Reis door Nieuw-Grenada en Venezuela De Aarde en haar Volken, 1887

Chapter 10

Chapter 103,878 wordsPublic domain

Na het middagmaal strekken wij ons in onze hangmatten uit; het is een heldere maneschijn. Wij zien eene rosse rookwolk aan den voet der bergen en twee hoog opvlammende vuren tegen hunne hellingen. Maar de muskieten maken het ons zoo lastig, dat wij onze hangmatten moeten verlaten; want wij hebben verzuimd, onze muskietenschermen mede te nemen. Wij haasten ons dat verzuim te herstellen en zijn nu veilig. Lejanne, die het touw van zijn scherm verloren heeft, moet op den steenachtigen grond slapen.

10 Januari--Wij hadden eene vrij voorspoedige vaart tot omstreeks den middag, maar hebben, uit hoofde van tegenwind een grooten omweg moeten maken. Deze tijd des jaars is blijkbaar niet geschikt voor de reis naar Bolivar. De beste tijd is in de maand Augustus; dan is het water hoog, er gaat een fiksche stroom, en men heeft geen tegenwind. Wij steken de rivier, die vrij onstuimig is, dwars over, en leggen stil aan den voet van een kalen granietberg, die loodrecht aan den rechter oever opstijgt. Even als alle dergelijke rotsen, welke wij tot dusver ontmoet hebben, is ook deze doorboord met ronde, tamelijk ondiepe gaten: men zou zeggen, de gaten van reusachtige kanonkogels. De verschillende waterstanden der rivier hebben zich met lichtkleurige strepen op den roodachtig bruinen rotswand afgeteekend: de hoogste stand is ruim twaalf meter boven het tegenwoordige peil verheven. De rivier is op deze plaats ter wederzijde omzoomd door granietrotsen; hare breedte bedraagt niet veel meer dan een kilometer. Maar de massa water, die zij afvoert, is zeer aanzienlijk.

Terwijl men ons ontbijt in gereedheid brengt, neem ik den stand der zon waar: middelerwijl raadpleegt Lejanne, die nog in de prauw gebleven is, zijne instrumenten. Juist was hij met zijn thermometer bezig, toen Apatoe hem toeriep: "Een kaiman!"--Hij springt haastig aan land en jaagt daardoor het afschuwelijke dier weg, dat nauwelijks een el van de prauw verwijderd zijn kop uit het water hief, maar nu in de diepte verdwijnt. Lejanne en de kaiman hadden elkander wederkeerig een schrik op het lijf gejaagd. Apatoe, met eene pijl gewapend, doorzocht de gaten, eerst onlangs door iguanen in den zandigen oever gemaakt. Niet zonder moeite haalt hij een dezer hagedissen levend te voorschijn; de scherpe pijlpunt heeft de huid van haar buik opengereten, en eene rits eieren hangt uit het lijf van het dier. Apatoe grijpt die eieren en wil de hagedis dooden; maar de iguane ontsnapt, gaat te water en kruipt op eene naburige rots, waar zij bleef, schijnbaar ongedeerd door de haar toegebrachte wonde.

Omstreeks drie uren varen wij langs den Cerro Mogote, eene opeenstapeling van granietrotsen, die bijna de bedding der rivier versperren. Tusschen dien cerro en Santa-Barbara bevindt zich een zandige oever, dien de schildpadden bij voorkeur schijnen te hebben uitgekozen om er hare eieren te leggen. Men berekent dat niet minder dan vijftienduizend van deze dieren jaarlijks op deze plek hun eieren komen leggen. Verschillende personen hebben verzekerd, dat wanneer men een dezer schildpadden in het water werpt, zij aanstonds weer tegen den oever opklimt en haar arbeid hervat. De schildpad begint in Februari haar eieren te leggen, waarvan het aantal soms honderd-vier-en-veertig bedraagt. Eene menigte lieden van de oevers van den Orinoco begeven zich dan naar den oever van Santa-Barbara, om daar den noodigen voorraad eieren in te zamelen. Deze inzameling geschiedt volgens zekere regels. Op een bepaalden dag wordt er te Santa-Barbara eene klok geluid; zoodra die klok met luiden ophoudt, moet ook de inzameling der eieren worden gestaakt.

