# Redevoeringen

## Part 3

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/redevoeringen-11207/index.md

* * * * *

Richt uw oog voorbij gindsche boomen. Ziet gij daar niet die bewegende grauwe vlekken op de sneeuw? Het zijn dieren, die eene prooi zoeken, niet waar? Neen, neen, menschen zijn het: vrouwen en kinderen, die huilend over het rapenveld kruipen en hunne ontvleesde vingeren ten bloede krabben, om aan den bevrozen grond nog een uur levens te ontrukken. Hier ook liggen er reeds ontzield, met het logenachtig voedsel in de verkrampte vuist!...

* * * * *

Dáár, voor ons, schiet een kerkje zijne blauwe torenspits ten hemel. Het is een dorp, befaamd om de werkzame nijverheid zijner inwoners. Vóór eenige jaren galmde in elke dezer hutten het gerucht des arbeids en het heldere gezang der levensvreugd; gezondheid en kracht blonken als rozen op het gelaat der kinderen; de moeder zat er weltevreden, met den lieven zuigeling op den schoot, nevens het getouw van eenen moedigen vader, eenen beminden echtgenoot!

Nu?--nu zwijgt er alles: men zou zeggen, dat de inwoners in eenen diepen slaap verzonken liggen.--Dwaling, dwaling! Daarbinnen, achter die stomme muren, zitten ook van die geraamten met wanhoop in elkanders oogen te staren, en sprakeloos wachtend op den roep van God!

Opent eene deur--kiest toch niet--de hongersnood verschoonde hier niemand.... Zie, dáár op zijn verbrijzeld getouw zit de Vlaamsche arbeider; nevens hem, op wat stroo, ligt het lijk van zijn oudste zoontje,--een ander kind omvat zijne knieën en huilt om voedsel. Wat verder zit de moeder; zij drukt haren zuigeling tegen de borst en bevochtigt zijne dorre lippekens met hare tranen. Arme vrouw Zij lijdt honderdmaal, want het is de vrucht haars lichaams, die snikt en in hare armen sterven gaat! Wee, wee, te midden van het stomme huisgezin staat een afgrijselijk spook te lachen: de dood, die loert en wacht....

* * * * *

Komt aan, verlaten wij dit akelig graf. Moed is er noodig tot het volbrengen onzer droeve reis:--overal lijken, overal stervenden, overal hongerige zwermen....

Luistert, in dit dorp galmen menschenstemmen. Ha, dáár, op eene kraam, liggen vele stukken vleesch. God dank, hier is nooddruft, hier zal vreugde zijn!--Ach, neen, hier ook is lijden. Ziet, hoe honderden vrouwen en kinderen daar staan en weenen; hoe de mannen hunne boezems met de nagels verscheuren, hoe men huilt, hoe men kruipt en in krampen spartelt bij het gezicht van het nog bloedend voedsel. Eilaas, de redding, het leven lacht hun spottend toe;--de ijselijkste martelpijnen moeten ze doorstaan;--want dit vleesch is niet voor hen: het is te koop,--men moet rijk zijn om er eene bete van te verkrijgen.... En nochtans,--o God, hoe schrikkelijk;--het is paardenvleesch, hondenvleesch!

* * * * *

Maar daar stormt de brandklok! het vuur verteert eene boerenwoning. Die ongelukkigen loopen er naartoe; want elk nieuw voorval brengt immers eene nieuwe hoop?--Reeds klimmen de vlammen boven het dak,--het huis stort in.... Ziet, daar loopen ze halfnaakt door het vuur en sleuren, met juichende zegeroepen, den verkoolden romp van een dier uit den brand. Vrouwen, kinderen, mannen werpen zich op de onverwachte prooi; ze scheuren het zwarte vleesch van het gebeente en verslinden het met den lach der zaligheid op den mond. Andere zwermen komen toegeloopen; men strijdt, men vecht om een deel van het akelig voedsel.--Welhaast is het dier verdwenen. Honderden, die te laat kwamen, blijven in vertwijfeling op de bloedige plaats staren, waar anderen verkwikking vonden, en rukken zich de haren uit het hoofd, omdat zij bij het wellustig feestmaal niet mochten tegenwoordig zijn!

Och, genoeg, genoeg! Het hart scheurt bij het gezicht van zooveel lijden. Ontvluchten wij dit afgrijselijk oord; keeren wij terug naar streken, waar men het gevoel des doods en der verkwijning zoo niet met de lucht inademt. Wij zullen onder eenen klaarderen hemel tranen storten over het lot onzer broederen....

