Reis door Nieuw-Grenada en Venezuela De Aarde en haar Volken, 1887

Chapter 11

Chapter 113,493 wordsPublic domain

Wij varen voort tot zeven uur in den avond; de maan is nog niet boven de kim en het kost ons eenige moeite om den vlakken zandigen oever te herkennen, waar wij aan land zijn gegaan. Langzamerhand gewennen wij aan dit schemerdonker en bespeuren nu eenig droog hout, waarmede wij vuur kunnen aanmaken. Apatoe neemt een fakkel en een pijl en volgt aandachtig den zoom van het water. Naar hij ons verzekert, bewegen de visschen zich gedurende den nacht zeer langzaam en schijnen zij te slapen. Wat hiervan wezen moge, zooveel is zeker dat hij weldra terugkeert met twee mooie visschen, die meer dan voldoende zijn voor ons diner. Wij wikkelen ons vervolgens in onze dekens en slapen rustig op het grove zand.

20 Januari.--Omstreeks tien uren beklimmen wij den heuvel, waarop het dorp Mapire ligt. Wij hebben eenige inkoopen te doen en wenden ons tot den heer Donati, een eerlijk en nauwgezet koopman, bij wien wij een allervriendelijkst onthaal vinden en die ons van al het noodige voorziet. Hij begint met zijn huis tot onze beschikking te stellen: ons middagmaal zal in zijne keuken worden klaar gemaakt. Hij deelt ons mede, dat op den eersten Februari eene stoomboot van Bolivar naar Trinidad vertrekt. Twee dagen lang genieten wij zijne onbekrompen gastvrijheid, en worden zoowel door hem als door zijne huisgenooten met de meeste voorkomendheid behandeld.

Bij onze aankomst troffen wij bij hem eene familie van Caraïbo-Indianen aan, die uit het binnenland waren gekomen om eenige inkoopen te doen. De man is kapitein en heeft niet minder dan drie vrouwen bij zich. De eene is reeds vrij bejaard, klein en zeer dik; de tweede is veel jonger en verkeert in gezegende omstandigheden; de derde eindelijk is een meisje van veertien à vijftien jaar. Lejanne maakt eene schets van deze interessante familie.

Het dorp Mapire bestaat uit veertig à vijftig huizen, die allen naar hetzelfde model zijn gebouwd; de muren zijn van pisé en van binnen, soms ook van buiten, beschilderd met aangelengd leem van verschillende kleur, rood, geel, blauw, dat men in groote hoeveelheid in den omtrek vindt. Deze kleuren ontstaan door ijzeroxyde. Het van palmbladen gemaakte dak steekt een weinig vooruit. Achter ieder huis vindt men eene door paalwerk omsloten ruimte, die ook de keuken en dergelijke bijgebouwtjes bevat. Het ameublement bestaat uitsluitend uit hangmatten, die zoowel voor stoel als voor bed dienen.

De ligging van het dorp op den top van een vijftig el hoogen heuvel, langs welks voet de reusachtige Orinoco stroomt, is bewonderenswaardig schoon. Er waait altijd eene verkwikkende koelte. Tusschen de huizen staan eenige vruchtboomen verspreid: mango's, sarrapia's, oranjeboomen. Aan den eenen kant heeft men een uitgestrekt gezicht over den breeden Orinoco; aan de andere zijde strekt zich, zoo ver de blik reikt, eene zacht golvende savane uit. In dezen tijd des jaars teekent zich iederen avond de omtrek van het dorp helder af tegen den hemel, die door de talrijke vuren in de savane vlammend rood is gekleurd. Men volgt hier namelijk nog altijd de gewoonte, om het hooge verdorde gras te verbranden.

