Reis door Nieuw-Grenada en Venezuela De Aarde en haar Volken, 1887

Chapter 7

Chapter 73,892 wordsPublic domain

Ongetwijfeld is de hut onbewoond, want ons roepen en onze geweerschoten blijven onbeantwoord. Zij is te ver van den oever verwijderd, om haar als nachtverblijf te kunnen gebruiken. Daar de diefachtige neiging der Indianen ons bij ondervinding bekend is, zou het zeer onvoorzichtig zijn, ons te ver van de prauw te verwijderen. Wij zakken de rivier weer af, en slaan ons kamp een weinig lager op, aan den linkeroever van de Guaviare. Ik heb de koorts; Lejanne is geheel uitgeput; François lijdt aan hevige buikpijnen; Apatoe alleen is in goeden welstand: zijne wond geneest.

2 December.--Wij drinken koffie met suikerstroop, en vinden dat heerlijk: alles is betrekkelijk in deze wereld.

Tegen half twee bespeuren wij op den zandigen oever een van takken gemaakt afdak. Wij gaan aan land, vermoedende dat de eigenaars van deze soort van hut niet verre zullen zijn; in dat vermoeden worden wij nog meer bevestigd bij het zien van eene kip en twee aarden kruiken. De Indianen nemen hunne hoenders op reis mede: zij eten die vogels niet, maar houden ze enkel voor hun vermaak, zooals men elders papegaaien en kanarievogels houdt. In de groote aarden kruiken bewaren zij het vet der schildpadden of de gom, die uit verschillende boomen in hunne bosschen vloeit. Ons roepen en schreeuwen blijft evenwel onbeantwoord; wij begeven ons weder op weg, na den kip eenig voedsel te hebben toegeworpen

Kort daarop ruiken wij een sterke muskuslucht: Apatoe luistert: op den linkeroever bevindt zich eene kudde pecaris. Wij gaan aan land; Lejanne en Apatoe nemen hun geweer. Nauwelijks zijn zij een twintig pas in het woud doorgedrongen, of zij zien een dertigtal dezer dieren voor zich, die met groot gerucht hunne tanden op elkander slaan. Lejanne gaat voorop. De pecaris hebben hem in het oog gekregen, en scharen zich op eene rij tegenover hem. Apatoe, die met de gewoonten dezer dieren bekend is, weet dat zij somwijlen den jager aanvallen, wien in dat geval geene andere toevlucht overblijft, dan op een boom te klimmen, waar hij dan letterlijk belegerd wordt. "Geef acht!" roept hij eensklaps met luider stem; de verschrikte pecaris nemen de vlucht.

Ten vijf uren kiezen wij eene plaats voor ons bivak. Het heeft hier geregend; de grond is doorweekt, en wij waden door de modder. Ik heb nog altijd koorts.

3 December.--Er hangt een dichte nevel, die alle waarnemingen onmogelijk maakt. Wij vervolgen onze vaart op de eentonigste en vervelendste rivier der wereld. Het zijn altijd dezelfde regelmatige krommingen; dezelfde reigers en ooievaars; dezelfde zwarte ibissen, met deftige afgemeten stappen langs den zandigen oevers op en neer wandelende. Vlak langs den waterkant zitten zwermen van groote meeuwen op eene rij naast elkander, in de nabijheid van krokodillen, die in de zon liggen te slapen. Nu en dan vliegen zij eensklaps op en beschrijven in de lucht sierlijke kringen, het scherpziend oog en den puntigen snavel steeds naar het water gekeerd. Hun scherp onaangenaam geschreeuw is vaak het eenige geluid, dat de stilte breekt.

4 December.--Bij het aanbreken van den dag maakt onze kok zich gereed om een eierstruif voor ons te bakken. Wij hebben een kleinen voorraad schildpadvet, dat voor deze gelegenheid als boter dienst moet doen. Helaas! deze eierstruif, die een monumentale, reusachtige eierstruif zou moeten zijn, slinkt haast tot niets weg: al onze meeuweneieren, met uitzondering van een half dozijn, blijken bedorven te zijn.

Omstreeks acht uren houden wij stil aan de punt van een eiland, waar een breede vlakke oever is. Lejanne en Apatoe zenden een paar kogels af op eenige krokodillen, die op enkele meters afstands van ons eiland hunne koppen uit het water steken. Een hunner laat een luid geknor hooren, eenige overeenkomst hebbende met het brullen van een tijger. Dit is voor de eerste maal, dat wij deze dieren geluid hooren geven.

