Reis door Griekenland De Aarde en haar Volken, 1887
Chapter 2
Omstreeks middernacht barstte een geweldig onweer los, zoo als er meermalen in deze streken voorkomen; de plassende regen verfrischte en zuiverde den dampkring. Des morgens beloofden de noordenwind en de onbewolkte hemel ons een prettigen dag; in vroolijke stemming namen wij afscheid van onzen gastheer en zijne vrienden, wier voorkomendheid en wier belangwekkende gesprekken en mededeelingen ons verblijf te Pyrgos tot een der aangenaamste episoden van onze reis hadden gemaakt.
Onze weg voerde door eene zeer vruchtbare streek met talrijke dorpen; overal bebouwde velden, boomgaarden van moerbeziën, oranje- en olijfboomen, die als het ware een gordel van groen vormen om het aanzienlijke vlek Andravida, waar wij na een rit van zeven uren aankomen. Andravida is tegenwoordig niet meer dan een groot dorp, maar men bespeurt nog duidelijk, dat het weleer eene belangrijke stad moet zijn geweest. Drie ruïnen trokken bovenal mijne belangstelling: de kerk van Sinte-Sofia, waar het hooge leenhof zitting hield; de Sint-Stefanuskerk, die aan de Duitsche orde behoorde; de Sint-Jacobskerk, welke Guillaume de Villehardouin liet bouwen en aan de Tempelridders ten geschenke gaf, en waarin hij met zijne beide zonen, Geoffroi II en Guillaume I, werd begraven.
Toen in de dertiende eeuw Guillaume de Champlitte, de vriend en krijgsmakker van Villehardouin, op zijn terugkeer van Constantinopel, zich van Patras had meester gemaakt, besloot hij de provincie Andravida, de rijkste van het land, in bezit te nemen. De aan alle zijden open liggende stad was noch door torens, noch door muren verdedigd; toen dan ook de frankische vendelen in de vlakte verschenen, gingen al de inwoners, grooten en kleinen, met kruisen en heiligenbeelden in de hand, hun te gemoet en boden hunne onderwerping aan. Guillaume de Champlitte ontving hen met veel welwillendheid; hij beloofde dat hun geen leed zou wedervaren, dat zij hunne bezittingen zouden behouden en geene oorlogschatting zouden betalen.--Door de inwoners vriendelijk ontvangen, vestigden de Franken zich in geheel Elis, bouwden er steden en burchten, en brachten landbouw, handel en nijverheid tot een hoogen trap van ontwikkeling; gedurende de twee-en-eene-halve eeuw der frankische heerschappij mocht dit gewest zich in eene mate van bloei en welvaart verheugen, die het in langen tijd niet gekend had. In Elis vindt men dan ook de meeste sporen van hunne tegenwoordigheid in Griekenland; nog niet lang geleden, kon men in het dialekt van verschillende dorpen fransche woorden herkennen, die door de oostersche uitspraak maar weinig verbasterd waren.
Van Andravida begeven wij ons, in zuidoostelijke richting, naar Elis, dat wij na een rit van twee-en-een-half uur bereiken. De vlakte is vrij goed bebouwd; de korenakkers zijn reeds kaal, want de oogst valt in het laatst van Mei; maar de wijngaarden staan in vollen bloei en zien er prachtig uit. De wijngaarden van Elis leveren den besten wijn op van geheel Griekenland. Iedere eigenaar heeft in zijn wijngaard een open, vierkanten en goed gemetselden bak of kuip, waarin de druiven getreden worden; naar gelang het sap in een lager gelegen kom vloeit, schenkt men het over in lederen zakken, die naar het dorp worden gebracht. Daar wordt het sap overgegoten in reusachtige aarden kruiken, die tot aan den hals in den grond staan, en waarin de gisting plaats heeft. Om den aldus bereiden wijn gedurende eenige maanden te kunnen bewaren, doet men er hars bij, hetgeen een afschuwelijken smaak geeft.