Dezen avond, den laatsten dien wij in hare woning zullen doorbrengen, heeft Mevrouw Donati een galadiner laten gereed maken, bestaande uit het beste wat te Mapire te vinden is. De heer Donati bezit voor zijn persoonlijk gebruik eene zekere hoeveelheid rooden franschen wijn, waarvan hij ons eenige flesschen wil afstaan. Ik noodig François Burban en Apatoe uit, aan het feestmaal deel te nemen. Burban, die vandaag geen aanval van koorts heeft gehad, is buitengewoon opgewekt en vroolijk. Wij verkeeren allen in de beste stemming, vooral ook omdat wij ons met de hoop mogen vleien, dat het einde van al onze inspanning en van al onze ontberingen nabij is. Na eene reis van vijf maanden, zoo als wij achter ons hadden, is het verlangen naar het einde zeker niet onverklaarbaar. Wij brachten met elkander een zeer aangenamen en gezelligen avond door.

XI

22 Januari.--Nog voor zonsopgang zijn wij op de been; François maakt zich gereed om koffie te zetten. Er is een weinig wind; het water der rivier is in golvende beweging en verontreinigt zich door de aanraking met de weeke klei langs den oever. Om zich zooveel mogelijk schoon water te verschaffen, moet François dus eenige schreden ver in de rivier gaan. Honderdmaal hebben wij hem reeds gewaarschuwd, nooit te water te gaan, zonder vooraf met een stok den bodem der rivier te hebben onderzocht; maar ook nu, als reeds zoo dikwijls, slaat hij geen acht op onze waarschuwing en stapt met zijne bloote voeten in het water. Eensklaps springt hij op den oever terug, roepende: "Wat is dat?"

Geen sekonde daarna gaat hij op den grond zitten; hij omvat zijne voeten met de beide handen en kermt van pijn. Lejanne en Apatoe loopen aanstonds op hem toe: onze ongelukkige makker is door eenen rog in de beide voeten gestoken. Men ziet twee zwarte stippen: de eene aan de binnenzijde van den rechter hiel; de andere aan den bovenkant van den vierden teen aan den linkervoet. Uit dit laatste wondje vloeit een weinig bloed.

Apatoe, die zeer goed weet welke gevaarlijke gevolgen dergelijke schijnbaar onbeduidende verwondingen kunnen hebben, aarzelt geen oogenblik en begint aanstonds de beide wondjes uit te zuigen. Lejanne bevochtigt de beide gekwetste plaatsen met een weinig phenol en laat mij onmiddellijk waarschuwen. Nog eer vijf minuten verloopen waren, bevond ik mij bij onzen gewonde: op het vernemen der boodschap had ik mij onmiddellijk tot hem gespoed. De ongelukkige François kermt van pijn; hevige stuiptrekkingen doen zijn lichaam schudden en trillen: de smart die hij tengevolge van deze verwonding lijdt, is inderdaad ondragelijk. Maar dit is nog het ergste niet: de steek van zulk een rog heeft dikwijls de noodlottigste gevolgen: daar kan koudvuur bijkomen. Wij maken ons ernstig ongerust over onzen kranke, wiens gestel sterk geleden heeft door koortsen en de malaria, en wiens toestand van inzinking zorgwekkend is. Ik pel de beide wonden los en wasch ze met citroensap. De pijn vermindert een weinig; de stuiptrekkingen houden op. Wij laten den zieke over aan de verzorging van Apatoe, en gelasten hem aanstonds te waarschuwen, zoodra zich eenig ongunstig verschijnsel voordoet. Daarna keeren wij naar het dorp terug, waar wij onze Caraïbo-Indianen nog aantreffen. Als de wind niet zoo sterk was, zouden wij nog heden vertrekken, want wij moeten nu zoo spoedig mogelijk te Bolivar aankomen; eerst daar toch kunnen wij onzen patiënt behoorlijk verplegen en hem geven wat tot genezing noodig is.

23 Januari.--Wij varen reeds vroeg in den morgen af. François wordt in de met palmbladen overdekte hut nedergelegd, waar wij het hem zoo gemakkelijk mogelijk maken. Hij klaagt over hevige pijn in den teen, die een weinig opgezwollen en ontstoken is. Eerst nadat ik eene kleine insnijding gemaakt had, gevoelde hij eenige verlichting. In den namiddag heeft hij pijn in de beide voeten, die zichtbaar gezwollen zijn. Rondom de beide wondjes begint zich een zwarte kring te teekenen.