* * * * *

Mijnheeren en mevrouwen, welke ook de gedachte zij, die Gij u tot heden over den nood in Vlaanderen gevormd hebt, toch zult gij wellicht het tooneel, dat ik u voorschetste, aanzien als te zeer overdreven en de waarheid voorbijloopend. Gave God, dat dit vermoeden gegrond ware! Maar, eilaas, het is zoo niet. Mijn woord is integendeel niet machtig genoeg, om u het tafereel van Vlaanderens ellende in al zijne akeligheid voor oogen te stellen.--Het is waar, dat de hongersnood het bloed van Artevelde in de aderen zijner zonen ontsteekt en bederft; het is waar, dat het nageslacht van De Coninck, van Breydel, van Borluut als een hoop hongerige wolven over de velden dwaalt en het rapenloof als eene lekkernij verslindt; het is waar, dat gansche dorpen bijna uitgestorven zijn; het is waar, dat men hondenvleesch verkoopt; het is waar, dat niet verre van ons, te midden van ons schoon en rijk vaderland, eene gansche bevolking verkwijnt en in het graf zinkt!...

Wat gedaan in zulken onmeetbaren nood? Wat mag Vlaanderen nog redden? Wie kan die nedergeslagene, die zieltogende natie krachten verleenen om betere dagen te gemoet te zien?

Zouden wij de hoop gansch uit onze harten laten vervliegen en met eenigen onzer landgenooten voor alle antwoord zeggen:--_de Dood_? Neen, neen, gansch België heeft geroepen:--_Weldadigheid_! Weldadigheid zal Vlaanderen steunen, totdat de morgenstond der redding de kim verlichte!

O, wat is het schoon, eene geheele bevolking, zonder onderscheid van taal of afkomst, tegen den vreeselijken hongersnood te zien kampen, met de heilige wapenen der menschenliefde, en der barmhartigheid! Te zien, hoe stramme priesters den reisstok in de hand nemen, en als ware beelden van hunnen goddelijken meester zich over het vaderland verspreiden, om erbarming te roepen over hunne lijdende schapen! Hoe de Belgische vrouwen,--engelen des troostes op deze aarde,--hunne betooverende stem nog zoeter maken om de harten te treffen! Hoe het gevoel van weldadigheid alles heeft weten te bevruchten, en tot nevens de minst ingetogene vermaken zelfs een gebed heeft geplaatst! Hoe een tachtigjarige grijsaard tot zijn bed toe verhoopt, om nog eenigen zijner broeders te kunnen laven! Hoe uit alle steden, uit alle huizen, uit alle hutten de verzamelde liefdepenningen als een regen der verkwikking over het snakkend Vlaanderen worden gespreid!

Ach, en toch hebben al deze vereenigde krachten den schrikkelijken hongersnood nog niet kunnen verdrijven; maar het heilig werk is begonnen; reeds zijn er duizenden uit de armen des doods ontworsteld. God zal welhaast zijne machtige dienaresse, de zon, ons tot strijdgenoot verleenen; Hij zal den vruchtbaren schoot der aarde ontsluiten en het zaad zegenen, dat de menschenliefde zelve over den akker zal hebben gestrooid. Ja, ja, de Belgische weldadigheid zal zegepralen over de plaag!--En dan, dan zullen wij met nog meer innigheid het vaderland beminnen, dat aan zijne reeds zoo luisterrijke kroon nog die allerschoonste parel des roems zal hebben gehecht; dan zullen wij weten, dat alle Belgen broeders zijn, wanneer een zelfde band van edelmoed en goedheid ze onafscheidbaar zal omsluiten.--En misschien--de geest der toekomst roept het aan mijn oor--misschien zal het schoone Vlaanderen nog eens het hoofd uit het graf verheffen, en aan den hemel der natiën blinken als de star der nijverheid en der volkskracht!...

* * * * *

Gij ook, die met ontroering op mijne stem hebt geluisterd, gij zult het arme Vlaanderen niet vergeten, niet waar? Gij zult ook deel willen nemen in den strijd tegen den hongersnood? Gij zult nog eene aalmoes geven? Ach, om Gods wil!--gedenk dat het penningsken, dat gij wegschenkt, misschien nog intijds zal komen om eene stervende moeder te redden van den dood!

REDEVOERING

UITGESPROKEN BIJ HET GRAF VAN THEODOOR VAN RYSWYCK, DEN 10^{den} MEI 1849.

