Part 2
Het is dan, Mijne Heeren, dat eenige afstammelingen der De Conincks en der Artevelden, eenige Vlamingen met warmer bloed, in zich de verterende vlam der verontwaardiging voelden ontsteken. Met het hoofd gebogen en met verkropt gemoed aanschouwden zij de verbastering hunner broederen en de verdrukking, waaronder het Vlaamsche grondbeginsel verzonken lag. Zij zagen hoe de gunsten en het welzijn voor de Vlamingen niet waren; hoe twee millioen hunner werkende broeders van alle beschaving, van allen zedelijken voortgang verstoken en als tot de onwetendheid veroordeeld bleven: zij zagen hoe het ongeloof, de echtbreuk, de spotternij, de arglistigheid en de zelfmoord in duizenden boeken aan hunne landgenooten als deugden werden voorgepredikt; in hun oor klonk de lastertaal van den vreemde, en de hoon, het voorgeslacht aangedaan, doorvlijmde hunne harten. Zij zagen het rood der schaamte de wangen bekleuren van den Vlaming, aan wien een uitheemsche gelukzoeker vroeg tot welk volk hij behoorde!
Hunne hoofden zonken dieper bij het aanschouwen van zulke vernedering; hunne tranen vloeiden in stilte over het verlies van zoovele herinneringen, die ons weleer eene roemrijke plaats tusschen de volkeren der wereld hadden toegeruimd.
Eensklaps, alsof God zijnen vinger op hun voorhoofd hadde geplaatst en tot elk van hen geroepen had: "Wees machtig!" eensklaps joeg hun hart feller, de moed en het vertrouwen vervulden hunne boezems, en zij spraken tot elkander:
"Zie, het vaderland staat op den boord van den afgrond, de vreemde legt de bijl aan het gebouw onzer nationale glorie;--nog een kort tijdvak, en de namen onzer vaderen, hunne heldendaden, onze schoone geschiedenis, onze zeden, onze taal,--alles wat wij bezitten zal verloren zijn! De Romaan zal zijne zegeliederen aanheffen op de graven van ons voorgeslacht, en met eenen spotlach zal hij zeggen: hier leefde eens een volk, dat den naam van Vlaming droeg!"
En hunne stemmen versmolten in eenen roep.--Gij hebt gezegd:
"Neen, de Romaan zal zijne zegeliederen niet aanheffen op de graven onzer vaderen; hij zal zich niet verblijden in onzen val! Nogmaals zal de naam van Vlaming hem glanzend in het oog blinken.... Voorwaarts, de hand aan 't werk,--met verstaalden wil en onbuigbaar geduld onze herinneringen opgegraven, de verbastering met zweepend geweld van onzen bodem geweerd! Voorwaarts, het Vlaamsche vaderland moet gered!"
Dank moet Hij hebben, de God die ons insprak en ons macht verleende tot dit groote werk!--Het vaderland is gered--het is gered! Nu staat het niet meer op den afgrond, waar wij het hebben gevonden;--het zal niet verloren gaan!...
* * * * *
Mijne Heeren, vergeeft mij mijne begeestering. Wanneer ik van het Vlaamsche vaderland spreek, kan ik de ontheffing mijner ziel niet bedwingen ... ik ben ontroerd....
* * * * *
Weinige jaren hebben wij besteed aan het wederopbouwen onzer nationale waardigheid. Bekent met mij, dat het overzien van het reeds afgedane gedeelte onzer taak ons met fierheid moet vervullen. Weet gij nog, dat men in dien tijd zeide: "Uwe taal is een onverstaanbaar gebrabbel?" En nu,--nu zegt men: "Het Vlaamsch heeft schoone werken voortgebracht, het is de moedertaal van meer dan de helft der Belgen; deze taal moet geëerbiedigd en ondersteund worden, eene roemrijke toekomst licht haar vóór in hare baan...." En deze edelmoedige woorden, door eenen waardigen Vlaming gesproken, zijn niet met eenen spotlach begroet geweest! Zij, die onze moedertaal niet kennen, hebben geloof gegeven aan hare schoonheid en aan de voorzegging van haren verdediger!
In den tijd, waarvan ik spreken wil, zouden hoon en smaad hem hebben geantwoord.--Weet gij nog, dat men ons lachend vroeg: waar zijn de jaarboeken uwer letterkunde? waar de voortbrengselen, die bewijzen, dat de Vlaamsche taal de aandoeningen des harten kan uitdrukken?--En nu, nu betreurt men dat men het Vlaamsch niet kent, om onze vaderlandsche schriften te kunnen lezen. Weet gij nog, dat de moedertaal uit alle bestuurszaken verbannen was, en dat een Vlaamsch burger voor de minste zaak eenen vertaler noodig had?--En nu, nu dringt de moedertaal niet alleen in onze gemeente-en provinciebesturen; maar zij klimt zelfs met onweerstaanbaren voortgang tot bij den troon des konings; nu houdt het groote Duitschland eenen vreugdevollen blik op ons gevestigd, het herkent in ons de herboren zonen van het Noorden en juicht onze pogingen toe;--nu klimt de stem _Vlaamsch België_ van uit de hoofdstad over het aandachtig en luisterend vaderland!
