Reis door Griekenland De Aarde en haar Volken, 1887

Chapter 3

Chapter 33,673 wordsPublic domain

Wij hadden onzen intrek genomen bij den demarch of burgemeester, wiens rijkdom voornamelijk in talrijke kudden bestaat: een man van grooten invloed, die een zeer fraai en comfortabel huis bewoont met zijne jonge vrouw, zijne moeder en eene zuster zijner vrouw. In Griekenland is een gast al spoedig een vriend, en schier altijd is de ontvangst van dien aard, dat zij de aangenaamste herinneringen achterlaat. Zoo als steeds de gewoonte is wanneer er vreemdelingen zijn, was er des avonds ten huize van den demarch een talrijk gezelschap bijeen, en wij hadden te antwoorden op tallooze vragen, waaruit belangstelling, maar vooral niet minder nieuwsgierigheid sprak. "Van waar komt gij? waar gaat gij heen? wat is uw beroep? zijt gij gehuwd? hebt gij kinderen? zijt gij voor de eerste maal in Griekenland? hoe bevalt u dit land?" Is hunne weetgierigheid bevredigd, dan komt geregeld de eeuwige politiek, die plaag onzer eeuw, op het tapijt. Maar hoezeer dit onophoudelijk politiseeren u tegen de borst moge stuiten, toch kunt ge niet nalaten, het gezond verstand, de scherpzinnigheid en de kennis dezer bewoners van een nietig stadje in het hart van het gebergte te bewonderen, en vooral de helderheid, waarmede zij hunne denkbeelden weten uit te drukken. Overal, ook op het platte land, vindt men diezelfde vlugheid van begrip en scherpte van blik, die juiste en heldere wijze van zich uit te drukken, die een der kenmerken zijn van het grieksche ras, waardoor het ook nu nog boven alle andere christelijke of mohammedaansche rassen van het Oosten uitmunt. Even als in de oudheid, staat ook nu nog bij hen verstandelijke ontwikkeling bovenaan. In dit land, waar nog dezelfde ploeg in zwang is dien Triptolemos gebruikte, waar de wijn door hars ondrinkbaar wordt gemaakt, waar rijtuigen genoegzaam onbekend zijn en zelfs zeer vermogende lieden dikwijls in hun mantel gewikkeld op den grond slapen, waar geene enkele nuttige kunst of industrie ernstig beoefend wordt;--in dat zelfde land wemelt het van wijsgeeren, rhetoren, schrijvers, dichters; vindt men eene universiteit en drie scholen voor hooger onderwijs, eene akademie van natuurkundige wetenschap, een archeologisch genootschap, bibliotheken en openbare scholen; men vindt hier meer drukkerijen dan schoenenwinkels, en jaarlijks verschijnen hier tal van werken over sociologie, theologie, geneeskunde, nationale geschiedenis, dichtkunst en philologie; maar groot bovenal is het aantal dagbladen, die overal en door allen met ijver gelezen worden. Ik zie de zeer ernstige schaduwzijde van deze eenzijdige ontwikkeling in geenen deele over het hoofd, maar kan niet nalaten hulde te brengen aan de intellektueele werkzaamheid van dit zeldzaam begaafde volk.

De Grieken, met wie wij dien avond te Kalavryta in aanraking kwamen, behoorden voor het meerendeel tot de kleine burgerij, maar allen waren bezield door dezelfde eerzucht, hetzij dan voor zich zelven, hetzij voor hunne kinderen: allen wenschen hooger op te klimmen, zich een weg te banen, en om daartoe te geraken hunne kennis te vermeerderen. Van daar de ijver, waarmede zelfs de kinderen uit de armste gezinnen de scholen bezoeken.--Zij die geen kans zien, langs dezen weg, door arbeid--wel te verstaan, door intellektueelen arbeid--vooruit te komen, wenschen niets vuriger dan een oorlog, waardoor de grenzen van het koninkrijk zouden worden uitgebreid en een wijder veld voor hunne eerzucht geopend.

