Reis door Nieuw-Grenada en Venezuela De Aarde en haar Volken, 1887

Chapter 4

Chapter 43,749 wordsPublic domain

Een dezer dieren bezorgt ons eenige angstige oogenblikken. Voor ons ligt een niet hooge, maar steile zandplaat, die wij bijna rakelings zullen voorbijvaren. Een buitengewoon groote kaiman ligt roerloos op den oever uitgestrekt. Wat zal hij doen, als wij in zijne onmiddellijke nabijheid zullen zijn? Lejanne acht het raadzaam hem weg te jagen, en zendt een kogel op hem af. Bij het eerste schot spert het monster den muil open, en buigt zich een weinig ter zijde, terwijl zijn staart heftig in beweging is. Is hij dood of maakt hij zich tot tegenweer gereed? Op tien meters schiet Lejanne nogmaals: de kogel treft den kaiman in den buik. Hij stort zich in het water, dat hij in felle beroering brengt. Hij schijnt op ons af te komen, maar verdwijnt, slechts een weinig bloed achter latende.

6 November.--Gister viel niets voor, der vermelding waardig, uitgezonderd de verschijning van dolfijnen, die ik hier, bijna aan den voet van de Andes, niet had gedacht te zullen ontmoeten.

Heden morgen, bij het vertrek, viel een fijne regen, die overigens niet hinderlijk was. Ieder hield zich met het een of ander onledig: Lejanne maakte aanteekeningen; ik werkte aan mijne kaart. Het vlot drijft regelmatig met den niet te sterken stroom af; de rivier levert geen moeilijkheden op; wij kunnen ons gerust laten gaan. Onze bootslieden zijn bezig met het herstellen van de muskietenschermen, die natuurlijk op den tocht door de bosschen eenige schade hebben bekomen.

Omstreeks tien uur verstrooien zich de wolken, slechts aan de toppen der hooge boomen eenige nevelvlokken achterlatende, die weldra onder den invloed der zonnestralen verdampen.

Tegen twaalf uur laat Apatoe eensklaps een kreet hooren, die ons door merg en been dringt. Hij is verdwenen. Er is geen twijfel meer mogelijk: een kaiman heeft hem aangegrepen. Het rampzaligste is, dat wij buiten staat zijn, hem te hulp te komen. Huiverend, sprakeloos van ontzetting, staren wij elkander aan.

Eensklaps bespeur ik een hand, krampachtig vastgeklemd om eene liane, welke achter aan het vlot hangt. Ik grijp die hand en trek haar met alle kracht naar mij toe. Het hoofd van Apatoe verschijnt boven water. Zijne oogen zijn rood, en op zijn gelaat ligt de uitdrukking van onuitsprekelijken doodsangst. Met zwakke stem herhaalt hij het woord: Kaiman! Kaiman!--Geholpen door François, trek ik hem bij de schouders omhoog, terwijl hij zich met alle kracht vastklemt aan de balken van het vlot. De kaiman laat hem nog niet los. Hoe zal de ongelukkige er uitzien?

Lejanne, met zijn geweer in de hand, wacht het oogenblik af, dat ook het monster zelf verschijnt, om het dan een kogel toe te zenden en te noodzaken zijne prooi los te laten. Apatoe raakt eindelijk vrij, en het gulzige dier krijgt een schot juist toen het mijne pet, die in het water gevallen was, inslokte.

Wij kunnen nu onderzoeken, wat er met onzen makker is geschied. Hij heeft eene niet gevaarlijke wonde ontvangen aan de buitenzijde van het rechter been, even beneden de knie. Hij is aan een afschuwelijken dood ontsnapt, en heeft zijne redding slechts aan schijnbaar onbeteekenende omstandigheden te danken. Juist toen hij in het water viel, ontmoette zijne hand eene gebroken liane, die achter aan het vlot hing: instinktmatig, door de zucht naar zelfbehoud gedreven, vatte hij die aan en omklemde haar met alle kracht. Gelukkig had het monster hem slechts met de voortanden gegrepen en wel aan het minst vleezige gedeelte van het been. Had de kaiman wat verder doorgebeten, zoodat hij ook het scheenbeen met zijn kaken had gevat, dan ware geene menschelijke macht in staat geweest, onzen vriend te redden. Nu is de zaak niet zoo erg; onverwijld leg ik het eerste verband aan.