De schildpad van den Orinoco (tortuga) komt in de Guaviare niet voor. De térékaï, die in de Guaviare zeer veel gevonden wordt, leeft ook wel in den Orinoco, maar is daar toch minder gewoon dan de tortuga. De térékaï legt ten hoogste acht-en-veertig eieren. De traan en het vleesch van deze schildpad zijn het meest gezocht. In de Guaviare begint zij tegen het einde van December te leggen, en in den Orinoco omstreeks den tiende Januari. In de zwarte wateren van de Atabapo en andere rivieren vindt men haar niet. De tortuga wordt somwijlen zoo groot en zoo zwaar, dat een volwassen man moeite heeft om haar van den grond te tillen.

Tegen zes uren komen wij aan eene hut op een soort van voorgebergte aan den rechter oever, bewoond door zoogenoemde _Racionales_, dat zijn bekeerde en zoo als het heet beschaafde Indianen. De man is veel jonger dan zijne vrouw, hetgeen hier volstrekt geen zeldzaamheid is. Het schijnen brave, goedhartige lieden. Ik zou dit niet durven zeggen van een buurman, die, van onze komst vernomen hebbende, ons komt bezoeken en ons zeer verveelt met zijne eindeloos gebabbel en zijne meer dan onbescheiden vragen.

11 Januari.--Met het aanbreken van den dag begeven wij ons op weg naar Santa-Barbara. Volgens de mededeelingen van den praatzieken buurman zullen wij daar dertien hutten vinden, benevens klein geld--wij hebben niets meer dan goudstukken--panela en misschien ook rhum. Blijft de wind zwak, dan zullen wij er om twaalf uren zijn; steekt de wind op, dan kan het wel vier uren worden; hij had er bij kunnen voegen, waait het al te hard, dan komt gij er nooit.

Om half twaalf zijn wij reeds te Santa-Barbara. Wij voorzien ons hier van den noodigen voorraad, en daar het dorp verder hoegenaamd niets heeft dat onze belangstelling zou kunnen wekken, vervolgen wij al spoedig onze reis, ten einde zoo mogelijk nog vóór den avond eene plek te bereiken, die eenige kilometers verder ligt en waar wij een kamp zullen vinden van Yarouro-Indianen, wier dorp vier dagreizen verder in het gebergte ligt. Wij komen daar tegen vijf uren. De Yarouros, ten getale van omstreeks veertig, hebben op den wijden vlakken oever eenige kleine hutten opgeslagen. Boven ons welft zich een afrikaansche hemel; voor ons zien wij eene ruime zandvlakte, en een kamp van bronskleurige inlanders; er ontbreken slechts eenige kameelen, en wij zouden ons kunnen voorstellen in de Sahara te zijn. Toen wij aankwamen, keerden de mannen van de vischvangst terug. Zij hebben niet veel gevangen, ter nauwernood genoeg voor hun eigen avondmaaltijd. De verdeeling van den buit is spoedig afgeloopen; weldra zien wij, bij iedere hut, eene kleine groep rondom het vuur geschaard, waarop het maal wordt gekookt. Wij wandelen langs de groepen, en knoopen met ieder kennis aan. De Yarouros zijn zeer donker van kleur; zij wonen in groote savanen: het is dus niet vreemd dat hunne huid zwarter is dan die van de Indianen, welke in de bosschen verblijf houden en minder aan de zonnestralen zijn blootgesteld.

Het haar der mannen is rondom het hoofd afgeknipt; dat der vrouwen hangt los over de schouders. De mannen dragen geene andere kleeding dan het dubbele, van voren en van achteren afhangende schort, dat door een dunnen gordel van hair wordt opgehouden; de vrouwen zijn gekleed met katoenen hemden zonder mouwen. Zij zijn niet beschilderd en dragen ook geen versiersels. Sommige oude vrouwen dragen vijf spelden in haar onderlip: een wonderlijk ornament, dat ik bij jonge vrouwen niet opmerkte. Moet men hieruit afleiden, dat wij hier met eene verouderde mode te doen hebben, die in onbruik zou zijn geraakt: iets wat overigens bij de Indianen niet voorkomt? De dames weigerden halstarrig mij de beteekenis en het doel van dezen zonderlingen tooi te verklaren.

Een blanke, die met zijne vrouw en zijn zoon in de onmiddellijke nabijheid kampeert, treedt op ons toe. Hij drijft handel met de Indianen uit den omtrek; hij koopt in de dorpen cassave en verkoopt die weder langs de oevers van den Orinoco; hij heeft bovendien tabak en visch en allerlei andere snuisterijen, zoo als messen, bijlen, katoen en nog meer te koop.

