Reis door Nieuw-Grenada en Venezuela De Aarde en haar Volken, 1887

Chapter 2

Chapter 23,915 wordsPublic domain

Den vier-en-twintigsten September komen wij op de hoogte van Natagaima, waar wij hout innemen. Overigens heeft de boot hier noch reizigers, noch goederen op te nemen of af te zetten, zoodat wij onze vaart vervolgen naar Aipé, het voorlaatste station van eenige beteekenis. Wij hadden geene gelegenheid om het dorp te bezoeken, dat op eenigen afstand van de rivier ligt, aan den voet van een steilen berg, de piek van Pacandé, die op grooten afstand langs de rivier zichtbaar is.--De vaart wordt uitermate bezwaarlijk; elk oogenblik raken wij aan den grond. Wij maken gebruik van den minsten was, om eenige kilometers vooruit te komen, en telkens stuiten wij op nieuwe hinderpalen, hetzij rotsen, die de bedding versperren, hetzij stroomversnellingen.

Te Aipé, waar wij den derden October aankomen, huren wij muilezels en begeven wij ons over land naar Neiva, een afstand van zestig kilometers. De weg is een zeer oneffen, moeielijk pad, dat onophoudelijk rijst en daalt. Onze bagage volgt in eene prauw, onder opzicht van onzen bediende Apatou. Ten tien uren des avonds komen wij te Neiva.

Wie eene stad van Columbia heeft gezien,--met uitzondering van de hoofdstad, waarvan ik niets zeggen kan,--kent al de andere. Het eenige verschil bestaat in de meerdere of mindere oneffenheid van den grond en in den meerderen of minderen welstand der woningen. De vorm der huizen en der openbare gebouwen is steeds dezelfde. Eigenlijk zien allen er even ellendig uit, en missen gelijkelijk alles wat, uit een historisch of uit een artistiek oogpunt, eenig belang zou kunnen inboezemen.--De bevolking van Neiva bedraagt tusschen de drie- en vierduizend zielen. Melaatschheid is hier zeer algemeen, en kropgezwellen komen zoo veelvuldig voor, dat het schijnt als of de meerderheid der inwoners door die afschuwelijke ziekte is aangetast. Naar het mij voorkomt, zijn de vrouwen daaraan meer onderhevig dan de mannen.--De stad en het omliggende land is zeer arm, hoewel er eene groote menigte panamahoeden worden vervaardigd en in den handel gebracht.

De Magdalena heeft voor de stad eene breedte van honderd-negen-en-twintig el en eene gemiddelde diepte van drie el; de gemiddelde snelheid van den stroom bedraagt twee el honderd-vijf-en-vijftig streep. Neiva ligt vijfhonderd-zes-en-vijftig el boven de zee.

De gouverneur van Neiva raadt mij af, om de bronnen van de rio Uaupes te gaan opsporen. Naar zijn zeggen, liggen die bronnen op grooten afstand van de Andes, en zijn zij bij de Indianen onbekend. Ik weet dat de vaart op deze rio, ten gevolge van de watervallen, zeer moeielijk is en dat de rivier voor een deel is onderzocht; maar de Goyabero of Guaviare is nog nimmer onderzocht. Te Columbia zal men ons omtrent deze rivier nadere inlichtingen kunnen geven: wij moeten dus naar Columbia gaan.

Den zesden October, des morgens te elf uren, vertrekken wij van Neiva. Het is reeds donker als wij te Union aankomen; onze arrieros brengen ons naar hutten, waar wij een onderkomen vinden voor den nacht.

Den volgenden morgen trekken wij het gebergte in; wij volgen steenachtige, ongebaande paden, die onze arrieros met den weidschen titel van _cumineos reales_, koninklijke wegen, aanduidden. Wij moeten ons een weg banen door zware bosschen, waar de boomen zoo dicht op elkander staan, dat onze kleederen aan de takken blijven haken. Voortdurend zitten wij voorovergebogen op onze zadels, of wel richten wij ons op in de stijgbeugels, om bij het afdalen langs loodrechte hellingen ons evenwicht niet te verliezen. Na een rit van elf uren, komen wij ten zeven uren des avonds te Las Aminas, eene boerderij toebehoorende aan den generaal Lucio Restrepo, directeur van de exploitatie-maatschappij van Colombia, voor wien wij een aanbevelingsbrief bij ons hebben. De generaal heeft op deze boerderij omstreeks vijfhonderd prachtige runderen.

