Reis door Nieuw-Grenada en Venezuela De Aarde en haar Volken, 1887

Chapter 1

Chapter 13,712 wordsPublic domain

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/

REIS DOOR NIEUW-GRENADA EN VENEZUELA.

Naar het Fransch van Dr. Crevaux.

I

Den zesden Augustus 1881 vertrokken wij met de transatlantische boot _Lafayette_ uit Saint-Nazaire en kwamen omstreeks veertien dagen later te La Guaira, de haven van Caracas, die ten gevolge van de hevige branding dikwijls zeer moeilijk te bereiken is. La Guaira, amphitheatersgewijze tegen de berghellingen gebouwd, is eene zeer schilderachtige stad met smalle onregelmatige straten, die slecht zijn geplaveid en door lage huizen omzoomd. De roode pannen der bijna platte uitstekende daken, de blauwe of groene tralies voor de vensters, de wit of geel gepleisterde muren brengen toon en kleur in de donkere massa van de in schaduw gedompelde straten. Een bergstroom, waarover zonderlinge bruggen zijn geslagen, loopt midden door de stad. Aan de zeezijde wordt La Guaira door wallen verdedigd; voorts heeft men nog een fort, op een heuvel gebouwd, dat de stad bestrijkt.

Het volgende station is Puerto-Cabello, aldus genoemd omdat, zoo als men beweert, een schip zich daar met een haar zou kunnen vastmeeren. Zooveel is zeker, dat de haven volkomen veilig en tegen alle winden gedekt is. De straten zijn hier breeder en regelmatiger dan te La Guaira. Wij maken eene wandeling door een soort van park, waarvan het onderhoud veel te wenschen overlaat.

Den zes-en-twintigsten Augustus komen wij eindelijk op de reede van Savanilla, en zien vergeefs uit naar eene veilige haven. Weldra steekt eene kleine stoomboot van wal en komt naast ons liggen om de reizigers en de goederen over te nemen. Onze bagage is niet zwaar of omvangrijk: nauwelijks weegt zij voor ons vieren driehonderd pond. Zij wordt in de boot overgeladen, en na afscheid genomen te hebben van onze medereizigers, dalen wij ook zelven in de boot af. De stoomfluit gilt: wij stoomen naar den columbiaanschen oever.

De lucht is betrokken; er broeit een onweer; het is bladstil en ondragelijk heet. Volgens een aanplakbiljet aan boord van de boot, kan men hier plaatskaartjes nemen voor den spoorweg naar Barranquilla: van welke gelegenheid wij ons haasten gebruik te maken. Welhaast bereiken wij de haven van Salgar-Savanilla; de stoomboot stopt aan den steiger, waarop rails liggen die naar het station voeren. Wij hebben niet veel tijd noodig om een kijkje te nemen van het dorp Salgar-Savanilla, eene zeehaven en het aanvangspunt van den spoorweg naar Barranquilla: het gansche dorp bestaat uit acht hutten van planken en palmbladen. De spoorweg en eene smalle strook gronds met wortelboomen bezet scheiden dit dorp van de zee. Een soort van loods of schuur dient den reizigers tot wachtkamer. Wij moeten daar eenige eindelooze uren doorbrengen, wachtende op den trein die ons naar Barranquilla zal voeren.

Onder de passagiers van de _Lafayette_ bevindt zich een jonge Columbiaan, de heer Villavécès, met wien wij aan boord kennis hebben gemaakt. Het is iemand van een vroolijk, aangenaam humeur, beminnelijk, voorkomend, ietwat grillig, eene kunstenaarsnatuur. Hij had eenige maanden te Parijs doorgebracht, om zich daar te bekwamen in zijn vak als lithograaf; hij doet ook wat aan het schilderen en teekenen in waterverf. Hij moet de Magdalena opvaren tot Honda; en daar wij dienzelfden weg moeten volgen, nemen wij met groot genoegen zijn voorstel aan, om ons tot die stad gezelschap te houden.