Tegen den middag bespeuren wij eene prauw, die tegen den zandigen oever ligt. Eene indiaansche familie, bestaande uit vader, moeder en een zeven- of achtjarig kind, zit rustig onder de schaduw van het lage hout, dat verder landwaarts den oever bedekt. Wij gaan dicht bij hunne prauw aan land en zijn weldra bij hen. Zij hebben vuur aangelegd. Om dit te doen, beginnen zij met drie steenen, in den vorm van een driehoek, op den grond te leggen, waartusschen zij dan het brandhout schikken. Deze steenen dienen tevens om er hunne potten op te zetten. Wij koopen van hen eene met meeuweneieren gevulde kalebas.

Toen wij in den namiddag ter plaatse waren aangekomen, waar wij zouden kampeeren, maakte Apatoe den eigenaardigen vischtoestel gereed, waarvan de Roucouyenne-Indianen zich bedienen. Deze toestel bestaat uit een stevigen zeer buigzamen rietstok, die in den grond gestoken wordt en waaraan eene korte lijn met eene vischhaak is bevestigd. Even voor dit riet slaat men een paal in den grond, aan welks boveneinde met een touw eene soort van losse kruk is vastgemaakt. Men buigt nu den rietstok en houdt dien met de kruk naar beneden, zoodat de haak met het aas in het water hangt. Bijt nu een visch aan dat aas, dan trekt hij het riet een weinig meer naar onder; de kruk valt en de rietstok springt omhoog, den onvoorzichtige, die zich aldus heeft laten verlokken, in de lucht slingerende. Nauwelijks is de toestel in orde, of een piraï of piranha komt in het aas bijten en wordt gevangen gemaakt.

7 December.--Gisteren niets bijzonders. Wij ontmoeten nog geen Indianen, hoewel wij overal de sporen hunner aanwezigheid vinden. Doorgaans overnachten zij op den oever, en steken dan een palmblad of een boomtak in den grond, om zich tegen den dauw te beveiligen.

Omstreeks vier uren in den namiddag van heden bespeuren wij mannen aan den oever. Wij gaan aan land en bevinden ons in tegenwoordigheid van bewoners van de lagune van Sapoara, die zich naar den oever begeven hebben om daar, beveiligd voor muskieten, den nacht door te brengen.

De Indianen zijn gekleed met helder witte hemden en broeken. De vrouwen dragen japonnen, die den hals en een gedeelte van de schouders bloot laten; haar haar is verdeeld in twee zware, zorgvuldig gevlochten tressen. Met ons vuil linnengoed, onze gescheurde en gehavende kleederen, onze ongeschoren baarden en verwarde hairen, zou men ons veeleer voor wilden aanzien.

Eenige andere inboorlingen zijn nog in het dorp. Wij laten ons daarheen brengen; het dorp ligt op ongeveer twee mijlen afstands, aan den linkeroever van de lagune van Sapoara. Wij ontmoeten daar twee grijsaards, waarvan de een, Juan de la Cruz genaamd, ons bovenal verbaast door zijne zwaarlijvigheid; hij lijkt sprekend op een Chinees en staat bij zijne stamgenooten als een piay of toovenaar bekend. Zijne oogen staan schuin; zijne wangbeenderen steken vooruit; zijn neus is plat; zijn dunne stijve knevel doet zijne gelijkenis met den chineeschen type nog sterker uitkomen. Wij vinden hier ook twee jonge mannen van omstreeks vijf-en-twintig jaren, door wier aderen blijkbaar gemengd indiaansch en europeaansch bloed stroomt. Hunne vrouwen zijn ouder dan hare echtgenooten; eene van haar heeft vroeger bij de blanken gediend. Hunne kinderen zijn zeer aardig en bevallig; hunne hutten zijn zindelijk en bevatten de meest heterogene voorwerpen. Nevens het gewone huisraad van de wilden, zoo als de lage holle bankjes, de uitgeholde boomstam, waarin de cachiri of couria bewaard wordt, de bogen, pijlen en andere dingen, zien wij porseleinen borden en kommen, en zelfs zakspiegeltjes.

Wij vernemen van deze lieden, dat wij nog zeven dagreizen van San-Fernando verwijderd zijn.

