Reis door Nieuw-Grenada en Venezuela De Aarde en haar Volken, 1887
Chapter 3
Omstreeks vier uren komen wij aan een vlakken oever, waarop eenige dorre boomstammen liggen, die ons van het noodige hout kunnen voorzien voor ons vuur, van palen voor onze hangmatten en ook tevens zullen dienen om ons vlot aan vast te leggen. Het is ook hoog noodig, eenig wild te schieten, want sedert twee dagen eten wij, bij onze rijst, niets dan _corned beef_, waarmede wij zuinig moeten zijn. Wij houden stil. Lejanne gaat op jacht; als het hem gelukt een stuk wild te vellen, zullen wij versch vleesch hebben en tevens aas voor onze hengels.
Hij ziet op het zand de nog versche sporen van eene ree, die hij volgt tot aan het boschje, dat het open strand aan de landzijde begrenst. De hond is niet met hem gillen gaan. Hij treedt het boschje binnen, in de eene hand zijn geweer houdende, en met de andere zoo zacht mogelijk de takken verwijderende. Eensklaps voelt hij op zijne hand, waarmede hij het geweer vasthoudt, iets vochtigs en kouds: in de gedachte dat eene slang zijne hand heeft aangeraakt, laat hij onwillekeurig een uitroep hooren. Het was geen slang, maar de neus van Toutou, die ten slotte tot het besluit is gekomen om hem te volgen. Intusschen is de ree, door dien kreet verschrikt, opgesprongen en vlucht haastig door het kreupelhout. Hij wil nu den hond aansporen om het wild te vervolgen, maar Toutou kijkt hem verbaasd aan, en loopt zoo hard hij kan naar het vlot. Kort daarop doodt Lejanne een zwarten arend, dien de Bonis _pagani_ noemen. De ingewanden worden aan een haak bevestigd, die aan een stevig koord is vastgemaakt. François legt die lijn in het water, in de hoop dat wij den volgenden morgen daaraan een mapourito zullen vinden, een visch zonder schubben, en een eenigszins platten kop en zes vinnen. Wij allen vinden dien visch uitmuntend, behalve Apatou, die er een afschuw van heeft: vermoedelijk is dit een vooroordeel van zijn stam.
Den volgenden morgen ten acht uur hervatten wij den tocht. Een uur later zien wij aan den oever een troepje cabiais, die rustig zich aan het hooge gras te goed doen; het gezelschap bestaat uit vier personen, vader, moeder en twee jongen. De cabiai is een knaagdier, ongeveer zoo groot als een varken, maar minder langwerpig van lijf. Zijn hair is lang, zeer dik en bruinachtig grijs; zijne ooren zijn klein en rond; zijn staart is zeer kort. Het is een volkomen weerloos dier, dat niemand kwaad doet, en uitmuntend zwemt en duikt. Het blanke en vette vleesch is voor Apatou eene uitgezochte lekkernij. Lejanne mikt op een der jongen: het dier valt getroffen neer, maar tracht nog het water te bereiken; een tweede schot doodt hem voor goed. De drie anderen zijn aanstonds onder gedoken, en na verloop van eenige oogenblikken, zien wij hunne koppen aan den anderen oever boven het water uitsteken.