Wij zetten koers naar den rechteroever, waar wij bamboes zien; wij gaan aan land, en weldra heeft François met de lange stengels eene soort van leuning of borstwering rondom het vlot gemaakt, die ons tegen dergelijke verrassingen zal beveiligen en den tijd zal geven om ons tegen het gevaar te wapenen, wanneer de krokodillen de gewoonte mochten aannemen, ons aan te vallen.

Wij hervatten onzen tocht. De gewonde is niet in staat om te pagaaien. Lejanne en ik, wij komen overeen, beurtelings te roeien, als François onze hulp mocht behoeven.

Het verwondert ons zeer, nog geen Indianen te ontdekken. Indien zij zich hier in den omtrek ophielden, moest ons onophoudelijk schieten er toch eenigen naar den oever lokken. Wij leiden daaruit af, dat wij den mond van de Areare nog niet voorbij zijn, en dat wij dus ook den Raudal nog in het verschiet hebben. Dit laatste vooruitzicht is des te minder geruststellend, omdat onze schipper, tengevolge van zijne verwonding, half buiten gevecht is gesteld.

Des avonds vonden wij eene zeer geschikte plaats voor ons bivak. Het kost ons eenige moeite, onzen gewonde tegen den steilen oever naar boven te dragen; hij verzekert ons echter dat hij niet veel pijn heeft.--Het muskietenscherm van Lejanne is voor verreweg het grootste gedeelte vernield. Tegen twee uur in den morgen heeft hij nog geen oog geloken, evenmin als in de beide vorige nachten. Ik bied hem mijn hangmat aan, opdat hij een weinig zou kunnen rusten. Hij is lijdende en vermagerd.

9 November.--De kaimans laten ons sedert een paar dagen met rust. Zou dat de uitwerking zijn van onze broze borstwering? Sedert gisteren hebben wij een heuvelketen in het gezicht, volkomen gelijkende op die, door welke wij den tweeden November gevaren zijn. Voor mij is nu elke onzekerheid opgeheven: daar is de Raudal, en achter die heuvelen zullen wij den mond van de Areare vinden.

Heden middag, ten twee uren, bevinden wij ons voor den ingang van eene tweede engte, geheel gelijk aan de eerste, Ditmaal voorzichtiger, door de ervaring geleerd, hebben wij den linkeroever gehouden, zoodat wij aan wal kunnen gaan om den toestand te overzien. De ingang is smal en vormt eene scherpe bocht, die eenige moeilijkheid zal opleveren. Verder op, is de vaart breeder; er zijn verschillende kolken en wielingen, maar wij kunnen geen eigenlijken val ontdekken. Intusschen overzien wij slechts een klein gedeelte van dit lange kanaal, doch dat gedeelte levert geene bijzondere bezwaren op.

Op ons gelukkig gesternte vertrouwende, gaan wij vol moed het onbekende tegen. Bij den ingang der bocht worden wij door eene draaikolk aangegrepen. Het vlot schiet pijlsnel vooruit, naar den oever toe, en keert dan even snel terug: deze beweging herhaalt zich tot driemaal. Bij den derden draai zijn wij buiten de wieling; wij varen door de bocht en bevinden ons nu midden in den feilen stroom. De gemiddelde breedte van het kanaal is tusschen de veertig en vijftig meters. De rotswanden ter wederzijde bestaan ook hier uit lagen zandsteen, waarvan de onderste glimmend zwart zijn. Het water heeft allengs die zwarte steenblokken afgeschaafd, uitgehold, laat ik mogen zeggen gebeeldhouwd. Wij zien, tot onze uiterste verbazing, gansche rijen van wonderlijke figuren boven elkander, die aan chineesche of indische afgodsbeelden doen denken, en zoo als zij daar staan, een allerzonderlijksten indruk maken. Wij zijn een en al bewondering en vergeten voor een oogenblik ons vlot, dat weer door een draaikolk aangegrepen, naar eene overhangende rots wordt gevoerd, toen Apatoe, die, ondanks de pijn van zijne wonde, in deze omstandigheden de leiding van ons vaartuig heeft op zich genomen, ons nogmaals redde, door de roeispaan zoo krachtig tegen de rots te duwen, dat het hout in zijne hand brak. Zonder hem zouden wij verpletterd of verdronken zijn.