Den volgenden morgen zouden wij in het klooster Megaspilion gaan ontbijten en, zoo mogelijk, in het gehucht Solos overnachten, aldus het gebergte langs de golf van Korinthe volgende, om verder over Sikyon de stad Korinthe te bereiken. Daar de morgenlucht scherp en koud was, gingen wij te voet vooruit, terwijl de lastdieren werden beladen. Aanvankelijk loopt de weg door bebouwde velden; de boeren, die wij tegenkomen, vooral de kinderen, zien er lijdend uit: blijkbaar zijn zij ondermijnd door de koorts, een gevolg van de overstroomingen van den Buraïkos. In den zomer en den herfst is de vallei zeer ongezond; de welgestelde inwoners van Kalavryta verlaten dan ook de stad en kampeeren op vier mijlen afstand, bij het dorp Kerpeni, waar men eene gezonde lucht on uitmuntend water heeft.

De weg volgt de rivier en steekt die herhaaldelijk over, en wel door middel van steenen bruggen, eene groote zeldzaamheid in Griekenland. Rechts en links verheffen zich roodachtige, kale bergen, slechts met enkele dennenboschjes op den top; bij den uitgang van het smalle ravijn bespeuren wij aan onze rechterhand het klooster, als een zwaluwennest geplakt tegen een loodrechten rotswand van honderdvijftig el hoogte. Naarmate wij langs het slingerend pad, dat met tallooze wendingen naar het klooster voert, omhoog stijgen, kunnen wij beter die verzameling van kleine onregelmatige gebouwtjes onderscheiden, die als het ware boven de vallei zweven. De aanblik is eenig en zoo schilderachtig mogelijk: hier een wit, daar een zwart gebouwtje; sommigen laag en breed, anderen weder hoog en smal, afgewisseld door galerijen en terrassen, alles zonder orde en symmetrie, in de bontste wanorde door elkander. Hoe hooger wij klommen, des te meer scheen ook het klooster boven onze hoofden te stijgen; de helling is zoo steil, dat wij nu en dan niets anders zagen dan den onderkant der uitspringende balkons en galerijen. Op zeker punt is de weg afgesloten door eene gewelfde poort en een bolwerk met vier schietgaten: eene herinnering uit den tijd toen het klooster veeleer eene vesting dan een bedehuis mocht worden genoemd en meer dan eenmaal de aanvallen van Turken of Albaneezen had te doorstaan. De monniken waren toen niet minder vertrouwd met de behandeling van het geweer dan met die van hun rozenkrans; op eene schilderij in het klooster kan men zien, hoe zij met de wapenen in de vuist den aanval van Ibrahim pâsja afslaan, die verschrikt de vlucht neemt voor de onverschrokken dapperheid zijner vijanden.

In de receptiezaal werden wij ontvangen door den hegoumenos, een eerwaardig grijsaard met een langen witten baard, met fijngeteekende trekken en donkere oogen, vol vuur en vernuft. Er werd koffie met confituren gepresenteerd, en wij werden in de bloemrijkste taal en met de uitgezochtste complimenten welkom geheeten. De hegoumenos wilde ons zelf door het klooster rondleiden. Hij bracht ons eerst naar de kerk, welke in een der drie ruime natuurlijke grotten in de kalkrots is gebouwd: eene kleine, donkere, lage kerk, waarvan de pilaren met zeer middelmatig schilderwerk zijn bedekt. Aan de eene zijde van de ikonostasis hangt een wonderdoend beeld, het voorwerp van de grootste vereering in geheel den omtrek. Het is eene soort van wassen pop, die door den tijd geelachtig bruin is geworden; het beeldje is overigens plomp en onbeholpen en bij uitnemendheid leelijk, en mist ten eenemale het naïeve, innig vrome gevoel, dat zich uitspreekt in de schilderijen van Lucas, den candiootschen schilder uit de twaalfde eeuw, wiens werk door geheel Griekenland algemeen op naam wordt gesteld van den Evangelist Lucas.

In eene lagere grot, waarheen een in de rots uitgehouwen, vochtige en glibberige trap voert, staan rijen vaten geschaard, waarvan het grootste den naam van Angelika draagt en meer dan twintigduizend kan bevat. In deze vaten wordt de wijn bewaard, dien de brave monniken op hunne zeer uitgestrekte akkers aankweeken: een ruwe en zure wijn, dien wij moesten proeven, en wat meer zegt, als heerlijk prijzen. Als in alle grieksche kloosters, bestond de bibliotheek ook hier uit eenige wanordelijk door elkander verspreide boeken, bedekt met stof en vochtvlekken; eenige evangeliariën uit de elfde en de twaalfde eeuw, leerreden van Sint-Johannes Chrysostomos en enkele firmans van de Verheven Porte, met smaakvolle arabesken en bloemen versierd. De hegoumenos scheen zeer verbaasd, dat wij zooveel aandacht schonken aan die oude perkamenten, die hij vervolgens weder zonder eenige orde in eene oude kist gooide, te midden van wolken stof.--De cellen der monniken, in de benedenverdieping, zijn klein, bedompt en vochtig; het eenige ameublement bestaat uit een tapijt en een deken, die hun tot bed en zitplaats dienen; de wanden zijn kaal, zonder eenig sieraad.

