de Ynirada om zoo te zeggen elkander ontmoeten, en aan de twee wegen die naar de Amazone voeren, hetzij langs de Cassiquiare, hetzij langs de Atabapo.
De bewoners vinden hun hoofdmiddel van bestaan in de exploitatie van caoutchouc, gutta-pertja, en copahu. Het was een Franschman, de heer Truchon, die eenige jaren geleden, den inboorlingen de exploitatie van de caoutchouc leerde. In December gaan de Baniva-Indianen van de Atabapo en de bewoners van San-Fernando naar de bosschen van den Orinoco, boven de Vichada, om de "gomma" in te zamelen, die zij vervolgens aan de voornaamste handelaren van het dorp verkoopen. Dezen verkoopen op hunne beurt de caoutchouc te Bolivar. De vrachtprijs naar deze stad is zeer hoog en bedraagt vijf-en-twintig percent van de waarde der koopwaren bij vaartuigen met een inhoud van driehonderd aroben, en vijftig percent bij kleinere vaartuigen.--Een arobe staat gelijk met vijf-en-twintig pond.--Van de Cassiquiare zou men gemakkelijker Manaos dan Bolivar kunnen bereiken; de vaart op den Orinoco gaat met meer gevaren gepaard dan die op de rio Negro; maar men zou dan met braziliaansch papier worden betaald en de handelaars zouden bij de inwisseling belangrijk daarop verliezen. De hooge vrachtprijs is niet alleen een gevolg van het lange traject, maar ook van de gevaren der reis van wege de watervallen van Maypoures en Atoure, die tusschen San-Fernando en de uitmonding van de Meta liggen.
Volgens de waarnemingen van Lejanne ligt San-Fernando honderd-een-en-vijftig meter boven de zee. De wind waait uit alle hoeken van den horizon en gaat dikwijls tot storm over. Eigenlijk gezegde saizoenen heeft men hier niet. Het dorp is ongezond; bijna voortdurend heerschen er koortsen. Muskieten vindt men er weinig, maar des te meer vampyrs. De landbouw is hoogst gebrekkig en onvolkomen. Sommige bijzonder bevoorrechten bezitten in den omtrek plantages, die hun bananen opleveren; men rekent op de Indianen, om zich van cassave en maniokmeel te voorzien. Het dorp bezit niet meer dan vijf of zes koeien, die vrij in den omtrek loopen te grazen, voor zoo ver er gras te vinden is. Aan alle zijden wordt San-Fernando door het woud omgeven, dat zich van de Atabapo tot den Orinoco uitstrekt, en slechts hier en daar enkele, open plekken heeft, die met hoog gras en struiken zijn begroeid.
De bewoners die thans in het dorp achtergebleven zijn brengen, naar het schijnt, hun tijd in volstrekte ledigheid door: hunne siësta duurt den ganschen namiddag. Veel tijd wordt aan het bad besteed. Uit onze hut kannen wij de baders gadeslaan, die hun hart ophalen in de zwarte wateren van de Atabapo. Op den tweeden dag na onze aankomst maakten wij eene interessante wandeling in den omtrek van het dorp, waarbij onze aandacht vooral getrokken werd door beeldwerk op granietrotsen tusschen San-Fernando en de Guaviare, blijkbaar het werk van Indianen.
In den namiddag komen drie prauwen, door Baniva-Indianen bemand, te San-Fernando; zij komen van het dorp Samutsida aan de Atabapo en gaan den Orinoco opvaren om caoutchouc in te zamelen. Deze Indianen hebben hunne gezinnen medegebracht. Waarschijnlijk brengt de caoutchouc hun eene aardige winst op: althans zij dragen zeer nette en bijna nieuwe kleederen. De mannen dragen hun hemd los boven hun broek. De vrouwen zijn gedost in japonnen met schreeuwende kleuren; zij dragen gekleurde kousen en stoffen laarsjes met verlakte punten, waarop zij zeer trotsch zijn. In haar ooren prijken ringen van bijzonder groote afmeting. Weldra worden de nieuw aangekomenen door de kooplui in beslag genomen en rijkelijk op rhum onthaald: twee uren na hunne komst zijn de mannen stomdronken.