Ik zie dat eenige Yarouros cassave van hem koopen, die zij hem waarschijnlijk, eenige dagen geleden, zelven geleverd hebben. Ik durf zelfs niet gissen, welke winst hem deze handel oplevert: dat die winst zeer aanzienlijk is staat boven allen twijfel.

Wij koopen van hem eenige stukken visch, althans van iets wat hij beweert visch te zijn, maar dat zoo sterk naar olie smaakt, dat wij er niets van kunnen gebruiken. Waarschijnlijk is het vleesch van den dolfijn, die in den Orinoco en in de Guaviare veelvuldig voorkomt. Wij doen, zoo goed en zoo kwaad als het kan, ons middagmaal met een weinig cassave in koffie geweekt, en strekken ons daarna in onze hangmatten uit, in afwachting dat de Indianen zullen gaan dansen, gelijk zij ons beloofd hebben.

Een met Yarouros bemande prauw komt de rivier opvaren; de nieuw aangekomenen zijn zeer vroolijk, want reeds lang voor zij aan land stappen, hooren wij hen zingen en lachen. Na hunne verschijning heerscht er gedurende zekeren tijd leven en beweging in het kamp: dan wordt het weer stil. Dit is niet overeenkomstig de afspraak, en wij nemen daar geen genoegen mede. De koopman gaat uit onzen naam aan de Indianen mededeelen, dat, indien zij willen dansen, wij koffie, suiker en cassave te hunner beschikking zullen stellen. De onderhandelingen duren vrij lang; eindelijk verklaren een half dozijn mannen zich bereid, aan ons verlangen te voldoen. Met een lapje katoen hebben zij zich drie lange arasvederen op het hoofd gebonden: een dezer vederen verheft zich boven het voorhoofd, de twee anderen steken van achteren uit. Weldra zijn zij op gang; hun gezang, eerst wat dof en mat, wordt allengs levendiger. Verscheidene vrouwen treden naderbij, kijken een poosje toe en doen dan ook mede. Haar luidruchtig, eenigszins gillend gezang brengt al spoedig het geheele kamp op de been. Zelfs de kinderen beginnen mede te dansen. De bejaarde lieden, in verschillende houdingen neergehurkt, zien met belangstelling het schouwspel aan, waaraan zij geen deel meer kunnen nemen. Tusschen iederen dans drinken mannen en vrouwen koffie, en eten suiker en cassave, zoo veel zij maar kunnen.

De lucht is eenigszins bewolkt; als door een lichten sluier werpt de maan haar schijnsel op het fantastisch tooneel. De schorten en hoofdbanden, wit van kleur, komen scherp uit tegen die donkere gestalten, waarboven de lange vuurroode arasvederen wiegelen, die als bajonnetten omhoog steken. De neergehurkte vrouwen schijnen heksen, die haar beurt afwachten, om aan den sabbath deel te nemen. Voeg daarbij den rossen gloed der vuren, waaromheen rood gekleurde gestalten zijn gegroept, die tooverdranken schijnen te bereiden.... Het geheel herinnert onwillekeurig aan eene of andere geheimzinnige fantasmagorie.

De dans duurt zeer lang; de Indianen zijn onvermoeid, maar wij hebben behoefte om te gaan slapen. Wij wenschen hun goeden nacht en bedanken hen voor hunne vriendelijkheid, waarna zij zich in hun kamp terugtrekken.

11 Januari.--Den volgenden morgen kochten wij van de Yarouros eenige voorwerpen, welke uit een ethnografisch oogpunt niet zonder belang waren. Lejanne maakt enkele schetsen, en wij tijgen weer op weg. De vaart, gaat van wege den sterken wind met groote moeilijkheden gepaard; wij houden ons aan den oever en moeten onze prauw met boomen voortduwen. Wij slaan tegen den avond ons kamp op eene zandbank op, en brengen daar een vrij rustigen nacht door, zonder te veel overlast te hebben van muskieten en andere insekten.

13 Januari.--Eerst tegen negen uren des avonds komen wij aan La Urbana, dat gedurende het wintersaizoen slechts een dag reizens van Santa-Barbara is verwijderd. Wij wenschen hier niet langer te vertoeven dan volstrekt noodig is. Wij hebben te San-Fernando brieven mede genomen voor verschillende inwoners van het stadje, en laten ons nu den weg wijzen door den schipper van onze prauw, die de rivier reeds zeven- of achtmaal is afgevaren en de voornaamste inwoners van de dorpen langs den oever persoonlijk kent.