Wij hebben dringend behoefte aan twee roeiers, maar vergeefs bieden wij aan elk der beide jonge mannen tien piasters, indien zij met ons willen gaan. Zij staan te San-Fernando in schuld, en willen daar niet verschijnen, zoo lang zij de noodige koopwaren niet hebben bijeengebracht, die zij op zich hebben genomen te leveren. Uit hetgeen wij van hen vernemen, komen wij tot het besluit, dat deze arme lieden hunne schuld nooit zullen kunnen afbetalen. De gewetenlooze kooplieden leveren hun kleederen, werktuigen, gereedschappen, die zij bij hun arbeid noodig hebben, in ruil voor maniokmeel, schildpaddenvet en andere produkten, welke zij binnen een bepaalden tijd moeten leveren; maar de berekening wordt steeds zoo gemaakt, dat de inboorlingen altijd in schuld zijn en hun leven lang ten behoeve van hunne oneerlijke, woekerende schuldeischers moeten werken.

8 December.--Des morgens komen de twee oudere mannen tot het besluit om met ons mede te gaan tot aan de lagune van Recifal, die wij binnen een dag kunnen bereiken.

De avond brengt ons een weinig koelte. De hemel is onbewolkt; het is een prachtige maneschijn. Op den zandigen grond uitgestrekt, praten wij met onze Indianen, onder het rooken van tabaksbladeren, die wij als sigaretten oprollen. Wij verhalen hun wat ons al op reis gebeurd is, sedert wij op de Goyabero scheep zijn gegaan. Zij toonen niet de minste verwondering als wij uitweiden over den last, dien de kaimans ons hebben veroorzaakt. Zij deelen ons mede, dat nu vier jaar geleden, bij den mond van de rio Oua, een hunner makkers, die eene prauw bestuurde, door een krokodil werd aangegrepen en uit zijn vaartuig gesleept. Zijne metgezellen hoorden niets dan het geklapper der geduchte kaken van het monster, gevolgd door eene heftige beweging in het water. Kort daarop werd de oppervlakte der rivier hier en daar rood gekleurd--en alles was voorbij. Zij verhalen ons ook, dat de Mitoua-Indianen onlangs blanken hebben aangevallen, waarvan een met een pijl in het been werd verwond. Voor den verwonde was het een geluk, dat de Mitouas niet de gewoonte hebben hunne pijlen te vergiftigen.

9 December.--Wij gaan reeds vroegtijdig aan boord. Even na ons vertrek hooren wij, op den linkeroever, het geluid van een hocco. Apatoe stapt in de kleine prauw, die wij op sleeptouw hebben, en vaart naar de plaats, waar wij het geluid hooren. Hij maakt zijn schuitje aan den kant vast en klimt tegen den steilen oever naar boven. Weldra hooren wij een schot, en zien Apatoe terugkeeren met een prachtigen hocco, die er eenigszins anders uitziet dan zijn naamgenoot van de Andes. De hocco van de Guaviare heeft bruinachtig roode vederen, waar de hocco der Andes witte vederen heeft; ook is zijn geschreeuw of geluid eenigszins anders. Het doet eenigermate denken aan het brullen van een jaguar.

Omstreeks elf uur ontmoeten wij inboorlingen van de lagune van Recifal, die goede bekenden en vrienden zijn van onze Indianen en ons zeer hartelijk ontvangen. Wij praten eenige oogenblikken met hen, want zij zijn het spaansch volkomen meester, en begeven ons met de prauw naar de monding van de lagune, welke niet ver verwijderd is. Wij varen een smal kanaal binnen en komen weldra in het meer.

Het opperhoofd van het dorp ontvangt ons voor zijne woning. Het is een nog jong man, die in den beginne vrij onvriendelijk is. Hij heeft grove, ruwe gelaatstrekken en schijnt vrij dom. Als teeken zijner waardigheid heeft hij een staf in de hand. Wij moeten trachten, door een geschenk zijne gunst te winnen, want hij zou mij de roeiers kunnen weigeren, die wij dringend noodig hebben. Ik bied hem een veelkleurigen gordel aan; een glans van genoegen straalt van zijn gelaat, en onverwijld tooit hij zich met het prachtstuk. Deze personage houdt er drie vrouwen op na. Hij laat de mooiste van de drie komen, om haar aan ons voor te stellen. Zij is nog zeer jong, heeft regelmatige gelaatstrekken, prachtig haar en zeer mooie zwarte oogen; zij draagt een japon van rood katoen. Blijkbaar is zij eenigszins verlegen en houdt zich dicht bij haar gemaal. Ik bied haar een halssnoer van roode koralen aan, dat haar echtgenoot haar aanstonds om den hals hangt.