Den trek der mannen naar alkohol en dien der vrouwen naar sieraden kennende, kostte het ons hoegenaamd geene moeite de Indianen tot ons te lokken. Lejanne maakte bijna aller portret. Wij onthalen de mannen op een weinig rhum en verblijden de vrouwen met roodkoralen halskettingen. Allen waren nu even begeerig om hun portret te laten maken; men zag ons algemeen voor groote heeren aan, die over schatten hadden te beschikken. Na de Baniva-Indianen kwam de beurt aan de inwoners van San-Fernando, die zich mede wilden laten conterfeiten. Wij kunnen onze verzameling nog vermeerderen met afbeeldingen van Pouynavé-Indianen, zoowel mannen als vrouwen, die langs de oevers van de rio Uaupés gevestigd zijn.
Den 23sten December hebben wij eindelijk eene equipage gevonden, bestaande uit een schipper en twee roeiers, die, geholpen door Apatoe en François Burban, in staat zullen zijn om de overdekte prauw te besturen en te roeien, welke de heer Mirabal tot onze beschikking heeft gesteld. Deze prauw heeft geene kiel; zij is gemaakt van een hollen boomstam, dien men van een boord of borstwering en van een dak van palmbladen heeft voorzien. De prauw, waarmede wij van Recifal naar San-Fernando gekomen zijn, is niet geschikt voor de vaart op den Orinoco in dit jaargetijde, want voorbij Santa-Barbara zullen wij voortdurend met den wind en eene sterke strooming te worstelen hebben.
De heer Mirabal kan eerst den 27sten vertrekken: wij brengen dus de Kerstdagen te San-Fernando door. De Kerstnacht wordt door een eigenaardig voorval gekenmerkt. De te San-Fernando vertoevende Indianen komen voor onze hut zingen en dansen, onder de telkens herhaalde kreten van: "_Vivan los retratistos!_" Leven de portretschilders!--Wij geven hun een flesch rhum.
Onder meer dan een opzicht biedt San-Fernando de Atabapo de gelegenheid tot belangrijke waarnemingen en studiën, vooral ook op anthropologisch gebied. Bovendien zou men hier eene rijke verzameling kunnen bijeen brengen van visschen uit de Guaviare, den Orinoco, en de zwarte wateren van de Ynirida en de Atabapo. Voor den botanicus zou de oogst hier niet minder overvloedig zijn.
Den 27sten December, des avonds tegen half zes, verscheen Lejanne, vergezeld van den heer Mirabal en van onze geheele equipage. Wij zijn nu ruim voorzien van cassave, suiker, koffie en ook van rhum.
28 December.--Om zeven uur hebben wij onze koffie gebruikt, en zijn wij op weg gegaan. De morgen is donker en mistig. Het bed der rivier is bezaaid met groote rotsblokken in den vorm van bijenkorven, waarop de hooge waterstanden een spoor van slib hebben achtergelaten, die sedert verdroogd en verhard is. Een dier rotsen draagt den naam van Castillo, uit hoofde van hare gelijkenis met een fort; wij gaan op een naburig rotsblok aan wal, ten einde Lejanne gelegenheid te geven, van dit Castillo eene schets te maken. Omstreeks vijf uren bereiken wij den mond van de Mataveni, welke rivier wij opvaren. Wij zullen langs hare oevers de Piaroa-Indianen ontmoeten, die nog geheel in wilden toestand leven, en die ons zeer vermoedelijk beter zullen bevallen dan de half beschaafde en netjes gekleede Indianen, die wij te San-Fernando hebben leeren kennen.
De Mataveni maakt op tweehonderd meters van hare uitmonding plotseling een scherpe bocht, veroorzaakt door groote vooruitspringende rotsen, waarop wij den nacht willen doorbrengen. Juist toen wij bij de rotsen kwamen, zagen wij twee prauwen naderen, met rotting geladen. Deze prauwen worden bestuurd door Indianen, die in het dorp eenige inkoopen hebben gedaan; wij roepen hen toe en noodigen hen uit, bij ons op de rotsen te komen, maar zij houden zich als hoorden zij ons niet. Te San-Fernando heeft men ons reeds gezegd, dat deze Piaroa-Indianen alle aanraking met blanken vermijden.