Wij bivakeeren op eene zandbank, aan den ingang van een smallen rivierarm. De hangmat van François wordt aan palen opgehangen, die wij in den grond geslagen hebben; wij leggen ons op het zand naast hem neder. Hij heeft een weinig bouillon gebruikt en brengt een vrij rustigen nacht door.

24 Januari.--Wij komen dezen dag flink vooruit. De smalle, door rotsen ingesloten arm, waar een zeer sterke stroom gaat, is, althans in dezen tijd des jaars, volstrekt niet zoo gevaarlijk als zijn naam zou doen vermoeden: hij heet namelijk de _Infierno_, de Hel. De stroom is ons gunstig en wij komen zonder eenig ongeval, zelfs zonder buitengewone inspanning, aan het andere einde van de engte.

Tegen het vallen van den avond komen wij bij eene landpunt, die aan den linker oever in de rivier uitsteekt; wij zijn nog een à twee uren van Muitaco verwijderd, en besluiten hier te overnachten. Onze schipper is niet goed meer op de hoogte; blijkbaar is hij althans met dit gedeelte van den Orinoco zeer onvolledig bekend en weet hij niet juist waar wij eigenlijk zijn. Wij wilden gaarne te Muitaco stilhouden, met het oog op François, wiens toestand hand over hand verslimmerd is en op wiens herstel wij niet meer durven hopen.

In den loop van den namiddag heeft het koudvuur zich uitgebreid. De beide beenen zijn tot aan de kuiten verstorven. François is zich zijn toestand niet bewust: hij ligt buiten kennis.

De ongelukkige moet, even als wij, den nacht op den blooten grond doorbrengen, want er is geene gelegenheid om eene hangmat op te hangen.

25 Januari.--Bij het aanbreken van den dag zie ik dat het einde nabij is: het is nog slechts eene kwestie van eenige uren. Wij moeten alle krachten inspannen om Muitaco te bereiken, waar wij, naar men ons verzekert, een priester kunnen vinden. Misschien kunnen wij daar nog komen, eer onze beklagenswaardige makker den laatsten adem heeft uitgeblazen.

Het is een donkere droevige morgen. De hemel is zwaarbewolkt; er waait een zeer stijve koelte, die ons tegen is; de rivier is woelig met sterken golfslag.

Wij leggen François zoo gemakkelijk mogelijk in de hut. Lejanne zet zich aan den achtersteven, bij den schipper. Ik zelf help de roeiers. Wij roeien uit al onze macht; Lejanne heeft de handen vol om het water uit te scheppen, dat van alle kanten naar binnen slaat. Wij hebben nog pas een derde van den afstand afgelegd; een blik op onzen patiënt werpende, zie ik dat zijn oog gebroken is: François Burban is dood. Hij stierf als een echte zeeman, op het water, bij het loeien van den storm. Het is toch even eervol in eene prauw te bezwijken, als aan boord van een linieschip, bij het donderen der kanonnen, in het barnen van het gevecht. Maar--en deze gedachte is dubbel pijnlijk--zijn dood is het gevolg van eene nietigheid; hij, die aan zoovele dreigende en schijnbaar onoverkomelijke gevaren is ontsnapt, hij sterft aan den beet van een visch; hij sterft bovendien als in het gezicht van de haven, zonder dat het ons vergund was, hem de laatste troostmiddelen der Kerk te doen toedienen. Door smart overweldigd, staren wij op zijn lijk, terwijl onze oogen zich met tranen vullen. In het midden van de rivier gekomen, wordt onze prauw door hooge golven, die dicht op elkander volgen, van ter zijde opgetild en als een kurk op en neer geworpen. Tien malen stonden wij op het punt van om te kantelen. Enkele monsterachtige kaimans beuren hun geschubden rug even boven het water op: hunne verschijning doet ons nog te meer het akelige van onzen toestand gevoelen. Hunkeren zij misschien naar het stoffelijk overschot van onzen vriend, dat daar roerloos in de hut ligt? Wij maken ons bovenal over één ding ongerust, namelijk dat onze Indianen van streek zullen raken en hunne tegenwoordigheid van geest verliezen. Zij zijn blijkbaar zeer zenuwachtig, maar houden zich toch goed.

