Reis door Griekenland De Aarde en haar Volken, 1887

Chapter 1

Chapter 13,645 wordsPublic domain

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/

REIS DOOR GRIEKENLAND.

I

Vermoedelijk zullen de meesten mijner lezers het zich niet meer herinneren, dat ik hen, nu omstreeks zeven jaren geleden, [1] in het hart van Arkadië, in het dorp Andritzena, heb achter gelaten. Nu, het is inderdaad mijne schuld niet dat onze reistocht gedurende zoo langen tijd werd gestaakt; en het is ook een geluk, dat mijne lezers op hun gemak, in hun eigen huis, het hervatten van de reis hebben kunnen afwachten. Hadden zij dien tijd werkelijk moeten doorbrengen in het huis van Alkibiades Koutzavas, onzen gastheer, en zich daar moeten voeden met de ranzige olie, de bittere olijven en den zuren wijn van het land:--ik vrees dat zij voor altijd genoeg zouden hebben gekregen van het oude, het tegenwoordige en het toekomende Griekenland.

Ik hoop dan ook dat mijne lezers gezind zullen zijn om onzen tocht door den Peloponnesos te voleindigen, waarna wij nog aan enkele eilanden een bezoek zullen brengen.

Wij verlaten Andritzena om ons naar Olympia te begeven, en volgen een smallen en steenachtigen weg, die langs de berghelling slingert, aan welker voet de Alpheios zijne geelachtige wateren tusschen groote rotsblokken voortstuwt. Nu eens loopt de weg door boschjes, dan weder door weilanden, waarin runderen loopen te grazen onder de hoede van eenige in lompen gehulde knapen. Voert de weg door eene of andere stille schaduwrijke vallei, dan wordt meestal het oor gestreeld door de muziek van eene overvloedig vloeiende bron, waarvan het kristalheldere water in vroolijke sprongen over de rotsen huppelt en kleine stille kommen vormt, waarin mikroskopische schildpadden rondzwemmen, die zich bij onze nadering haastig verbergen tusschen de bladeren en stengels van waterlelies.--Stijgt de weg weer langs de berghelling omhoog, dan ontvouwt zich voor onzen blik het panorama van de breede, boschrijke vallei, ten noorden begrensd door de bergketen van den Erymanthes. Van bebouwing is overigens niet veel te ontdekken. Van tijd tot tijd ziet ge een maïsveld, waaruit ge kunt opmaken, dat daar in den omtrek menschen wonen, die voedsel noodig hebben om te leven.--Overigens is de vallei eenzaam en verlaten; geen ander geluid treft uw oor, dan het ruischen van het gebladerte en het tjilpen en fluiten der vogels. Als op zoo vele andere plaatsen, heerscht ook daar de koorts. De Grieken willen van de malaria niets weten en loochenen haar; doch de vaalbleeke gelaatskleur, de doffe oogen, de ingevallen wangen, de zwakke krachtelooze gestalte der bewoners van de diepe valleien, logenstraffen hunne bewering op de nadrukkelijkste wijze.

Een uur nadat wij het dorp Phanari waren doorgetrokken, kwamen wij op het plateau van Nerovitsa, van waar men geheel het omliggende land en al de bergen van Arkadië kan overzien. Van Rougozio, een dorpje waarvan de huizen van takken en slijk zijn gebouwd, voert een moeilijk begaanbaar pad, met vele kronkelingen, dwars door steeneiken en mastikboomen, naar beneden, naar den Alpheios. Wij doorwaden de rivier en vinden op de landtong, waar de Ladon en de Alpheios samenvloeien, de grondslagen van oude helleensche muren, half verborgen onder kreupelhout en heestergewas.

Daar lag weleer Heraea, eene der rijkste en machtigste steden van Arkadië, vermoedelijk ook eene der gelukkigste, want zij heeft geene geschiedenis. Hoe zou zij ook niet gelukkig zijn geweest, omringd door eene zoo schoone en zoo vruchtbare streek, in een land met des hemels beste gaven gezegend, en verborgen voor de gierige blikken van vreemde veroveraars; in een heerlijk klimaat, waar de zwoele koeltjes van de Ionische-zee afwisselen met de frissche winden van den Erymanthes.--De stad was gebouwd op een glooiend terrein, dat naar den Alpheios afloopt; langs de rivier strekten zich lange terrassen uit, met myrthen en laurieren beplant, en die eene heerlijke wandelplaats voor de burgers aanboden. Van daar konden zij den loop der rivier volgen tot waar zij zich plotseling naar het westen wendt; van daar lieten zij hunne blikken dwalen over het bekoorlijke landschap, over de malsche groene weiden langs den stroom, over de boschrijke heuvelen en bergen, over geheel deze rustige, vrede en kalmte ademende omgeving.