Onze schipper zegt hun dat de heer Mirabal in eene tweede prauw achter ons volgt. Deze naam werkt als een tooverspreuk, en de beide vaartuituigen zetten onmiddellijk koers naar de rotsen. De twee Piaroas, die zich in de eerste prauw bevinden, komen naar ons toe, drukken ons de hand en vragen zelfs naar den staat onzer gezondheid. Beide mannen zijn slank en rijzig van gestalte en dragen niet zonder zekeren zwier hun hoogst eenvoudig kostuum, bestaande uit eene menigte zwarte koordjes, van haar gevlochten, twaalf tot vijftien duim breed en bij wijze van gordel om de lendenen geknoopt. Een schort van wit katoen, door dien gordel omvat, hangt van voren tot op de knieën, van achteren tot de kuiten. Zoowel van voren als van achteren is dit schort met drie kwasten versierd. Om hunne polsen en beneden hunne knieën dragen zij een koordje; in hunne ooren prijkt een schijfje hout, ongeveer vijftien duim lang en zoo dik als een ganzeveder; aan de achterste punt van dit schijfje of stokje hangt een kwastje van wit katoen, waaraan drie lange tressen van blauw katoen zijn bevestigd, die ieder weder met een wit kwastje versierd zijn. De haren zijn op het voorhoofd kort afgeknipt, maar hangen van achteren langer. Zij zijn behoorlijk gekamd. Een dezer Piaroas heeft op het voorhoofd en op de wangen een streep van zigzaglijnen, gevat tusschen twee rechte strepen, met _chica_ geschilderd. Deze barbaarsche versiering doet echter geen afbreuk aan de zachte uitdrukking zijner groote zwarte oogen; zijn geheele voorkomen teekent veeleer bescheidenheid en schroom dan boosaardigheid.
Wij zijn niet enkel hier gekomen om Indianen te zien. Wij hebben te San-Fernando vernomen, dat vlak bij den mond van de rio Mataveni een aantal Indianen begraven liggen, en zeer gaarne zouden wij hunne schedels en beenderen bezitten. Maar waar zijn ze te vinden? Een toeval brengt ons op het rechte spoor. Een der Piaroas geleidt ons, Mirabal en mij, naar het naburige dorp, terwijl Lejanne den anderen beschilderden Indiaan uitteekent. De Piaroas zijn bezig met het braden van eene boa, waarmede zij hun maal zullen doen. Men ontvangt mij aanvankelijk met groote vriendelijkheid; maar het toeval wilde dat ik moest niezen, en eensklaps weken allen die mij omringden terug. De vreesachtigsten trokken zich tot een grooten afstand terug; de moedigsten houden zich den neus dicht. Ik weet dat deze Indianen, die aan tering en borstziekten onderhevig zijn, de blanken beschuldigen--en zeker niet zonder grond--dat zij hun deze ziekten op den hals halen. Men verhaalt mij van kooplieden, die eensklaps door hunne equipage verlaten werden, omdat zij het ongeluk hadden te niezen en te hoesten. Ik vertrouw deze Indianen maar half.--Wij keeren met onzen gids naar ons kamp terug. Onderweg maakt onze Indiaan, die geen woord spaansch verstaat, een gebaar, dat wij zeker allen meermalen door doofstommen hebben zien maken, als zij den dood of den slaap willen aanduiden: hij buigt het hoofd naar rechts, legt het op de vlakke rechterhand, en wijst met de andere naar eene rotsgroep op den berg. Ik begrijp aanstonds dat deze heuvel eene begraafplaats is. Ik spreek met Lejanne af, dat ik morgen, vergezeld van Apatoe, voorgevende op de tapirjacht te gaan, de graven zal gaan opsporen, terwijl hij de dorpsbewoners zal ontvangen, die ons een bezoek zullen komen brengen.
Wij doen ons maal met gekookte en gebakken visch en met bananen in schildpad vet gebakken: het een en ander besproeid met water uit de Mataveni; vervolgens verkwikken wij ons met een kop koffie en een glaasje rhum. Na den maaltijd legeren wij ons rondom het vuur en rooken sigaren, waarvan wij de gaten met onze vingers moeten dichtstoppen. De drie Indianen hebben zich bij ons gevoegd en deelen ons het een en ander omtrent hun stam en hunne taal mede.
Den volgenden morgen, met het opgaan der zon, begeef ik mij op weg, vergezeld van Apatoe; wij marcheeren uren achtereen zonder iets te vinden; wij verwonden onze bloote voeten bij het beklimmen van den rotsigen heuvel, dien wij op het nauwkeurigst onderzoeken. Op den top zien wij eindelijk een soort van hangenden steen, die ons op het hoofd dreigt te vallen: Apatoe zegt tot mij: "Daar moeten wij de lijken vinden." Eenige minuten later ontdekken wij onder de overhangende rots drie in boomschors gewikkelde voorwerpen: wij snijden de koorden door en zien nu drie fraaie mummies met halskettingen, sieraden en een hangmat. Naast elke mummie staat een aarden pot of kruik, die, zoo als ik later vernam, couria bevatte, opdat de doode zijn dorst zou kunnen lesschen. Apatoe wikkelt onzen schat in een korf of mand, die hij van palmbladeren vervaardigt, en wij keeren naar boord terug.