Om half tien bereiken wij eindelijk het dorp Muitaco. Wij begeven ons onmiddellijk naar het dorpshoofd en verzoeken hem, een behoorlijk bewijs van overlijden op te maken. Vervolgens maken wij met hem de noodige schikkingen voor de begrafenis. Er is in het dorp geen pastoor en evenmin een timmerman. Wij kunnen dus het lijk van onzen ongelukkigen kameraad niet eens in eene doodkist leggen. Wij wikkelen het ontzielde lichaam in een deken en de hangmat, en laten het uit de prauw naar den wal brengen, naar eene ledigstaande hut. Een van de dorpelingen is bereid, op het kerkhof een graf in gereedheid te brengen.

Terwijl men hiermede bezig is, tracht Lejanne nog een portret te maken van den doode, wiens gelaat reeds veranderd is. Daarop zet de treurige stoet zich in beweging. De hangmat, aan een langen stok vastgemaakt, wordt door onze Indianen, bijgestaan door Apatoe, op de schouders gedragen. Lejanne en ik volgen. De hemel is weer geheel helder geworden; de zon schijnt met volle pracht; de lucht is warm. Wij volgen een smal steenachtig pad, door bloeiende heesters omzoomd, die een sterken geur verspreiden. Prachtig gekleurde vlinders fladderen boven onze hoofden; gonzende insekten omzweven ons: overal het volle, weelderige, overvloeiende leven der tropische natuur. Die feestelijke stemming hindert ons, als wij een blik slaan op de mannen daar vóór ons, die de hangmat torschen, waarin het lijk van onzen ongelukkigen reisgenoot rust. Maar wat deert der natuur onze smart; en hoe zouden wij kunnen verlangen dat ook zij rouw droeg om ons verlies? Schijnt zij niet de volstrekt onverschillige en ongevoelige, in wier zielloozen boezem geen hart het onze tegenklopt? En toch is die behoefte aan medelijden, aan deelneming in onze persoonlijke ervaringen van vreugde en smart, zoo diep in de menschelijke ziel geworteld; toch is het duister besef van eene levensgemeenschap tusschen ons en de ons omringende natuur zoo machtig, dat de mensch, liever dan zich van hare onaandoenlijkheid te troosten, haar zelve opnam binnen den kring zijner eigene gewaarwordingen. In vroeger eeuwen kon hij dat doen, met oprecht naïef geloof, zelf het eerste slachtoffer zijner fantazie, der onuitputtelijke, vindingrijke, der troosteres aller smarten, der zoete en liefelijke, die hem de heerlijkste beelden voortooverde. Maar voor ons, in dezen tijd van exacte wetenschap, nu alles meer en meer wordt herleid tot louter mechanische beweging, en de abstracte begrippen van stof en kracht--die wij telkens gebruiken zonder eigenlijk zelven te weten wat wij daaronder verstaan;--alle vroegere fantastische voorstellingen van leven en bewustzijn en persoonlijk handelen verdrongen hebben; wat kan voor ons de natuur te beteekenen hebben? En toch, vergeten ook wij het niet telkens, dat hetgeen wij de stem der natuur noemen metterdaad niet anders is dan de echo van onze eigene stem? Zoo machtig, zoo onuitroeibaar is dat duister besef, waarvan ik boven sprak en dat--wie weet het?--misschien op eene nog omsluierde werkelijkheid wijst.

Wij zijn aan den grafkuil gekomen, waarin het stoffelijk overschot van François Burban wordt neergelaten. Wij werpen een weinig aarde in den kuil; roepen onzen vriend met gesmoorde stem een laatst vaarwel toe, en gaan heen van de plek, waar wij hem, in het verre vreemde land, ter ruste hebben gelegd.