Hij geeft last om voor onze muildieren te zorgen en een maaltijd voor ons gereed te maken; vervolgens neemt hij kennis van onzen brief. De generaal is een man van tusschen de vijf-en-dertig en veertig jaren, met een zeer innemend voorkomen. Nadat wij hem met ons voornemen hadden bekend gemaakt, verklaart hij zich bereid om ons naar vermogen behulpzaam te zijn. Hij stelt ons voor, den nacht bij hem door te brengen en den volgenden dag naar Colombia te gaan.

Den volgenden morgen ten zeven uren zijn wij dus op weg naar Colombia, steeds langs steile en moeielijke paden. Omstreeks twee uren in den namiddag krijgen wij het dorp in het gezicht, waarvan de woningen verspreid liggen op een soort van plateau, dat ongeveer tien el boven de rivier ligt. Met uitzondering van het huis, waarin het kantoor van de maatschappij is gevestigd en de woning van den directeur, zien alle overige hutten er even armoedig uit; gelukkig is het er zindelijk. Leemen, wit gepleisterde muren dragen het rieten dak, dat vooruitsteekt en eene soort van veranda vormt, die op eenige palen rust. Alle woningen zijn naar hetzelfde model gebouwd. De inwoners zijn allen in dienst van de maatschappij; zij zijn sterk en krachtig en zien er veel gezonder uit dan de bewoners van de Magdalena-vallei.

Colombia ligt zevenhonderd-tachtig el boven de zee; onweders, met hevige stormen gepaard, komen hier veelvuldig voor.

Don Lucio komt ons den volgenden dag bezoeken. Hij zegt dat wij langs twee wegen de Goyabero (Guaviare) kunnen bereiken: vooreerst kunnen wij de Areare afzakken, een van de zijrivieren van de Guaviare, die te San-Juan de los Llanos ontspringt. Wij hebben zes dagen noodig om deze rivier te bereiken, en nog vijf om aan hare uitmonding in de Guaviare te komen. Deze laatste rivier is nog door niemand bevaren; wij kunnen haar in drie dagen bereiken. Verdere inlichtingen kan men ons niet geven. Don Lucio weet alleen, dat zich even voor de samenvloeiing van de Goyabero met de Areare, een _raudal_, een gevaarlijke plaats, bevindt, waaromtrent hij ons echter geene verdere bijzonderheden kan mededeelen. Wij hebben dus tusschen twee wegen te kiezen, waarvan de een betrekkelijk gemakkelijk, de andere volslagen onbekend is: zonder aarzelen kiezen wij den laatsten.

Wij zullen de Goyabero afzakken, en als wij slagen in onze onderneming, zullen wij aan deze rivier den naam geven van rio de Lesseps, ter eere van onzen doorluchtigen landgenoot, wiens aanbeveling ons alle deuren heeft geopend in Columbia, waar zijn naam even bekend is als die van den bevrijder Bolivar.

Wij moeten ons nu bezig houden met de toebereidselen voor onze reis. Don Lucio bewijst ons een wezenlijken dienst, door ons muilezels en zadels te bezorgen, benevens de peons of drijvers, die wij noodig hebben. Zonder zijne tusschenkomst zouden wij er waarschijnlijk niet in zijn geslaagd, muildieren te krijgen om over de Andes te trekken. De wegen zijn bij uitnemendheid slecht, en men is niet zeer bereid om de dieren af te staan voor een tocht, die hen voor goed kan bederven. De generaal zendt ook boodschappers vooruit om als het ware kwartier voor ons te maken. Te Duda zullen wij levensmiddelen vinden en mannen, die ons den weg zullen wijzen van Yavia tot de Goyabero.

Tegen den middag van den twaalfden October bezorgt men ons acht muildieren, waarvan vier bestemd zijn om door ons en onze bedienden bereden te worden, en vier de bagage moeten dragen. De twee péons, die bij de muildieren behooren, dragen aan hun lederen gordel een machete, een soort van hakmes of bijl, en een cuchillo, een dolkmes. Een uur later begeven wij ons op weg naar Totuma, waar wij zullen overnachten.