De wijnoogst gaat gepaard met feestelijkheden van verschillenden aard. Het treden der druiven geschiedt op de maat van mandolinen en violen; des avonds dansen mannen en vrouwen in koor bij het licht van flambouwen, en vergeten de vermoeienissen van den dag in het vroolijke feestgewoel. Voor dertig of veertig jaren nog trokken de wijnboeren in lange rijen door de dorpen, het hoofd omkranst met wingerdloof, en in de hand lange staken houdende met wingerdbladeren omwikkeld en met een pijnappel aan den top: echte _thyrsen_, die zij heen en weder zwaaiden, daarbij op eigenaardige wijze springende en dansende. Deze overoude gebruiken--een wegstervende echo van de antieke bacchanaliën--zijn nu bijna overal in vergetelheid geraakt.--Vele eigenaars van wijngaarden, door het uitzicht op winst verlokt, hebben italiaansche wijnboeren laten komen, persen naar het laatste model ontboden en kelders gebouwd, waar prozaïsche vaten in rijen naast elkander staan. De wijn is veel beter, maar het schilderachtige is verdwenen. Men vervaardigt hier tegenwoordig allerlei soorten van wijn: bordeaux, madera, malaga en zelfs champagne; de echte, onvervalschte wijn van Elis bevat veel alkohol, is zwaar en koppig.
Naarmate wij verder komen rijst de grond en wordt meer heuvelachtig. Rondom de hier en daar verspreide gehuchten, door aanmerkelijke afstanden van elkander gescheiden, zien wij een aantal moerbeziënboomen, wier bladeren tot voedsel dienen van duizenden zijdewormen: de zijde van Elis is de beste die in Morea vervaardigd wordt. De olijven zijn prachtig en leveren, na behoorlijke enting, voortreffelijke vruchten; maar de olie, die zonder de noodige zorg wordt bereid en in slecht onderhouden aarden kruiken bewaard, heeft een afschuwelijken ranzigen smaak, dien de Grieken echter aangenaam schijnen te vinden.
Wij doorwaden eene breede en snelvlietende rivier, den Peneios, thans de rivier van Gastouni genoemd, en komen vervolgens aan het dorp Palacopolis, gebouwd op de plek waar weleer Elis stond, eene stad door geheel Griekenland beroemd om de veelheid harer monumenten en beelden, waarin zij slechts voor Athene en Korinthe onderdeed. Te midden der brokken steen en van het puin, over eene oppervlakte van meer dan twee vierkante mijlen verspreid en grootendeels verborgen tusschen wijngaarden, akkers en struikgewas, is het volstrekt onmogelijk, de gedaante, de bestemming en de afmetingen van eenig gebouw te onderscheiden. Op den heuvel, die de akropolis droeg, ziet men nog slechts brokstukken van de muren eener middeleeuwsche vesting, door de Franken Beauvoir, door de Venetianen Belvedèr en door de Grieken Kaloskopi genoemd: welke drie namen hetzelfde (schoonzicht) beteekenen, en hunne verklaring vinden in het feit, dat in deze wijde vlakte de heuvel van Elis het eenige punt is, van waar de blik een ruim panorama omvat.--Op omstreeks vijftien mijlen afstands van Elis, aan den voet van een berg die reeds van verre het oog tot zich trekt, liggen de dorpen Portes en Santameri. De ruïnen boven op den berg zijn de overblijfselen van een sterken burcht, omstreeks het jaar 1273 door heer Nicolaas van Saint-Omer gebouwd. Langs de berghellingen en in de vlakte vindt men nog talrijke bouwvallen van frankische en byzantijnsche gebouwen en kerken; maar te vergeefs zochten wij naar eenig opschrift of eenig bas-relief.
Elis verlatende, betreden wij eene der valleien van den Erymanthes, van waar de Peneios afdaalt. Rechts en links zijn de heuvelen bedekt met wingerden, wier vruchten, onder den naam van krenten--aldus genoemd naar de stad Korinthe--heinde en ver verzonden worden. Na een rit van twee uren, steeds langs den linkeroever der rivier, zien wij, in de nabijheid van het dorp Klissoura, de armzalige ruïnen van eene antieke stad, Pylos. De vallei versmalt zich, wordt woester en schilderachtiger; de bergen zijn bekleed met prachtige pijnbosschen, eeuwenheugende boomen, waarvan de zware takken langs den grond slepen. Daar huizen talrijke kudden van wilde zwijnen, die sedert den dood van Herakles door niemand in hunne rust werden gestoord. Het steile pad slingert zich omhoog langs de hellingen van den Erymanthes, en brengt ons eindelijk op een uitgestrekt plateau, aan welks uiteinde het dorp Lala ligt.