O, broederen! dit is ons werk.--Dit hebben wij gewonnen door moed en arbeid!... En klinken er nu zegeliederen op de graven van het voorgeslacht, het zijn liederen, die onze wedergeboorte en onze verheffing bezingen!
Dan, Mijne Heeren, kunnen wij ons met recht verblijden over den weg, dien wij reeds hebben afgelegd, er blijft ons nog oneindig meer te doen; de tijd is nog niet gekomen dat wij, met hoogmoed op ons werk starende zullen mogen zeggen: het is gedaan,--onze zending is volbracht. Daarom, altijd met vernieuwden moed vooruit, niet geslapen, niet gerust; altijd gearbeid, altijd strijden voor het Vlaamsche vaderland, totdat de kroon, die wij Vlaanderen voorbereiden, door ons of door onze zonen gevlochten zij.
Laat u door niets wederhouden, door niets afschrikken; want onze strijd is een vreedzame strijd des geestes; ons doel is wettelijk, lofbaar en verheven.... Inderdaad, wat willen wij? Den godsdienst, de zeden en de taal onzer vaderen van de verbastering bevrijden; onze twee millioen broeders uit de vernedering en uit de verdrukking redden, hun eene waardigheid geven, die hun arbeidzaam en zwoegend leven verdient; het erfdeel onzer voorvaderen van den val bevrijden. Is dit geene wettelijke en lofbare strekking?
En kwam iemand u zeggen: gij doet pogingen om het land aan twee stukken te scheuren,--gelooft hem niet. Wij beminnen de landgenooten, ons door hoogere beschikking tot broederen gegeven; wel hebben wij geworsteld, en nog zullen wij worstelen tegen den voorrang van het Romaansch element: maar kan hij, die zijn vaderland bemint, de verzwakking daarvan wenschen? Kan hij begeeren, dat twist en tweespalt de inzwelging aan den gemeenen vijand gemakkelijk maken? Neen, de eendracht met onze Waalsche broeders is onze macht, en zij zal het blijven, nu men ons meer rechtvaardigheid begint te doen. Veel hebben wij reeds verkregen: het overige zal volgen; want geene macht op aarde, hoe hoog ook gezeten, kan de taal der daadzaken wederstaan.
Maar ik bezweer u, landgenooten, bederft onze schoone zaak niet door partijzucht, vertraagt onze wedereisching niet door driften, die aan de Fransche beschaving zijn ontleend.
Herinnert u steeds de leus van het voorgeslacht: godsdienst, vorst en vaderland.--Onze voorouders bezaten een stil en zuiver geloof in de Alvoorzienigheid: dit geloof zij in onze voortbrengselen geëerbiedigd, het beziele onze pogingen, opdat de uitheemsche twijfelgeest verjaagd worde.--Onze vaderen hadden eenvoudige en kuische zeden, zij braken nooit den band des huwelijks, waren trouw aan hun woord en rechtzinnig in hunnen handel: die zeden moeten wij voeden en verspreiden, opdat het vreemde vergift ontworteld worde.--Geen volk op aarde heeft meer liefde tot zijne goede vorsten getoond dan onze vaderen: die liefde, die getrouwheid zij ook in ons, opdat de vreemde omwentelingsgeest ons vaderland niet aandoe,--opdat onze koning zich eens in de verkleefdheid van het Vlaamsche volk verblijde--en opdat de worm der wroeging zijnen angel zette in het hart van hem, die ons zoo valschelijk beschuldigd heeft.
In één woord, alwat eerbiedwaardig is, zij door ons verdedigd, alwat deugdzaam en lofbaar is, diene als grondsteen ter opbouwing van den Vlaamschen tempel.... Maar, met heldenmoed en met de vaderlijke hardnekkigheid de vreedzame strijd voortgezet, onverpoosd gekampt tegen zedenbederf, verbastering en onrechtvaardigheid; met onwrikbare overtuiging terug gevraagd wat men ons ontnam. Geene vervolging, geen lijden overwogen.--Vooruit, zonder omzien, altijd vooruit naar het recht en naar het goede. Het is voor moedertaal, voor godsdienst en voor vaderland!
REDEVOERING UITGESPROKEN TE BRUSSEL, DEN l6{den} MAART 1846, BIJ HET GRAF VAN JOZEF DE HOY, UITSTEKEND LEERLING DER KONINKLIJKE ACADEMIE VAN ANTWERPEN.
Mijne Heeren en Vrienden!