Meer dan twintig Indianen hebben zich gedurende onze afwezigheid op den oever verzameld en koopen van den heer Mirabal verschillende dingen; bijna al die Indianen lijden aan huidziekten. Lejanne heeft er twee uitgeteekend. Maar eensklaps wordt hunne aandacht getrokken door de zonderlinge lading, die wij aan boord hebben, en die zij met achterdochtige blikken beschouwen. Het wordt hoog tijd om te vertrekken, hetgeen wij dan ook aanstonds doen.
Omstreeks vijf uur bereiken wij eene granietrots aan den linker oever, waarop wij den nacht doorbrengen.
30 December.--Mieren hebben het garneersel van mijn hoed weggevreten, en ook den hoed zelven niet ongeschonden gelaten. Zal hij het tot Bolivar uithouden? Ik hoop het: hij is een oude kameraad, op wien ik gesteld ben. Hij is de Andes overgetrokken, heeft de raudals van de Goyabero getrotseerd, en altijd trouw zijn plicht gedaan door mij voor zonnesteken te behoeden. Hij is niet mooi meer: maar een goed hart is meer waard dan een mooi gezicht.
Tegen twee uren in den namiddag ontmoetten wij, dicht bij den mond van de rio Sipapo, eene prauw met Piaroa-Indianen, van wie wij eene levende iguane-hagedis koopen en een flesch met curare--het vergif waarmede zij hunne pijlen vergiftigen--die Apatoe te midden van hunne bagage ontdekt. Wij beginnen de heuvelreeks te onderscheiden, die den waterval of de stroomversnelling van Maypoures veroorzaakt, en waar wij omstreeks vijf uren aankomen. Wij bevinden ons in een doolhof van rotsige eilandjes; een daarvan is geheel uit zand gevormd, dat door verspreide granietblokken wordt opgehouden. Daar woont een onzer Indianen; zijne hut bestaat uit eenige palmbladen op stokken rustende. Wij laten een eend braden; Lejanne en Apatoe geven de voorkeur aan de iguane, die zij met zout en spaansche peper toebereiden. In het lichaam van de hagedis vinden zij, tot hunne groote blijdschap, niet minder dan drie-en-veertig eieren. Deze eieren zijn langwerpig en zoo groot als duiveneieren; de schaal is minder hard dan die van kippen- of schildpadeieren en laat zich met de hand eenigszins kneden. Gekookt, smaken deze eieren zeer lekker.
31 December.--In den morgen laat ik mij met eene prauw naar eene naburige rots roeien, die omstreeks honderd el boven het water uitsteekt. Niet zonder moeite bereik ik den top, van waar ik de geheele stroomversnelling van Maypoures kan overzien. De rivier, door eene granietbank tegengehouden, heeft zich verschillende doorgangen geopend. Schuimend en kokend stroomt zij, in onstuimige vaart, over reusachtige trappen van graniet, waartusschen geweldige steenblokken oprijzen. Ik sta hier op een uitmuntenden observatiepost: geene enkele bijzonderheid ontgaat mijn blik. Na de plek goed bestudeerd en mijne waarnemingen gedaan te hebben, keer ik naar Lejanne terug, die inmiddels eene schets gemaakt heeft van de rivier boven den val. Wij spreken af dat wij in den namiddag een bezoek zullen gaan afleggen bij de Guahibo-Indianen aan den linker oever.
De Guahibo-Indianen zijn zeer talrijk en worden daarom door hunne naburen ontzien en gevreesd. Hunne huid is donkerder van kleur dan bij de andere indiaansche stammen in het gebied van den Orinoco. Zij wonen langs de oevers van de Vichada en de Meta. Vooral de Guahibos langs de Meta zijn zeer woest en roofzuchtig; in 1878 hebben zij een blanke, die bij de monding van de Meta kampeerde, met zijn geheele gezin vermoord, en dat uitsluitend met het doel om hem te bestelen. Zij maakten zich meester van zijn geweer, dat hij in zijne prauw had achtergelaten, en sloegen hem met de kolf dood. De kooplieden vereenigen zich dan ook altijd tot eene kleine karavaan, wanneer zij bij hen handel komen drijven.