Na den Raudal zonder verderen hinder te zijn doorgekomen, gaan wij aan den rechteroever aan land, waar wij eene uitstekende plaats vinden voor ons kamp. Hoewel het nog klaar dag is, besluiten wij hier te blijven om te overnachten.--Goddank! wij zullen weldra menschen ontmoeten. Wij zien de overblijfselen van een vuur, met drie regelmatige steenen, waartusschen verkoolde stukken hout. Sommige boomen vertoonen de versche sporen van bijlslagen. De Indianen zijn niet verre.

Lejanne vuurt tot tweemaal toe zijn geweer af, om hen van onze nabijheid te verwittigen; daarop volgt hij de half uitgedroogde bedding eener beek, hopende eenig wild te zullen vinden. Deze beek vloeit over eene bedding van kalen zandsteen, waar hier en daar kommen of plassen zijn overgebleven, wemelende van kleine vischjes; zoo hij een mand of korf bij zich had, zou hij ze bij menigte hebben kunnen vangen. Nu keert hij zonder wild en zonder visch terug. Het is toch eigenlijk al te dwaas, dat men in eene zoo wildrijke streek evenwel gebrek aan versch vleesch kan hebben. Alle jagers hebben echter hun ongeluksdagen, waarop zij platzak huiswaarts komen. Misschien hebben onze schoten de dieren op de vlucht gejaagd.

De avond is gedaald. Wij hebben nog geen bezoek van Indianen ontvangen, maar wij brengen een heerlijken nacht door, zonder door muskieten gekweld te worden.

10 November.--Nadat wij in den morgen eenige waarnemingen gedaan en andere werkzaamheden verricht hadden, gingen wij weder op weg. Omstreeks vijf uur in den namiddag bespeurden wij een aantal couicouis op een boom langs den oever. Lejanne wil ons een dezer vogels bezorgen. Wij gaan dus aan land: het wordt ook tijd om ons kamp op te slaan. Ik ga vuur aanmaken; François is een zeer middelmatig schutter; Apatoe kan niet loopen; Lejanne moet dus voor ons diner zorgen. Hij gaat naar den boom, waarop wij ons wildbraad hebben zien zitten. Een oogenblik daarna hoor ik een schot en tevens het geroep: François! François! Het verwondert mij, dat Lejanne hulp noodig heeft om een couicoui te dragen. Maar hoe groot is mijne verbazing, toen zij beiden met een pecari komen aanslepen. De pecaris leven doorgaans in meer of minder groote troepen of kudden; zij verraden hunne tegenwoorheid door hun geknor en het geknars met hunne slagtanden; ook verspreiden zij eene sterke muskuslucht: Niets van dat alles heeft ons hier getroffen. Het dier, dat Lejanne geschoten heeft, was vermoedelijk van de kudde afgedwaald en liep nu zijne makkers te zoeken; zijn dood redde het leven van een couicoui. Deze wijziging in het menu is mij in het minst niet onaangenaam.--Wij maakten ons gereed, het varken te ontleden, toen Lejanne, wien het koude zweet uitbrak, in zwijm viel. Ik begin mij ongerust over hem te maken. Het is hoog tijd, dat wij de Indianen aantreffen en wat rust nemen.

VI

11 November.--Omstreeks elf uren varen wij langs de monding van eene vrij aanzienlijke rivier, die zich aan den linkeroever in de Goyabero uitstort. Ditmaal is het inderdaad de Areare, die van San-Juan de los Llaños afdaalt en door het dorp San-Martino vloeit. Eenige kooplieden van dit dorp zijn handel komen drijven met de Mitoeas-Indianen, die aan de uitmonding van de Areare wonen. Andere kooplieden uit San-Fernando de Atabapo hebben eens of tweemaal de Guaviare en de Areare opgevaren tot aan San-Martino.

In zestien dagen hebben wij nu een afstand afgelegd van honderd-vijf-en-twintig mijlen door een geheel onbewoond land, waar nog nimmer, voor zoover bekend, een menschelijk wezen den voet had gezet, en waar zeer waarschijnlijk ook niet spoedig iemand ons spoor zal volgen.

Weldra bespeuren wij achter ons, naar den kant van de Areare, een zwaren rook, die in koperkleurige wolken omhoog stijgt. Daar bevinden zich Indianen, die het hooge gras eener savane of een gedeelte van het woud in brand hebben gestoken, om ruimte te krijgen voor een dorp.

