Reis door Nieuw-Grenada en Venezuela De Aarde en haar Volken, 1887
Chapter 6
Wij keeren naar ons vlot terug, gansch niet gesticht over den uitslag van onze lange en vermoeiende wandeling. Wij volgen een pad dat langs de rivier loopt, en aan den oever op een aantal plaatsen is afgebrokkeld; maar op onzen tocht door de prairie worden wij geen enkel stuk wild gewaar. Wij hebben niets voor ons ontbijt: wij moeten ons althans eenige visschen verschaffen voor ons diner, en daartoe in de eerste plaats een vogel machtig worden om tot aas te dienen. Bevallige zwaluwen vliegen om ons heen, over het hooge gras heenstrijkende, onvermoeid op de insektenjacht. Wij hooren de scherpe kreten van eenige jonge arenden, die geheel buiten ons bereik zijn. Andere vogels zijn er niet, en reeds naderen wij ons kamp. Lejanne schiet en treft een zwaluw, wier staart met twee lange vederen is versierd. Toen onze makkers het schot hoorden, hebben zij zich zeker met de hoop gevleid, dat wij een pecari, een patrijs of eenig ander flink stuk wild zouden medebrengen: blijkbaar zijn zij dan ook teleurgesteld, als zij onze povere vangst aanschouwen. Onze kok stond al gereed, het wild te braden; nu kan hij niet anders doen dan rijst koken en bananen klaar maken, die wij onderweg zullen oppeuzelen en besproeien met water uit de Guaviare.
Dit is zeker een weinig voedzaam menu, maar het heeft althans een voordeel: het jaagt u het bloed niet naar het hoofd, en is dus zeer gepast voor menschen, die uren lang aan de brandende zon zijn blootgesteld.
Intusschen drijft ons vlot langs de savane, waarvan de loodrechte oever aan onze rechter hand een eindeloozen roodachtigen muur vormt van omstreeks zes ellen hoog. Op de hoogte der hutten gekomen, zien wij al de Indianen aan den rand der helling verzameld. Wij wenden zelfs het hoofd niet naar hen om, maar houden hen toch in het oog, vast besloten vuur te geven op het eerste blijk van vijandelijkheden, want zij zijn allen gewapend en hebben twee prauwen tot hunne beschikking.
Het landschap is wanhopend eentonig langs deze rivier, die eene geheele reeks regelmatige krommingen maakt. Aan den eenen kant is de loodrechte holle oever bedekt met groote boomen en tallooze palmen, die zich boven een roodachtigen muur schijnen te verheffen; aan de andere zijde is de holle oever begroeid met laag hout en omzoomd door eene zandbank, waarop een menigte kaimans zich in de zon liggen te bakeren. De stroom loopt altijd langs den hollen oever, omgord met aangespoelde boomstammen en takken, waartusschen vreesachtige schildpadden huizen. Het water heeft eene vuile zwartachtig grauwe kleur. Op zeer stille plekken is het bedekt met eene dunne vetlaag, die metaalachtige tinten toont en waarboven vieze vlokken schuim drijven. Over dit alles giet de zon een geelachtig licht uit; vooral tegen den avond is de weerspiegeling van het zonlicht in het water bij uitstek hinderlijk. Gedurende tien uren per dag zijn wij aan de brandende stralen blootgesteld, zonder andere bescherming dan onze panamahoeden, waarom wij een doek gewonden hebben. Die verraderlijke stralen maken gebruik van het minste scheurtje in onze kleederen, om onze huid te verbranden. Van tijd tot tijd maken wij ons haar nat, om ons althans even te verfrisschen.
Tegen den avond van dezen dag vangt Lejanne een mooien mapourito, die ons uitnemend te pas zal komen voor ons diner. Dan verbreedt zich de rivier en splitst zich in twee armen, waartusschen zich eene zandplaat verheft. De stroom voert ons naar den linkeroever, die met laag hout is begroeid. Een soort reiger heeft de onvoorzichtigheid, zijn langen hals uit te rekken en zijn kop uit de bladeren te steken. Apatoe schiet hem neder, en gaat met de prauw den vogel halen, die wel een zeer sterken onaangenamen stank verspreidt, maar waarmede wij toch, bij gebrek van beter, ons ontbijt zullen doen.
20 November.--Sedert drie dagen komen wij bijna niet vooruit. Wij ontmoeten een aantal eenden, maar zij zijn uiterst moeilijk te naderen, en het gelukt ons niet dan na veel inspanning er vier te dooden. Met versche bananen gekookt, moeten zij ons gedurende twee dagen voeden.