Wij weten dat wij op den linker oever, omstreeks tien kilometers van de rivier verwijderd, een dorp van Guahibo-Indianen zullen aantreffen. In de nabijheid van dit dorp bevinden zich granietachtige heuvelen, samenhangende met de keten welke den waterval van Maypoures vormt, wier kale hellingen versierd zijn met beeldwerk, door de oude Indianen daarin gegriffeld en de maan voorstellende; van daar de naam van Cerro de la Luna, dien men aan deze heuvelen gegeven heeft.
Tegen een uur in den namiddag ga ik met Lejanne op weg. Een onzer Indianen van gisteren zal ons tot gids dienen; nog een tweede gaat met ons mede om onze hangmatten te dragen.
Na een zeer vermoeienden en bezwarenden tocht naderen wij het dorp. Even voor wij het bereiken, zien wij eensklaps twee Indianen, in hunne hangmatten gezeten, welke aan de boomen langs het pad zijn opgehangen. Uit hunne wijde neusgaten vloeien onophoudelijk twee zwarte walgelijk vieze beekjes. Zij komen naar ons toe en spreken tot ons, maar dit spreken gaat zoo ongeloofelijk snel, dat wij in de meening verkeeren dat zij slechts onzamenhangende woorden uitstooten, zonder eigenlijk iets te zeggen. Een kind dat van het dorp komt keert op zijne schreden terug, ongetwijfeld om kennis te geven van onze nadering. Wij laten ons naar de hut van den hoofdman of kapitein brengen. Deze kapitein, een mager man ondanks zijn vooruitstekenden buik, lijdt aan huidziekte; hij ziet er overigens vrij zachtzinnig uit. Hij ontvangt ons zeer vriendelijk, en biedt ons, bij gebrek van cachiri of couria, met water vermengde cassave aan.
De bevolking van dit dorp, waarmede wij spoedig kennis maken, bestaat uit ruim een half dozijn mannen, evenveel vrouwen, en zeven of acht kinderen beneden de zestien jaren. De kleeding der mannen is dezelfde als die der Piaroas. De vrouwen dragen eene soort van hemd zonder mouwen; drie meisjes van veertien tot vijftien jaar hebben niets anders aan dan een lapje katoen, zoo groot als een hand.
Naar het schijnt zijn deze lieden pas versch beschilderd. De mannen zijn over het geheele lichaam met allerlei figuren in roode kleur beschilderd; bij de vrouwen is alleen het gelaat op die wijze uitgemonsterd. Ik zie dat bij alle mannen datzelfde vuile zwarte vocht uit den neus vloeit. Elk oogenblik stoppen zij hunne neusgaten vol met een zeker donkerbruin poeder, in kleur en reuk zeer veel overeenkomende met zeer fijne snuif, en dat zij yopo noemen. Om dit poeder te verkrijgen roosteren zij de groene bladeren van eene zekere plant en maken die vervolgens met behulp van harde schelpen fijn.--De avond valt; de Indianen zijn in het bezit van versche cassave en van gedroogd vleesch: zij staan ons daarvan, in ruil tegen eenige snuisterijen, zooveel af als wij voor ons maal noodig hebben. Na gegeten te hebben, laten wij onze hangmatten aan de boomen ophangen in de nabijheid van de hut van den kapitein.
IX
1881.--Het is heden de eerste Januari. Wij wenschen elkander een gelukkig nieuwjaar, maar wij zijn niet feestelijk gestemd, want onwillekeurig denken wij aan onze betrekkingen en vrienden daar ginds, verre, verre weg, die sedert vele maanden niets van ons vernomen hebben, evenmin als wij iets van hen.
Lejanne begint zijn dag met het portret te maken van een jong meisje. De vader, wiens toestemming met een stuk van vier _reales_ is gekocht, slaat met geopenden mond aandachtig den arbeid gade. Hij staat verstomd over de gelijkenis, die dan ook inderdaad treffend is.
Bij deze Indianen staan de oogen dikwijls min of meer schuin. Hun romp is forsch en breed gebouwd; hunne beenen zijn mager en staan krom; de wangbeenderen steken vooruit. Maar wanneer zij, naar europeesche wijze gekleed, door onze straten wandelden, zou ieder hen waarschijnlijk voor bewoners van oostelijk Azië aanzien. Zij gelijken in niets op die fantastische Indianen, wier afbeeldingen ik zoo vaak in geïllustreerde werken heb aangetroffen en die dan ook nergens bestaan dan in de verbeelding van den teekenaar.