La Urbana is eene arme, doodsche stad. Haar rechtlijnige straten loopen deels parallel met den oever en vormen daarmede deels een rechten hoek. Het aantal huizen is vrij groot, maar de meesten zijn onbewoond. De stad dagteekent eerst uit het jaar 1872; zij werd gebouwd voor lieden, die hier, bij de eindelooze omwentelingen en burger-oorlogen in deze rampzalige republieken, een rustig en veilig toevluchtsoord wenschten te vinden. Nadat de vrede, althans voor een poos, weer hersteld was, werd la Urbana door het meerendeel der bewoners verlaten. De eenige handel, welke hier gedreven wordt, is die in sarrapia. Wij worden te La Urbana zeer hartelijk ontvangen door den heer Fuentes, den broeder van den gouverneur van San-Fernando, die een zeer geschikt huis tot onze beschikking stelt. Maar ons besluit staat vast, om hier niet langer dan een nacht te blijven.

15 Januari.--Het is van morgen betrekkelijk kalm. Omstreeks half twaalf komen wij aan de rio Cabullero, die zich aan den rechter oever in den Orinoco uitstort. Wij houden stil bij de landpunt door de samenvloeiing der beide rivieren gevormd. Lejanne doorkruist den omtrek en ontdekt eenige exemplaren van eene soort van strychnos; bloesems of vruchten van die plant kunnen wij evenwel niet ontdekken. Wij gebruiken in der haast een ontbijt en gaan aanstonds weer in de prauw: wij mogen, nu de wind zich vooralsnog stil houdt, deze gunstige gelegenheid niet laten ontsnappen.

16 Januari.--Wij moeten weer met tegenwind worstelen. Wij varen langs eene zandbank, die geen einde schijnt te nemen. Twee van onze manschappen trekken langs den oever de prauw voort; de schipper en nog een andere Indiaan, met een langen stok gewapend, houden haar in de goede richting.

Lejanne en ik geven er de voorkeur aan te wandelen: onze beenen worden stijf van het eindelooze zitten in die niet al te ruime schuit. Wij volgen den naasten weg en vinden het hooger gedeelte van den zandigen oever ingenomen door eene ontelbare menigte meeuwennesten; overal zien wij eieren en jonge vogels half overdekt door het zand, dat de wind opjaagt. Sommigen dezer jonge meeuwen zijn nog maar ter nauwernood met een grijsachtig dons bekleed; anderen, reeds wat ouder, hebben in hunne onmiddellijke nabijheid een kleinen visch, door de moeder zoo gelegd dat de jonge vogel zijne prooi bereiken kan. Ge kunt u voorstellen, welke eene opschudding onze onverwachte verschijning veroorzaakt! De oude vogels komen woedend op ons aanstormen; zij vliegen rakelings boven onze hoofden, bijten soms in onze hoeden, en verheffen zich dan, onder luid en snerpend geschreeuw, hoog in de lucht. Een oogenblik maken zij het ons zoo lastig, dat wij met een stok boven onze hoofden moeten zwaaien, om de verbitterde vogels op een afstand te houden.

Wij bereiken eindelijk het andere uiteinde van deze zandbank en nemen een bad in eene kleine heldere kom, die met de rivier in verbinding staat. Na eenigen tijd wachtens verschijnt ook onze prauw. Allen gaan nu aan land om te ontbijten. Wij eten het koude vleesch van eene schildpad, die wij in de heete asch hebben laten braden, en die uitmuntend smaakt. Vervolgens varen wij langs de uitmonding van de Apoure, eene vrij belangrijke rivier, die zich ter linkerhand in den Orinoco uitstort.

Het is avond geworden. Voor ons bespeuren wij den kleinen berg, aan welks voet Caïcara ligt: zijne donkere massa teekent zich af tegen den hemel, die rood gekleurd is door den gloed der vuren, welke in het hooge gras der savane ontstoken zijn. Ten zeven uren vertoont zich de oranjekleurige rand van de maanschijf boven den top des bergs: zij rijst snel omhoog in de heldere lucht en giet een stroom van zilverlicht op de breede rivier uit. De avond is zoo schoon en zoo helder, dat wij zonder eenig bezwaar onzen tocht kunnen vervolgen.