In den namiddag van den twintigsten barstte eensklaps een vrij hevig onweer, met storm en regen los, maar nog eer wij stilhielden om ons kamp voor den nacht op te slaan, was het op nieuw goed weer geworden. Wij sturen ons vlot naar den oever, maken het stevig vast, en beginnen de noodige toebereidselen te maken voor ons middagmaal en voor ons nachtverblijf. Terwijl ik het vuur aanmaak, brengt François het noodige gereedschap aan wal. Lejanne en Apatoe, die nu reeds eenige werkzaamheden verrichten kan, ruimen met hunne hakmessen de struiken en heesters op, zoodat wij de noodige ruimte krijgen voor ons kamp. Weldra staat de ketel te vuur, met een prachtigen eendvogel en eenige stukken van bananen. Het eenvoudig maal wordt gekruid door onzen honger.
Een smalle strook van violetkleurige wolken, de laatste overblijfsels van de onweersbui in den namiddag, omzoomde den westelijken horizon. Daarboven heeft de hemel een groene tint, waardoor eenige rooskleurige strepen loopen. Niets evenaart de zuiverheid en fijnheid dezer kleuren, die ook door het meest geoefende penseel niet zijn weer te geven. Weldra valt de duisternis in; zooals men weet, duurt in de tropische landen de duisternis maar kort. Wij gebruiken haastig ons maal, want met den nacht komen de muskieten, die ons beletten na den maaltijd nog lang te blijven praten. Ieder zoekt zijne hangmat op en zoekt een veilig plaatsje achter zijn muskietenscherm.
Wij vallen spoedig in slaap, maar worden gewekt door een hevigen donderslag. Welhaast valt de regen in stroomen neder. Lejanne en François verlaten hunne hangmatten, aan hooge boomen opgehangen, die den bliksem zouden kunnen aantrekken. Geen enkele stof, hoe waterdicht ook, is tegen zulke regens bestand. Wij zijn in een oogenblik doornat en rillen van de koude. Niemand spreekt een woord: in stompzinnige onverschilligheid laten wij ons door deze waterplassen overstelpen. Deze regen duurt, met geringe afwisseling in hevigheid, tot aan den morgen.
21 November.--Wij ontmoeten langs de oevers zoogenoemde morichépalmen, waarvan Apatoe verzekert, dat zij alleen aan de mondingen der groote rivieren groeien. Is dat zoo, dan zouden wij niet verre van San-Fernando zijn. Maar de Angostura dan? De twee engten, die wij zijn doorgeworsteld, zouden dan toch de Raudal en de Angostura zijn geweest. Ik begin het inderdaad te gelooven, vooral toen, in den namiddag, Apatoe mij een groot aantal vogels wijst, sasa genaamd, die in een boschje aan den linkeroever een luid geschreeuw doen hooren. Men is zoo licht geneigd, te gelooven wat men hoopt.
Lejanne is echter van eene andere meening. Wij hebben het groote eiland Amanaveni, dat op de kaart van Codazzi voorkomt, nog niet bereikt, en volgens hem staat de Angostura ons nog te wachten. Het gelukt mij niet, hem van meening te doen veranderen, ofschoon ik hem onder het oog breng, dat de italiaansche geograaf zijne kaart van de Goyabero niet naar eigen waarneming, maar naar inlichtingen van derden heeft vervaardigd.
In den morgen van den twee-en-twintigsten bemerken wij een prachtigen jaguar, die rustig onder het kreupelhout langs den oever ligt. Ieder weet, dat op het water de voorwerpen veel dichter bij schijnen dan zij inderdaad zijn. Lejanne zendt op den jaguar een kogel af, die hem niet treft. Hoogstens heeft het schot hem eenigszins verschrikt; onbewegelijk blijft hij ons aanstaren. François schiet op zijn beurt, eveneens zonder vrucht. Het dier staat nu langzaam op en trekt zich in het hooge gras terug.