Wij spannen al onze krachten in om den oever te bereiken; het gelukt ons eerst tweehonderd ellen lager. François springt haastig aan wal, en bindt de lijn aan eenige jonge takken vast; maar door de hevigheid van den stroom breken de takken af, en worden wij medegevoerd, terwijl onze makker achter blijft. Eerst vijfhonderd el verder komen wij langs eenige struiken, die zich over de rivier heenbuigen en die wij uit alle macht aangrijpen. Eindelijk slaagt Apatou er in, de lijn vast te maken; maar het water stroomt over het vlot en maakt de bagage nat. De lijn is aan de voorzijde van het vlot vastgemaakt, en ik vrees dat de lianen daar zullen scheuren. Lejanne, die hetzelfde vreest, heeft zich naar achteren begeven, om eenige takken te grijpen, waaraan ook een touw kan worden bevestigd, om alzoo de spanning te verdeelen. Hij heeft zich achter de bagage neergezet, waartegen hij zijne voeten steunt om meer kracht te kunnen uitoefenen. Apatou, die aan land is gesprongen, hem niet langer ziende, denkt dat hij in het water gevallen is. In een oogwenk heeft hij de lijn losgegooid en is hij op het vlot gesprongen om hem te helpen. Als hij zijne vergissing bemerkt, is het reeds te laat: het vlot drijft weer met snelheid af, en eerst anderhalve kilometer verder kunnen wij voor goed stoppen. Links en rechts hebben wij zijtakken van de rivier achter ons gelaten, die ons van François scheiden. Deze doorleefde een bang oogenblik, toen hij met den gedooden cabiai terugkeerende, niets meer van het vlot bespeurde. Hij bevindt zich op een eiland; ten gevolge van den stroom kan hij alleen den linker oever bereiken; hij begeeft zich te water om daarheen te zwemmen, en loopt groot gevaar van te verdrinken. Hij bekomt een weinig van zijn schrik bij het zien van een hemd, dat Lejanne aan een stok bevestigd heeft, en waaruit hem blijkt, dat zijne makkers niet verre kunnen zijn. Intusschen is hij van ons gescheiden door twee zeer snelvlietende riviertakken; om weder bij ons te komen, schiet er niet anders over dan langs den oever te gaan tot hij benedenwaarts het punt bereikt, waar de ongedeelde rivier weder de geheele bedding vult. Wij zullen doen wat mogelijk is, om hem zoo dicht te naderen dat wij hem een lijn kunnen toewerpen. Het bedoelde punt is gelukkig niet meer dan twee- of driehonderd el verwijderd van de plaats waar wij ons bevinden. Wij wijzen het hem aan, zoo goed wij kunnen; en hij begeeft zich op weg, dwars door het ondoordringbaar kreupelhout langs den oever. Hij zal ons toeroepen en een teeken geven, zoodra hij ter bestemder plaatse is aangekomen. Daarmede zullen echter eenige uren van een uiterst vermoeienden marsch gemoeid zijn.
Met het oog op de beletselen, die wij voortdurend op onze vaart ondervinden, hebben wij al onze bagage, stevig vastgebonden, onder de tent laten bergen. Een enkel geweer is uitgezonderd, dat van Lejanne; de anderen zijn uit elkaar genomen en met onze cartouches geborgen in onze snuisterijenkist.
Daar wij den tijd hadden en de lucht helder was, deed ik eene meteorologische waarneming. Lejanne volgt aandachtig de bewegingen van François. Toutou zit bij mij; hij heeft zoo even, voor het eerst, geblaft. Het hoofd omwendende om mijn chronometer te raadplegen, zie ik een luipaard, die zich welbehagelijk in het heete zand wentelt, op ongeveer dertig meters afstands. "Lejanne, een tijger!" fluister ik hem toe. Lejanne neemt zijn geweer; hij heeft nog maar eene enkele cartouche, de anderen zijn in de kist en er is geen tijd meer om ze te gaan halen; hij gaat op het dier af: ik volg hem, gewapend met eene machete, terwijl Apatou zich van een grooten steen voorziet. Op tien el afstand, staat Lejanne stil: hij mikt op den schouder van het onvoorzichtige dier en geeft vuur. De luipaard maakt eene beweging om te springen, en valt daarna op zijde. Wij gaan voorzichtig verder: de luipaard, of liever de jaguar, is dood. Het is een mannetje, wiens tanden van ouderdom afgesleten zijn. De Indianen van Guyana noemen dit dier _macaraï_.
Omstreeks kwart over twaalven heeft François de plaats bereikt, die wij hem hebben aangewezen. Wij trachten met kracht van riemen den tegenovergestelden oever te bereiken, en hebben de lijn aan een zwaren steen vastgebonden. Apatou werpt den steen: bij ongeluk raakt de lijn los, en valt slechts de steen op den oever neer. Het is een kritiek oogenblik. François begeeft zich te water; hij heeft het geluk de riem te grijpen, die Apatou hem toesteekt, en is weldra met ons op het vlot, na eene scheiding van drie uren.
Een half uur later komen wij aan de monding eener niet onbelangrijke rivier, die zich hier in de Goyabero uitstort. Dit moet de Unilla zijn, wier wateren groenachtiger van kleur zijn dan die van de Goyabero. Volgens den barometer bevinden wij ons op eene hoogte van driehonderd-zeventig meters boven de zee. In zestien en een half uur zijn wij dus tweehonderd-tachtig el gedaald: men kan daarnaar de geweldige snelheid van den stroom afmeten.