Overal is de bodem begroeid met hooge varens en uitnemend fraai heidekruid. Rondom de vlakte, bergen en dennenbosschen; ten noorden rijst, hoog in de lucht, de kale kruin van den Erymanthes; ten zuiden schemert in de diepte, de vlakte, waardoor de Alpheios zich slingert als een zilveren lint, schitterend in de zonnestralen; aan den horizon eindelijk de donkerblauwe zee. De lucht is zuiver, fijn en doortrokken van aromatische geuren; het klimaat van deze hoogvlakte geldt voor het gezondste van geheel Morea.
Tijdens de turksche heerschappij werd Lala bewoond door Albaneezen, die in dienst der turksche regeering stonden, maar die om hun woest en onhandelbaar karakter bijna evenzeer gevreesd werden door hunne meesters als door de christelijke bevolking; zij genoten dan ook eene bijna volkomen onafhankelijkheid. Van tijd tot tijd verlieten zij hunne bergvesting en streken als gieren neder in de omliggende valleien of in de vlakte van Elis, plunderende, moordende, brandstichtende, en vervolgens de bewoners der grieksche steden en dorpen als slaven medevoerende. In 1821, gedurende den onafhankelijkheidsoorlog, verijdelden zij alle pogingen der tegen hen afgezonden troepen, tot het eindelijk aan graaf Metaxas, aan het hoofd van vrijwilligers van Zante, gelukte hen te verslaan. In hunne vesting opgesloten, verlieten zij Lala en trokken naar Patras, na vooraf hunne stad in de asch gelegd en hunne gevangenen gespietst te hebben. De engelsche regeering, aan wier gezag toen de Ionische-eilanden waren onderworpen, koos partij voor de Turken, en beval graaf Metaxas en zijn krijgsmakkers naar Zante terug te keeren en niet meer voor de Grieken te strijden, op straffe van eeuwigdurende verbanning met verbeurdverklaring hunner goederen. Allen bleven echter in Morea en namen ijverig deel aan den onafhankelijkheidsoorlog, in weerwil van de bedreigingen, de veroordeelingen en verbeurdverklaringen.
Lala begint zich langzamerhand te herstellen van den zwaren slag, die het getroffen had, maar toch is het nog niet meer dan een nederig dorp, met een khani (herberg), die ook zelfs aan de bescheidenste eischen niet kan voldoen. Deze herberg is eene ruime schuur; langs de zijwanden worden de paarden vastgebonden; in het midden is eene ruimte overgelaten, waar de reizigers hunne tapijten kunnen uitspreiden en hunne vuren aanleggen, waarvan de rook een uitweg moet zoeken door de spleten in het dak of door de deur.--Op deze hoogvlakte is het des avonds koud; en wij waren recht blijde ons te kunnen warmen aan een vuur, waaromheen reeds andere reizigers gelegerd waren, die zich evenwel haastten plaats voor ons te maken: beleefdheid jegens vreemdelingen is in Griekenland een algemeene karaktertrek.
Van Lala voert een pad naar Douka, midden door een ravijn, waar een ruischende bergstroom zich een weg baant tusschen loodrechte rotsen, met platanen en steeneiken gekroond, en waar telkens de verrassendste en schilderachtigste gezichten elkander afwisselen. Steeds langs het slingerend pad afdalende, komen wij aan de rivier de Erymanthes, wier boorden wij volgen, dwars door dicht begroeide bosschen, langs een afschuwelijken weg, telkens afgebroken door kuilen en diepe ravijnen. Gaandeweg worden de bergtoppen kaler; grauwe kruinen volgen in vervelende eentonigheid op elkander. Eindelijk, na een vermoeienden tocht van vier uren door het gebergte, komen wij aan den kleinen khani van Tripotamos, in eene eenzame wildernis, armoedig, vuil en van alles ontbloot.