In ons kamp hooren wij tot tweemaal toe het gebrul van een jaguar. François houdt niet van die muziek. Apatoe heeft er schik in hem nog banger te maken door allerlei verhalen van hetgeen de tijgers in zijn land al durven doen; hij vertelt van kinderen, die uit het dorp werden weggesleept, van honden, die in het kamp onder de hangmat van hun meester werden overvallen. Lejanne tracht hem gerust te stellen door de verzekering, dat de zoogenaamde amerikaansche tijger een volkomen onschadelijk dier is, vergeleken met zijn geduchten naamgenoot uit Achter-Indië. Gelukkig stelt François een onbegrensd vertrouwen in de koelbloedigheid en behendigheid van Lejanne; iederen avond hangt hij zijne mat in de nabijheid van die van dezen geoefenden schutter. Als voorzorgsmaatregel maken wij twee groote vuren aan, die wij beurtelings gedurende den nacht zullen onderhouden.
23 November.--Bij het ontwaken worden wij gewaar, dat ons vuur sints lang is uitgedoofd; wij hebben geslapen als volmaakt rechtvaardigen. In den loop van den dag ontmoeten wij een onnoemelijk aantal schildpadden; in rijen van tien of twintig te gelijk liggen zij op de lage zandige oevers of op gestrande boomstammen. Deze schildpadden, bij de Venezuelanen onder den naam van térékaï bekend, zijn zeer schuw; bij onze nadering gaan zij in geregelde orde te water, en leggen daarbij eene vlugheid aan den dag, die men niet van haar verwachten zou.
Die schildpadden smaken uitmuntend, maar om ze meester te worden, zouden wij pijlen moeten hebben, die gemakkelijk haar schild kunnen doorboren en waarvan de lange, boven het water uitstekende schacht tegelijk het spoor van het getroffen dier aanwijst. Met onze vuurwapenen kunnen wij ze zonder moeite dooden, maar als zij in het water vallen zijn zij voor ons verloren. Onze patronen zijn te kostbaar om ze te gebruiken voor eene jacht van zoo onzekeren uitslag.
27 November.--Wij hebben sedert verscheidene dagen geen Indianen ontmoet. De vaart is wanhopend vervelend en eentonig; eerst heden komt daarin eenige afwisseling door den aanblik van eenige heuvelen, die zich in blauwe omtrekken tegen den hemel afteekenen. In den namiddag varen wij tusschen die heuvelen door. De rivier versmalt zich op dat punt en vormt meer benedenwaarts eenige draaikolken, waarvan de passage bij hoog water zeer bezwaarlijk moet zijn. Wij zien voor ons een heuvel van tweehonderd el hoog en vijf à zeshonderd el lang; na dien heuvel omgevaren te zijn, komen wij aan eene tweede versmalling der rivier, gevolgd door een sterker draaikolk dan de eerste was. Wij meenen ditmaal inderdaad, de Angostura van Codazzi te zijn gepasseerd. Dit was echter niet het geval.
Omstreeks half zes bereiken wij haar werkelijk; wij weten nu ook voor goed waar wij ons bevinden. Wij varen wederom een nauw kanaal binnen, geheel overeenkomende met de twee andere, die wij reeds achter den rug hebben. Dit kanaal is even lang, maar breeder dan de vorigen. Aan iedere zijde is de rivier omzoomd door een bank van zandsteen, twee à drie ellen hoog en vijf à zes ellen breed, waarachter zich een zeer steile heuvel verheft, die op sommige plaatsen letterlijk een loodrechten wand vormt. Talrijke watervalletjes dalen van den heuvel naar beneden en hebben zich in den zandsteen een bedding uitgegraven. De plantengroei draagt het karakter van den rotsigen, steenachtigen bodem: de boomen zijn knoestig, gekromd en niet uitgegroeid. Vele dezer boomen staan in bloei en vormen met hunne paarse, rooskleurige, witte en gele bloesems als het ware een reusachtig bouquet ter wederzijde van de rivier.
Het was donker, toen wij den uitgang van de Angostura bereikten. Wij bivakeeren op een groot rotsplateau, waarop geen enkele boom staat om onze hangmatten aan te bevestigen. Wij slapen dan ook op den harden grond. Het ontschepen van onze bagage vordert veel tijd en moet bij kaarslicht geschieden. Gelukkig vinden wij nog eenig brandhout, zoodat wij vuur kunnen aanleggen, waarop wij een eendvogel braden, dien wij zonder eenige toespijs gebruiken, want onze voorraad mais is opgeteerd. Na dien roofdierenmaaltijd wikkelen wij ons in onze dekens, en strekken ons op de rots uit, met de voeten naar het vuur gekeerd.