Tweehonderd el beneden de uitmonding van de Unilla, vindt men aan den rechter oever van de rio eene kleine vlakte, waarvan de achtergrond door een boschje van bamboe wordt ingenomen, dat ons eene verkwikkelijke schaduw biedt. De stroom hier is veel minder snel. Wij hebben allen honger, en zijn recht in onzen schik dat wij aan de gevaren van dezen morgen zoo gelukkig zijn ontsnapt. Wij hebben allen grond om te verwachten, dat de grootste moeielijkheden nu overwonnen zijn, en dat de vaart voortaan minder bezwaar zal opleveren. Na op ons gemak en in zeer pleizierige stemming ontbeten te hebben, hervatten wij den tocht. Zoo als wij verwacht hadden, wordt de rivier kalmer. De beide oevers zijn met dichte, ondoordringbare wouden bedekt; reusachtige stammen scharen zich ter wederzijde in dichte gelederen, waarboven de palmen hunne gevederde kruinen verheffen. Honderde lianen slingeren zich om de takken en stammen dezer koningen van het woud en ontplooien tot hoog in den top haar bloemen en vruchten. Dorre boomstammen, wegstervende van ouderdom, verdwijnen onder een woud van woekerplanten. Tallooze papegaaien verbergen zich in het dichte gebladerte. Prachtige aras vliegen bij paren boven onze hoofden en laten haar wanluidend geschreeuw hooren. Met haar rood en blauw gevederte, haar langen staart, schitterende in het zonnelicht, herinneren zij eenigszins aan de verschijning eener komeet. Toucans schijnen ons te vervolgen met hun eigenaardig geluid, dat het best bij het keffen van een jongen hond is te vergelijken. Somwijlen beproeven zij het over de rivier te vliegen; en lettende op hun moeielijke en zware vlucht, begin ik te gelooven, wat Apatou zegt, dat zij dikwijls in de rivier vallen.
Omstreeks half vijf komen wij aan eene zandbank, waar wij den nacht zullen doorbrengen. Dit is eene oude bedding van de rivier; het zand heeft nog de indrukken bewaard van de schubben en nagels van een menigte kaaimans; ook de sporen van herten, van tapirs, van tallooze vogels zijn gemakkelijk te herkennen. Terwijl ik vuur aanleg, halen François en Apatou de hangmatten, de dekens en het keukengereedschap van het vlot. Lejanne neemt zijn geweer, en volgt de versche sporen van een tapir. Weldra hoor ik een schot, en even daarna keert onze vriend terug met een prachtigen eendvogel.
31 October.--De rivier is breed en diep, de stroom gematigd. Wij hebben ons bijna niet meer bezig te houden met het vlot, dat wij gerust met den stroom kunnen laten afdrijven. Op den linker oever zien wij eenige cabiais; zoodra wij aanleggen, verschuilen zij zich tusschen het hout. Apatou zet ze na; er vallen twee schoten; en François wordt geroepen om het wild te helpen vervoeren. De jager keert terug met een cabiai van middelbare grootte, die ongeveer dertig pond zal wegen.--Ook ontmoeten wij eenige kaimans, die evenwel in het minst geene vijandelijke gezindheid aan den dag leggen.
De zon is reeds vrij laag gedaald, en de hemel tooit zich met de rijke kleurenpracht van den avond, toen wij aan eene zandbank aanleggen, waar wij den nacht zullen doorbrengen. De cabiai is spoedig gevild; de kop en de ribben worden weggeworpen. Apatou laat de vier dijen boven het vuur drogen; en François bakt biefstuk van het vleesch van den buik. Terwijl wij ons maal nuttigen, hooren wij--noodlottig voorteeken!--het gegons van muskieten.
Wij strekken ons uit in onze hangmatten: de afschuwelijke insekten worden van oogenblik tot oogenblik talrijker. Wij zijn te loom om op te staan, maar wij kunnen geen oog toedoen. Eindelijk kunnen wij het niet langer uithouden: wij nemen een brandend stuk hout en begeven ons naar het vlot, waar wij de toevlucht nemen achter onze muskietenschermen en weldra rustig slapen.