Den volgenden morgen hervatten wij den tocht. Eene vrij bouwvallige brug voert ons over de rio Blanco, en wij trekken het gebergte in. Welk eene prachtige natuur, welk een rijkdom van planten van allerlei soort, van reusachtige boomen, van struiken en heesters, van orchideeën, bromeliaceeën, lianen, varens; welk een schat van bloemen en weelde van vormen. Bij de heerlijkheid der plantenwereld komt het bijna volslagen gemis aan dieren te meer uit: bijna nooit vernemen wij eenig ander geluid dan het gekraak van verdorde takken die afbreken, of den zwaren, doffen slag van eeuwenoude boomen, die soms met donderend gerucht ter aarde storten.

In de laatste vallei, die wij doortrekken eer wij te San-Pedro komen, vinden wij eene brug over een bergstroom, die nu bijna geheel droog is en waarvan de bedding met geweldige rotsblokken is bezaaid. Aan de overzijde zien wij een kamp, bewoond door een landmeter en zijne helpers, die, naar ik meen, de grenzen moeten bepalen van het territoir, dat aan de maatschappij van Colombia ter exploitatie is afgestaan. Wij praten eenigen tijd met hen en koopen van hen een hond, naar men zegt een brak van echt ras, die ons op onze reis zal volgen. Hij zal voor ons op de jacht gaan, als hij kan, en zal ons van dreigende gevaren verwittigen, als hij durft. Hij ontvangt den naam van Toutou.

Na nog een berg te zijn overgetrokken, komen wij aan eene open plek in het woud en bespeuren den rancho waar wij den nacht zullen doorbrengen. Wij bevinden ons op eene hoogte van dertienhonderd-zestig el. De rancho van San-Pedro bestaat uit eenige houten palen, die een dak van palmbladeren dragen. Andere palen, in de binnenruimte aangebracht, geven gelegenheid tot het bevestigen van hangmatten.

Met het krieken van den dag begeven wij ons den volgenden dag weer op weg. De wegen, als men ze zoo noemen mag, worden al slechter en onbegaanbaarder; op sommige punten is er een begin van plaveisel, dat geheel los is geraakt. Nu en dan zien wij langs den weg het geraamte van een rund, overblijfsel van opgebroken kampementen van de Kineros-Indianen.

Tegen den middag bereiken wij de kam van de Cordillera; de beken, die wij nu verder zullen ontmoeten, nemen haar weg naar den Orinoco. Wij bevinden ons op eene hoogte van negentienhonderd-tien el. Naar het oosten is het, zoo ver we zien kunnen, eene aaneenschakeling van met bosch begroeide bergen, die zich beneden ons in dichte rijen scharen. Ter linkerhand verrijzen eenige hoogere toppen, waarom witte wolken drijven. Wij gebruiken hier het middagmaal en beginnen daarna te dalen.

Omstreeks twee uren komen wij aan de hacienda del Tigre, waar men van onze komst verwittigd is. Wij nemen een bad in de rio Tigre, die ongeveer een kilometer van de hacienda verwijderd is; het water, dat van de bergen afdaalt, is heerlijk koel. De hoeve ligt op eene hoogte van duizend el.

In den morgen van den vijftienden gaan wij op weg naar Yavia, en moeten verschillende beken en stroompjes oversteken, die wel niet diep zijn, maar vrij breed en waarin een sterke stroom gaat. Sommigen kunnen wij op onze muilezels zittende doorwaden; anderen moeten wij overvaren. Wederom bestijgen wij eene hoogte, van waar wij een prachtig uitzicht hebben, aan de eene zijde op de keten der Andes, aan de andere op de golvende, met bosschen bedekte, door een heuvelreeks doorsneden vlakte. Eindelijk komen wij aan de boerderij van Yavia, waar wij niemand aantreffen dan eene zieke vrouw en een bediende. Het overige personeel is op de boerderij van Duda, waar wij de ons toegezegde mondbehoeften vinden en de noodige inkoopen doen.

III

De afstand van Yavia tot de Goyabero bedraagt niet meer dan zes mijlen. Het pad, dat op last van don Lucio, eenige jaren geleden gebaand werd, om de hoeve met de rivier te verbinden, is sedert lang weer toegegroeid. Wij zenden eenige manschappen van Duda vooruit, ten einde ons met hunne messen een pad te openen. Den negentienden October kwam een hunner ons berichten, dat wij ons den volgenden morgen op weg konden begeven, en dat wij het pad tot aan de rivier gebaand zouden vinden.

