Reis door Nieuw-Grenada en Venezuela De Aarde en haar Volken, 1887

Chapter 5

Chapter 53,909 wordsPublic domain

Het dorpshoofd en zijn zoon zijn naar hunne woning teruggekeerd. Wij verzoeken den drie mannen, die achtergebleven zijn, ons een proefje te willen geven van hun nationale zangen en dansen. Aanvankelijk maken zij daartegen eenige bedenkingen, maar ik had opgemerkt dat zij geen tabak hadden en gretig onze weggeworpen eindjes sigaar oprookten. Ik haal drie sigaren uit mijn zak en bied hun die aan: nu veranderen zij van toon en verklaren zich bereid, aan ons verlangen te voldoen. Hun gezang is, hoewel zeer weemoedig, toch vrij welluidend, maar bij uitstek eentonig, want het bestaat slechts uit eene enkele frase, die eindeloos wordt herhaald. Een hunner geeft de maat aan, met behulp van een kalebas, waarin zaadkorrels verborgen zijn en die hij heen en weer beweegt; die kalebas is met figuren versierd even als het vaatwerk. De vrouwen hebben het te druk om aan den dans deel te nemen. De kinderen scharen zich, twee aan twee, op eene rij achter de mannen en bewegen zich, als zij, langzaam, met afgemeten schreden voort, daarbij met hun rechter voet de maat slaande. Iedereen schijnt zeer tevreden en gelukkig: trouwens, de behoeften dezer arme lieden zijn al zeer weinige en dus spoedig voldaan.--Omstreeks tien uren strekken wij ons uit in onze hangmatten; voor het eerst sedert zeventien dagen slapen wij rustig, met een dak boven ons hoofd.

12 November.--Wij brengen den dag door met teekenen en photografeeren, met het doen van sterrekundige en meteorologische waarnemingen. Morgen zal onze bagage droog zijn; in den morgen van den veertienden zullen wij vertrekken.

Na het middagmaal zijn alle bewoners van het dorp, mannen en vrouwen, grooten en kleinen, bij onze hut vereenigd. De mannen hervatten hun eentonig gezang en hun niet minder eentonigen dans, die ons niet kunnen boeien. De muskieten zijn zeer talrijk en hinderlijk; wij begeven ons dus spoedig ter ruste, na onze geweren onder onze hangmatten op den grond te hebben gelegd. Het duurt niet lang, of Apatoe bemerkt zekere beweging die hem verdacht voorkomt. Terwijl het gezang buiten wordt voortgezet, ruimen de vrouwen al het huisraad en de wapenen in de hut op. Hij maakt mij wakker en deelt mij zijne waarneming mede; ik denk dat de Indianen zich naar de andere hutten zullen begeven om deze geheel tot onze beschikking te laten. Zonder mij in het minst ongerust te maken, slaap ik weer in; maar even daarna wekt Apatoe mij op nieuw: hij vertrouwt de zaak niet. Het zingen heeft opgehouden. Wij springen uit onze hangmatten en treden naar buiten, met onze geweren in de hand.

Er is niemand te zien. Ik zal met Lejanne mij gaan overtuigen, of de andere hutten ook verlaten zijn; François en Apatoe zullen inmiddels hier de wacht houden. Niet zonder een zeer onaangename gewaarwording, bemerken wij dat inderdaad de inwoners zijn verdwenen. Waarom hebben de Indianen zich verwijderd? Willen zij onze bagage stelen? Er valt geen oogenblik meer te verliezen: wij moeten trachten hen zoo spoedig mogelijk in te halen. Lejanne vuurt tweemaal zijn geweer af, ten teeken dat wij hunne vlucht bemerkt hebben; in de hoop dat zij zich dan zoo spoedig mogelijk uit de voeten zullen maken, zonder zich den tijd te gunnen onze bagage mede te nemen, die onder het afdak nabij den oever geborgen is. Wij gaan het bosch in en loopen zoo snel als de donkerheid toelaat; tevens zooveel mogelijk links en rechts uitkijkende, want niets zou gemakkelijker zijn, dan _à bout portant_ eenige pijlen op ons af te zenden, en hebben de Indianen inderdaad het voornemen om ons te bestelen, dan zullen zij er ook wel geen been in vinden ons dood te schieten. Eindelijk komen wij aan den oever. De maan werpt haar helder licht op de open plek in het woud en op den kant der rivier. Daar staat onze bagage ongeschonden; daar ligt ons vlot rustig aan den oever. Daarentegen zijn alle prauwen verdwenen, ook die welke wij gekocht hebben. Wij halen ruimer adem, en Lejanne laat nogmaals twee schoten weerknallen, die de vluchtelingen in den waan zullen brengen, dat wij bij de bagage zijn en hen verhinderen, terug te komen.