1 November.--Des morgens ten half zeven zijn wij weer op weg. Voor ons strekt zich eene heuvelketen uit, wier omtrekken zich helder blauw afteekenen tegen het donkergroen van den oever: zij gelijken wel wallen met bosschen bedekt. Wij zijn niet ver van de heuvelreeks verwijderd, want wij kunnen duidelijk de begroeide plekken onderscheiden. De rivier maakt geweldige kronkelingen: wij houden den geheelen dag die heuvels in het gezicht, nu eens aan deze, dan weer aan die zijde. Zouden wij hier ook misschien de _randal_ hebben, die zich dicht bij de monding van de Areare bevindt en waarvan men ons gesproken heeft? Zoo ja, dan is het kritieke oogenblik gekomen, waarop wij al onzen moed zullen noodig hebben. Als wij maar iets wisten van de plaatselijke gesteldheid en van den aard van het gevaar dat ons dreigt. Maar zullen wij vooraf niet nog andere hinderpalen ontmoeten? Niemand kan het ons zeggen, want wij volgen een door niemand betreden weg. Mijne reisgezellen zijn vol moed, even als ik zelf, en vast besloten om het gevaar, wat het dan ook wezen moge, kalm onder de oogen te zien. Toch schijnt de Goyabero nu eene fatsoenlijke, bezadigde rivier, die met de dolle kuren en buitensporigheden harer ontstuimige jeugd heeft afgerekend. Zij vloeit rustig in haar bedding voort en de stroom is niet buitengewoon sterk. Maar het spreekwoord zegt niet zonder recht: Stille waters hebben diepe gronden.
IV
2 November.--Op den oever grazen een menigte cabiais, die hier en daar zelfs de rivier overzwemmen, zonder bij onze nadering eenige vrees te laten blijken. De kalme gerustheid van bijna alle dieren, welke wij ontmoeten, bewijst dat de mensch in deze streken nog eene onbekende verschijning is.
Omstreeks elf uur komen wij aan eene stroomversnelling. De rivier is hier vierhonderd ellen breed; midden in den stroom ligt een zandbank, waarvan de hooge steile oever, dien wij dicht naderen, voortdurend afbrokkelt. Het verval is vrij sterk. Apatoe, die voor op het vlot staat, roept eensklaps François toe: "Geef acht! Pagaai uit al uw macht!". Wij komen aan de zandbank en gaan aan land. Het gelukt ons, niet zonder inspanning, het vlot aan de benedenpunt van de bank vast te meeren; daar kunnen wij zien, wat er eigenlijk gaande is. Voor ons, een weinig ter rechterhand, zien wij eene opeenstapeling van rotsen, een geweldigen rotsmuur, waarin slechts eene smalle bres of opening is gelaten, door welke de rivier zich schuimend en kokend een weg baant. De toestand is inderdaad ernstig genoeg. Het is niet mogelijk, met het vlot een der beide oevers te bereiken; lang voor wij zoo ver waren, zou de hevige stroom ons naar de bres hebben medegevoerd. Zullen wij onze bagage achterlaten? Er valt niet aan te denken: het doel van de reis zou zijn gemist, en wij zouden ellendig omkomen.
Het is volstrekt noodig, de gesteldheid nauwkeuriger op te nemen. Misschien is de pas minder gevaarlijk dan zij ons toeschijnt. Apatoe neemt zijne pagaai, die hem tevens tot steun dient en om de diepte te peilen; dan begeeft hij zich te water om den linkeroever te bereiken. Niet zonder angst volgen wij met onze blikken onzen braven kameraad op den gevaarlijken tocht.
Somwijlen reikt het water hem tot de schouders, en bekruipt ons de vrees dat hij zal worden medegesleept. Als hij van de been raakt, zal het hem vermoedelijk niet mogelijk zijn, aan den stroom weerstand te bieden. Ook denken wij onwillekeurig, en niet zonder huivering, aan de kaimans die zich in de rivier ophouden. Eindelijk heeft hij gelukkig den linkeroever bereikt, dien hij volgt tot aan de bres in den rotswand. Weldra keert hij langs denzelfden weg tot ons terug. Wat heeft hij gezien? Wij allen verkeeren in groote spanning.
Het is eene lange, smalle opening dwars door den rotsigen heuvel; naar het betrekkelijk weinige, dat Apatoe er van heeft kunnen zien, vat hij zijn indruk in een paar, niet zeer geruststellende woorden samen: "Dat zeer slecht; kan misschien door komen."
Wij zien elkander een oogenblik zwijgend aan. Ons besluit is genomen. In Gods naam, voorwaarts!