De breede en diepe Ladon was niet doorwaadbaar; de paarden moesten trachten al zwemmende den overkant te bereiken; wij zelven stapten in eene soort van oude ontwrichte schuit, ongeveer zoo waterdicht als eene zeef. De oude boer, met de bediening van dit veer belast, was nergens te vinden; naar het schijnt, was er in het naburige dorp Paloumba eene vergadering van kiezers, en de veerman zou geen Griek zijn geweest, indien hij niet zijn plicht had verzuimd, om in de herberg te gaan redeneeren over de verdiensten der verschillende kandidaten en over de beste wijze om 's lands zaken te besturen.

De vallei van den Ladon behoort ongetwijfeld tot de schoonste streken van Griekenland; de reiziger, hij mag archeoloog, schilder of dichter zijn, kan hier alles vinden wat zijn weetlust of zijne fantasie kan bevredigen. Dit is werkelijk het zoo vaak bezongen Arkadië, met zijne kristalheldere rivier, die zich als een zilveren lint door het liefelijke landschap slingert; met zijne koele, murmelende bronnen, zijn schaduwrijke bosschen, zijn malsche weiden, waarin de blanke runderen grazen; met zijn zacht glooiende heuvelen, stralende in bonte bloemenpracht.

Bij iederen voetstap verandert de aanblik van de vallei; nu eens verdwijnt de rivier bijna onder de reusachtige platanen, wier breede takken haar overwelven; dan weder verdeelt zij zich in twee armen, welke schilderachtige eilandjes omvatten met weelderig geboomte bedekt; straks wandelt zij, in vrije majesteit, door heerlijke weilanden, omlijst door heuvelen met donkere dennen begroeid. De berghellingen zijn met dichte eikenbosschen bedekt; en in de verte straalt, hoog in de lucht, de besneeuwde top van den Olonos. Als van zelve geeft men zich over aan den indruk van deze onuitsprekelijk bekoorlijke natuur; en men kan bijna niet anders dan gelooven, dat dit schoone land slechts door tevreden, gelukkige menschen werd bewoond, eenvoudig van zeden en levenswijze en onverschillig voor den zoo duur gekochten roem, vergeten bij de wereld, maar in rust en vrede genietende van de onuitputtelijke zegeningen der natuur.

Nauwelijks drie kwartier nadat wij de boorden van den Ladon verlaten hadden, kwamen wij aan eene andere rivier, waarvan de snelvlietende wateren den oever hadden ingeschaard. Dit is de oude Erymanthes, thans de Dogana genoemd, die als een bruisende bergstroom van den Olonos afdaalt en aanvankelijk haar weg neemt door eene woeste vallei, omzoomd door steile rotsen, vol scheuren, spleten en holen, waarvan verscheidenen gedurende den onafhankelijkheidsoorlog door de Klephten als vestingen en schuilplaaatsen werden gebruikt.--Wij doorwaden de rivier, waarvan het water tot de borst der paarden reikt, en volgen dan de lachende vallei van den Alpheios, ingesloten door matig hooge bergen, met bosschen begroeid en regelmatig van vorm en lijn. Beneden in de vallei, waarvan de bodem bij uitstek vruchtbaar is, wisselen wijngaarden en maïsvelden af met weilanden en boschjes van eiken, mastikboomen, wilde vijgeboomen, langs wier eeuwenoude forsche stammen en takken, lianen, woekerplanten en wilde wingerden zich slingeren. Op de zandplaten, die uit de rivier oprijzen, en langs de oevers bloeien laurieren, cactussen en reusachtige platanen, terwijl de heuvelen met dennenbosschen zijn gekroond. De krekels piepen in de struiken, de nachtegalen zingen in de boschjes. Deze geheele liefelijke natuur is in volkomen overeenstemming met de historische herinneringen en schijnt in waarheid in onsterfelijk feestgewaad gedost.