Omstreeks half vijf worden de reizigers eindelijk gewaarschuwd en vertrekt de trein naar Barranquilla. De wagens zijn verre van gemakkelijk, maar op eene zoo weinig bezochte lijn kan men ook niet veel beters verwachten. Wij rijden door eene lage moerassige streek, vol plassen en poelen. De boomen, die deze plassen omringen, hebben groote, boven den grond uitstekende wortels, en vertoonen eenige gelijkenis met reusachtige spinnen, die haar pooten hoog oplichten om ze niet nat te maken. De plantengroei herinnert in het algemeen niet aan de heete luchtstreek: palmen zijn bij voorbeeld nergens te ontdekken.--De trein stopt drie of viermaal, vermoedelijk aan stations, waarvan echter geen spoor te zien is. Misschien moeten de op den grond liggende boomstammen het toekomstige stationsgebouw verbeelden. Inmiddels is de hemel al donkerder en donkerder geworden; juist als wij het station van Barranquilla binnenstoomen, begint het te weerlichten. Voor het station staan eenige lichte, open, zoogenaamde amerikaansche rijtuigjes. Nauwelijks hebben wij daarin plaats genomen, of het onweer barst los. Gelukkig zijn wij spoedig aan het hotel San-Nicolas, wel een beetje nat, maar overigens ongedeerd. Onze bagage, welke door de douane te Salgar-Savanilla is achtergehouden, zullen wij eerst morgen krijgen. Men geeft ons eene kamer met drie bedden, voor Villavécès, mijn reisgenoot Lejanne en mijn persoon. Behalve de drie bedden zijn er in de kamer nog drie waschtafels en een stoel: ziedaar het gansche ameublement.

Den volgenden morgen zijn wij reeds ten zes uren op de been: wij betalen onze rekening en haasten ons naar het station om onze bagage in ontvangst te nemen. Het douanekantoor gaat eerst om acht uren open. Op het bepaalde uur komen wij terug. Onze koffers worden niet onderzocht, maar eenvoudig gewogen; elk reiziger heeft honderd pond bagage vrij; van ieder pond daarboven moet men drie francs betalen. Onze koffers blijven beneden het bepaald gewicht: ik kan dan ook niet begrijpen, hoe men ons toch twaalf francs in rekening kan brengen. Misschien is dat een soort van entréegeld. Gelukkig blijkt het, dat men onze bagage met zorg heeft behandeld en dat niets beschadigd is.

Wij nemen nu onzen intrek in het hôtel Colombia, waar men ons eene ruime kamer geeft met eene breede veranda. Alles ziet er netjes uit, en ook het eten is goed. De tafel wordt naar landsgebruik bediend: men neemt van alle gerechten te gelijk. Lejanne kijkt wel wat vreemd, als hij op zijn bord eene aardige collectie bijeen ziet van vleesch, visch, eieren, groenten, sla, gebakken bananen. Nog meer verbaast hem het stuk kaas, dat ons, na afloop van den maaltijd, met een kop chocolade wordt toegediend.

In den namiddag gaan wij eene wandeling doen door de stad, die op een lagen vlakken bodem is gebouwd. De straten zijn vrij breed; de rijweg is met zand bestrooid en door den regen met diepe geulen doorploegd; ter wederzijde loopen vrij hooge steenen voetpaden. De huizen zijn gelukkig niet allen aan elkander gelijk. De grooteren zijn met breede veranda's voorzien en schijnen hun pannen daken beschermend uit te strekken over hunne nederige buren, die slechts met palmbladen zijn gedekt. De kleurenwisseling van witte muren, blauwe tralies, roode pannen, maakt in de zon een aardig effect. Eene niet minder aardige vertooning zijn de waterdragers of aguadores, die het water uit de Magdalena door de stad rondventen. Men kan zich haast niets wonderlijkers denken dan hunne kleine ezels, bijna verdwijnende onder de twee vaten, ter wederzijde van het zadel bevestigd; terwijl de aguador zelf, meestal een flinke kerel, tusschen die twee vaten zit, met de beenen gekruist over den hals van het rustig voortdravende dier, dat den ganschen dag met dien zwaren arbeid bezig is. Des nachts is de ezel geheel vrij; dan mag hij, onder den regen, in de nachtelijke koelte, door de straten ronddolen en zich te slapen leggen waar het hem behaagt. Des morgens keert hij trouw naar zijn meester terug om zijn dagtaak te hervatten.