O, Heer! voor welk onbekend verbreken boeten wij dan, dat Uwe hand zoo loodzwaar op ons nederzakt? Eilaas, de tijden zijn verre, dat wij in saamgestemde tonen het heilig loflied ter eere des vaderlands deden schallen,--dat wij, moedig en vroolijk, voor het goede streden en U juichend dankten bij elke zegepraal op verbastering en volksbederf behaald! Nu is alles duister en akelig op onze baan: onze vaderlandsche feesten zijn sombere lijktochten, onze vergaderplaats het veld des doods, onze zangen het eeuwige vaarwel, bij het graf onzer dierbaarste broeders gesnikt....

Nog treurt het hopeloos Vlaanderen over de vroege opvaart zijner edelste zonen, nog zwoegt het weenend om den gedenksteen op het graf van den Gentschen zwaan[3] te rollen, nog bloedt het uit zijne dubbele wonde ... en reeds bonst een nieuwe noodkreet uit zijne scheurende ingewanden over het neerslachtig vaderland!

Bij een ander graf--het laatste, dat wij sidderend zagen sluiten--durfden wij hopen, dat de storm had uitgewoed. Twee eiken kruinen lagen ontworteld en verbrijzeld ten gronde....[4] Het offer was volbracht? Eilaas, neen, neen! Nog ergens, in een welig oord bij de Schelde, bloeide een frissche wilg, in de volle kracht zijner oorspronkelijke milde natuur. Bij den minsten zucht, die zijn loover als de snaren eener harp deed trillen, liep het volk luisterend toe, en het bewonderde met dankbare aandacht de zoete liederen, die als dauwdruppelen glinsterend en zoel in de harten vielen, troost en balsem goten over het wee des vaderlands en de taal onzer moeder deden beminnen om hare harmonische en bekoorlijke zachtheid.

Een voorbode des doods schoot nevens den frisschen boom voorbij en zengde zijn welig gebladerte: de zingende wilg verdorde langzaam--en stierf: kruin en stam vielen ter aarde. Niets meer, niets meer van hem dan de onvergankelijke naklank zijner betooverende liederen....

Niet genoeg dat de _Vlaamsche Nestor_ van tusschen ons werd weggemaaid, niet genoeg dat de wreede dood het lied in de keel des _Vlaamschen Nachtegaals_ verworgen kwam ... ook de _Vlaamsche Bard_, de vroolijke zanger des volks moest ons verlaten--lijden en sterven als een martelaar.

Daar ligt hij.... Van Ryswyck! bevrozen onder den kouden zoen des doods ... en met hem zinkt voor eeuwig in den schoot der aarde zijne wonderlier, die het ingewand des volks trillen deed.

Van Ryswyck! gij waart mijn eerste strijdgenoot. Samen trokken wij te velde tegen de vijanden van ons geslacht; samen verhieven wij het zwaard des woords, om den naam der voorvaderen te wreken en Vlaanderen op te heffen uit de vernedering. Terwijl ik dorst beproeven het vroegere heldendom ten voorbeeld onzer broederen op te roepen, stroomden van uwe lier mannelijke en machtige zangen, die het vaderland doorklonken en mij den boezem van hoop en vertrouwen deden zwellen. Mij suist nog in het oor:

Verheft het hart, verheft de stem; Het klinke uit ieders mond: Wat lot ons dreig', wat leed ons naak, Ten strijde voor de moederspraak, Op vaderlandschen grond! Dreunt luid, der vadren taal ter eer; Klinkt, zangen, klinkt in 't rond! Van hier met vreemden pronk en praal Wij zingen in der vadren taal Op vaderlandschen grond![5]

Van Ryswyck, diep betreurde broeder, het lot heeft ons in een verschillend pad geleid; doch achting, liefde heeft altijd tusschen ons voortbestaan. Onze baan voerde ons toch zoo menigmaal weder te zamen! Hoe dikwijls hebben onze handen in de eenzaamheid in elkander gegloeid;--hoe dikwijls ontstroomden onzen lippen woorden van begeestering, om elkander aan te moedigen tot den nationalen strijd! Hoe dikwijls verspraken wij elkander eene onverbrekelijke broedertrouw!

Ah, die trouw is niet verbroken geworden. Moge eenige schaduw de vriendschap tusschen ons overneveld hebben, het hart toch bleef goed.... Ja, bij uw nog ongesloten graf zeg ik het met de diepste overtuiging: gij hebt uwen strijdmakker blijven achten en beminnen, gelijk hij nooit een onvriendelijk gevoel tegen u in zijnen boezem toeliet. De traan van rouw en verdriet, die uwen ouden wapenbroeder nu bij den rand van uw graf ontrolt, moge uwe ziel in den schoot der Godheid verheugen en u zeggen, dat ik uw hart heb gekend en geschat....