De monniken van Megaspilion behooren, als die van alle grieksche kloosters, tot de orde van Sint-Basilius, die den veldarbeid voorschrijft en geene strenge kloosterlijke afzondering vordert. Maar de monniken arbeiden niet en lezen evenmin; doorgaans bepalen zij er zich toe, het oog te houden op de boeren, die de velden en akkers en wijngaarden van het klooster bearbeiden; voorts brengen zij hun tijd door met het nu en dan slordig en onachtzaam opdreunen van gebeden, waarvan zij de beteekenis zelfs niet trachten te begrijpen, met dommelend soezen, des winters in den zonneschijn, des zomers in de schaduw, neergehurkt op de galerijen. Rijst er eenige gedachte in hun slaperig brein op, dan is het wel die, dat voor hen de dagen zachtkens vervlieten in ongestoorde rust, zonder zorg of kommer, altijd even kalm, met denzelfden steeds wederkeerenden sleur, tot ook zij eindelijk ter ruste worden gelegd naast hunne broederen, die den eeuwigen slaap slapen daar beneden, op het kleine kerkhof, waar de vogelkens kwinkeleeren in de groote cypressen. Zulk een klooster is niets anders dan eene vereeniging van grondbezitters, die zich op zeer gebrekkige wijze van hunne taak kwijten, en voorbijgaan zonder eenig spoor achter te laten, zonder eenigen invloed, en wel het minst een godsdienstigen geestelijken invloed, op hunne omgeving te hebben uitgeoefend.

IV

Megaspilion verlatende moeten wij tegen den berg opklauteren, die zich achter het klooster verheft, en achtervolgens al de noordelijke contreforten van den berg Khelmos bestijgen. Terwijl wij zoo langs het smalle en steile pad voortzwoegden, ontmoetten wij enkele monniken te paard, gemakkelijk gezeten op breede welgevulde pakzadels. Sommigen keeren terug van de wijngaarden, waar zij de arbeiders hebben gadegeslagen die de ranken opbinden; anderen zijn tegenwoordig geweest bij het dorschen van het koren in de vallei van Diakopto, waar de rijkste boerderijen van het klooster liggen. Een ander ging den berg op, om een bezoek te brengen aan vijfhonderd bijenzwermen, die uit het klooster naar het bosch waren overgebracht gedurende den tijd dat de _pevka_-pijn bloeit, waarvan het zetmeel aan den honig een heerlijken geur geeft. Het is de gewoonte in Griekenland, aldus tot twee-, driemalen toe, de bijen naar verschillende plaatsen over te brengen, in verband met den aard en den overvloed der bloemen die zij daar kunnen vinden; de naburige dorpen moeten een zeker recht betalen aan den hegoumenos van Megaspilion, wanneer zij hunne korven naar de bosschen van het klooster overbrengen.

De weg wordt voortdurend slechter. Wij loopen inderdaad groot gevaar, den hals te breken, en onze lastdieren, wier vracht telkens tegen de uitstekende rotspunten stoot, dreigen elk oogenblik in den afgrond te rollen. Drie uren lang waren wij als verloren te midden van een baaiert van bergen, tegen de steile toppen opklauterende, in diepe ravijnen nederdalende om aanstonds weer naar boven te klimmen, tot wij eindelijk eene hoogvlakte bereikten, van waar wij de golf van Korinthe konden overzien en op den achtergrond de keten van den Parnassos, nog met sneeuw bedekt. Voor onze voeten ontrolde zich, afdalende naar de zee, eene aaneenschakeling van heuvelen en valleien, met donkere bosschen bedekt, bebouwd, bezaaid met dorpen, waarvan de roode pannendaken schilderachtig uitkwamen onder het loof der kastanjeboomen, en doorsneden door tallooze beken, welke zich door de maïsvelden slingeren.