Op het bepaalde uur stijgen wij in het zadel en slaan het zoogenoemde pad in. De tocht gaat met groote moeielijkheden gepaard: nu eens staan de boomen te dicht bij elkaar, zoodat onze muildieren met de bagage niet passeeren kunnen en een omweg moeten maken; dan weder worden wij opgehouden door lianen, die men vergeten heeft weg te kappen, en die onze peons moeten opruimen. Enkele malen moeten wij beken met hooge steile oevers doorwaden, hetgeen mede niet zonder bezwaren gaat. Omstreeks den middag barst een hevig onweder los; felle donderslagen knetteren boven onze hoofden, en de regen valt bij stroomen neder. Lejanne en ik zijn tegen dien zondvloed beschermd door twee ponchos van waterdichte stof, de eenigen van die soort, welke wij te Neiva konden vinden. Eindelijk, na over een met dicht bosch bedekt plateau te zijn getrokken, bereiken wij tegen vier uur de lage, met hoog gras begroeide vlakte, waardoor de rivier stroomt; het gras is zoo hoog dat het boven onze hoofden uitsteekt. Wij rijden door een drassigen poel, waarin onze beesten tot aan den buik wegzinken, en komen eenige oogenblikken daarna aan den rancho, die nog in goeden staat verkeert, maar te klein is voor ons gezelschap en bovendien zeer duf, vochtig en bedompt. Wij komen tot het besluit, dat het vóór alles noodig is, een anderen rancho te maken op eene meer geschikte plaats, want in dit hooge gras wemelt het waarschijnlijk van roofdieren en slangen. Wij laten een smal pad openhakken in de richting van de rivier, en bereiken na eenig tasten den oever, die zich ongeveer twintig el boven het water verheft en zeer steil is. Wij staan voor een arm van de rivier, die thans droog is.

Bij onderzoek van het terrein bleek het, dat een eiland, ter lengte van ongeveer een kilometer, ons van den hoofdstroom scheidde. Dit eiland, dat maar even boven het water uitsteekt, is met struiken en heesters begroeid. Wij besluiten, hier ons kamp op te slaan; morgen ochtend zal een rancho worden getimmerd en eene tent opgeslagen, waarvoor wij het noodige doek te Duda hebben gekocht, en die ons als beveiliging tegen de zon en den regen te pas zal komen. Tevens zal Apatou met een der manschappen een boom uitzoeken en vellen, waarvan eene prauw kan worden gemaakt, ruim genoeg voor vier personen. De noodige gereedschappen voor dit werk ontbreken ons niet: wij hebben bijlen en messen en sabels, die nevens andere snuisterijen ons later van dienst zullen zijn als ruilmiddel bij de Indianen. De andere manschappen zullen van boomstammen en lianen een vlot samenstellen.

In den morgen van den twee-en-twintigsten is onze nieuwe rancho gereed; twee dagen later worden de boomstammen, voor den bouw van het vlot noodig, behoorlijk op de bepaalde grootte gezaagd, naar de punt van het eiland gebracht, waar zij moeten drogen. De prauw is geheel uitgehold; zij wordt boven een groot vuur geplaatst en met bladeren bedekt. Nu wijkt de stam vaneen, en zoo ontstaat eene mooie prauw, vijf-en-dertig duim breed, zes el lang en omstreeks dertig duim diep.

Op den middag van den vijf-en-twintigsten is alles gereed: de prauw is naar den oever gebracht; boven het vlot wordt, over gebogen bamboestengels, de tent uitgespannen. Wij gaan afscheid nemen van deze plek, ons laatste station in de zoogenaamde beschaafde wereld, waar wij, van 's morgens vroeg tot na zonsondergang, gruwelijk zijn mishandeld geworden door legioenen van pions, een insekt kleiner dan een muskiet, dat zich op alle ontbloote deelen van het lichaam hecht, het bloed uitzuigt en een wondje achterlaat dat weldra tot ontsteking overgaat. Op den vijfden dag waren het gelaat en de handen van Lejanne geheel gezwollen en ontstoken; Burban kan nauwelijks zijne oogen openen. Behalve door de pions, werden wij nog geplaagd door zwermen van gele wespen en groote groene vliegen, die ons het leven ondragelijk hadden gemaakt. Gelukkig werden wij 's nachts met rust gelaten: waar de pions zoo talrijk zijn, vindt men geen muskieten.