De vallei van Olympia was in zekeren zin één groot heiligdom, vol van tempels, altaren en beelden. Van al deze monumenten en meesterstukken der kunst is heden ten dage niets meer over dan eenige steenen, enkele brokstukken van zuilen, bedolven in den moerassigen grond door de rivier aangespoeld. Wat de Romeinen uit den tijd van het keizerrijk niet hebben geroofd, dat hebben hunne opvolgers in het byzantijnsche tijdvak verwoest. Wat nog overbleef, heeft de Alpheios ondermijnd en omver geworpen, na eerst de dijken te hebben vernield, die de ouden hadden opgeworpen om het geweld der overstroomingen te keeren; de niet langer in hare bedding bedwongen rivier overdekte allengs de vlakte met eene sliblaag van twaalf voet dikte.

De opgravingen, door de Franschen gedurende de expeditie van Morea gedaan, hebben ons in staat gesteld, ons een vrij nauwkeurig denkbeeld te vormen van den zoo beroemden Zeustempel, hoewel de grieksche regeering, met onverantwoordelijke slordigheid, het onverschillig aanziet dat het uitgegraven gedeelte van het monument weer met den dag verder begraven wordt. De door Abel Blouet medegevoerde fragmenten bevinden zich in den Louvre: de leeuw van Nemea, door Herakles geveld; Artemis Stymphalia, van de hoogte der rotsen de uitroeiing der vogels van het meer door Herakles aanschouwende; een Hermes, prachtig bewerkt en bewonderenswaardig schoon in zijne jeugdige bevalligheid; fragmenten van het westelijk fronton, waarop Alkamenes van Athene het gevecht der Kentauren en Lapithen had afgebeeld; Herakles, den stier van Kreta bedwingende, een meesterstuk van den eersten rang, misschien door geen ander gewrocht der antieke skulptuur overtroffen.--Maar sedert den dag, waarop ik Olympia onder haar lijkkleed van slib en modder aanschouwde, heeft daar eene groote verandering plaats gegrepen. De duitsche regeering, doende wat de heer Beulé zoo herhaaldelijk, doch te vergeefs aan het fransche gouvernement had voorgesteld, heeft voor hare rekening, op groote schaal en onder uitmuntende leiding, opgravingen bewerkstelligd. De uitkomst heeft alle verwachting overtroffen: men heeft daar niet alleen fragmenten gevonden, die tot de uitnemendste voortbrengselen der grieksche kunst kunnen gerekend worden, maar ook eene duidelijke voorstelling verkregen van het oude Olympia, de zoo bij uitnemendheid gewijde plek, het algemeene heiligdom der helleensche stammen. Ongetwijfeld zullen mijne lezers mij dankbaar zijn, indien ik hun eene beknopte schets poog te geven van deze beroemde plaats, waar om de vier jaren de groote spelen werden gevierd, waaraan de gansche helleensche wereld deel nam.