28 November.--Ten zes ure gaan wij weder op weg. Het is ter nauwernood dag, want de hemel is bewolkt. De tusschen hooge boorden ingesloten rivier schijnt bijna zwart; groote vlokken geelachtig schuim drijven op het water. Wij ontdekken langs den oever prachtige maripapalmen: het komt mij voor, dat de kool van dien palm, gekookt, eene zeer geschikte spijs zal zijn. Apatoe en François wapenen zich met een bijl, gaan in de prauw en varen naar den oever om een dezer boomen van zijne kool te berooven. Middelerwijl zetten Lejanne en ik den tocht met het vlot voort: onze makkers zullen ons gemakkelijk kunnen inhalen. Na verloop van een half uur, zien wij op korten afstand voor ons groote ronde rotsen, die een dam in de rivier vormen, welke bijna de geheele breedte beslaat. Schuimend en kokend stroomt het geperste water langs beide zijden weg. Wij zijn ons onzer onbekwaamheid te goed bewust, om zonder onze makkers den doortocht te beproeven, en sturen het vlot naar den rechteroever, waar wij hunne komst afwachten.
Met hunne hulp komen wij ook dien hinderpaal te boven. Dan worden wij door den stroom aangegrepen, en medegesleurd naar eene tweede Angostura, nog gevaarlijker dan de eerste. Zij is smaller; de oevers zijn hooger, en de snelheid van den stroom is grooter. Omstreeks halverwege bevindt zich een zeer gevaarlijke draaikolk, dien wij slechts met inspanning van alle krachten kunnen vermijden. Kwamen wij met ons vlot binnen zijn bereik, dan zie ik niet hoe wij zouden kunnen ontsnappen.
Wij vorderen niet dan zeer langzaam en bereiken niet dan met moeite het uiteinde van het kanaal. Daar verbreedt de rivier zich weer. De wind is ons tegen en er gaat eene sterke branding; wij komen bijna niet vooruit. Om zes uren maken wij ons kampvuur aan onder den lommer van een reusachtigen boom, waarvan de zware wortels hoog boven den grond uitsteken en voor een deel tegen den stam zijn aangedrukt. Uit het dichte gebladerte daalt een regen van kleine vijgen op ons neer, losgewoeld door de rustelooze bewegingen van drommen van apen, aras en parkieten. De eersten springen van tak tot tak en nemen de wijk in het bosch, onder het uitstooten van snijdende, gillende kreten en het ruischen der bladeren. Lejanne doodt een couicoui en een parkiet. Wij doen ons maal met een gedroogden eendvogel en gekookte palmkool.
29 November.--De rivier heeft, ter plaatse van ons bivak, eene breedte van zeshonderd-zeventig el, waarvan niet minder dan vijfhonderd el wordt ingenomen door eene zandbank, die bij hoog water onderduikt. Bij ons vertrek regent het een weinig. Omstreeks acht uur maakt Apatoe ons opmerkzaam op een plaats, waar boomen geveld zijn. Inderdaad strekt zich een open plek tot aan de rivier uit; naar het schijnt, wordt die plek ingenomen door bananen. Met kloppend hart zetten wij koers naar deze plek. Als wij eens teleurgesteld werden in onze verwachting, menschen te zullen ontmoeten? Ons vlot gaat veel te langzaam naar onzen zin: wij zouden het vleugelen willen aanbinden, en het beweegt zich ter nauwernood. Ik neem mijn kijker en bemerk een half verkoolden boomstronk, die deels over den oever hangt, en vervolgens een tros bananen. Hoezee! Daar is het beloofde land! Maar hoe zullen de bewoners des lands ons ontvangen? De ontberingen van de laatste dagen hebben ons zoozeer opgewonden, dat wij niet zouden aarzelen, ons met geweld het noodige te verschaffen, ingeval men mocht weigeren ons levensmiddelen te verkoopen. Gebrek is een slechte raadgever. Eendvogels walgen ons: de bedorven mais, die wij gedurende de laatste dagen gegeten hebben, heeft ons ziek gemaakt. Daar vóór ons is een bananenplantage.... Wij zullen betalen wat men ons wil vragen: maar tot iederen prijs moeten wij van die vruchten hebben.
Wij varen langs eene zandbank, die aan de landzijde door kreupelhout is begrensd. Wij bespeuren op den grond eene mat van palmbladen, die over hoepels is gespannen en waarschijnlijk als bedekking moet dienen voor eene groote prauw; vervolgens eene hut, waarvan het overhangende dak te midden van het groen ons aan een chalet denken doet.