De inwoners vertoonen zich weinig op straat, uitgezonderd de kleurlingen, wier aantal vrij groot is. Tegen den avond echter worden de voetpaden langs de tuinen met stoelen bezet, waarop koperkleurige vrouwen met lange gitzwarte hairen plaats nemen. In de veranda's ziet men, in gemakkelijke houdingen, meer aanzienlijke dames, wier matbleeke kleur en zwarte mantilles hare spaansche afkomst bewijzen. De mannen zijn mager, beenig, gebruind door de zon, ondanks hunne groote panamahoeden. Bijna allen dragen den poncho. In den laatsten tijd hebben zich eenige vreemdelingen te Barranquilla gevestigd; de handel is voornamelijk in handen van Engelschen en Duitschers; de hier woonachtige Franschen zijn voor het meerendeel kappers.

Den negen-en-twintigsten Augustus nemen wij plaats op de stoomboot _Jose Maria Pino_, die ons naar Honda, op driehonderd-zestig mijlen afstand van Barranquilla, moet brengen. Van daar zullen wij ons vermoedelijk naar Bogota begeven. De _Jose Maria Pino_ is eene raderboot, met een diepgang van vijf voet: hetgeen veel is voor de vaart op deze rivier, welke op een aantal plaatsen aan diepte verliest wat zij aan breedte wint, en wier bedding bezaaid is met hoog liggende zandplaten, welke zich voortdurend verplaatsen. De vuren worden met hout gestookt. De boeren langs de oevers stapelen op geschikte punten het hout op, dat de booten, die er langs varen, medenemen. De vaartuigen varen niet anders dan bij dag, ten einde de zandbanken en de door den stroom medegevoerde boomen te vermijden. De meeste gezagvoerders dezer booten zijn Engelschen; een "contador" of hofmeester is belast met de zorg voor de koopwaren en voor het voedsel der reizigers. De bemanning mag een kort begrip van de bevolking des lands worden genoemd: zij bestaat uit eenige blanken, en voorts uit mestiezen en mulatten. De maaltijden zijn aldus geregeld. Bij het opstaan biedt men u een kop koffie met melk aan. Tegen tien uren wordt er geluid voor het ontbijt. De kapitein zit op de eerste plaats, aan het hoogereind der tafel; de contador zit aan het andere einde. De passagiers zetten zich naar welgevallen. Eerst dient men u een bord sancocho, eene nationale soep, gemaakt met gedroogd vleesch, bananen en rijst. De verschillende schotels worden midden op tafel gezet, ten dienste van iedereen. Slechts de biefstuk en het rundvleesch maken eene uitzondering: zij staan bij den gezagvoerder en bij den contador, die al de gasten daarvan bedienen. De tafel is overvloedig voorzien: het menu bevat bovendien nog eieren, visch, gebakken bananen, aardappelen, gekookte yuccas en uien. Het maal wordt besloten met de onvermijdelijke kop chocolade en het daarbij behoorende stuk kaas. Het tafellaken dient tevens tot servet. In plaats van wijn drinkt men het water uit de rivier, dat eerst in groote steenen potten wordt gefiltreerd. De kapitein wacht tot allen hunne chocolade gedronken hebben; dan staat hij op, welk voorbeeld aanstonds door alle passagiers wordt gevolgd. Tegen den avond zet men zich op nieuw aan tafel; het menu is ongeveer hetzelfde. Er wordt weinig wijn gedronken in Columbia; hetgeen niet te verwonderen is, als men denkt aan de hooge invoerrechten. Aan boord van de _Lafayette_ hebben wij een kist met wijn en uitgezochte likeuren laten vullen, die vrij is binnengekomen, omdat niemand onze bagage heeft onderzocht.

Omstreeks half een in den namiddag van den negen-en-twintigsten Augustus zette de _Jose Maria Pino_ zich langzaam in beweging. Wij hebben een half uur noodig om uit het kleine kanaal te komen, dat Barranquilla met de Magdalena verbindt: juist ten een uur stoomen wij de rivier op. Er gaat een sterke stroom, want de rivier is zeer gewassen. De Magdalena is hier zeer breed; de oevers zijn laag en vlak. In den omtrek van Barranquilla zien wij eenige sporen van bebouwing: weiland met hoog opgeschoten gras, eenige velden met maïs, suikerriet, bananen en palmen. Talrijke kokosboomen verheffen hunne bladerkronen, waaronder de groote gele noten hangen, hoog in de lucht.