Weldra zijn wij weder bij onze makkers terug, wien wij de goede tijding mededeelen. Wij houden niettemin onze geweren gereed, ten einde op alles voorbereid te zijn, en blijven onder het rooken van eenige sigaren met elkander praten. Daarop begeven wij ons weer ter ruste en ontwaken eerst vrij laat in den morgen.

13 November.--Wij vinden in een hoek de hakmessen, welke wij ten geschenke hadden gegeven aan de mannen die met ons mede zouden gaan, en ons linnengoed, dat wij aan de vrouwen gegeven hadden om te wasschen. Deze nauwgezette eerlijkheid verwondert ons. De hoofdman alleen is minder kiesch geweest: hij heeft de bijl en de lap katoen medegenomen, waarmede wij de prauw betaald hebben, die nu ook verdwenen is.

Onze Indianen hebben hun haan en hunne kip vergeten: met hunne honden, vormden deze twee vogels hun geheelen rijkdom aan huisdieren. Wij vinden er hoegenaamd geen bezwaar in, de beide vogels mede te nemen, als vergoeding voor onze prauw.

Ons vlot is een weinig gedroogd; het zinkt minder diep in het water en wij zullen ons nogmaals aan dat broze vaartuig toevertrouwen, dat ons toch reeds meer dan eens het leven heeft gered. Inderdaad, als ik denk aan de nog veel brozer prauwen van uitgeholde boomstammen, aan de gevaren, waarmede de vaart op de rivier gepaard gaat, aan de vermetele stoutmoedigheid der kaimans, dan zou ik mij bijna kunnen verheugen over de vlucht onzer Indianen. Alles wat ons tot dusverre aanvankelijk een ramp scheen, is naderhand gebleken een geluk te zijn.

Tegen den middag wordt onze bagage, die nu weer geheel droog is, op het vlot geschikt, en wij hervatten onzen tocht. Aanvankelijk varen wij langs de savane, dan komen wij weder in de bosschen. Hier en daar wijst een verbrande boom de plaats aan van een verlaten kamp der Indianen.

Groote zeemeeuwen vliegen schreeuwend boven onze hoofden heen en weer, zoodra wij eene zandbank naderen, waarop zij haar eieren hebben gelegd. Talrijke bruinvisschen duiken, snuivend en blazend, uit het water op en springen en dartelen overal rondom het vlot. Wij overnachten in het woud.

14 November.--Lejanne en ik zijn telkens verplicht de plaats in te nemen van Apatoe, die nog altijd zijne rust moet houden, en ter vermijding van ongevallen, de pagaaien ter hand te nemen. Daar wij dit werk niet gewoon zijn, wordt de vaart voor ons vrij vermoeiend.

In den namiddag zien wij een pas gevormd eilandje voor ons, waarvan het teedere frissche groen helder uitkomt tegen de donkere tinten der bosschen. Eene prauw steekt van den oever af. Met behulp van onzen kijker, onderscheiden wij een gezin van Indianen. Wij roepen hen uit de verte aan, maar zij spoeden zich naar den linker oever en verdwijnen in het woud, hunne prauw aan den oever achter latende. Weldra zijn wij in de nabijheid van dat vaartuig, hetwelk ons uitstekend te stade zou komen. Ik gevoel grooten lust, mij van de prauw meester te maken, en als betaling, op den oever een onzer fraaie amerikaansche bijlen achter te laten. Door de prauw, met behulp van vuur, wijder te maken en van eene verschansing te voorzien, zouden wij met onze bagage daarin plaats kunnen vinden, en zouden wij veel spoediger te San-Fernando kunnen zijn. En ook zoo als zij nu is, zou de prauw ons de grootste diensten kunnen bewijzen voor de jacht: op het stuk van vleeschspijzen, hebben wij niets meer dan een bus _corned beef_ en een doosje sardines.

Maar Lejanne blijft bedenkingen opperen tegen dien gedwongen verkoop, die mij zoo sterk aantrok. Hij is van oordeel, dat wij ons verdiend loon zouden krijgen, indien de vertoornde eigenaar ons een of andere poets zou spelen, en, bij voorbeeld, 's nachts ons vlot wegnemen of vernielen. De prauw blijft alzoo waar zij is.