Het geheele terrein was in drie deelen gesplitst: vooreerst de met een muur omgeven tempelruimte, de zoogenoemde _Altis_, die uitsluitend den goden behoorde en slechts aan de zuidzijde een enkelen hoofdingang had, waardoor de processies haar weg namen; ten tweede, de daarbuiten gelegen terreinen en gebouwen voor de verschillende spelen en wedstrijden; eindelijk, de noodige gebouwen en inrichtingen voor de priesters en tempeldienaars, voor de huisvesting der feestelingen en pelgrims, voor gezellig verkeer, voor de uitoefening van verschillende ambachten en bedrijven. Het middelpunt van de Altis was het groote altaar van Zeus, dat op een omvangrijken steenen onderbouw, uit de met water uit den Alpheios vermengde asch van de verbrande beenderen der offerdieren was gebouwd, en op hetwelk dagelijks geofferd werd. In de nabijheid, meer westelijk, stonden twee andere heiligdommen: het Heraion, een dorische, aan Hera gewijde tempel, met kostbare wijgeschenken; en het heiligdom van Pelops (het Pelopion), eene gewijde tempelruimte door muren omringd, met boomen beplant en met standbeelden versierd. Ten zuiden van het Pelopion verrees de kroon en het schoonste sieraad van de Altis: de beroemde tempel van den olympischen Zeus, door de Eleaten ter herinnering aan hunne zegepraal over de Pisaten gebouwd. Deze wijd vermaarde tempel was een dorische peripteros, in grootte maar weinig onderdoende voor het Parthenon van Athene, met zes maal dertien zuilen van kalksteen, met fijne stuc bekleed. Het inwendige der cella en al het beeldwerk was van wit marmer. Het westelijk fronton bevatte, zoo als ik reeds zeide, de voorstelling van den strijd tusschen de Kentauren en de Lapithen; in het oostelijk gevelveld had Paeonios uit Mende de toebereidselen afgebeeld tot den wedstrijd tusschen Pelops en Oenomaos. In eene afzonderlijke kapel van de cella bevond zich het grootste en schoonste werk der helleensche plastiek, het wereldberoemde kolossale beeld van Zeus, door Phidias uit goud en elpenbeen vervaardigd. De god was, naar de schildering van Homeros, voorgesteld zittende op zijn troon, met den langen schepter in de eene, en eene gevleugelde Nike (Victoria) in de andere hand.--In de onmiddellijke nabijheid van dezen tempel stond de wilde olijfboom, van welken een knaap, met een gouden mes, de kransen afsneed voor de overwinnaars; en tusschen den tempel en het groote altaar zag men, onder een op vier zuilen rustend dak, een houten pilaar, die, volgens de legende, tot het huis van Oenomaos zou hebben behoord.--Van de andere gebouwen binnen de gewijde omwalling der Altis, noemen wij nog het Hippodamion, nabij den hoofdingang aan de zuidzijde, in hetwelk de vrouwen, eenmaal in het jaar, aan Hippodamia offers brachten; voorts, aan den noordelijken muur, het aan Hestia gewijde Prytaneon, waarin den overwinnaars een feestmaal werd aangeboden; het Philippeion, eene met beelden versierde rotonde, door Philippus van Macedonië na den slag bij Chaeroneia opgericht; het Metroön, een aan de moeder der goden gewijde dorische tempel, en het Bouleuterion, het lokaal waar de kamprechters hunne zittingen hielden, met een standbeeld van Zeus Horkios, den handhaver der eeden; eindelijk een oud theater, benevens altaren van Zeus en galerijen en zalen, waar de feestvierenden samen kwamen.

Buiten den noordelijken Altismuur stonden, op eene rij, aan den voet van den Kronionheuvel, de schatkamers der verschillende steden; de laatste van deze schatkamers grensde ten oosten aan het stadion, de renbaan voor den wedloop, dat van het noorden naar het zuiden eene lengte van bijna tweehonderd ellen had; verder, meer oostwaarts, het hippodromos, de tweemaal zoo lange baan voor het wedrennen met paarden en wagens. In de nabijheid van dit laatste stond een tempel van Demeter, wier priesteres het recht had, bij de spelen tegenwoordig te zijn en tegenover de kamprechters plaats te nemen. Buiten de Altis had men voorts nog het gymnasion, ten westen van den Kronionheuvel, met de woningen en de oefenplaatsen der athleten; en eindelijk herbergen, woningen voor de priesters, winkels, werkplaatsen, tenten en dergelijken, die de gansche oppervlakte tot aan den Alpheios bedekten. Al deze heiligdommen en gebouwen kennen wij alleen uit de beschrijving van Pausanias, die in de tweede eeuw na Christus Griekenland bereisde en al deze monumenten nog met eigen oogen zag; sedert zijn zij, deels door menschenhanden, deels door aardbevingen, overstroomingen en andere natuurwerkingen, verwoest, zoodat zij bijna spoorloos verdwenen zijn.