Om te Peristera te komen, moesten wij eene steile helling bestijgen langs een pad, bezaaid met losse steenen, die telkens wegrolden onder de pooten onzer uitgeputte paarden. Alle plantengroei had nu weer opgehouden, en wij waren omringd door hooge, kale, roodachtige rotsen, voor welker schilderachtige vormen wij meer oog zouden gehad hebben, indien zij niet eene zoo ondragelijke hitte hadden uitgestraald en zoo verblindend het zonlicht weerkaatst.--Alvorens Solos te bereiken, moesten wij nu naar de vallei van de Krathis afdalen, langs eene zoo moeilijke en gevaarlijke helling, als wij nog zelden hadden gezien, glijdende en bij iederen voetstap vallende, terwijl onze paarden, ondanks de inspanning der geleiders, telkens uitgleden en ter aarde stortten. Ik heb niet dikwijls in mijn leven zulk een vermoeienden en gevaarlijken tocht gemaakt. Het was inderdaad eene uitkomst, toen wij eindelijk het dorp Solos bereikten, in eene bekoorlijke vallei, te midden van kastanjes en bloeiende vruchtboomen gelegen, aan de samenvloeiing van de Krathis en de Mavro Nero, ook Drako Nero genoemd, welke niet anders en niet minder is dan de Styx, de rivier van de onderwereld, wier sombere wateren dood en verderf verspreidden.

Op omstreeks een uur afstands van Solos voert een woeste, eenzame pas, waarvan de groene en donkerpaarse rotswanden een fantastischen indruk maken, naar een soort van circus, in de loodrechte wanden van den Khelmos uitgehouwen, en van welks top twee dunne waterstralen, als zilveren linten, naar beneden zweven en zich halverwege in damp en nevel oplossen. Als, in sommige gevallen, nevels en wolken willen medehelpen om het effect te verhoogen, en door speling en verdeeling van licht en schaduw de bergkloof in kille schemering is gedompeld, terwijl de toppen der rotsen schitteren in vlammenden gloed, dan is het schouwspel zeker aangrijpend en grootsch; maar toch is het moeilijk te begrijpen waarom de ouden juist deze plek hadden uitgekozen om daar den ingang der hel te plaatsen. Nog onder den indruk van onze klassieke herinneringen, verwachten wij geheel iets anders: een woest en huiveringwekkend tooneel; zwarte gapende afgronden, waaruit het dof geluid van rollenden donder u tegenklinkt; geheimzinnige duistere kloven, waarin de wind huilend en klagend ommegiert en vreeze des doods sidderend rondwaart...... Gij vraagt u af, waar hier de onderwereld is; waar de verschrikkingen van den noodlottigen Styx? waar de afgrond, aan welks donkeren rand Demeter, in ademlooze spanning, den terugkeer harer dochter afwachtte? Gij zijt teleurgesteld, en ge kunt een gevoel van wrevel niet onderdrukken jegens de dichters, die u zoo hebben beet gehad en in zoo hooge mate uwe belangstelling wisten te wekken voor iets, dat enkel in hunne verbeelding bestond.

Het water van den Styx, dat veeleer uit den hemel schijnt te dalen, dan uit het schimmenrijk van den Hades op te wellen, is frisch en helder. De ouden kenden aan dat water eene bijtende, invretende kracht toe, en beweerden dat men het uitsluitend in hoornen kruiken kon bewaren. Verwonderlijk inderdaad is, te dezen aanzien, de men zou haast zeggen kinderachtige naïeveteit, waarmede de beroemdste geleerden der oudheid in vollen ernst de vraag overwegen, van welk dier de hoef zulke merkwaardige eigenschappen bezit. Plutarchus hield het met den ezel; Aelianus was van hetzelfde gevoelen, maar met de nadere bepaling dat hier alleen van skythische ezels sprake kon zijn; Pausanias heeft alleen van het paard hooren spreken; Plinius zou aan de muilezelin de voorkeur geven; Vitruvius aan den muilezel: nog eens, het is schier onbegrijpelijk, hoe ernstige zeer ontwikkelde mannen zich met dergelijke kinderachtigheden kunnen bezig houden.