Taalgenooten, vrienden, gij, die met mij de aarde zijner laatste rustplaats bevochtigt en snikkend nederziet in den gapenden kuil, die zijn stoffelijk overblijfsel verslinden gaat, uwe smart is onzeglijk, niet waar? Het vaderland, al wie Vlaming is en Vlaanderens roem bemint, moet weenen! inderdaad! Die zwijgende baar omsluit voor eeuwig den goeden, minnelijken zanger, wiens voetstappen een eeuwig spoor van troost en blijdschap nalieten, uit wiens zachte blikken de opgeruimdheid des harten en de vriendschap straalden, wiens aanzijn vreugde en levenslust verspreidde waar hij kwam ... hij, het ware beeld der voorvaderlijke gulhartigheid!

Kind der natuur, begaafd met eenen milden gloed van betooverende zielsharmonie, worstelde hij moedig tegen smart en verdriet om zijne zending te vervullen; hij verhief zich door eigene krachten, boeide het luisterend volk aan zijne lippen en verwierf, met eenen welverdienden roem, den eernaam van Vlaanderens lieveling.... Misschien ging het lot hem gunstig worden, misschien ging hij eenige rust genieten in zijn hobbelig en pijnlijk levenspad: maar, eilaas, een ijselijk wee verbrak de vaderlandsche harp in zijne handen, de heilige lamp der poëzie doofde langzaam uit,--en, na onbedenkbaar lijden, legde hij, vermoeid en afgemat, het hoofd op zijn eens zoo verleidend en zoo machtig speeltuig neder.

Indien iets bij dit graf zijne bedrukte ouders, broeders en vrienden troosten kunne, dan zij het de overtuiging, dat Van Ryswycks dierbare naam zal leven, zoolang uit eenen Vlaamschen mond de Dietsche tale klinkt. Die naam hoort toe aan de geschiedenis onzer letterkunde, door de onschatbare parelen van ingeboren vernuft en van dichterlijke harmonie, die in zijne werken liggen opgesloten; hij hoort toe aan onze zonen, die de liederen van den minnelijken Vlaamschen zanger niet kunnen vergeten.

En nu, taalgenooten, zal dit graf zelf, zal onze gemeene smart ons niet indachtig maken, dat het nieuw en onherstelbaar verlies, waarmede het lijdend Vlaanderen geslagen wordt, de vereeniging onzer krachten noodig maakt tot het voltrekken van het gebouw, waaraan Van Ryswyck zoo onverpoosd heeft gearbeid? Zullen wij ongevoelig blijven aan den roep, dien hij, als door profetische inspraak gedreven, ons in betere tijden toestuurde:

Broeders, komt, de wraak gebluscht In het boos gemoed. Komt, elkaar in vree gekust, En voor 't kwaad geboet.

't Leven is zoo kort en broos, Om 't door haat en nijd Te verbittren voor altoos, Tot ons eeuwig spijt.

Vrede, trouw en broedermin Zij ons eenigst doel, Met een onverzetbren zin En een rein gevoel.

Wie bestaat, die nooit misdeed, Vrij van vlek en blaam...? Dus, vergeven wij het leed, In des Heeren naam!

Ja, mocht de nagedachtenis van een en dierbaren doode onze harten vermurwen; mocht eindelijk het treurend vaderland in onze verzoening een gedeelte der krachten terugvinden, die het wreedste lot ons door zijne onverbiddelijke slagen ontroofde!...

En gij, Van Ryswyck, arme vriend, betreurde broeder, slaap gerust in den geboortegrond, dien gij hebt bemind en verdedigd; hij zij u licht en zoet, de vaderlandsche bodem! Dat God u daarboven met Willems en met Ledeganck vereenige, opdat gij, roemrijk drietal, bidden moget voor ons en voor Vlaanderen.... Vaarwel, vaarwel.

REDEVOERING

OVER DE MISKENNING DER MOEDERTAAL, UITGESPROKEN OP EEN LETTERKUNDIG FEEST, TE ANTWERPEN IN 1851.

Mijnheeren en Mevrouwen!

Het is drie jaren geleden dat ik voor de laatste maal de eer genoot tot UEd. het mondelijk woord te sturen.