Lejanne vuurt tweemaal zijn geweer af, terwijl Apatoe met mij in de prauw stapt en mij haastig naar de hut roeit. Wij volgen gedurende eenigen tijd eene kreek, die zich hier in de rivier uitstort. De Indianen zijn in het eerst verschrikt weggevlucht, maar zij keeren toch weldra terug; ik zend twee hunner met eene prauw, om ons vlot op sleeptouw te nemen, dat anders de kreek niet zou kunnen opvaren, hoe zwak de stroom ook moge zijn. Ik wacht mijne reisgenooten aan de aanlegplaats af.
Weldra bereiken wij het dorp, dat Mapiripan heet, even als de kreek waaraan het gelegen is. Het bestaat uit drie hutten, waarvan slechts eene van de rivier zichtbaar is, en die door vier Indianen met hunne gezinnen worden bewoond. De oudste is een forsch gebouwd man met eene breede borst en een goedig voorkomen; zijne huid ziet geheel blauwachtig ten gevolge van eene in deze streken inheemsche huidziekte, carathes genoemd. Een ander, omstreeks vijf-en-twintig jaar oud, lijdt aan anderendaagsche koorts: ik win zijn vertrouwen, door hem wat kinine te geven. Een derde, klein van gestalte en met gekromden rug, schijnt mij toe zeer beperkt van geestvermogens te zijn. Hij draagt den zeer onpassenden naam van Narcissus. Met uitzondering van dezen laatste, dragen de mannen pantalons en hemden. De ongelukkige Narcissus heeft niets anders dan een ellendigen poncho van het bekende inlandsche fabrikaat.
De handelaars van San-Fernando verschijnen hier telken jare eens of tweemaal. Zij worden nu elken dag verwacht, en onze Indianen hebben den noodigen voorraad van cassave en couac (gebrand maniokmeel) gereed gemaakt, dien zij aan hunne bezoekers moeten verkoopen.
Zij staan ons eene mand met cassave en eene mand met couac af, benevens bananen, pompoenen, twee schildpadden en tabak: een en ander in ruil voor eenige hakmessen, scharen, messen, naalden en vischhaken. Wij koopen bovendien nog schildpadvet en suikerstroop: deze laatste zal ons uitstekend te pas komen, want wij hebben eene zekere hoeveelheid ongemalen koffie, die wij nu zullen kunnen gebruiken.
Weldra smullen wij aan eene schildpad met in de asch gestoofde bananen. Onze Indianen geven ons cachiri van bananen te drinken. En wij kunnen ons de weelde veroorloven, gedroogde tabaksbladeren te rooken!
30 November.--Met het aanbreken van den morgen zijn wij allen weder bijeen. Ik koop eene prauw, die groot genoeg is om ons op te nemen, zoodat wij ons vlot kunnen verlaten. Bovendien koopen wij nog eene hangmat, een boog, pijlen en vaatwerk, dat de Indianen van klei vervaardigen, die zij met de asch van zekere boomschors vermengen.
Allen zijn op eene of andere wijze bezig. De eigenaar van de hut, waarin wij vertoeven, houdt zich onledig met het maken van een steel voor een bijl, die wij hem in ruil gegeven hebben. Hij werkt daaraan op zijn uiterste gemak, en wrijft en polijst het hout met al de behagelijke kalmte van iemand, voor wien de tijd hoegenaamd geene waarde heeft.
De vrouwen zijn met huishoudelijken arbeid bezig. De eene, met een hakmes gewapend, maakt maniokwortels schoon, en weet daarbij het gevaarlijke instrument zeer behendig te hanteeren. Eene andere vrouw maakt de ontbolsterde bananen fijn. Op den grond zittende, neemt zij een banaan in elke hand en wrijft ze met groote snelheid over eene soort van rasp, die zij tusschen hare knieën houdt. Deze rasp bestaat uit een eenigszins hol plankje, waarop met een soort van lijm, scherpe stukjes kwartz zijn bevestigd, die als tanden dienst doen. Is deze arbeid afgeloopen, dan doet men de brei in eene lange buis of darm van fijn gevlochten riempjes, die in het spaansch den naam van _Couleuvra_ draagt. Het bovenste gedeelte van deze couleuvra wordt met een houten stop gesloten, en vervolgens wordt de worst--om ze zoo eens te noemen--aan een balk opgehangen. Aan het benedeneinde van de couleuvra is een ring bevestigd, waarin een hefboom gestoken wordt, die met het andere einde aan een naburigen pijler is vastgemaakt. Door den hefboom te bezwaren, wordt de couleuvra saamgeperst en daardoor het vergiftige sap uit de brei verwijderd. Vervolgens laat men de gelei gedurende vier-en-twintig uren gisten.