Wij geven eenig geld aan eene oude vrouw, die op zich neemt voor het graf te zorgen; wij verlangen, dat zij er bloemen op planten zal. Alvorens onze gift aan te nemen en de verplichting om voor het graf te zorgen te aanvaarden, vraagt zij of onze vriend katholiek was. Ondanks ons bevestigend antwoord schijnt zij daar aan te twijfelen, omdat wij verzuimd hebben, te zijner intentie negen waskaarsen te doen ontsteken. Dit is hier de gewoonte, waarmede wij evenwel volkomen onbekend waren. Wij haasten ons thans dat gebruik te volgen.

Den zes-en-twintigsten Januari gaan wij op weg naar Bolivar, waar wij in den avond van den acht-en-twintigsten aankomen.

Wij hebben geen duit meer op zak. Toch nemen wij onzen intrek in het voornaamste hotel der stad, hoewel wij er met onze havelooze kleeding alles behalve als groote heeren uitzien. Onze ongekamde haren en onze revolutionaire baarden zijn wel geschikt om rustigen burgers een schrik op het lijf te jagen.

Morgen zullen wij eene herschepping ondergaan. Ik zou wel eens willen weten wat de gastwaard van ons denkt, terwijl wij ons te goed doen aan zijn besten bordeaux.

Den volgenden morgen ga ik een bezoek afleggen bij den franschen consul, den heer Dallacosta, die mij met de meeste vriendelijkheid ontvangt en mij in aanraking brengt met verschillende hier gevestigde landgenooten, die allen met de grootste bereidwilligheid hunne beurs te mijner beschikking stellen.

Ik laat mijn haar knippen en mijn baard in orde brengen; ik steek mij in een geheel nieuw pak kleeren en vertoon mij aldus, geheel gemetamorfoseerd en keurig netjes uitgedost, aan mijne verbaasde reismakkers, die bijna hunne oogen niet gelooven kunnen. Maar ook zij ondergaan op hunne beurt eene soortgelijke herschepping.

Daarop pakken wij onze collecties in de kisten en laten die aan boord brengen van de _Heroe de Abril_, die den eersten Februari naar Port-of-Spain vertrekt.

Wij brengen hier drie zeer aangename dagen door, in gezelschap van zeer vriendelijke en voorkomende landgenooten, die in deze venezuelaansche stad zoo wat de eerste viool spelen. Ciudad de Bolivar, vroeger Angostura genoemd, is eene stad van achtduizend inwoners, aan den rechter oever van den Orinoco: welke rivier, hoewel hier aanmerkelijk versmald, nog altijd eene breedte heeft van omstreeks een kilometer. De naam Angostura was aan de stad gegeven met het oog op hare ligging; dienzelfden naam droeg ook een zeer gezochte liqueur. De stad drijft een niet onaanzienlijken handel; vele van hare inwoners houden zich bezig met de exploitatie der goudmijnen van Venezuela. Caoutchouc en sarrapia, benevens koffie en cacao, zijn de voornaamste handelsartikelen.

Bolivar is amphitheatersgewijze op en tegen een heuvel gebouwd, die door den Orinoco wordt bespoeld en ook door eene lagune, welke vroeger tot de rivier behoorde, maar nu het oostelijk deel der stad vrij ongezond maakt ten gevolge van de daar veelvuldig heerschende koortsen. De stad heeft--het behoeft eigenlijk niet gezegd--geen monumenten: tenzij men als zoodanig zou willen noemen een standbeeld--wel te verstaan, een amerikaansch standbeeld--van generaal Bolivar, den zoogenoemden bevrijder; en eene kathedraal, welke vooral de aandacht trekt door de afschuwelijke schreeuwende kleuren, waarmede men haar van buiten heeft beklad. Van binnen heb ik haar maar niet gezien. Verreweg de meeste huizen hebben platte daken en getraliede vensters. Die zware tralies geven aan de huizen iets gevangenisachtigs; maar zij hebben daarentegen ook dit groote voordeel, dat in het heete jaargetijde, de vensters des nachts geopend kunnen blijven.

Eindelijk, op den eersten Februari, gaan wij aan boord van de _Heroe de Abril_ en vangen den tocht aan naar Port-of-Spain.