Den volgenden morgen word ik reeds vroegtijdig gewekt: de boot, die gedurende den nacht had stil gelegen, zet zich weer in beweging. Ten zeven ure kwamen wij te Calamar, aan den ingang van het kanaal naar Carthagena; wij houden hier een uur stil. De donkerkleurige inwoners volgen, van den oever, met nieuwsgierige blikken de vaart van de boot.--Negen dagen lang varen wij nu de rivier op, zonder eenige merkwaardige ontmoeting. Ik zal mijne lezers dan ook niet vermoeien met een verslag, dat geen recht zou hebben op hunne belangstelling; slechts enkele bijzonderheden verdienen meer opzettelijke vermelding. In de eerste dagen voeren wij langs een groot aantal eilanden, die pas waren gevormd of waarvan de vorming zelfs nog niet voltooid was; andere eilanden, door den stroom aan de eene zijde afgeknaagd, breiden zich aan de andere, door de nederzetting van slib, voortdurend uit; zij veranderen niet alleen van gedaante, maar ook van plaats. Deze vervorming is aan allerlei wisselvalligheden onderhevig: een plotselinge sterke was verandert de richting van den stroom en vernietigt in enkele uren den arbeid van vele jaren. Deze platen of eilanden zijn eerst met gras begroeid, dat vervolgens door biezen vervangen wordt; eerst later vertoonen zich, in bepaalde volgorde, struiken en boomen.

Hoe verder wij komen, des te talrijker worden de kaimans; somwijlen zag ik er twintig en meer bijeen op eene enkele zandbank. Hun lange staart heeft ter wederzijde donkere strepen, even als de huid van een tijger. Weinig minder talrijk zijn de urubus, een soort van gieren, die meestal in troepen bij elkander leven, waarvan, naar men mij verhaalt, een der sterkste gieren het hoofd is; deze aanvoerder zou van elke prooi eerst zijn deel mogen nemen, waarna de anderen zich te goed doen aan hetgeen overblijft.--Langzamerhand wordt de rivier smaller: de eilanden worden zeldzamer en de oevers hooger. Hier en daar vertoonen zich enkele rotsen. Ook de flora verandert van karakter: wij varen door prachtige tropische bosschen, waarin reusachtige boomen hunne door lianen omslingerde stammen opheffen.

Eindelijk, den zevenden September, komen wij aan de haven van Nare; het dorp zelf van dien naam ligt een half uur van den oever verwijderd.

De _Jose Maria Pino_ moet hier hare lading lossen, en kiest eene ligplaats vlak bij eene andere stoomboot, de _General Trujillo_, die aan eene andere maatschappij behoort, en die, hoewel eerst twee dagen na ons van Barranquilla vertrokken, ons evenwel reeds heeft ingehaald. Deze boot heeft slechts een diepgang van drie voet, en heeft dus bijna nooit hinder van laag water. Zij zal den tienden te Honda zijn. Daar de _Jose Maria Pino_ waarschijnlijk eerst veel later daar komen zal, besluit ik op de _General Trujillo_ over te gaan. De voorwaarden, die men ons stelt, zijn bezwarend genoeg: ik moet voor de geheele reis van Barranquilla tot Honda betalen; maar op reis offer ik altijd, zoo veel ik kan, geld op om tijd te winnen. Aan boord van de nieuwe boot leeren wij bij ondervinding den bitteren naijver kennen tusschen de beide maatschappijen, wier booten de Magdalena bevaren: men kan het ons niet vergeven, dat wij ons eerst met de andere maatschappij hebben ingelaten. De contador weigert ons zelfs de hulp van matrozen om onze bagage over te brengen.

Den tienden September bereiken wij de eerste watervallen of liever stroomversnellingen van de Magdalena, wier bedding steeds smaller en wier verval steeds grooter is geworden. Daar zijn drie zulke stroomversnellingen, zeer dicht bij elkaar, beneden Caraccoli, die voor de stoombooten zeer bezwaarlijk zijn. Onze boot arbeidt met volle kracht; hijgend, snuivend, stampend, sidderend in al hare leden, komt zij, na herhaalde inspanning, den slagboom te boven. De gezagvoerder heeft op dit gevaarlijk punt reeds twee booten verloren.--Zonder ongeval komen wij te Caraccoli, waar de stoomvaart op de Beneden-Magdalena ophoudt. Honda ligt op den linkeroever, op den afstand van ongeveer drie kilometers. Om Bogota, dat aan den rechteroever ligt, te bereiken, moet men een tocht van drie dagen door het gebergte doen.