De bagage wordt op het vlot gedragen, dat gelukkig niet te diep zinkt: slechts de onderste der twee rijen balken duikt onder; maar het vlot is niet breed genoeg en schijnt ook niet zeer stevig. Naarmate het oogenblik van het vertrek nadert, staren onze helpers ons met toenemende verbazing aan. Zij beschouwen ons als krankzinnigen en weigeren standvastig elk aanbod, dat wij doen om hen te bewegen met ons te gaan. De Goyabero is voor hen het onbekende, en dus iets verschrikkelijks. Volgens hun zeggen, heeft reeds vroeger iemand beproefd, de rivier af te zakken: reeds tegen den avond van den eersten dag keerde hij halfdood van schrik terug, na eene ontmoeting met woeste, bloeddorstige Indianen. En dan loopt er een verhaal, dat ergens in deze onbekende streken eene geheimzinnige stad ligt, omtrent wier bewoners men allerlei zonderlinge dingen vertelt....

Ik heb bepaald, dat op het oogenblik van ons vertrek, als wij in de boot zullen stappen, wij onze laatste flesch champagne zullen ledigen en de rivier doopen. De flesch wordt tusschen twee steenen op den grond gelegd, in afwachting van het plechtige oogenblik. Ik doe eene laatste waarneming met het kompas, en stoot bij ongeluk met den voet tegen de flesch. O ramp! zij breekt, en het kostbare vocht vloeit over het zand om daarin spoorloos te verdwijnen. Aan den berg, die de onschuldige oorzaak van dit ongeluk is, geven wij met algemeene stemmen den naam van Champagneberg. Ik houd mij overtuigd, dat onze helpers in deze gebroken flesch eene ernstige waarschuwing voor ons zien: als wij op het vlot plaats nemen, vullen hunne oogen zich met tranen; wij zijn met elkander vrienden geworden, en gaarne zouden zij ons van deze noodlottige reis terughouden. Wij deelen hun angst volstrekt niet; en toch is het niet zonder aandoening, dat wij den strijd beginnen, waarin het inderdaad geldt, sterven of zegevieren.

Het is twintig minuten over twaalven. Met Lejanne heb ik plaats genomen op den voorsteven, gezeten op onze kist met snuisterijen. Apatou staat voor ons, met eene lange pagaai in de hand; François staat evenzoo aan het andere einde; Toutou ligt rustig op de bagage. Een der helpers gooit het touw los. Wij roepen dezen braven lieden een laatst vaarwel toe, en beginnen den tocht. Weldra wordt het vlot door den stroom aangegrepen, en onze beide metgezellen hebben alle moeite om het recht te houden.--Wij komen aan de eerste stroomversnelling: het water stroomt met ongehoorde snelheid en kracht; de steentjes op den bodem rollen en botsen tegen elkander als noten in een zak. Wij kunnen het vlot, dat zich omdraait, niet meer sturen; wij bereiken weer een betrekkelijk kalm vaarwater; dan volgt weer een stroomversnelling; de rivier splitst zich en wij worden medegevoerd in den arm langs den rechter oever. Er is hier geene voldoende diepte; het water spat schuimend en kokend uiteen op de groote steenblokken; ons vlot raakt aan den grond; de lianen worden voor een deel verscheurd; twee balken raken los en worden medegevoerd; de aan het vlot bevestigde prauw staat hetzelfde lot te wachten. Wij springen allen in het water en duwen de ontredderde overblijfselen van onze flottille naar de zandbank ter linkerhand. Toutou bereikt het eerst den oever; men had hem met geweld op het vlot moeten drijven. Dit is een ramp: wij zullen het vlot weer in orde moeten brengen.

Apatou kapt eenige nieuwe boomen op het eiland en op den rechter oever, dien hij ondanks den fellen stroom zonder moeite bereikt, uithoofde van de weinige diepte van het water. Tegen den avond moeten die nieuwe balken nog slechts van de schors ontdaan en stevig met de andere verbonden worden. Daar de zon de kim nadert, wordt deze arbeid tot den volgenden dag uitgesteld. Gelukkig heeft de ramp zich bepaald tot het nat worden van onze bagage en het verlies van enkele kleedingstukken; overigens is er niets van eenig belang verloren of ook maar beschadigd.

Den volgenden dag houden wij ons onledig met de herstelling van het vlot: wij mogen ons vleien, dat het thans steviger in elkander zit dan bij ons vertrek. Omstreeks twee uren wordt de bagage, die wij in de zon hebben laten drogen, weer op het vlot geplaatst en steken wij van wal. Zonder ongelukken varen wij langs het eiland; wij vliegen over het onbegrijpelijk snelvlietende water, en stooten nu en dan tegen gestrande boomen. Het vlot draait, maar vervolgt zijn weg.