De beroemde spelen ter eere van Zeus werden om de vier jaren, omstreeks volle maan na den zomerzonnekeer, gehouden; aanvankelijk tot één dag beperkt, duurden zij later vijf dagen en omvatten allerlei wedstrijden in loopen, worstelen, springen, werpen en andere oefeningen, benevens wedrennen met paard en wagen. Slechts vrije Hellenen van onbesproken gedrag, die zich gedurende zekeren tijd in een grieksch gymnasion geoefend hadden, mochten aan deze spelen deelnemen; ter bepaling van de volgorde moesten de kandidaten loten en zich voor het beeld van Zeus Horkios onder eede verbinden tot een eerlijken wedstrijd. De leiding van het feest behoorde aan de Eleaten, wier aanzienlijkste mannen als Hellanodiken (Hellenenrechters) de wedstrijden regelden en voor de stipte naleving der vastgestelde wetten en regelen zorgden. Het loon voor den overwinnaar bestond in een krans, gevlochten van de bladeren van den heiligen olijfboom, welke door een knaap, wiens beide ouders nog leefden, met een gouden mes werden afgesneden. De kransen werden in den tempel van Zeus, aan de voeten van zijn beeld, op eene prachtige tafel ten toon gesteld en door een der kamprechters den overwinnaars op het hoofd gedrukt, dat vooraf met een wollen band was omwonden; bij den krans voegde men nog een palmtak. De naam van den overwinnaar werd, met dien van zijn vader en van zijne vaderstad, door een heraut den volke bekend gemaakt. De overwinnaars mochten hun standbeeld in de heilige tempelruimte laten oprichten; hun werden feestmaaltijden aangeboden, en de beroemdste dichters, zoo als Simonides en Pindaros, verheerlijkten hen in hunne liederen. In hunne vaderstad werden de overwinnaars in triomf ingehaald en hun ter eere standbeelden opgericht. In Athene werden zij op staatskosten in het Prytaneon onthaald; in Sparta mochten zij in de onmiddellijke nabijheid des konings ten strijde gaan; zij waren van alle belastingen en diensten vrijgesteld en genoten nog andere belangrijke privilegiën. Uit alle deelen van Griekenland en uit de afgelegenste grieksche volkplantingen stroomden tallooze toeschouwers naar het vierjaarlijksche feest; vrouwen evenwel werden daarbij niet, of misschien behoudens enkele uitzonderingen, toegelaten. Bovendien zonden de afzonderlijke staten plechtige gezantschappen, waartoe de voornaamste en aanzienlijkste mannen werden aangewezen. Optochten, processies, godsdienstige plechtigheden verhoogden den luister van het feest, waarmede niet alleen eene zeer druk bezochte jaarmarkt gepaard ging, maar waarvan ook dichters, redenaars, beeldhouwers en andere kunstenaars gebruik maakten om hunne werken aan het oordeel van eene zoo doorluchtige vergadering te onderwerpen. Bekend is de overlevering, dat Herodotos stukken uit zijn geschiedenis te Olympia zou hebben voorgelezen.--De bloeitijd dezer spelen valt in de derde en in de vijfde eeuw vóór Christus, tot op den peloponnesischen oorlog; maar ook daarna bleven zij in stand, ondanks de onophoudelijke oorlogen tusschen de grieksche staten en stammen, die met den gemeenschappelijken ondergang eindigden; zelfs nog in den romeinschen tijd werden zij gevierd, zij het dan ook niet meer met den vroegeren luister.

II

Na ons vertrek van Olympia, thans eene wildernis, volgen wij nog eenigen tijd de oevers der rivier, die door fraaie platanen worden overschaduwd, en komen dan aan een met pijnboomen begroeiden pas, die naar de kleine vallei van Phloka voert. De heuvelen zijn bekleed met italiaansche pijnboomen, vermengd met steeneiken, beuken, olmen en hooge varens. In de vlakte is het pad omzoomd door myrthen, acacias en witte rozenstruiken. In welige weiden grazen kudden van kleine, slecht gebouwde, maar gespierde en vurige paarden, die uitmuntend geschikt zijn voor tochten in het gebergte. In eene tweede vallei liggen, te midden van welbebouwde akkers en wijngaarden, de dorpen Strephia en Kokoura.

Voorbij het dorp Parbasena, waarvan de witte huisjes te midden van het geboomte verspreid liggen, maakt de weg plotseling eene kromming en voert door twee kleine riviertjes, die zich in den Alpheios uitstorten. Men legt zich hier voornamelijk toe op de kultuur van rozijnen, die voor de bewoners van Elis en Achaje eene hoofdbezigheid is geworden, en eene rijke bron van inkomsten, vooral sedert de phyloxera de fransche wijngaarden zoo goed als vernield heeft en dien ten gevolge de uit rozijnen bereide wijn in Europa aftrek heeft gevonden. De krenten, die mede hier worden gekweekt, worden hoofdzakelijk naar Engeland en Amerika uitgevoerd.