Na deze ceremonie begin ik hem het doel van onze komst mede te deelen. Wij zouden gaarne tot morgen in het dorp blijven om wat te rusten, en dan twee roeiers mede nemen, die tot San-Fernando bij ons zouden blijven. De kapitein geleidt ons naar de hut, waar de mannen bijeen zijn om couria te drinken. Wij vinden daar vijf flinke kerels, stomdronken, in hunne hangmatten uitgestrekt en ons met wezenlooze oogen aanstarende. Sedert den vroegen morgen drinken zij couria. De oudste, een zwaarlijvig man van gevorderden leeftijd, maar met een nog zeer krachtig voorkomen, waggelt van tijd tot tijd naar een uitgeholden boomstronk en schept daaruit met een kalebas den bedwelmenden drank, dien hij vervolgens een voor een zijn makkers aanbiedt. Dezen drinken, al hikkende, en spuwen de laatste droppels uit van het vocht, dat zij hebben ingezwolgen. Ook ons biedt men de kalebas aan. Willen wij niet onbeleefd zijn en deze mannen, wier hulp wij noodig hebben, niet ontstemmen, dan moeten wij onzen afkeer overwinnen en althans iets nemen van dezen drank, die met mate gebruikt, volstrekt niet schadelijk voor de gezondheid is.

Wij begeven ons met den hoofdman of kapitein naar de aanlegplaats, om hem onze prauw te laten zien. Gaarne zouden wij haar ruilen voor eene andere, lichtere, die wij bij onze aankomst hebben ontdekt. Hij verlangt nog iets daarbij; wij laten hem sabels, bijlen, messen zien, maar niets van dat alles is van zijne gading. Geld wil hij niet aannemen. Ik begin de hoop op te geven, met hem den koop te sluiten, toen ik bij toeval uit een kist een lap rood katoen te voorschijn haal. Nu is de zaak in orde. De hoofdman is zoo belust op dat stuk katoen, dat hij, naar ik geloof, zijne hut met al wat daarin is, zou afstaan om in het bezit van dien lap te komen.

De indiaansche vrouwen zijn natuurlijk nieuwsgierig: trouwens, anders zouden zij geene vrouwen zijn. Al de dames uit het dorp, de echtgenooten van den hoofdman uitgezonderd, zijn spoedig bijeen vergaderd in de hut waar wij onzen intrek hebben genomen. Het trekt onze aandacht, dat de vruchtbaarheid in dit dorp niets te wenschen schijnt over te laten. Twee vrouwen houden haar zuigelingen aan de borst; men roept ons om een der jonggeborenen van nabij te zien, een zwak, ziekelijk schepseltje. Daar ik verneem, dat er in het dorp wat rhum te krijgen is, geef ik den raad, het kind daarmede in te wrijven. Men verzoekt ons daarop, aan het andere jonggeboren kind een naam te willen geven. Apatoe heeft gedurende zijn verblijf te Parijs een van die onzinnige liedjes geleerd, die hij nu en dan zingt, als hij goed gehumeurd is, en waarin telkens den naam van Nicolas voorkomt. Die naam wordt nu aan den jeugdigen Indiaan gegeven, waarmede de ouders zeer in hun schik zijn. Uit vrees van het te vergeten, herhalen zij onophoudelijk dat woord, hetwelk zij zeer goed kunnen uitspreken.

Lejanne gaat in den omtrek uit jagen. Hij ontmoet een inboorling, die met eene lange sabarcane (blaaspijp) gewapend is, waarmede hij een kleine pijl wegblaast, waarvan de punt vergiftigd is. Het vergif, waarvan hij zich bedient, is in een soort van matten flesch geborgen, en wordt door de Piaroa-Indianen geleverd: de Piapocas zijn met de bereiding daarvan onbekend.

10 December.--Wij brengen den morgen door met het maken van schetsen en teekeningen, met photografeeren en andere bezigheden van verschillenden aard.

Wij slagen er in, twee mannen over te halen om met ons naar San-Fernando te gaan. Zij zijn nog niet bekomen van hunne slemppartij van gisteren, en hoewel jonger, zijn zij minder vlug en spoediger vermoeid dan onze veel oudere roeiers van Sapoara. Maar onze prauw is niet zoo zwaar, en hoewel wij tweemaal ophouden om een hocco en een eend te schieten, leggen wij van elf uur tot half zes niet minder dan zes-en-veertig mijlen af.