Omstreeks acht uren komen wij te Caïcara. Wij gaan aan land nabij rotsen, waarachter zich een zandige, vrij hooge oever verheft. Het dorp ligt een weinig meer achterwaarts; van het punt waar wij aan land zijn gestapt, kunnen wij niet anders zien dan twee of drie daken met roode pannen belegd, die helder door de maan worden verlicht.

Ik laat mij de hut of de woning wijzen van den vertegenwoordiger der regeering. Caïcara heeft het voorrecht, een commissaris van policie te bezitten; ongelukkig is de man een lomperd. Ik meld mij bij hem aan; ik zeg hem wie ik ben en wat ik verlang: hij verwaardigt zich zelfs niet, mij een stoel aan te bieden, maar verzoekt mij, hem morgen mijne papieren te laten zien. Weinig gesticht over deze ontvangst, antwoord ik hem kortaf, dat de vaart op den Orinoco vrij is; dat ik dus mijn verzoek om door zijne bemiddeling een ander vaartuig te verkrijgen, intrek; en dat, zoo hij mijne papieren wenscht te onderzoeken, hij zorgen moet morgen ochtend, met het krieken van den dag, bij mij aan boord te zijn. Ik keer naar den oever terug, en wandel daarop met Lejanne weer naar het dorp om eenige inkoopen te doen. Wij vermaken ons kostelijk met de onhandigheid van twee winkelbedienden, die tot drie malen toe het bedrag optellen en telkens eene andere uitkomst krijgen. De meester van den winkel moet hun eindelijk te hulp komen. Wij gaan naar den oever terug, beladen met onzen voorraad, en vleien ons op het zand tusschen de rotsen neder om te slapen.

17 Januari.--Met het aanbreken van den dag varen wij af en vorderen goed tot omstreeks acht uren. Toen stak de wind weer met kracht op, en wordt de rivier opnieuw woelig en onstuimig. Onze jammerlijke prauw zonder kiel zal ongetwijfeld omslaan: wij sturen daarom op den oever aan en bergen ons in een kleinen inham. De oever is zeer hoog en door het water van de rivier bij wijze vin een trap ingeschaard. Tegen de helling liggen een aantal stammen van ontwortelde boomen.

Ik laat aanstonds het ontbijt gereed maken, ten einde van de eerstvolgende windstilte te kunnen profiteeren. Inmiddels gaat Apatoe het bosch in, om te zien of hij eenig wild machtig kan worden. Hij keert zonder wild terug, maar hij heeft ook hier denzelfden strychnos gevonden, dien Lejanne aan de oevers van de Cabullero heeft aangetroffen; doch ook nu gelukt het ons niet, bloesems of vruchten van die plant op te sporen, hoewel wij er twee uren lang naar zoeken.

Eerst tegen een uur kunnen wij onzen tocht hervatten. Omstreeks zonsondergang ontmoeten wij een zeilschip van ongeveer twintig ton, dat eenige booten op sleeptouw heeft. Onze prauw is niet meer dan een notendop in vergelijking met dit gevaarte, dat vlak langs ons heen vaart. Een der mannen aan boord van het schip, die Lejanne en mij niet gezien had--wij zaten in de overdekte hut--en die vermoedelijk onze Indianen eens bang wilde maken, riep hun op zoo gebiedenden toon toe, uit te wijken, dat wij hun verboden te antwoorden. Hij herhaalde zijn bevelen voegde er eenige bedreigingen bij. Nu sta ik op en breng hem aan het verstand dat wij voor zijne dreigementen niet bang zijn, en dat hij rustig zijn weg heeft te vervolgen, indien hij geene kennis wil maken met onze geweren. Wij zijn beiden uit de hut getreden en houden het geweer in de hand. De kerel kroop aanstonds achter de verschansing weg.

Eerst tegen acht uur, bij helderen maneschijn, komen wij te Plagia Blanca, waar wij den nacht zullen doorbrengen.

18 Januari.--Om vijf uur in den morgen gaan wij reeds op weg. Wij moeten van den morgen en van den avond gebruik maken om te varen, want op het midden van den dag is de wind te sterk.

Tegen tien uren komen wij aan een dorp, Bonita--dat wil zeggen de Schoone--geheeten: een naam, waarop dit ellendig gehucht al zeer weinig aanspraak heeft. Dit zoogenoemde dorp bestaat uit een twintigtal smerige, bouwvallige, verwaarloosde hutten, die noch in haar voorkomen, noch in haar schikking iets schilderachtigs hebben. Zij zijn van den Orinoco gescheiden door een soort van grasperk, waarvan de opgedroogde modderige grond overal de sporen van voetstappen vertoont. Op dit ongelijke terrein bloeit en tiert alle mogelijke soort van onkruid; daartusschen groeit eenig schraal gras, dat gretig afgeschoren wordt door twee of drie ezels, wier luid gebalk door het dorp weergalmt.