Gedurende dien tijd zijn er op den grond der Vlaamsche zaak dingen gebeurd, die ik in het voorbijgaan aanraken wil, vooraleer tot het onderwerp mijner rede over te gaan.

Wat ik zeggen ga, weet gij allen.

Eene arglistige vervolging heeft sedert twee jaren op de Vlaamsche zaak gedrukt. Men heeft de verdedigers der moedertaal tegen elkander opgehitst, de tweespalt in onze rangen geworpen en ons door mistrouwen, door aangevuurden haat van elkander afgescheurd: eerst onze eendracht en onze macht gebroken, en dan elken Vlaamschen strijder persoonlijk bevochten en aangevallen, om zoo al de steunpilaren van den vaderlandschen tempel omverre te rukken, met de hoop dat het gebouw, tot gruis instortende, de stem van het verdrukte Vlaanderen voor eeuwig onder zijne puinhoopen zou versmachten.

Twee jaren lang waande de vijand zich der overwinning zeker.

En nochtans, hier staan wij weder vóór u, talrijker, machtiger dan te voren!

Wat beteekent dit? Het beteekent, dat alle grondbeginsels, die op de waarheid berusten, in de vervolging zelve eene bron van macht en leven vinden. Het beteekent, dat de Vlaamsche volkszaak, die wij verdedigen, niet op personen rust, maar eene onverdelgbare waarheid is. Het beteekent, dat zij zal vooruitgaan door de kracht alleen van haar grondbeginsel; dat zij zal zegepralen en eens haar edel doel zal bereiken, al spanden alle onvaderlandsche gevoelens te zamen om haar te verstikken!...

* * * * *

Mijnheeren en mevrouwen, ik stel mij voor, UEd. het ware doel onzer streving nog eens voor oogen te leggen, in uw hart de vlam der vaderlandsliefde aan te vuren en u op te roepen om met ons, volgens de maat uwer vermogens, werkzaam te worden tot het opbouwen onzer verdrukte broeders, tot het verdedigen der moedertaal, door God en onze vaderen ons gegeven.

Leent mij, bid ik u, uwe welwillende aandacht. Er is een volksstam, welks geschiedenis overvloeit van heldendaden en roemvolle feiten; een volksstam, die gedurende eeuwen aan het hoofd der Europeesche beschaving stond en aan de Westerwereld leeren moest, wat de woorden ontslaving, vrijheid, burgerrecht, handel en nijverheid beteekenen; een volksstam, die in kunsten, in wetenschappen en zelfs in oorlogsroem immer uitblonk, en aan den hemel der toekomst schitterende starren heeft gehecht, starren, onder welke er zijn, die men noemt: Van Eyck, Artevelde, Rubens, De Coninck, Van Dyck, Lipsius, Teniers, Van Maerlant, Mercator, Dodoens! Dit volk zoo moedig, zoo machtig, zoo trotsch, zoo vermaard ... dit volk waren onze vaderen.

Welk schoon erfdeel hebben zij ons nagelaten! Eigen roem, eigen recht, eigen taal! Maar hoe hebben wij het heilig erfdeel des voorgeslachts bewaard? Hebben wij de vaderlijke rechten ons niet laten ontnemen?

De twee derde gedeelten der bevolking van België spreken Vlaamsch; de Vlamingen zijn dus in groote meerderheid. Zonder twijfel is hunne moedertaal de landtaal in België; zonder twijfel overheerscht het Vlaamsch den minderen stam? Of, zoo de Belgische natie haar bestaan op gelijkheid en rechtvaardigheid tusschen de twee broederstammen heeft gebouwd, dan ten minste heeft elk het volle gebruik zijner taal en rechten behouden, en niemand ligt in België voor zijne medelandgenooten in het stof gebukt?