VIII

11 December.--Onze Indianen, die nu geheel van hun roes bekomen zijn, roeien flinker dan gisteren. Ieder hunner heeft een kleinen lederen zak, waarin hij zijn tabak en andere kleinigheden bewaart. Toen ik een dezer zakjes nakeek, vond ik daarin een wonderlijk beeldje van klei, eene niet geheel onkenbare afbeelding van den kop van een aap met een stuk van den romp.

"Maminaïmi!" zeide de Indiaan tot mij. Hij had dit beeldje gevonden aan den oever ergens in de buurt, op een plek, die door de maminaïmis bezocht wordt.

Volgens hen, zijn deze maminaïmis een soort van watergeesten of duivels. Zij hebben de gestalte van een klein kind en het gelaat van een neger. Overdag houden zij zich onder water op; maar des nachts zwerven zij langs den oever en door de bosschen, daarbij een geluid makende dat volkomen op het schreeuwen van een kind gelijkt. Onze Indianen verzekeren ons, meermalen dat geluid gehoord te hebben, waarop zij alles behalve gesteld zijn. Al de Piapoco-Indianen gelooven vastelijk aan het bestaan van de maminaïmis.

Omstreeks half twaalf houden wij stil aan den oever, om den stand der zon waar te nemen. Volgens mijne waarneming berekent Lejanne, dat wij ons op 3° 40' 93° noorderbreedte bevinden.

Wij bespeuren even boven water de rugvin van een visch, die, naar het ons voorkomt, vrij groot moet zijn; wij naderen hem met onze boot, zonder dat hij eenige beweging maakt. Een der Indianen werpt zijn harpoen uit, en haalt een wentelaar op, grooter dan ik er nog ooit een gezien had. Hij is ongeveer zes palmen lang, waarvan ruim een derde door den kop wordt ingenomen, die zeer breed is en waarin de hersenen bijzonder sterk ontwikkeld zijn. Toen wij den visch gekookt hadden, was het weinige vleesch bijna geheel weggesmolten.

Omstreeks vijf uren houden wij stil bij eene zandbank, waar wij ons bivak zullen opslaan. Voor ons middagmaal hebben wij apenvleesch, een eendebout en visch. Wij drinken een weinig koffie, hetgeen wij anders gewoonlijk alleen des morgens, voor ons vertrek doen. Na dat weelderige maal rollen wij eenige tabaksbladeren tot sigaren en keuvelen met elkander, al rookende, rondom het vuur op het zand uitgestrekt. Wij vernemen van de Indianen eenige bijzonderheden omtrent hunne zeden en gebruiken. Zoo vertellen zij ons dat eene vrouw, die hare bevalling wachtende is, zich naar eene daarvoor aangewezen hut begeeft, waar zij gedurende zeven dagen na hare verlossing blijft. Gedurende dien tijd blijft ook de man in zijne hangmat liggen; de beide echtgenooten gebruiken geen ander voedsel dan cassave en water. Men heeft hieruit ten onrechte opgemaakt, dat de man zich moet aanstellen als ware hij in de kraam gekomen. Bij de Piapoco-Indianen is dit althans niet het geval, en ik betwijfel zeer of zulk eene onzinnige vertooning ergens plaats vindt. Zoo de man in zijn hangmat gaat liggen en zich aan hetzelfde dieet als zijne vrouw onderwerpt, dan geschiedt dit om daardoor zekere ziekten van zijn kind af te wenden, door zich zelven, in zijne plaats, boete en onthouding op te leggen. Ik vermoed dat wij hier te doen hebben met een overblijfsel uit overoude tijden, eene flauwe herinnering aan de wet, die de jonggeboren kinderen aan de godheid wijdde. Om zijn kind los te koopen, legde dan de vader zich zelven zekere boete op.

14 December.--Ten zes uren zijn wij reeds op de been: wij zijn niet ver meer van San-Fernando. Wij maken een weinig toilet, voor zoo ver ons dat mogelijk is: maar ondanks onze inspanning, blijven wij er als havelooze landloopers uitzien. Ik ben verzekerd, dat, althans in Frankrijk, niemand ons gaarne op eene eenzame plek in het bosch zou willen ontmoeten: men zou ons ongetwijfeld voor vagebonden houden; die aan de zorg der policie moesten worden toevertrouwd.