15 November.--Met het krieken van den dag zijn wij weer op weg. Elken morgen, omstreeks vijf uren, wek ik François, die koffie voor ons zet en de rijst kookt, waaruit ons ontbijt bestaat en waarop wij tot den avond moeten teren. Omstreeks acht uur krijgen wij een Indiaan in het oog, die in zijne prauw zit te visschen, aan de uitmonding eener kreek, aan den linkeroever. Hij is de eerste om ons aan te roepen. Wij zetten koers naar den oever, en het gelukt ons te landen. De man heeft een knaap bij zich van omstreeks dertien jaren en een kind van zeven of acht jaar. Hij is van het hoofd tot de voeten met rocou besmeerd, maar spreekt vlot spaansch. Blijkbaar heeft hij eenigen tijd in de beschaafde wereld verkeerd. Hij heeft bereids eenige visschen gevangen; zijn dorp is niet verre en hij is bereid ons levensmiddelen te verkoopen. Wij komen bijna in verzoeking, den man te omhelzen, hoewel die rood geverfde Indiaan, die zoo zuiver spaansch spreekt, ons eigenlijk eenige achterdocht inboezemt. Lejanne neemt zijn geweer; ik steek mijn revolver in mijn gordel, en na onzen makkers te hebben aanbevolen, in onze afwezigheid goed de wacht te houden, vertrekken wij in gezelschap van onzen roodhuid. Zijne prauw is zeer lang, zeer smal en bij uitnemendheid onzeewaardig. Wij zitten op den bodem, met opgetrokken beenen, in eene zeer vermoeiende houding. Wij varen de kreek in; wij gaan snel voort, maar wij stooten elk oogenblik tegen verdronken stammen en overhangende takken; en het is inderdaad een wonder, dat wij op deze vaart van een kwartier niet zijn omgeslagen.

Bij de aanlegplaats gekomen, ontmoeten wij een anderen Indiaan, die van het dorp komt, zijn boog en pijlen over den schouder; hij keert op zijn schreden terug om ons te vergezellen. Wij volgen midden door het woud een ter nauwernood gebaand pad, gaan over eene zeer primitieve brug, uit twee dunne stammen van palmboomen bestaande, met een dunne liane bij wijze van leuning; en komen eindelijk aan eene savane. Wij vinden daar slechts eene enkele hut, bestaande uit een op palen rustend dak, zonder muren. Wij gaan daarheen en ontmoeten er een derden Indiaan met twee vrouwen en eenige kinderen.

De mannen zijn krachtig gebouwd, klein, maar welgevormd. De vrouwen zijn afschuwelijk leelijk. Eenige hangmatten, wat aardewerk, pijlen en bogen vormen het geheele ameublement van de hut. De vrouwen hebben zoo juist cassave klaar gemaakt: zij is nog een weinig week en moet, om goed te blijven, in de zon worden gedroogd. Wij koopen eenige cassavekoeken, alsmede een tros bananen, welke de mannen voor ons gaan plukken. Wij gebruiken wat gekookte visch met piment en bananen: deze schotel is voor ons bijna eene lekkernij. Maar het is tijd, naar onze makkers terug te keeren, die ons wachten met het ontbijt.

Sedert eenige oogenblikken spreken de Indianen zeer luid onder elkander. Als wij gereed staan om te vertrekken, weigeren zij eenvoudig de gekochte levensmiddelen naar het vlot te brengen, en lachen ons in het gezicht uit. Zouden wij met schurken te doen hebben? Wij beginnen nu op onze beurt een ernstig woordje te spreken. Lejanne maakt zijn geweer gereed en ik haal mijn revolver voor den dag: wij bevelen hun aanstonds te doen wat wij verlangen. Dit helpt; zij nemen de manden met vruchten en koeken op en gaan op weg naar de aanlegplaats. Lejanne vestigt er mijne aandacht op, dat zij ons op de vaart naar het vlot zouden kunnen doen omkantelen. De opmerking is juist: wij zullen dus te voet naar den oever gaan, waar het vlot ligt.