Binnen vijf minuten zijn wij aan den ingang van de bres. Het vlot schiet door de smalle opening. Over eene lengte van twee kilometers wisselt de breedte van twaalf tot omstreeks vijf-en-twintig ellen. Wij hebben aan weerszijde een veertig el hoogen rotswand, bestaande uit reusachtige lagen zandsteen, waarvan sommigen vooruitsteken. Uit de spleten tusschen de rotsen schieten overal heesters en struiken omhoog. Hier en daar sijpelt langs de steile wanden een dunne waterstraal naar beneden. Nu en dan steken half overdolven rotsen langs de oevers omhoog en drijven het schuimende en wielende water terug. Het is of de rivier toornt over deze belemmering van haar vrijheid: brullend, kokend, wervelend, in ijlende vaart stormt zij voort. Nu eens glijden wij over den top der verdronken rotsen, om dan plotseling een meter te dalen. Op zeker oogenblik worden wij met onweerstaanbaar geweld heengevoerd naar eene vooruitstekende rots, die zich nauwelijks vijftig duim boven het water verheft. Het is gedaan: al wat zich op het vlot bevindt, zal zoo straks verpletterd of weggevaagd worden; de wervelende draaikolk zal ons allen in een oogwenk verslinden. Maar Apatoe, die nooit zijne koelbloedigheid verliest, heeft het gevaar reeds overzien. Met bovenmenschelijke inspanning duwt hij, met behulp van een ijzeren stang het vlot in den stroom terug. Wij zijn gered.
Nu gaat verder alles goed. Bij den uitgang der bres verbreedt de rivier zich weer en wordt de stroom weer kalmer. Weldra bespeuren wij aan den rechteroever een frisschen waterval en een breede bank van zandsteen. Wij haasten ons, aan land te gaan; wij hebben er behoefte aan, eens even uit te rusten, en ons te verkwikken aan den aanblik der schoone weelderige natuur rondom ons. Wij verheugen ons van heeler harte, dat wij zoo gelukkig aan het dreigende gevaar ontsnapt zijn; en wenschen ons zelven geluk met het kloeke besluit om den doortocht te wagen, en niet, met achterlating van het vlot en beladen met onze bagage, te beproeven om over de rotsen te klimmen. En wie weet, misschien is dit wel de Raudal, waarvan men ons gesproken heeft; zoo ja, dan zullen wij weldra de Areare bereiken en Indianen ontmoeten, naar wier kennismaking Lejanne, die ze nog nooit gezien heeft, zeer verlangt.
Na ontbeten te hebben, gaan wij weder scheep. Getrouw aan zijne ongelukkige gewoonte, heeft Toutou zich weer in het kreupelhout verscholen. Wij jagen hem langen tijd na zonder hem te kunnen inhalen. Hij zal de prooi worden van een jaguar of van honger sterven. Nauwelijks zijn wij honderd el van den oever verwijderd, of Toutou verschijnt en staat aan den waterkant te huilen. Het is te laat. Een goede hond zou ons nazwemmen: Toutou gaat niet te water en blijft achter.
Wij komen zonder hinder over een tweeden val, die wel veel beweging maakt, maar niet gevaarlijk is. Even daarna nadert een reusachtige kaiman zoo dicht tot het vlot, dat Apatoe hem met de pagaai een geweldigen slag op den kop toebrengt, die hem doet afdeinzen. Weldra bespeuren wij nog andere kaimans; hun aantal neemt steeds toe. Wij varen dicht langs eene zandbank, waar drie of vier dezer monsters zich in de zon liggen te koesteren. Zij gaan te water en een van hen zwemt naar het vlot. Apatoe wil hem een poets spelen. Zijne bedoeling is, den kaiman zoo dicht mogelijk in de nabijheid te lokken, en hem dan met een ijzeren staaf de hersenen in te slaan: te dien einde laat hij zeker eigenaardig geluid hooren, waarmede de Roecoeyenne-Indianen gewoon zijn, de krokodillen te lokken.
De kaiman zwemt uitmuntend; zijn kop alleen, met wezenloos starende oogen, steekt half boven het water uit. Op vijftien pas afstands duikt hij.
"Let op!" roept Apatoe ons toe.
Ieder verwacht het monster aan zijn kant. Eensklaps vertoont zich zijn snuit vlak bij Lejanne, die haastig terug wijkt en aldus aan een vreeselijk gevaar ontsnapt; want op het eigen oogenblik beurt de kaiman zijn geweldigen kop en een deel van zijn lichaam uit het water: vlak voor het gelaat van onzen vriend, slaat hij met een luiden slag zijn geduchte kaken op elkaar. Ik geef Apatoe den raad, zich voortaan liever van dergelijke grappen te onthouden.