II

Te Honda worden wij met de meest voorkomende vriendelijkheid ontvangen door den heer Whitney, die kamers tot onze beschikking stelt en ons in kennis brengt met de te Honda gevestigde Engelschen, zijne landgenooten, die ons mede zeer hartelijk ontvangen.

Honda is een van de oudste steden van Columbia. Door hare ligging was zij volkomen beveiligd tegen invallen van de Indianen, want zij was voor zulke vijanden zoo goed als ongenaakbaar. De stad is namelijk op een heuvel gebouwd, omringd door de Magdalena, die vlak voor de stad eene sterke stroomversnelling vormt, en verder door twee beken of bergstroomen, die zich hier in de rivier uitstorten. De stad is dus bijna geheel omgeven door onstuimige snelvlietende wateren, wier aanhoudend geruisch de lucht vervult. De muren der huizen zien er, aan de zijde van de Magdalena, als oude vestingwerken uit. Twee bruggen, waarvan eene ijzeren, eerst onlangs gebouwd, voeren over de Guari, eene van de twee zoo evengenoemde beken, en vormen de verbinding van de stad met den weg naar Caraccoli. Ten zuidwesten verheffen zich kale en steile bergen, wier naakte wanden reusachtige muren schijnen. Andere bergen vormen bijna een krans om den heuvel, waarop Honda is gebouwd, dat alzoo in eene soort van kuil schijnt te liggen. Dankt de stad daaraan haar naam, welke diep beteekent, of aan de ravijnen, welke haar omgeven?

Den volgenden dag begeven wij ons naar Caraccoli, waar wij den president Nuñez zullen ontmoeten, voor wien de heer de Lesseps mij een aanbevelingsbrief heeft mede gegeven. Een aantal _caballeros_ zijn gekomen om den president te begroeten, allen gekleed met den nationalen poncho, den grooten sombrero of panamahoed en wijde losse broekspijpen, die tot de knie reiken en die zij uittrekken als zij van het paard stijgen. Zoodra de president verschijnt, snellen zij aan boord van de _Montoya_, om hem hunne hulde te brengen. Daar worden geweren afgeschoten en vuurpijlen opgelaten, terwijl een muziekkorps het volkslied speelt. Nadat de eerste drukte een weinig bedaard was, laten wij gehoor verzoeken. De president ontvangt ons zeer vriendelijk en belooft ons een brief van aanbeveling voor de verschillende ambtenaren en voor zijne persoonlijke vrienden.

Sedert eenigen tijd is er eene maatschappij opgericht voor de stoomvaart op de Boven-Magdalena. Zij bezit nog slechts eene enkele boot, de _Tolima_, die haar derde reis gaat doen. De aanlegplaats bevindt zich boven de onoverkomelijke stroomversnelling van Honda. De rivier heeft op dat punt eene breedte van twee-en-negentig el.

Wij vertrekken den zeventienden September. Het landschap draagt hier een geheel ander karakter dan langs de Beneden-Magdalena. Bergen verrijzen ter hoogte van vier- of vijfhonderd el; daartusschen strekken zich zoogenoemde llanos of open vlakten uit, waardoor de stroom zich een bed heeft gegraven. De hellingen der bergen, waarop de oude bosschen zijn uitgeroeid, zijn met hoog opgeschoten gras bedekt.

Onze stoomboot is even als de _Trujillo_ ingericht; zij heeft slechts een rad aan den achtersteven en een diepgang van niet meer dan drie voet. De kapitein en de contador zijn zeer vriendelijk en voorkomend. De passagiers der eerste klasse zijn tamelijk gemengd. Wij ontmoeten daar een afgevaardigde, den heer Mutis, een zeer ontwikkeld jongmensch; voorts kolonel Blanco, doktor Lombana, een photograaf, en een goochelaar, die, zoo ik mij niet bedrieg, met het geld dat hij aan boord ophaalt zijn overtocht moet betalen. Hij stelt zich voor, vertooningen te geven in de steden en dorpen langs den oever, en zoo, door middel van zijne ontvangsten de kosten der reis bestrijdende, Neiva te bereiken.