Wij noodzaken de Indianen voor ons uit te gaan, hetgeen blijkbaar niet naar hun zin is, want elk oogenblik staat een hunner onder een of ander voorwendsel stil; maar wij houden hem in het oog, en wachten tot hij weer voortgaat. Wij keeren naar de savane terug, gaan een eind ver langs het bosch, en treden het eindelijk binnen. Een pad is er niet; wij dwingen dus onze Indianen langzamer te loopen en volgen hen op de hielen. Eindelijk, na een zeer vermoeienden marsch, waarbij wij de kreek--ditmaal zonder brug--hebben moeten doorwaden, bereiken wij het vlot.

De vrouwen en kinderen van het dorp hebben zich reeds aan den oever verzameld. In de nabijheid liggen drie prauwen, onder de overhangende takken verborgen; ik koop eene daarvan, in ruil voor een bijl. Wij maken de prauw aan het vlot vast en varen af, niet zonder zekere genoegdoening den spijt en de teleurstelling gadeslaande van de Indianen, die eerst een zoo hoogen toon hadden aangenomen.

In den namiddag ontmoeten wij achtervolgens drie prauwen. De eerste maakt zich zoo spoedig mogelijk uit de voeten. In de tweede bevinden zich een man, een vrouw en een kind; ondanks onze verzekeringen van vriendschappelijke gezindheid, houden deze lieden zich op een afstand, en deelen ons alleen mede dat zij naar San-Martino gaan. In de laatste prauw bevindt zich mede een gezin; de man en de vrouw maken een gunstigen indruk. Zij komen vol vertrouwen tot ons, maar verstaan geen spaansch, zoodat wij niets van hen vernemen kunnen. Wij koopen eenige vruchten van hen, en drukken elkander de hand ten afscheid.

Tegen den avond bespeuren wij eene ledige prauw, die aan den oever vastgebonden ligt. Zou er hier in de nabijheid eene hut staan? Morgen ochtend zullen wij onze geweren afschieten om de inlanders te waarschuwen en tot ons te roepen, want wij wenschen met zooveel Indianen als mogelijk is kennis te maken.

Wij beginnen aan onze laatste bus met _corned beef_. Hoe heerlijk smaakt ons de versche cassave na onze eeuwige rijst. Wij brengen hier een uitmuntenden nacht door, bijna zonder muskieten.

VII

16 November.--Bij het ontwaken lossen wij een schot, om den eigenaar van de prauw te waarschuwen. Wij wachten een geruimen tijd; maar aangezien niemand komt opdagen, vervolgen wij onzen tocht. Juist toen wij ons hadden losgemaakt uit de saamgestrengelde takken en planten, die den bodem der rivier nabij den oever bedekken en in de ruimte kwamen, zagen wij twee Indianen in de prauw plaats nemen en naar ons toekomen. In voorkomen en kleeding gelijken zij op al hunne landgenooten, die wij reeds ontmoet hebben; zij verstaan een weinig spaansch, waaruit blijkt dat zij somwijlen met blanken in aanraking komen. Zij beweren noch San-Martino, noch San-Fernando te kennen, hetgeen mij ongeloofelijk voorkomt; ik houd het er eer voor, dat zij ons geene inlichtingen willen geven. Vermoedelijk zullen zij van hunne ontmoetingen met de blanken minder aangename herinneringen hebben overgehouden, en herhaaldelijk bedrogen en mishandeld zijn geworden. Immers, bij de aanrakingen van den wilde met de zoogenoemd beschaafden, is de eerste steeds de lijdende partij. De blanken treden op als heeren en meesters en maken van de onwetendheid van den wilde gebruik, om hem zooveel mogelijk te bedriegen en te berooven. Een koopman beroemde er zich tegen ons op, dat hij voor de stop van een karaf, waaraan hij groote tooverkracht toeschreef, tien manden met couac (gebrand maniokmeel), ter waarde van honderd francs, had gekregen. Het gezin van den inboorling wordt al even weinig geëerbiedigd als zijn eigendom. Het is dus inderdaad niet te verwonderen dat de Indiaan weinig sympathie voor de blanken gevoelt. Zoodra hij een bijl, een hakmes, een handvol kralen voor halssnoeren, en eenige stukken katoen bezit, houdt hij zich buiten bereik van de gewetenlooze handelaars, die hij veracht en verfoeit. En in de oogen der Indianen, met wie wij in aanraking komen, zijn wij niet anders dan handelaars.