Wij treden binnen. Zwijnen wentelen knorrend in de modder; kalkoenen stappen kakelend op en neder; twee groote honden krabbelen zich met een ijver, die wel geschikt is om twijfel te wekken aangaande de zuiverheid dezer walgelijke herberg. Eenige mannen van ongunstig voorkomen zitten op den grond neergehurkt, met hunne lange geweren tusschen hunne beenen en hunne dolken in den gordel. Twee oude vrouwen, gekleed met een wijd hemd, en een van voren open japon van grove wollen stof, het hoofd met een doek omwikkeld, zitten aan het spinnewiel.--Geen schoorsteen, geen keukengereedschap, met uitzondering van drie gebroken potten; geen tafel en geen stoelen. Ieder bracht den nacht door op den grond, bij het vuur en in zijn mantel gewikkeld; en terwijl wij vergeefs krijg voerden tegen legioenen van het walgelijkst ongedierte, hoorden wij de Grieken snorken als rechtvaardigen.--Bij het aanbreken van den morgen rekten zij zich uit, wreven hunne oogen uit, en wierpen den langharigen mantel, die hen als deken gediend had, over hun schouder. De twee vrouwen vulden een schotel met maïsmeel, met een weinig water vermengd; kneedden dit deeg op een steen en legden de aldus verkregen platte koeken onder den gloeienden vuurhaard. Na verloop van een half uur, werden zij, nog niet half gaar, weer te voorschijn gehaald en zoo warm door de mannen gegeten met een weinig melk en eenige in de pekel bewaarde olijven. Daarop gingen de gasten een voor een naar een aan de zoldering opgehangen, met water gevulden lederen zak, waarvan een der uiteinden, met een touwtje opgebonden, als tuit of trechter diende; zij maakten het touwtje los, brachten de tuit aan hun mond, dronken drie of vier slokken water, en bonden het touwtje weer vast aan den spijker in den muur. Vervolgens namen zij hunne geweren weer op en gingen den weg naar Douka op, na ons vooraf gegroet en goede reis gewenscht te hebben.
Dergelijke tooneelen hernieuwen zich telkens, bij iedere pleisterplaats; en wie daar eenmaal getuige van is geweest, kent het voorkomen, de manieren en de levenswijze van een zeer aanzienlijk deel der inwoners van het grieksche koninkrijk.
III
Den volgenden morgen zetten wij onze reis door de vallei van den Erymanthes voort, langs een pad dat tegen de hellingen van den berg Zembi omhoog klautert en naar Anastasova voert, een klein dorp, door eeuwenheugende notenboomen omringd. Verder wordt het pad zoo steil en met steenen bezaaid, dat de paarden elk oogenblik gevaar loopen in den afgrond te storten, waarlangs de weg loopt. Na over een bergpas te zijn getrokken, waar een ijskoude wind ons tegenwaait en van waar men de toppen van alle naburige bergen kan overzien, van de golf van Korinthe tot het dal van den Alpheios, dalen wij onophoudelijk. Wij rijden door eene smalle vallei, midden door een bosch van verschrompelde en onmogelijke eiken, tot aan de stad Kalavryta, waar wij eindelijk na een tocht van zes uren aankomen, allen te zamen, menschen en beesten, uitgeput van vermoeienis.
Kalavryta, de hoofdplaats eener eparchie en dus de zetel van een prefect, is eene kleine stad van ruim tweeduizend inwoners, met eenige naar europeeschen trant gebouwde huizen en tuinen met moerbeziënboomen, andere vruchtboomen en zelfs oranjeboomen beplant. Deze laatste boomsoort lijdt hier evenwel een kwijnend leven, want deze vallei van den Buraïkos, waar meermalen alle middelen van gemeenschap door de sneeuw worden gestremd, is een koud land met eene ruwe, woeste natuur.
Er heerscht vrij veel levendigheid in de straten, vooral in den bazar, waar wij geen enkel produkt aantreffen, dat meer bijzonder aan het land eigen is, tenzij eene soort van harde en vaste kaas, die veel overeenkomst heeft met parmesaansche kaas. In de oudheid was de kaas van Achaje en van Sikyon wijd en zijd beroemd en een van de onmisbaarste artikelen in elke goede keuken.