Na Solos verlaten te hebben, klimmen wij langzaam en met inspanning de steile hellingen van den Khelmos op, geheel van plantengroei ontbloot; maar aan de andere zijde, naar het zuiden, voert de weg midden door bosschen van hooge breedgetakte dennen, die ons aan de majesteit en den indrukwekkenden ernst van de wouden van het noorden herinneren. Bij eene plotselinge kromming van den weg bespeuren wij het meer van Pheneia, omgeven door een wijden kring van hooge bergen met bosschen bedekt, waarvan de steile hellingen bijna loodrecht naar het meer afdalen, in welks heldere wateren zij zich weerspiegelen. Ware de hemel niet zoo helder en vol licht, men zou kunnen wanen in Schotland te zijn, in het zoo schilderachtige en poëtische graafschap Ross. Deze groote waterkom, die tegenwoordig ruim negen kilometers lang en zeven breed is, bestond in de oudheid nog niet; maar daar de onderaardsche kanalen en buizen, langs welke het water van dezen reusachtigen trechter vroeger wegstroomde, door welke oorzaak dan ook, ten deele verstopt zijn geraakt, heeft zich langzamerhand een meer gevormd, waarvan de waterspiegel voortdurend rijst. Sedert lang reeds is de plaats waar het oude Pheneia stond onder het water bedolven; slechts de akropolis steekt nog als een rotsige kaap daarboven uit.

Tusschen Phonia en het meer Stymphalos voert onze weg over eene reeks van woeste en kale plateaux. Niet minder woest en doodsch is de aanblik van het meer zelf met zijne moerassige oevers, een broeinest van koortsen, en zijn gordel van kale bergen en vale rotsen. Het doodelijk zwijgen dat alomme heerscht; de verpeste dampen, die uit de kloof opstijgen, waarin zich het water van het meer uitstort; de zware drukkende lucht in deze bedompte, van alle kanten ingesloten kom:--alles maakt een pijnlijken, benauwenden indruk op de weinige reizigers, die deze plek bezoeken.--Daarom waren ook wij, ondanks den aandrang van onze agoyaten, en hoewel de dag reeds ten avond neigde, niet gezind om te Zaratia te overnachten, maar bleven bij ons besluit om tot Dousia te gaan. Wij allen waren tot uitputtens toe vermoeid van de bezwaarlijke reis; onverschilligheid en verveling maakten zich van ons meester bij dezen eindeloozen tocht door die eenzame, woeste, zwijgende landschappen, door kale vlakten blakerende in den zonnegloed, door vochtige valleien, kweekplaatsen van kwaadaardige koortsen. Wij zagen met ongeduldig verlangen uit naar de zee, naar een ruimer horizon, naar de beschaafde wereld, waarvan wij afgestorven schenen.

De eenige straat van het dorp Dousia was opgevuld met menschen. De Grieken zijn altijd uiterst beleefd en voorkomend jegens vreemdelingen die hun land bezoeken. Men kwam ons te gemoet; wij moesten afstijgen en in een koffiehuis binnengaan, waar een der notabelen van het dorp ons koffie aanbood. Wij vernamen dat de buitengewone drukte veroorzaakt werd door eene bruiloft; weldra kwam de bruidegom zelf, op de meest wellevende wijze, ons uitnoodigen bij de plechtigheid tegenwoordig te zijn, en deel te nemen aan het bruiloftsmaal, dat nog dien eigen avond zou gehouden worden. De kerkelijke plechtigheid was op morgen bepaald.

Deze maaltijd--zoo als alle dergelijke feestmaaltijden op het platte land in Griekenland--bestond uit lammeren, die in hun geheel gebraden en opgedischt worden, uit rauwe uien, uit harde eieren en schapenkaas; een met wijn gevulde groote kruik ging van hand tot hand, en tegen het einde van den maaltijd bracht men eene reusachtige kruik met yaourt, eene soort van gestremde melk, die men slechts in het Oosten vindt, veel fijner en vetter dan de onze, en waarin de gasten om strijd hunne houten lepels dompelden. De toebereidselen tot dit feest hadden gedurende drie dagen aanleiding gegeven tot allerlei symbolische plechtigheden en handelingen, waarin nog de flauwe herinnering leeft aan het oude heidendom, dat in het hart dezer naïeve en tegelijk romaneske bevolking nog niet geheel gestorven is.