Onze twee roodhuiden zullen, tegen belooning van een mes, met ons gaan tot het naaste dorp, dat niet ver verwijderd is. Sedert een half uur varen wij naast elkander voort, toen wij nog eene andere prauw zagen aankomen, waarin een Indiaan met zijn gezin is gezeten. Wij roepen hem aan, en hij komt tot ons; zijn dorp ligt in de nabijheid, hij zal er ons heen geleiden. Ons gesprek wordt in het spaansch gevoerd. Terwijl wij met hem spreken, hebben de andere Indianen zich verwijderd, onzen vischhengel medenemende.

Onze nieuwe vriend neemt ons op sleeptouw; zijne vrouw en hij pagaaien met alle kracht. Het verwondert mij, dat hunne zeer smalle en zeer onvaste prauw niet omkantelt. Eindelijk bereiken wij zonder ongeval eene kreek aan den rechter oever der rivier. Aan den ingang liggen twee reusachtige kaimans op de wacht, die in dit vischrijke water overvloedig voedsel kunnen vinden; met hunne ziellooze onbewegelijke oogen staren zij ons spookachtig aan. Bij de nadering van het vlot zijn zij even onder gedoken, om langzamerhand op dezelfde plaats weer te voorschijn te komen.

Wij maken ons vlot vast aan den rechter oever van de kreek, en bekijken onze nieuwe makkers wat nauwkeuriger. De Indiaan is een jonkman van omstreeks vijf-en-twintig jaren, met een innemend voorkomen en welgemaakt van gestalte. Hij is daarbij zeer zindelijk. Zijne huid is bruinachtig geel van kleur, niet donker. Hij draagt den gewonen hoofdband en de kniebanden van palmbladeren; in zijne ooren heeft hij stukjes riet gestoken, waarvan het eene einde met roode vederen is versierd.

Zijne vrouw heeft regelmatige trekken, en moet indertijd schoon zijn geweest, maar zij is reeds verwelkt, hoewel zij niet veel ouder kan zijn dan haar man. Zij draagt het hemd of liever den zak, waarvan ik reeds vroeger gesproken heb, en dat hier en daar rood is geworden. Ik koop dat hemd van haar voor een lap katoen. Zij toont besef van kieschheid: niet dan met moeite kan haar man haar bewegen, zich in onze tegenwoordigheid te ontkleeden.

De vrouw zal met de prauw de kreek opvaren, terwijl haar man Lejanne en mij zal geleiden naar de plek, waar wij de kreek moeten oversteken, om zijne woning te bereiken, welke niet ver verwijderd is en in eene savane gelegen, waar een aantal Indianen zijn gevestigd. In blijde stemming en hoog gespannen verwachting, gaan wij op weg naar het dorp, waar zeker veel te zien en te leeren zal vallen. Geruimen tijd volgen wij den oever van de kreek; onze weg voert ons onder prachtige boomen, van wier stammen en takken weer krachtige wortels uitschieten, die in den grond doordringen. De lianen vormen als het ware een reusachtig netwerk, waardoor vooral Lejanne, uit hoofde van zijn geweer, zich niet dan met moeite een weg kan banen. De grond, die bij hoog water wordt overstroomd, is bedekt met eene laag vochtige klei en draagt geen gras. Wij zien talrijke sporen van tapirs.--Nadat wij ruim een kwartier geloopen hebben, staat de Indiaan eensklaps stil: "el tigre!" roept hij. Hij heeft het dier zien wegvluchten en wijst ons zijn spoor. Lejanne vuurt in die richting zijn geweer af, en wij vervolgen onzen marsch.

Na verloop van drie kwartier komen wij aan het punt, waar wij de kreek moeten oversteken. De Indiaan roept zijne vrouw, die geen antwoord geeft. Wij wachten een kwartier: niemand verschijnt.

Wij beginnen ons zelven af te vragen, of men ons ook bij den neus heeft gehad en of ons vlot in veiligheid is. Het schijnt ons vreemd, dat wij zoo ver moeten loopen om eene hut te bereiken, die, naar men zeide, vlak in de nabijheid lag. Ik besluit, naar onze makkers terug te keeren, maar de Indiaan zal ons daarbij weer tot gids moeten zijn: want tenzij wij de oevers van de kreek volgen, zullen wij onvermijdelijk verdwalen, maar de tallooze kronkelingen der kreek zullen den weg veel langer maken. Mitsdien geef ik hem last, ons naar het punt van uitgang terug te brengen: hij schijnt mij niet te begrijpen. Lejanne pakt hem bij de schouders en laat hem zoo onzacht rechts-om-keert maken, dat hij aanstonds onze bedoeling vat. Eindelijk komen wij bij onze kameraden, die in onze afwezigheid een heerlijk ragout van visch en bananen hebben gereed gemaakt. Zij hebben die visschen gekocht van een Indiaan, die in eene prauw voorbij voer. Onze gids is inmiddels verdwenen zonder afscheid te nemen.