Het verbaast mij telkens, dat de bewoners van de oevers van den Orinoco zoo arm zijn, daar toch de grond zoo buitengewoon rijk en vruchtbaar is. Maar ook de vruchtbaarste en rijkste grond eischt althans eenige bebouwing, eenigen arbeid: en waar deze achterwege blijft, baten de gaven der natuur weinig of niets. De armoede dezer lieden is een natuurlijk gevolg van hunne onverwinlijke luiheid; en deze vindt op hare beurt, indien al niet hare verschooning, dan toch zeker hare verklaring in hunne zeer geringe behoeften. Gewoonlijk bezit ieder hier eene eigen hut, eene mandoline, een hangmat, een geweer en eene vrouw: daarmede is men tevreden en bekommert zich verder om niets. Daarbij komt dat de bijna altijd heerschende koortsen de krachten sloopen en de weinige energie dooven. Zoo droomt en soest men het leven door, zonder eenig begrip of vermoeden van een te vervullen plicht, van eene taak, die den mensch gesteld zou zijn. Voor hetgeen zij noodig hebben om te leven, zorgt de al te milddadige natuur haast van zelve; naar iets meer verlangen zij niet: waartoe zouden zij dan arbeiden en zich vermoeien? Lejanne vermoedt dat het enkel uit luiheid is, dat de mannen hun hemd los over hun broek laten hangen: voor het artistieke van deze eigenaardige gewoonte heeft mijn reismakker, helaas! geen oog.

Ik doe eenige kleine inkoopen in het dorp en betaal ongetwijfeld tien maal de waarde. Wij zijn vreemdelingen: en naar de overoude, ongeschreven wet, die ook in andere meer beschaafde landen nog niet geheel vergeten is, meent dus ieder het recht te hebben ons te bestelen. De lieden hier schijnen te gelooven, dat onze zakken met goud gevuld zijn; een blik op onze havelooze kleeding moest, dunkt mij, voldoende zijn om elk vermoeden van rijkdom te onderdrukken.

Voor ons ontbijt hebben wij een sancocho, door François voor ons klaar gemaakt, met eene kip en vruchten. De zandige oever strekt ons tot keuken en tot eetzaal. Wij maken onze hangmatten aan de takken der boomen vast, en zoo tegen de zonnestralen beveiligd, houden wij onze siësta tot vier uren. Dan gaan wij weer aan boord en roeien tot vijf uren. De hemel voor ons overdekt zich met donkere wolken: daar broeit een geweldig onweder, en wij haasten ons den rechter oever te bereiken. Even daarna barst de bui los: de regen valt bij stroomen neder; maar het plassen van het water wordt overstemd door de geweldige donderslagen. Evenwel de bui duurt niet lang; wij hebben gelukkig eene goede schuilplaats gevonden en worden dus niet al te nat. De ongelukkige François heeft op nieuw de koorts, als zoo vaak in den laatsten tijd. En hij is nu onze eenige zieke niet: Lejanne krijgt ook iederen morgen een aanval van koorts, gelukkig in minder hevige mate dan Burban.

19 Januari.--Wij gaan tegen zes uren op weg en komen weldra nabij Altagracia. Hoewel dit dorp nog steeds op de kaarten voorkomt, is er in de werkelijkheid geen spoor meer van te vinden. De Orinoco, dien wij nu reeds sedert ons vertrek van San-Fernando bevaren, is hier buitengewoon breed, en bezaaid met grootere en kleinere eilanden, door zandbanken omgeven. Verscheidene armen van de geweldige rivier zijn nu droog of bijna droog, maar vullen zich in den winter met water: dan vormt de stroom eene bijna onoverzienbare watervlakte, waarboven de talrijke eilanden uitsteken. De plantengroei langs de oevers mist alle karakter: het is laag kreupelhout; nergens ziet men de trotsche reusachtige boomen die de oevers van de Guaviare sieren: de weinige boomen zijn klein en verschrompeld. Een dicht net van woekerplanten omvangt hen en schijnt hun groei te belemmeren. Palmen zijn hier niet meer te zien.