Omstreeks een uur zien wij acht palen, in twee rijen in den grond gestoken, en die blijkbaar hebben gediend om hangmatten aan te bevestigen. Dicht in de nabijheid staan nog andere palen. Even daarna maakt de rivier eene kromming.

"Eene hut!" roept François.

Het is inderdaad zoo; wij naderen eene groote savane, waar de rivier midden door loopt. Een weinig achterwaarts van den hoogen steilen oever staat eene hut, die veel overeenkomst heeft met een breeden lagen hooiberg. Eer wij aan dit hooge weiland komen, moeten wij nog een kilometer ver langs het bosch varen.

"Roode kinderen!" roept François voor de tweede maal.

En ook nu is het waar. Op omgevallen of gestrande boomstammen zitten eenige kinderen, in verschillende houdingen neergehurkt, het hoofd een weinig voorover gebogen, en ons met vreesachtige en wantrouwende blikken gadeslaande. Vlak daarbij zien wij twee Indianen, staande in hunne prauw, met hun boog en pijlen in de hand. Wij binden een hemd aan een stok en wuiven met die geïmproviseerde parlementaire vlag. Tevens laat ik Apatoe, bij wijze van begroeting, eenige schoten met los kruit doen. Dit schieten moest den Indianen aan het verstand brengen, dat wij als vrienden in hun midden verschijnen: vijanden zouden immers niet op deze wijze kennis geven van hunne komst. Tevens kunnen zij bemerken dat wij goed gewapend zijn en dat het dus een roekeloos ondernemen zou wezen, ons kwalijk te bejegenen. Ook deze wetenschap kan geen kwaad.

Dit gedaan zijnde, sturen wij naar hen toe. Naarmate wij dichter bij komen, verlaten zij hunne stelling en klauteren tegen den vrij steilen oever omhoog. Ik steek mijn revolver in mijn gordel en trek een vest aan om het wapen te verbergen. Lejanne neemt zijn patroontasch en doet twee patronen op zijn geweer. Eindelijk komen wij aan den oever. Ik gelast François en Apatoe goed op het vlot te passen, terwijl wij beiden, Lejanne en ik, op verkenning zullen uitgaan naar het dorp.

Wij weten nog niet hoe wij ontvangen zullen worden, maar toch zijn wij zeer gelukkig eindelijk weer eens menschen te ontmoeten. Onze Indianen staan op den oever, dien wij vlug beklimmen. Zij gelijken op alle Indianen, die ik tot dusver gezien heb. Wij zien voor ons drie mannen van vijf-en-twintig à dertig jaar, een jongeling van zeventien of achttien jaar, en een meer bejaard man, die de vijftig achter den rug schijnt te hebben. Er is hier een kleine open plek in het woud; ter linkerhand staat een soort van afdak of hut van palmbladen; voor ons begint het pad, dat naar de savane voert. Wij onderscheiden daar eenige vrouwen, die manden vol visch dragen en zich haastig verwijderen. Midden op de open ruimte staan eenige kinderen, die, gedreven door nieuwsgierigheid en weerhouden door vrees, eerst zich achter hun vaders schijnen te willen verschuilen, maar die eindelijk, schuwe blikken achterwaarts werpende, zoo hard zij kunnen hunne moeders naloopen.

Met uitgestoken hand treed ik op den oudsten der Indianen toe. Hij draagt een koord om den hals, waaraan vier hoektanden van een jaguar zijn bevestigd. Daar alleen de aanzienlijken--althans bij de mannen--de gewoonte hebben, halssnoeren te dragen, maak ik daaruit op, dat ik een dorpshoofd voor mij heb. Hij is iemand van ter nauwernood middelbare gestalte, met een zeer breede borst, een vooruitstekenden buik en magere beenen. Zijn aangezicht is rond en met rocou besmeerd; zijne ietwat rossige, zeer levendige oogen staan een weinig schuin; de wangbeenderen steken vooruit.