Onder de bewoners van Kalavryta is de albaneesche type zeer duidelijk kenbaar. Vele van de Albaneezen, die ten jare 1770, met de Turken in Morea doordrongen, hebben zich in het land gevestigd, maar hunne afstammelingen hebben zich al spoedig met de oorspronkelijke bewoners vermengd, en zoo is de zuivere albaneesche type nog slechts in de minst bewoonde, onbeschaafdste gedeelten des lands bewaard gebleven. Zoo vindt men nog heden, in het hart der bergstreken, echt albaneesche namen van dorpen en vlekken, als Louhavitza, Martinitza, Khalovo, Kerpeni en zoo vele anderen. Een aantal dorpen in deze provincie worden nog heden bewoond door de nakomelingen van de overweldigers, en in sommigen spreekt men ook nog de albaneesche taal. Het albaneesche ras, van slavischen oorsprong, onderscheidt zich zeer kennelijk van het grieksche. De Albaneezen zijn, over het algemeen, zwaar gebouwd; hun hoofd is rond, het benedenste gedeelte van hun gelaat is breed, hun voorhoofd is smal en laag; hunne trekken zijn ruw en grof, en hunne oogen meer levendig dan geestvol. Zij zijn arbeidzaam, geduldig en matig, maar gierig. In verstandelijk opzicht, in vlugheid van begrip en scherpzinnigheid, moeten zij ongetwijfeld voor de Grieken onderdoen: van daar dat zij zich ook in het maatschappelijk leven zelden boven het middelmatige verheffen; maar de zucht tot intrige en de politieke razernij, twee zeer leelijke eigenschappen van het grieksche karakter, zijn hun ook ten eenemale vreemd.
De albaneesche vrouwen zijn rijzig van gestalte, maar haar trekken zijn hoekiger en forscher dan die der grieksche. Haar gewone kleederdracht bestaat uit een dik hemd van grove wollen stof, dat op de borst geopend is; daaroverheen dragen zij een soort van lang open buis, zonder gordel. Zij verrichten allen huiselijken arbeid, bereiden de spijzen, en gaan ook, met groote kruiken op haar hoofd, naar de fontein om water te halen; maar zij gaan nooit naar de markt, waar de verschijning van eene vrouw algemeen opzien zou baren. De mannen gaan, met een korfje in de hand, des morgens de noodige inkoopen doen. Op zon- en feestdagen trekken de albaneesche vrouwen hare beste kleederen aan en tooien zich met al haar sieraden; maar ook dan is haar kostuum plomp en onbevallig. Over het wollen hemd trekken zij dan eene lange gekleurde tuniek aan, benevens een zeer rijk geborduurd vest. Een korte rok, van zeer sprekende kleur, bedekt een gedeelte van de tuniek. Een met gouden franjes omzoomde sluier of doek omgeeft hoofd en hals; langs den rug hangen twee lange vlechten, die tot bijna aan de voeten reiken en met een dikken knoop van roode zijde eindigen. Zoo uitgedost zitten zij den ganschen dag voor de deur harer woning neergehurkt, weinig pratende en nog minder lachende.
Wij mochten niet verzuimen, de overblijfselen te gaan bezoeken van een frankisch kasteel, dat omstreeks een uur gaans van de stad, op den top eener hooge en steile rots is gebouwd. Deze top is slechts van eene zijde, langs een smal en moeilijk pad te genaken; overal ziet men nog de overblijfselen van den muur, die vroeger den geheelen omtrek van het rotsterras omgaf: deze muren hebben eene gezamenlijke lengte van achthonderd el en zijn nog vrij goed bewaard gebleven. Van twee torens zijn nog gedeelten in stand gebleven; overal ziet men binnen de ruimte overblijfselen van woningen en waterbakken. Deze vesting, die nog heden door de Grieken het kasteel der Franschen genoemd wordt, is eene der belangrijkste, welke ik in Morea heb aangetroffen. Niet alleen was dit fort van groot strategisch gewicht, daar het de passen van den berg Khelmos beheerschte, maar de heer van Kalavryta was ook een der hooge baronnen of pairs van Achaje, die over zijn onderdanen het recht van leven en dood had.
Toen Villehardouin, in 1208, het door hem veroverde land onder zijne ridders verdeelde, werd Kalavryta met twaalf leenen aan Raoul van Doornik gegeven, van wien vele nakomelingen in de kronieken vermeld worden. Vermoedelijk is deze familie eindelijk uitgestorven, of gingen hare bezittingen door huwelijk over aan de familie van Trémouille, heeren van Khalandritza, nabij Patras, want op een heuvel tegenover het groote kasteel van Kalavryta, ziet men de ruïnen van een klein fort, waarop nog de naam van Tremoula te lezen is.
Gedurende den onafhankelijkheidsoorlog versterkten de Grieken den ouden burcht van Kalavryta, van waar zij, door teekenen, gemakkelijk in verstandhouding konden blijven met de benden, die de ongenaakbare passen en grotten van den Khelmos bezet hielden. Van Kalavryta en van het naburig klooster van Hagia Lavria ging het teeken uit tot den opstand tegen de Turken; Andreas Zaïmis, primaat van Kalavryta, Germanos, bisschop van Patras en Andreas Loudos, primaat van Vostitza, waren onder de eersten, die den nationalen weerstand organiseerden, den door herhaalde nederlagen geknakten moed der Grieken weder opbeurden, en de hulp of medewerking der vreemde mogendheden inriepen.