Den zeven-en-twintigsten hervatten wij de reis, zoodra de zon den top van een naburigen heuvel verlicht. Wederom is het eene aaneenschakeling van stroomversnellingen en meer of minder belangrijke watervallen, nu en dan afgewisseld door versperringen van rotsen in de rivier. Dat de vaart dus met groote moeielijkheden gepaard gaat en ons vlot een en ander maal aan den grond raakt, behoef ik niet te zeggen. Omstreeks vijf uren zijn de meeste lianen, die de balken van het vlot samenhouden, gescheurd; alleen de middelsten bieden nog weerstand. Wij bevinden ons in een smal kanaal, waar een zeer sterke stroom gaat, maar kunnen niet vorderen, uithoofde van de tallooze hinderpalen. Wij worden eindelijk tegengehouden door een dam van verwarde, half met zand overdekte boomstammen en bamboestengels, en vreezen elk oogenblik de laatste koorden van het vlot te zien breken. De balken maken allerlei verdachte bewegingen; een daarvan steekt aan de achterzijde bijna over de geheele lengte buiten het vlot. Morgen zullen wij voor andere lianen hebben te zorgen.

Wij brengen op den naburigen oever een slechten nacht door. De half onder het zand bedolven steenen en steentjes, waarmede de geheele oever is bedekt, vormen nu juist niet de aangenaamste rustplaats voor vermoeide reizigers.

28 October.--Bij het krieken van den dag keert Apatou, langs denzelfden weg van gister avond, naar het woud terug, en komt weldra terug met een goeden voorraad buigbare lianen. François tijgt aan den arbeid om de balken met nieuwe lianen zoo stevig mogelijk te verbinden, waarbij ook van de nog beschikbare touwen wordt gebruik gemaakt. Om een uur gaan wij aan boord. Nauwelijks hebben wij honderd el afgelegd, of de stroom richt zich met groote hevigheid naar den linker oever. Vlak bij den kant steekt een reusachtige boom halverwege uit het kokende en wielende water. Met onweerstaanbaar geweld worden wij naar dien boomstam heengevoerd: onze prauw, welke juist aan die zijde is vastgemaakt, laat een hevig gekraak hooren en loopt vol water: zij is verbrijzeld. Apatou maakt haar haastig los en geeft haar aan den stroom over. Dit is voor ons een groot verlies; hoe zal het ons nu mogelijk zijn, als wij aan een gevaarlijken val komen, eene lijn aan den oever uit te brengen om het vlot te kunnen tegenhouden? Wij kunnen inderdaad ons vlot zoo weinig besturen, dat wij soms verscheidene mijlen afleggen, zonder den oever te kunnen naderen. Zou het niet geraden zijn, eene andere prauw te vervaardigen?

De bamboes worden buitengewoon talrijk en vormen een wal langs de beide oevers; telkens en telkens moeten wij oppassen om niet in aanraking te komen met hunne over de rivier gebogen stengels, zoo zwaar en dik als ik ze nog nooit gezien heb. Lejanne verzekert mij, dat de bamboes van Cochinchina, hoewel even hoog als dezen, daarbij niet in vergelijking komen wat den omvang betreft. Op zeker punt wordt de stroom buitengewoon sterk. Een dezer monsterachtige bamboestengels steekt dwars over de rivier, omstreeks zestig duim boven het water. Het vlot moet onder door schieten: onze bagage zal ongetwijfeld tegen den hinderpaal stooten. Bezig met eene waarneming, let ik niet op het gevaar. Ik hoor een waarschuwend geroep, en voel op het eigen oogenblik eene geweldige drukking; gedurende eene minuut kan ik mij geen rekenschap geven van hetgeen er gebeurd is. De bamboestengel heeft mij tegen de bagage aangedrukt. Mijn borst en mijn kin zijn min of meer gekneusd, en mijn neus bloedt. Mijne reisgezellen zijn ongedeerd gebleven. Apatou is over den stengel heen gesprongen; Lejanne heeft zich achter de bagage verscholen, en François is te water gegaan en heeft zich aan het vlot vastgeklemd. Ook stuiten wij telkens op gestrande boomen, wier takken in wilde wanorde boven de schuimende wateren uitsteken.