Inmiddels is de lucht betrokken. Welhaast klieven eenige bliksemstralen de zwarte wolken; de donder ratelt, en de regen valt bij stroomen neder. Wij verdragen deze beproeving met wijsgeerige kalmte en laten het vlot zijn weg volgen. Eindelijk vinden wij eene geschikte plaats, waar wij vuur kunnen maken en onze hangmatten ophangen, ter halver hoogte van een steilen oever.
De vermoeienissen en emoties van dien dag hebben ons uitgeput. Wij vallen weldra in een zwaren, diepen slaap. Den volgenden morgen bemerken wij dat wij ons bivak hebben opgeslagen op den weg van een zwerm maniokmieren. Dit zijn vrij groote roode mieren, welke steeds vergezeld zijn van andere zwarte mieren, die nog veel grooter en met zeer scherpe en sterke kaken gewapend zijn. Deze vriendelijke diertjes hebben in onze bagage eene aardige verwoesting aangericht. Zij hebben de klep van mijn pet, mijn tabakszak en het garnituur van mijn hoed weggevreten, en bovendien de helft van het muskietenscherm van Lejanne.
3 November.--Den geheelen dag zien wij caoutchoucboomen in groote menigte, en niet minder guarumos, wier blanke, licht paars getinte stammen overal den oever omzoomen. De breede, van onderen zilverachtig gekleurde bladeren dwarrelen naar beneden in de rivier en veroorzaken kleine knalletjes, die de indrukwekkende stilte van het middaguur breken. Deze stilte is inderdaad aangrijpend. Alles schijnt in diepen slaap gedompeld; men hoort geen enkel geluid: de vogels zwijgen; de wind is gaan liggen; de rivier is glad en effen als een spiegel. De weinige woorden, die wij met elkander wisselen, de zachte riemslagen met de pagaai, worden door de echoos van het woud met zeldzame kracht weerkaatst en herhaald.
Slechts des morgens en des avonds ontwaken de dieren uit hunne verdooving en komen in beweging: de papegaaien, de toucans en aras maken dan spektakel genoeg. Enkele cabiais laten een vreemdsoortig geluid hooren, dat eenigszins overeenkomt met zeer luid niezen en dat ons in den beginne steeds in lachen deed uitbarsten.
Aan den linkeroever zien wij den mond eener rivier. Zou dat de Areare zijn? Later bleek mij, dat het de Duda was, wier vermogen door het opnemen van verschillende stroompjes en beken belangrijk was versterkt.
Gedurende dezen dag werden wij tot drie malen toe door kaimans verontrust, die naar ons vlot zwommen. Hunne oogen en hun snuit teekenden zich helder af op het door het lommer der boomen donker gekleurde water, zoodat wij zeer gemakkelijk hun spoor konden volgen. De eerste naderde tot op vijftien pas afstands en keerde toen terug. Een tweede, even dicht genaderd, dook onder en verscheen een oogenblik daarna, vlak naast het vlot, boven water. Lejanne en Apatoe zonden ieder een kogel op hem af. Hij duikt onder en verschijnt weer op vijftig pas afstands. Waarschijnlijk hebben onze makkers wat overhaast geschoten. In ieder geval is de kaiman bang geworden, want hij laat ons verder met vrede.
De laatste eindelijk zwemt zonder aarzeling naar ons toe, tot Lejanne hem, op twintig pas afstands, met een kogel tegenhoudt. Het schot was raak, want wij zien hem niet weder.
Tegen den avond barst een onweer los. Het regent nog hard, als wij ophouden om ons kamp voor den nacht in gereedheid te brengen. De plaats voor ons bivak is uitmuntend. De oever is steil, maar dikke lianen zenden haar sterke stengels tot aan den rand van het water uit, en verschaffen ons zoo de gelegenheid, naar boven te klimmen. Hooge, eeuwenoude boomen spreiden hun dicht gebladerte over ons uit als een beschermend gewelf, waaronder wij ons ter ruste vlijen.
V
4 November.--De caoutchoucboomen zijn eensklaps verdwenen: nadat wij ze gisteren in zoo grooten getale hadden ontmoet, zien wij er nu--vreemd genoeg--geen enkelen meer.
Den geheelen dag moeten wij oorlog voeren tegen de kaimans. Wij schieten op hen op dertig pas: geen wonder dat zij eerbied krijgen voor onze kogels. Nu en dan zien wij reusachtige monsters zich op de zandbanken welbehagelijk koesterende in de brandende zon. Wanneer de stroom ons naar die zandbanken voert, dan gaan de geduchte gasten te water en zwemmen naar ons vlot, soms allen te gelijk, soms ook slechts een of twee.