Omstreeks tien uren komen wij aan de monding van de Ynirida, eene vrij belangrijke rivier, die zich aan den rechter oever in de Guaviare uitstort. Bij haar samenvloeiing met laatstgenoemde rivier heeft de Ynirida eene breedte van omstreeks zeshonderd meters; de kleur van het water is donkerbruin, het meest overeenkomende met die van koffiedik; het water van de Ynirida onderscheidt zich dan ook zeer duidelijk van het troebele geelachtig witte water van de Guaviare. Op de landpunt tusschen de beide rivieren vertoonen zich groote granietrotsen. Wij ontdekken twee hutten, eene op den linker en eene op den rechter oever, beiden door blanken bewoond. De laatste hut ligt op onzen weg. Wij bestijgen een soort van steile trap, in den weeken kleigrond van den zeven tot acht el hoogen oever uitgehouwen.

Wij zijn bij Gregorio Garcia. Zijne vrouw, eene Indiaansche van den stam der Pouinavés, ontvangt ons. Volgens het gebruik des lands begroet ik haar met een _Ave Maria_, waarop zij _gratia plena_ antwoordt; vervolgens noodigt zij ons uit, hare woning binnen te treden. Haar echtgenoot is afwezig, maar zal zoo aanstonds terug keeren. Inmiddels koop ik verschillende voorwerpen: aardewerk, zeven en andere dingen, die zij zelve gemaakt heeft. Daarop vraag ik haar vergunning, om ons middagmaal in hare hut gereed te mogen maken; zij bewilligt daarin niet alleen, maar wil zich zelve met de zorg daarvoor belasten. Bij ons gerookt vleesch voegt zij nog eene jonge kip, gebakken bananen, pasteken en nog andere lekkernijen. Toen wij aan tafel zaten trad Gregorio binnen.

Hij is een eenvoudig man, volstrekt ongeletterd, maar, zoo als wij later te San-Fernando vernamen, een goed en ijverig werkman, hetgeen trouwens ook bleek uit de groote hoeveelheid van allerlei produkten, in en nabij de hut opgestapeld. Niet dan met groote moeite kunnen wij hem bewegen, om in dank voor zijn vriendelijk en gastvrij onthaal, een sabel en een bijl aan te nemen. Zijne vrouw daarentegen is zeer in haar schik met eene halsketting van roode koralen, die wij haar aanbieden.

Tegen een uur in den namiddag gaan wij weer op weg naar San-Fernando. Gregorio verzekert ons dat het eene "pueblo grande" is. Maar hij heeft niet veel gezien, en het waarschijnlijkste is dat wij een klein dorp zullen vinden.

Om vier uur krijgen wij eindelijk San-Fernando in het gezicht: van verre gezien, herinnert het mij aan de dorpen langs de Amazone. Hutten met palmbladen bedekt, met leemen wit gepleisterde wanden, staan langs de helling van een lagen heuvel verspreid, en schijnen vrij talrijk, juist omdat zij zoo door en boven elkander zijn geplaatst. Weldra bereiken wij lage eilanden, door granietrotsen omzoomd, dan varen wij de donkere wateren van de Atabapo op. De oever, waarop het dorp ligt, is omzoomd door eene bank van graniet, die met zachte glooiing in de rivier afdaalt. Deze rivier heeft bij hare samenvloeiing met de Guaviare eene breedte van zes- tot achthonderd meters.

In een glas ziet haar water grauw, rookkleurig: maar in de rivier zelve is het water, door de massa, volkomen zwart. Een wit voorwerp, in de rivier gedompeld, neemt op eene diepte van dertig duim eene goudgele tint aan; op negentig duim diepte is het oranjerood. Dit water is echter drinkbaar; te San-Fernando gebruikt men geen ander. Het vermengt zich zeer goed met zeep, en bezit twee voortreffelijke hoedanigheden: het houdt de muskieten en de kaimans op een afstand. Het verdient wel vermelding, dat men nooit een dezer laatste dieren in den omtrek van San-Fernando heeft aangetroffen, terwijl toch de Guaviare, die niet meer dan achthonderd meters van de plaats verwijderd is, van kaimans wemelt. Ik houd het voor zeker, dat de zwarte kleur van het water van de Atabapo door organische stoffen veroorzaakt wordt, waarvan de ware aard nog niet bekend is; al de visschen van deze rivier zijn eveneens zwart van kleur. In haar leeft eene bijzondere soort van schildpad, veel kleiner dan die van de Guaviare. De rio Atabapo komt van het zuiden; zij opent een veel korter weg dan de Cassiquiare om de rio Negro te bereiken. Na acht dagen varens en een marsch van nog twee dagen komt men aan de rio Guaïnia, die meer benedenwaarts den naam aanneemt van rio Negro.