Den volgenden dag komen wij, tegen den avond, te Ambalema. Blijkbaar zag men daar met zekere spanning de komst van de boot te gemoet, die, daar zij eerst hare derde reis volbrengt, nog een voorwerp van nieuwsgierigheid is voor de bewoners van het stedeke. Toen wij aankwamen, stond bijna de geheele bevolking langs den oever geschaard. Ambalema is niet meer dan een dorp, op een lagen heuvel gebouwd. Een vrij ruim vierkant plein, dat den top van dien heuvel inneemt, is door enkele vrij steile, slecht geplaveide straten met de rivier verbonden.

Omstreeks twee uren in den namiddag van den twintigsten September bereiken wij den salto del Gallinaso, dien wij niet zonder moeite en eerst na herhaalde vruchtelooze pogingen kunnen passeeren. Terwijl wij daarmede bezig waren, hadden de bewoners der omliggende hoeven en boerderijen zich langs de oevers verzameld, en sloegen ons met stomme verbazing gade. Vooral werd onze aandacht getrokken door eene breedgeschouderde indiaansche vrouw, die zich bijzonder druk maakte. Een laag uitgesneden hemd zonder mouwen, van blauwe stof, dat tot de knieën reikt, is haar eenige kleedingstuk. Wij hebben den val reeds achter den rug, en nog altijd loopt zij, als eene bezetene, langs den oever de boot na, haar lange zwarte haren en haar kleed fladderende in den wind.

Het verval wordt voortdurend sterker; het land rijst meer en meer, doch het landschap blijft in hoofdzaak onveranderd. De eilanden en de lage aangespoelde oevers zijn bedekt met weelderige plantsoenen van bananen of plataneros. De bananen vormen een hoofdbestanddeel van de volksvoeding: van onrijpe maakt men sancocho; de rijpe vruchten worden gebakken of als beignets gegeten: zij zijn dan ook een belangrijk handelsartikel. De bezitters van plataneros maken van de stammen van bananen vlotten, waarop zij zich met hun produkten inschepen, om ze in het naburige dorp te gaan verkoopen. Even boven Purification zien wij zulk een vlot, waarop zich een gezin met een klein kind bevindt. Een ezel, achter op het vlot aan een paal vastgebonden, kijkt met droomerigen blik naar het geelachtige water in de rivier, dat voor zijne voeten wegstroomt, en schijnt in het minste niet verbaasd over deze wijze van beweging.

Langs de oevers ziet men nog enkele boschjes van bamboe. De overblijfselen der oude bosschen, die nog hier en daar de berghellingen bekleedden, verminderen en verdwijnen met den dag. De inboorlingen schijnen het er op gesteld te hebben, tot den laatsten boom te verbranden, om weilanden aan te leggen. Overal stijgen reusachtige rookwolken in de lucht, hetgeen vooral des nachts een zonderling effect maakt. De hemel is rood gekleurd door deze tallooze branden. Indien dit uitroeien der bosschen ongehinderd wordt voortgezet, is het dan niet te vreezen, dat de regen zal ophouden en dit heerlijke land in eene woestijn worden herschapen? Maar de onmetelijke wouden van de reusachtige Andesketen zijn niet zoo gemakkelijk uit te roeien. De temperatuur is zeer hoog in deze vallei van de Boven-Magdalena: elken namiddag teekent de thermometer in mijne kamer vijf-en-dertig graden.--Wij maken eenige uitstapjes in den omtrek en bezoeken verschillende dorpen, die allen op elkander gelijken. De woningen of hutten zijn overal naar hetzelfde model gebouwd, en ook de kleederdracht is overal dezelfde. De mannen dragen voor het meerendeel kleederen van fransch maaksel; in plaats van een vest en een jacquette dragen zij echter den nationalen poncho. Hunne bloote voeten steken in eene soort van schoenen, bestaande uit een lederen zool en twee lappen doek, die den voet en den hiel omvatten. De vrouwen dragen hetzelfde schoeisel, een jurk van dun katoen en een dikken shawl. Op haar hoofd dragen zij een puntigen panamahoed, met breede randen, waarvan het breede lint van voren met een gesp of een strik is versierd. Dit is de gewone kleeding van de muchachos, de vrouwen en meisjes uit de volksklasse, die er over het algemeen niet onaardig uitzien. De boerinnen met haar platte hoeden zien er niet minder aardig uit. De vrouwen van meer gegoeden stand zijn op europeesche wijze gekleed, met uitzondering van den hoed.