"De Hellenen," zoo schreef Germanos aan de consuls der europeesche mogendheden te Patras "ten prooi gelaten aan de steeds ondragelijker wordende onderdrukking der Turken, hebben eenstemmig besloten, het juk af te werpen of te bezwijken. Wij zijn opgestaan om onze rechten te heroveren; wij houden ons overtuigd dat de koningen en de volken het goed recht onzer zaak zullen erkennen en dat zij ons hunne hulp niet zullen weigeren, gedachtig aan de diensten door onze voorvaderen aan de menschheid bewezen. Wij bidden u daarom, door uwe voorspraak de welwillendheid en de bescherming van uwe doorluchtige souvereinen voor ons te verwerven."
Men weet, hoe die souvereinen aanvankelijk op deze dringende roepstem antwoordden. Frankrijk alleen toonde zich welwillend en edelmoedig jegens de mishandelde en vertrapte Grieken, en de fransche consul te Patras, de heer Pouqueville, verborg met gevaar van zijn leven, honderden vluchtelingen in zijn huis, terwijl Yoessoef-pâsja een gouden mahmoediëh betaalde voor de afgehouwen hoofden der Christenen, en terwijl de gouverneur van Tripolitza de primaten en bisschoppen van den Peloponnesos, die hij zoogenaamd om eene verzoening te bewerken saamgeroepen had, verraderlijk vermoordde. Germanos en Zaïmis hadden gelukkig aan de uitnoodiging geen gehoor gegeven.
Ondanks den treurigen afloop van den opstand te Patras, breidde de beweging zich hand over hand uit, en binnen drie weken zagen de Turken zich genoodzaakt hunne woningen te verlaten en eene schuilplaats te zoeken in de versterkte steden Patras, Tripolitza, Navarino en Modon.--Toen de aanzienlijkste mannen van den Peloponnesos, priesters, primaten of hoofden, bijeenkwamen en eene vertegenwoordigende vergadering vormden, werden Germanos en Zaïmis met algemeene stemmen uitgenoodigd, aan die bijeenkomst deel te nemen; later werd Germanos opgedragen, zich naar het congres van Verona te begeven, om nog eenmaal de hulp van de christelijke mogendheden tegen de Turken in te roepen. Ondanks zijne uitstekende bekwaamheden, zijne veelzijdige menschenkennis en zijne wegsleepende welsprekendheid, slaagde hij niet in zijne zending. Wat de mogendheden terughield was toch niet enkel eigenbelang of onverschilligheid voor het lijden der Grieken, nog minder sympathie voor hunne verdrukkers, maar de ondervinding had geleerd, welk een onafzienbare nasleep van jammeren en gruwelen de zoogenaamde vrijheidsbeweging over Europa had uitgestort; en was de revolutionnaire vulkaan ook schijnbaar bedwongen, het smeulende vuur was niet gedoofd en juist om dien tijd schenen herhaalde trillingen en schuddingen eene nieuwe naderende uitbarsting te verkondigen, die dan ook weinige jaren later werkelijk plaats had. Geen wonder dus, dat de mogendheden, ook nog afgezien van andere motieven, huiverig waren eene beweging te steunen en te bevorderen, die, hoe rechtvaardig en loffelijk ook op zich zelve, door hare onwillekeurige verwantschap met andere revolutionnaire woelingen, een bedenkelijk karakter droeg. Germanos nam zijn terugweg over Rome, had daar eene samenkomst met Paus Leo XII en trachtte eene hereeniging der grieksche en latijnsche kerken te bewerken en alzoo de rampzalige breuke te genezen, die voor de oostersche Christenheid zoo vreeselijke gevolgen had na zich gesleept; maar ook deze poging slaagde niet: de grieksche geestelijkheid toonde zich niet gezind, de edelmoedige aanbiedingen van den Heiligen Stoel te aanvaarden. Hij overleed in 1826, gedurende het beleg van Missolonghi, een jaar voor den zeeslag van Navarino, toen de aanstaande zegepraal der zaak, waaraan hij zijn geheele leven gewijd had, met grond kon worden voorzien.