Den volgenden morgen bevinden wij ons in de delta van den Orinoco. De tallooze armen en vertakkingen van den machtigen stroom vormen een net van wateren, die in het vlakke, met den weelderigsten plantengroei overdekte terrein, elkander in alle richtingen kruisen. Wij varen langs een zeer bevolkt dorp van Guaraouno-Indianen. Talrijke prauwen en kanos steken van den oever af en komen naar de stoomboot toe. Vrouwen en kinderen staan langs den oever geschaard, of zitten en liggen op boomstronken, welke langs den waterkant verspreid liggen, deels zelfs in de rivier gedompeld. Wij bespeuren aan deze Indianen niets wat aan de beschaafde wereld herinnert: de vrouwen dragen geene andere kleeding dan een lapje katoen zoo groot als eene hand. Het bevreemdt ons, aan deze plaats Indianen aan te treffen, die nog zoo volkomen in den natuurstaat leven en zoo weinig bekend zijn. Een weinig verder ontmoeten wij een jaguar, die de rivier overzwemt; de stoomboot vaart hem bijna rakelings voorbij. Wij hebben aan boord eenige miliciens van Venezuela, die het goud moeten eskorteeren, dat door de mijnmaatschappijen naar Port-of-Spain wordt gezonden om van daar naar Europa te worden vervoerd. Deze voortreffelijke schutters lossen zoo ongeveer een twintigtal schoten op het dier, dat met gestreken ooren, dol van angst, zoo snel mogelijk naar den linker oever zwemt, waar het aan land stapt en in het hooge gras verdwijnt. Natuurlijk had geen enkele kogel dezer geduchte helden den jaguar getroffen.

Toen wij den volgenden morgen ontwaakten, waren wij in zee. De hemel is een weinig betrokken; over de eindelooze watervlakte hangt een lichte nevel. Met jubelende geestdrift begroeten wij den Atlantischen-oceaan, na een reis van honderd-een-en-zestig dagen dwars door het binnenland. De zee is kalm: hare nauw merkbare golfjes, zachtkens kabbelend, mogen ons eene gelukkige en voorspoedige reis voorspellen. In de verte zien wij enkele schepen, die met uitgespannen zeilen in den zilverachtigen nevel schijnen te drijven.

Eindelijk komen wij op de reede. Een aantal bootjes en vaartuigen, door negers bemand, steken van den wal af en varen naar het stoomschip, waarlangs zij zich scharen.

Die negers schreeuwen en gillen, dat hooren en zien vergaat: wij onderscheiden eenige spaansche en engelsche woorden en verder een aantal woorden aan het creolen-fransch ontleend. Wij nemen plaats in een dezer kanos en roeien naar den wal. Op de kaai aangekomen, maken minstens tien negers, ondanks ons tegenstribbelen en verzet, zich meester van onze bagage en brengen die naar het tolkantoor; dat geen tien stappen verwijderd is. Een rijtuig brengt ons naar het hôtel de France, waar al onze onbeschaamde negers fooien komen eischen, die niet minder dan een shilling moeten bedragen. Wij geven minstens een pond uit, en nog is niemand tevreden. De brutale onbeschaamdheid der negers gaat hier alle perken te buiten; en het is wel zonderling dat de policie zoo weinig of liever niets doet om de vreemdelingen, die hier aan wal stappen, tegen deze kerels te beschermen.

Het hôtel de France wordt gehouden door voormalige bewoners van den Elzas, die na 1870 zijn uitgeweken. Met groote vreugde hervinden wij hier landgenooten, de fransche keuken en de fransche vriendelijkheid.

Men deelt mij de namen en woonplaatsen mede van de alhier gevestigde photografen; weldra heb ik de noodige schikkingen getroffen met een hunner, den heer Félix Morin, een landgenoot, die zeer bekwaam is in zijn vak. Hij zal mij vergezellen bij mijn bezoek aan de Guaraounos.

Den zevenden Februari vertrekt Lejanne naar Frankrijk; wij waren sedert lang met elkander bekend, maar nu zijn wij vrienden geworden.