Drie jonge meisjes, uit de schoonsten van het dorp gekozen en in haar feestgewaad gekleed, begeven zich naar de fontein, met haar groote kruiken op het hoofd en zonder een enkel woord te spreken, hetgeen voorzeker geene lichte zaak is. Aan de fontein gekomen werpen zij eenige muntstukjes in het water, als eene gave aan de feeën, en keeren na hare kruiken gevuld te hebben, in dezelfde orde en wederom zwijgend huiswaarts. Met het door haar geputte water bereiden zij dan het brood, dat bij het bruiloftsmaal gebruikt moet worden; terwijl de mannelijke en vrouwelijke bloedverwanten van den bruidegom liederen zingen, voor deze gelegenheid bestemd. Den volgenden dag is het de beurt der jongelieden, die naar het bosch gaan om het noodige hout te zoeken, dat met een nieuw hennepkoord waarin geen knoopen mogen gelegd worden, moet worden saamgebonden. De takkebossen moeten onder muziek en zang naar het dorp gebracht worden.

Op den laatsten dag kiest men de vetste schapen van de kudde uit, verguldt hunne hoornen, en omkranst hen den kop met bloemen, even als weleer de offerdieren; vervolgens worden zij, onder begeleiding van muziek en zang, door het dorp rondgeleid en voor het huis van den bruidegom geslacht.

Na afloop van den maaltijd wordt het grootste gedeelte van den nacht met zingen en dansen doorgebracht, op het met flambouwen verlichte dorpsplein; de genoodigden vormen lange rijen van dansers en danseressen, die elkander bij de hand houden. De mannen zijn gekleed in geborduurde wambuizen met lange open mouwen, in driedubbele witte, netjes geplooide fustanella's, en hooge roode, witte of blauwe geborduurde slobkousen; de vrouwen, gedost in het gewone kostuum van Argolis, met een kleine ronde fez op het hoofd, die geheel met zilveren en soms gouden muntstukken is bedekt, welke in dichte rijen van de kruin tot het voorhoofd reiken. Twee groote oorringen van geciseleerd zilver zijn onderling verbonden door drie of vier kettinkjes, die onder de kin doorgaan en eene niet onaardige omlijsting van het gelaat vormen.

De keten der dansers en danseressen ontwikkelde zich telkens, met die eigenaardige beweging der beenen, waarin de danskunst der Grieken hoofdzakelijk bestaat. Het licht der flambouwen weerkaatste hier en daar in een gouden muntstuk, in de zilveren belegsels der gordels of de rijke borduursels der buizen. Aan het hoofd der rei sprong en huppelde de bruidegom, een groote flink gebouwde jonkman van twee- of drie-en-twintig jaren, met zware zwarte knevels en een paar vlammende oogen; hij danste onvermoeid, terwijl de muziekanten klagende, doffe klanken uit hunne fluiten te voorschijn brachten, nu en dan half overstemd door het gonzend geklepper der tamboerijnen.

De bruid bleef in haar huis met hare vriendinnen, die voor haar zongen. Zij moest, volgens het gebruik, op een lage tabouret zitten, het hoofd en de schouders met een dichten sluier omhuld. Haar gelaat was met een laag blanketsel bedekt; hare wenkbrauwen waren met eene fijne zwarte streep een weinig verlengd, en een dunne blauwachtige kring rondom de oogen deed die buiten verhouding groot schijnen. Boven de wenkbrauwen waren twee kleine gouden cirkeltjes geteekend; hare haren, haar hals en haar armen waren overladen met zware en plompe zilveren sieraden. Het was duidelijk, dat haar gedwongen stilzitten in de benauwde lucht van eene kleine kamer, doortrokken van scherpe onaangename geuren, haar hinderde en vermoeide; de groote zweetdroppels die van haar voorhoofd afvloeiden, teekenden grijsachtige sporen op haar sterk beschilderde wangen.

Wij lieten deze brave lieden zingen en dansen en drinken naar hartelust, en begaven ons naar de kamers, die men ons had afgestaan; maar nauwelijks hadden wij omstreeks een paar uren onrustig op onze tapijten omgewoeld en nu en dan geslapen, of wij werden plotseling door geweerschoten gewekt. Een der jongelieden van het dorp trad binnen en verwittigde ons dat de bruid en de bruidegom zich naar de kerk begaven. Te gelijkertijd gaf hij aan ieder onzer een klein rond taartje, _klouria_ genoemd, dat de plaats inneemt van onze uitnoodigingskaarten.