Eilaas, het is eene bittere spotternij, niet waar?--Wilt gij weten, wat er van de afstammelingen van Van Eyck, van Artevelde, van Rubens geworden is? Wilt gij het lot van het Vlaamsche volk kennen? Komt met mij; ik zal ze u toonen, de twee millioen broeders, die door de schuld, door de lichtzinnige modezucht van velen onzer tot onwetendheid gedoemd zijn; die slaaf zijn in geest en in lichaam, op den bodem van het meest vrije land der aarde; die rondsukkelen in den nacht der duisternis en voor eeuwig verwezen zouden blijven, om als onmondige kinderen, als verdrukte Paria's te leven en te sterven, indien het ons aan moed en kracht ontbrak, om tegen de vijanden van het Vlaamsche bloed manhaftig te staan en te kampen gelijk onze vaderen deden. Ziet gij daar, in die burgerwoning, eene vrouw bij eene wieg zitten droomen? Welke zalige hoop streelt haar moederhart! Zij lacht de toekomst tegen en vraagt met de oogen ten hemel: Welke is de bestemming van mijnen zoon, o God?--Zijne bestemming, vrouw? Hij zal vreemdeling zijn in zijn eigen vaderland; want de taal, die gij hem leert stamelen, is de taal van zijn geboorteland niet. Gij kunt zijne verbastering niet betalen, gij kunt hem geen Fransch doen leeren, arme moeder; daarom zal hij gedoemd blijven tot slafelijke minderheid, deel hebben noch in het openbaar leven, noch in de beschaving, noch in het licht des geestes; hij zal het slachtoffer worden der lafheid zijner broederen, die gedoogen, dat het Vlaamsche bloed, de Vlaamsche taal verstooten worden en verdrukt.

Ha, het kind is een jonge man geworden! Zijn oog schittert toch van moed en levenslust; hij eischt zijne plaats onder de zonen des vaderlands; hij ziet elkeen vooruitstreven in den maatschappelijken stroom; hij wil deel hebben in het openbaar leven: wat zal hij worden? Hij is begaafd en, mocht hij zijne moedertaal bezigen, wie zou zijne bestemming durven bepalen? Nu? nu is hij nog niet bekwaam om korporaal, gendarme of sleuteldrager in eene gevangenis te zijn.--Ondersta uw lot, verstooteling: de weg der beschaving en des voorspoeds is voor iedereen geopend; voor u alleen, Vlaming, voor u alleen gesloten!

Eindelijk, veertig jaar.... De Vlaamsche aanhoudendheid heeft zijnen arbeid vruchtbaar gemaakt; hij is burger, hij drijft handel. De verdrukking heeft hem niet verlaten! Nu is hij omringd van ambtenaren en staatsbedienden, die zijne taal niet verstaan; voor klachten, vertoogen, smeekschriften, voor alles, dat hem in aanraking brengt met de overheden, moet hij als een verstandeloos kind de pen van eenen zaakwaarnemer ontleenen en eene gehuurde hand betalen,--om hem te doen gevoelen, dat hij geen vaderland heeft.

Hij wil naar recht en rede deel nemen in de openbare geestontwikkeling; hij wil in het staatkundig volksleven treden. Die opgedrongene onwetendheid doet hem lijden, omdat zijn hart hem zegt, dat hij ook mensch en Belg is. Maar de openbaarheid, door de grondwet hem gewaarborgd, is hem in eene vreemde taal ontgoocheld. Bij zijne provincie Fransch, op het stadhuis Fransch, in alle bestuurszaken Fransch; altijd de taal der minderheid, die den Vlaming in het stof der vernedering drukt en hem daar, zijn leven lang, gebogen houdt als een lid van een gevloekt geslacht, dat zelfs het recht zou verloren hebben om verbetering naar geest en naar lichaam te wenschen.

Wilt gij den Vlaamschen burger op de bank der schande zien? Volgt mij naar het gerechtshof. Daar zit hij ... hij is verdacht van eene misdaad ... men beschuldigt, men pleit, men getuigt, men twist. Wat hier op het spel staat, is zijne eer, zijne onschuld, zijn leven, de gansche toekomst van zijn huisgezin. Hij beeft en knarsetandt van woede ... hij verstaat niets van de beschuldigingen, tegen hem ingebracht: hij woont den strijd om zijne eer en zijn leven bij als een stomdoove martelaar! Dan eerst gevoelt hij, welke verdrukking zijn geslacht verplet; dan eerst breekt hem het hart van schaamte in den boezem; dan eerst vervloekt hij den naam van Vlaming en stuurt hij door de ruimte eenen blik van wraak tegen de bastaarden van zijnen stam, die door hunne lafheid hem overleverden aan dit schreeuwend onrecht.

Dit is, vrienden, het lot van twee millioen onzer broeders. Hen in name onzer roemrijke vaderen verlossen van dit akelig lot, hen terugroepen tot het leven der ziel en des geestes, den naam en de taal onzes voorgeslachts weder met luister opbeuren uit de schande, dit is de schoone, de heilige taak, waaraan wij ons leven en onze vermogens hebben toegewijd. Is deze taak niet grootsch, niet edel genoeg?

Maar beschouwen wij ons onderwerp nog langs eene andere zijde.