Onderstellende dat deze Mitoeas-Indianen misschien de Areare zijn opgevaren tot San-Martino, en dat zij wellicht eenige woorden spaansch verstaan, spreek ik den hoofdman toe met een "Buenas dies, señor capitan"; daarbij, volgens gebruik, luidkeels lachende. Hij drukt mij de hand en lacht op zijne beurt. Lejanne geeft hem ook de hand, terwijl ik met de andere mannen, onder luid geschater, handdrukken wissel. Een hunner verstaat enkele woorden spaansch en zal ons bij zijne makkers tot tolk dienen. Wij geven hem te kennen, dat wij hunne hutten wenschen te bezoeken en bij hen een poosje willen uitrusten. Wij begeven ons op weg en slaan, voorafgegaan door onze Indianen, het pad in, dat dwars door een stuk bosch, naar de savane voert. Het pad is vrij breed, effen en ter wederzijde door laag hout en heesters omzoomd, waarachter zich het hoog geboomte verheft. Op de vlakte gekomen, zien wij drie hutten op onderlingen afstand van vijf- tot omstreeks achthonderd el geplaatst.

Wij richten onze schreden naar de naaste hut. In het gras langs het pad liggen een aantal verkalkte schilden van schildpadden. Groote honden, gestreept als tijgers, met rechtopstaande ooren en lange snuit, beginnen bij onze nadering uit alle macht te blaffen. Zij schijnen stellig van plan, een aanval op onze beenen te doen; maar zij ontvangen van hunne meesters eene kastijding, die hen doet besluiten--zij het ook onwillig--eene meer vreedzame houding aan te nemen. Een haan en een paar kippen loopen te pikken in de nabijheid der hut, die, uit de verte gezien, heel veel weg heeft van een groote bijenkorf. Naderbij gekomen, zie ik dat zij bestaat uit latwerk, met palmbladen gedekt. Twee rijen houten palen, in de hut geplaatst, zijn onderling met lianen verbonden. Aan elke zijde is in den wand eene opening, die met een deur van palmbladen kan worden gesloten. Ook in het dak is eene opening gelaten, waardoor het licht binnendringt en de rook een uitweg vindt.

Bij het binnentreden der hut kunnen wij, door de heerschende duisternis, eerst niets onderscheiden. Als wij eenigszins aan de schemering gewend zijn, bespeuren wij vier vrouwen, die op den grond zijn neergehurkt. Op nieuw worden, onder luid gelach, handdrukken gewisseld. De kinderen huilen van schrik; wij tikken hun vriendelijk op den wang, hetgeen ze een weinig tot bedaren brengt.

Met behulp van onzen tolk geef ik aan de Indianen te kennen, dat ik gaarne mondbehoeften van hen koopen wil: bananen, cassave, visch, alles, in een woord, wat zij ons leveren kunnen. Bovendien zou ik gaarne eene prauw koopen en twee mannen huren om met ons te gaan tot het naaste dorp, nadat wij eerst een weinig bij hen gerust hebben.

Ik deel hun tevens mede, dat Apatoe door een kaiman gewond is, en dat het wenschelijk ware, indien een hunner hem helpen wilde om naar het dorp te komen. Een ander kan François behulpzaam zijn, om onze bagage, die van het water te lijden heeft gehad, op den oever te brengen, ten einde ze te laten drogen. Inmiddels deel ik eenige kleine geschenken onder hen uit: vischhaken, scharen, messen, naalden, als belooning voor deze kleine diensten. Zij schijnen zeer in hun schik en behandelen ons vriendelijk.

Lejanne merkt op, dat hij eene vrij sterke gelijkenis vindt tusschen deze Indianen en de inwoners van Indo-China; hunne oogen staan minder schuin en hun neus steekt meer vooruit. Maar overigens, hebben zij dezelfde gestalte, dezelfde bruingele kleur als de Annamiet, die met ontbloot bovenlijf op de rijstvelden arbeidt. Beiden hebben zwaar, zacht, zwart hair met een rosachtigen weerschijn; uitstekende wangbeenderen, eene breede borst, magere en ietwat gekromde beenen; de groote teen staat geheel afgezonderd van de andere, die kort en rond zijn. Doorgaans hebben deze Indianen donker rosachtige oogen. De mannen knippen hun hair op het voorhoofd af, tot omstreeks een vinger boven de wenkbrauwen; ter zijde en van achteren laten zij het langer groeien. Hunne kleeding bestaat uit de _calimbé_, een lap katoen, eertijds wit van kleur, die aan een om de heupen geknoopt koord is vastgemaakt en tusschen de beenen doorgaat, om vervolgens, van voren en van achteren, tot even over de knieën af te hangen. Verder dragen zij boven de kuiten en aan de enkels een soort van banden of ringen van palmbladen. Een dergelijk blad wordt ook als krans om het hoofd gewonden. Om den hals dragen zij snoeren van zwarte zaadkorrels, afgewisseld door blauwe en roode glaskoralen.