Om cassave te maken, spreidt men de brei in lagen in eene schaal, die op een soort van oven wordt geplaatst, waarin een goed vuur wordt onderhouden, dat echter niet te heet mag zijn. Op deze wijze verkrijgt men koeken, die, om goed te blijven, in de zon moeten worden gedroogd en vervolgens op eene droge plaats bewaard.
Onze Indianen geven ons een drank, gemaakt van zoete pataten en maniok, welke met water vermengd en tot gisting gebracht worden. Deze drank, couria genoemd, wordt niet gefiltreerd, is geelachtig, klonterig en zeer dik; hij ziet er zeer onsmakelijk uit, maar smaakt inderdaad zeer goed.
Wij kunnen hier gelukkig inlichtingen bekomen, die ons ten zeerste van dienst zijn: San-Fernando ligt op veertien dagreizen afstands van Mapiripan. De Indianen, waarmede wij vroeger in aanraking zijn geweest, de Mitouas, staan hier niet hoog aangeschreven en worden als wilden (bravos) beschouwd. Onze vrienden deelen ons zonder aarzeling mede, dat zij zelven den naam dragen van Piapocos, hetgeen toucan beteekent. Het is eene zeldzaamheid, dat een Indiaan een vreemdeling den naam van zijn stam bekend maakt; doorgaans verneemt men dien naam eerst van de buren.
In den namiddag brengt François onze bagage in de prauw over. Ons nieuw gekocht vaartuig heeft eene lengte van tien el zes palm, eene breedte van een el tien duim, en is van een enkelen boomstam gemaakt. De voor- en achtersteven, die een weinig oploopen, zijn met plankjes afgesloten. In het midden zijn, even boven den bodem, dwarsbalkjes aangebracht, waarop een bamboezen vloer of dek rust: onze bagage zal daar geen hinder hebben van het water, dat altijd in zulk eene prauw doordringt. Een gedeelte van dit dek blijft vrij: Lejanne en ik zullen daar, onder het dak van palmbladen, dat ongeveer een derde van ons vaartuig overdekt, eene schuilplaats kunnen vinden tegen de brandende zonnestralen. Deze prauw is wel wat zwaar voor twee roeiers; gaarne zouden wij een onzer kloeke Piapocos overhalen om met ons te gaan, maar zij zijn daartoe niet te bewegen.
Even als den vorigen dag, begeven zich de Indianen des avonds naar het strand en laten de hutten tot onze beschikking.
1 December.--Het regent den ganschen nacht; tegen het aanbreken van den dag houdt de regen wat op, en tot onze verbazing keeren onze Indianen terug met geheel droge kleederen.
De ongelukkige Narcissus doet wat hij kan om zich aangenaam te maken; hij brengt ons zoete pataten en vervolgens zoete maniok. Wij beloonen zijn ijver en goeden wil door hem een hemd ten geschenke te geven, dat hij aanstonds aantrekt. Blijkbaar hebben wij hem gelukkig gemaakt: zijn onnoozel gelaat straalt van eene blijdschap, die ons zelven goed doet.
Omstreeks tien uren nemen wij afscheid van onze vrienden, en werpen een laatsten blik op ons vlot, dat nu, ledig en onttakeld, een vrij treurige figuur maakt. Wij zullen het niet gauw vergeten, want het heeft ons onschatbare diensten bewezen en meer dan eens ons leven gered.
Wij zijn nu op weg naar San-Fernando; wij vorderen goed en hebben levensmiddelen voor vele dagen.
Tegen den avond komen wij aan de monding eener rivier, die zich aan den linkeroever in de Guaviare uitstort. Op den hoek tusschen de beide rivieren verrijst een heuvel, op welks top eene hut is gebouwd. Wij varen een eind weegs de rivier op, om ons van hare beteekenis rekenschap te kunnen geven. Hare breedte bedraagt honderd-vijftig el; de strooming is zeer sterk, en naar het schijnt, is de rivier buiten hare bedding getreden, want de struiken en heesters langs de oevers staan halverwege in het water. De aanlegplaats schijnt verlaten, want de grond is met hoog gras en struiken begroeid.