In eenige minuten komen wij aan de kleine stad Pyrgos, waarvan de witte huizen met hunne roode pannen daken een zeer goed effect maken te midden van de moerbeziën-, citroen- en olijvengaarden. Na Kalamatta is Pyrgos een van de voornaamste steden van Morea. Wij stappen af bij een koopman, wiens schoonbroeder ik te Athene had gekend. Daar, als overal in Griekenland, werden wij op de meest gastvrije en hartelijkste wijze ontvangen. Wij vinden hier althans iets terug van de weelde en het comfort, waar wij, kinderen der overbeschaafde negentiende eeuw, niet buiten kunnen, en die ons het slechte logies in de bergstreken doen vergeten. Pyrgos, de residentie van den prefect van Elis, heeft eene bevolking van meer dan vierduizend zielen; in de laatste jaren zijn er vele nieuwe, ruime huizen verrezen, vooral sedert de landbouw vooruitgaat en aanzienlijke winsten afwerpt.

De stad ligt op een afstand van ongeveer twee uren gaans van de kleine haven van Katakolo, waar de grieksche mailbooten eenige malen per maand aanleggen, en van waar eigenaardige vaartuigen, sakoleven genoemd, rozijnen en wijn naar Zante, de voornaamste stapelplaats van dien handel, vervoeren.

Des avonds werd ter onzer eere een diner gegeven, waaraan de prefect, de burgemeester, de kapitein der gendarmerie en drie der voornaamste kooplui deelnamen. Hoewel het woensdag was,--dat wil zeggen, vastendag voor de Grieken--verschenen er toch verschillende soorten van vleeschspijzen, die onze gastheer ons zeer aanbeval als eene schadeloosstelling voor onze ontberingen in het gebergte; maar noch hij zelf, noch de andere gasten gebruikten iets van dat vleesch. De Grieken nemen allen, zonder vertoon en zonder valsche schaamte, zeer streng en nauwgezet de talrijke en strenge vasten in acht, die hunne kerk hun voorschrijft. Er zijn in het jaar niet minder dan honderd-dertig meer of minder volledige vastendagen. Behalve de vier groote vasten, vóór Paschen, het feest der Apostelen, Maria Hemelvaart en Kerstmis, hebben zij een groot aantal vigiliën, en vasten bovendien des vrijdags, ter herinnering aan het Lijden, en des woensdags omdat Judas op dien dag de dertig zilverlingen ontving, als loon voor het verraden van zijn Meester.

Gedurende de groote vasten, de strengste van allen, gebruikt men, veertig dagen lang, niets dan rijst en in het water gekookte groenten. Op Goeden Vrijdag onthoudt men zich, tot zonsondergang, geheel van eten. Mannen, vrouwen, kinderen, grijsaards, allen onderwerpen zich aan deze strenge wet. Den volgenden zaterdag, na zonsondergang, is de vasten uit; de oude potten en pannen, waarvan men zich gedurende dien tijd bediend heeft, worden uit het venster geworpen, en aller gelaat straalt weer van vroolijkheid. De gewone vastendagen zijn minder streng; en met vreugde zagen wij op onze tafel uitmuntende visschen verschijnen, die in groote menigte in den Alpheios worden aangetroffen. De koffie werd gebruikt op het platte dak der woning, die door wilgen en oranjeboomen, wier sterke geuren de lucht vervulden, is omringd. In de tuinen bloeiden kamperfoelie, jasmijnen en rosemarijn, die hunne geuren uitademden, terwijl thym en bloeiende wingerden buiten op het veld hetzelfde deden. Duizenden lichtgevende insekten zweefden als vonken door den donkeren nacht; uit de bosschen klonk ons het gezang van den nachtegaal tegen.

Doch, helaas! elke medaille heeft hare keerzijde. Pyrgos, dat welhaast een paradijs schijnt, is omringd door ongezonde moerassen, die hunne vergiftige uitwasemingen vermengen met de geuren der oranjeboomen; en in het lager gedeelte van Elis heerschen gedurende den zomer en nog meer in den herfst, kwaadaardige koortsen. Reeds in de maand Mei begint de hitte ondragelijk te worden; de heete vochtige dampkring, waarin de stad als gedompeld is, is allerminst geschikt om het door de koorts verzwakte gestel weder op verhaal te doen komen. De sirokko, de vreeselijke wind van Afrika, teistert maar al te vaak dit westelijk gedeelte van den Peloponnesos, waarover zijn gloeiende adem rechtstreeks strijkt. De dichterlijke glimwormen en andere lichtgevende insekten hebben makkers, die geen licht geven, maar gruwelijk bijten, en u, des avonds en des nachts, in dichte zwermen op het lijf vallen; nog dien eigen nacht hadden wij gelegenheid met die verschrikkelijke muskieten kennis te maken.