De Indianen van deze streek schijnen niet te vertrouwen; op hun gunstig uiterlijk valt blijkbaar niet te rekenen. Als zij in grooter getale bijeen waren, zouden wij het misschien hard te verantwoorden hebben. Trouwens wij zijn tegenover hen steeds op onze hoede en hebben onze wapenen altijd bij de hand.

Na ontbeten te hebben verlaten wij de kreek en hervatten onze langzame vaart op de Guaviare.

Omstreeks half vijf bespeuren wij op den rechteroever eene groote savane, die tot aan de rivier reikt; eene soortgelijke als die, waar wij de eerste Indianen hebben ontmoet. In de verte zien wij twee hutten; maar de dag is te ver gevorderd, om er nog heen te gaan. Wij slaan ons kamp op aan den hoek van het bosch, en verbergen ons vuur en onze hangmatten tusschen het hoog geboomte, want wij zijn in het minst niet gesteld op nachtelijke bezoeken. Wij hebben onzen laatsten voorraad vleesch verbruikt. Moge Diana ons gunstig zijn!

17 November.--Om zes uur vuurt François een geweer af. Lejanne en ik komen uit het bosch te voorschijn en betreden de savane. Er hangt een dichte nevel, die ons verhindert tien pas voor ons uit te zien. Wij bepalen zoo goed mogelijk de richting der hutten en midden door het hooge gras voortstappende, vinden wij weldra een pad, dat er ons heenbrengen zal. Maar naar het schijnt, buigt ons pad naar de rivier af; wij verlaten het dus en betreden nu een terrein, waar men het gras eerst onlangs heeft verbrand. De zon is inmiddels opgegaan en kleurt den nevel met prachtige roode tinten. Half onzichtbaar, spookachtig, vertoonen zich de schemerende gestalten van enkele boomen, in de savane verspreid. Eindelijk, naarmate de zon hooger rijst, trekt de nevel weg. Wij bespeuren nu aan onze linkerhand een Indiaan, die met de pijlen over den schouder, langs de rivier gaat, in de richting van ons kamp, op eenigen afstand gevolgd door zijne vrouw en twee kleine kinderen. Wij roepen hem aan en zijn weldra aan zijne zijde. Het is een stevige kerel, de grootste van alle Indianen, die wij tot dusver ontmoet hebben; een krachtig gebouwd man, met breede schouders en gespierde armen en beenen. Hij is aanstonds bereid om ons naar de hutten te geleiden; maar toch is er iets, wat mij niet bevalt en weinig goeds schijnt te voorspellen. Onze vriend brengt ons naar de verst afgelegen hut, terwijl zijne vrouw zich zoo snel mogelijk naar de naast bij gelegene begeeft. Blijkbaar wil zij het een of ander verbergen voor dat de blanken komen, misschien wel den aanwezigen mondvoorraad. Wij loopen haar na, maar zij is te ver vooruit. Op onze beurt komen wij ook aan deze hut, die, even als in de dorpen van de Andes, leemen wanden en een vooruitstekend dak heeft, dat op palen rust. Deze zeer deftige hut wordt bewoond door een Indiaan met een vrij goedig voorkomen, die een kleinen ronden hoed met smallen rand bezit, waarmede hij zich bij onze verschijning aanstonds het hoofd dekt. De man, die zich zulk een weelde kan veroorloven, heeft ongetwijfeld onder de blanken verkeerd; hij zal in staat zijn ons inlichtingen te geven, welke ons van groote dienst zullen zijn. Op al onze vragen antwoordt hij: "Dat is er niet. Ik weet het niet." Wij staan op het punt, ons boos te maken en gaan heen.

Wij begeven ons nu naar de andere hut, die zeer ruim is en geheel van takken en bladeren vervaardigd. Zij wordt bewoond door drie Indianen met hunne gezinnen, die ons met de uiterste koelheid ontvangen. Zij hebben, volgens hun zeggen, noch vleesch, noch visch, noch bananen, noch cassave. Daarentegen zijn zij in het bezit van een groot aantal bogen, pijlen en lansen, die zij in de hand houden.