De mannen hebben iets fiers en statigs in houding en gang; maar de vrouwen hebben zulk een voorkomen van bestialiteit en een zoo onbevalligen, waggelenden, slependen gang, dat zij inderdaad afschuwelijk mogen genoemd worden. Misschien is dit een gevolg van den zwaren arbeid, waartoe zij sinds hare jeugd veroordeeld zijn. Drie der hier aanwezige vrouwen, hoewel nog jong, zijn geheel verwelkt en afgeleefd. Haar hair is langer dan dat der mannen; zij maken eene soort van scheiding, maar gebruiken nimmer een kam. Hare kleeding bestaat uit een hemd, of liever een soort van zak, waarin gaten zijn gelaten om het hoofd en de armen door te steken. Dit kleedingstuk wordt door haar zelven gemaakt; het is vervaardigd van plantenvezels, die fijn gestampt en tot een soort van stijve watten gemaakt worden. Het spreekt van zelf, dat deze stof al zeer weinig plooibaar is en zich niet voegt naar de vormen van het lichaam. Zij dragen halssnoeren van glaskoralen.

Al de bewoners van het dorp vereenigen zich in onze hut: wij hebben dus al spoedig met iedereen kennis gemaakt. Bij ons binnentreden was de bodem der hut bezaaid met allerlei soorten van visch, waarvan enkelen een meter lang waren. Ik koop er eenigen, die Lejanne uitteekent, eer zij gekookt worden. Onze makkers zijn inmiddels ook aangekomen, en weldra smullen wij aan gekookte en gebakken visschen, welke de vrouwen voor ons hebben klaargemaakt. De Indianen, op den grond neergehurkt of op kleine, uitgeholde, zeer lage bankjes gezeten, vormen een kring rondom groote aarden potten, waaruit zij met de rechterhand stukken visch halen, die zij vervolgens met de linker naar den mond brengen.

Dan komt de beurt aan den gebakken visch. Van tijd tot tijd vullen zij een kalebas met water uit een aarden pot met een lange rechte tuit, niet onbevallig van vorm. Daar komt geen einde aan het maal. Hoopen visch verdwijnen in de magen der gasten en men gaat nog maar altijd met bakken voort.

Ik tracht van de aanwezige mannen eenige inlichtingen te bekomen. Voor zoo ver ik uit hunne verklaringen wijs kan worden, kennen zij San-Martino, maar niet San-Fernando. Benedenwaarts langs de rivier zullen wij eenige indiaansche pueblos vinden; om het naaste dorp te bereiken, hebben wij een dag varens noodig. Twee mannen zijn bereid ons tot daar te vergezellen, en zullen daarvoor ieder als belooning een hakmes ontvangen. De hoofdman zal ons eene prauw afstaan, in ruil voor een bijl en een lap katoen.

Geld is hier niet in zwang en wordt niet aangenomen; toch is het niet geheel onbekend, want om den hals van een jong meisje zie ik twee stukjes van vijftig centimes, een met het portret van Louis-Philippe en een met dat van Napoleon III. Hoe mogen die fransche geldstukjes hier verzeild zijn geraakt? Op die vraag is het niet mogelijk een antwoord te geven; maar zeker had ik niet verwacht, de beeltenissen van deze twee vorsten naast elkander te zien prijken op de borst van een indiaansch meisje in het hart der wouden van Zuid-Amerika.

Het meubilair van onze Indianen bestaat uit hangmatten, eenig aardewerk, eenige kleine, lage, holle bankjes, schilden van schildpadden, die als zetels dienen, drie bijlen en een hakmes; als wapenen hebben zij pijl en boog; zij gebruiken geen sarbacanen (blaaspijp) en bedienen zich ook niet van gif.

De avond is gedaald. De maan schijnt met volle pracht en helderen glans aan den wolkeloozen hemel. Er waait een zacht koeltje; de lucht is frisch en verkwikkend.