Van verre kwamen wij naar de hoofdstad, om hier, op het stille veld des doods, eenen heiligen, doch droeven plicht te vervullen. Dáár, in dat gapende graf, rust het zielloos lijk van onzen vriend en broeder.... Gisteren nog lachte zijn schoon en mannelijk gelaat ons toe; wij hoorden nog zijne zoete stem ons met geestdrift spreken over de edele bestemming der kunst en over de schoonheid der natuur; wij zagen nog zijne oogen blinken met het vuur der hoop op eene roemvolle toekomst;--en nu, nu ligt hij dáár, in den schoot der aarde, bevrozen onder den kouden zoen des doods--verloren voor zijn vaderland, voor zijne moeder en voor ons!
Pijnlijk is de gedachte, die in onzen geest opstaat bij dit laatst en plechtig afscheid; maar hartscheurend wordt zij, wanneer wij ons herinneren, welke schoone loopbaan beloofd was aan hem, over wiens ontzield lichaam de aarde zich nu voor eeuwig sluiten gaat.
Ja, God had hem mildelijk bedeeld met al de gaven des lichaams en der ziel: hij bezat in rijke maat het edel gemoed, de begeestering en de scheppingskracht des kunstenaars. Ook had de Academie van Antwerpen, wier beste leerling hij was, hem al hare lauwerkronen geschonken; hij, ingesproken door het gevoel zijner voorbestemming, had zijne gansche jeugd toegewijd aan het doorgronden der kunstgeheimen en aan het betrachten der natuur, wier schoonheden hij met eene soort van aanbidding bewonderde.
Na lange jaren van gewetensvollen arbeid, blonk dan eindelijk op zijn voorhoofd eene sprankel des vernufts; de natuur had hem een gedeelte harer geheimen laten raden: zijne werken droegen reeds den onmiskenbaren stempel eener latere meesterhand. Wij allen, zijne vrienden, en de Academie, zijne kunstmoeder, hoopten op hem als op eenen nieuwen luister voor de Vlaamsche school.--Oh, zijn leven was schoon en zuiver als een hemel: geen mensch kon hem zien zonder hem te beminnen; want zijn hart scheen gevormd uit de vlammen van kunstvuur, liefde en dankbaarheid. Vriendschap bestrooide zijn pad met altijd frissche bloemen....
En dan,--wanneer alles hem toelachte op deze wereld, als de baan des roems zich voor hem geopend had, en dat wij, zijne leeraars, zijne makkers, zijne kunstgenooten, voor hem met liefde eene toekomende kunstkroon vlochten,--dan, dan kwam de nijdige dood en brak dien gouden levensdraad af! Van die toekomst, van dien arbeid, van dien roem blijft, eilaas, niets meer op de aarde dan dit koude lijk van onzen jongen vriend!
O, stort tranen, gij Wappers, zijn meester en beschermer! U is een lieveling en een zoon ontrukt. Zoo verijdelde de wreede slag van het lot uwe lessen en uwe moeite, zoo vernietigde hij uwe zoetste hoop, zoo doodde hij het zaad des vernufts, dat gij in zijnen schedel deedt ontkiemen. O, ween bij dit graf: uw beminde kunstzoon is niet meer!
Stort gij ook tranen, gij, zijne leermeesters, die in name der Antwerpsche kunstmoeder hem tot de laatste rustplaats vergezelt: de Academie verliest in hem een waardigen en altijd dankbaren telg, die met liefde voor haren roem en voor haar welzijn waakte, en door zijne zoete deugden veel bijbracht om de eendracht in haren schoot te doen heerschen. O, weent gij ook bij dit graf: uw dankbare leerling is niet meer!
Stort gij ook tranen, gij zijne medeleerlingen en kunstgenooten. Beklaagt hem, gij allen, die hem hebt gekend en bemind; treurt over het verlies van zooveel arbeid en zooveel hoop; bevochtigt met smartwater de aarde, die hem bedekken gaat, opdat het gras boven zijn gebeente zich voede met de teekens uwer droefheid. Ach, weent: uw goede vriend, uw jonge kunstmakker is niet meer!
En gij, betreurde broeder, rust zacht in den schoot des vaderlands! Misschien was uw laatste uur bitter, omdat gij van uw doodbed te vergeefs uwe handen naar ons uitstaakt, en sterven moest verre van uwe Antwerpsche vrienden. O, wees getroost, dierbare doode. Zie neder van uit uw nieuw vaderland: bij uw graf staan ze allen; zie uw goeden meester, uwe leeraren, uwe medeleerlingen, uwe kunstgenooten tranen storten over uwe vroege opvaart,--en verblijd u nogmaals, als op aarde, in de uitgestrektheid onzer liefde tot U!
En nu, Jozef De Hoy, lieve broeder, uw graf gaat zich sluiten; met verbrijzeld hart moeten wij het veld verlaten, waar uw gebeente rusten zal.... Welaan dan, zalige ziele, ontvang in den schoot der Godheid ons laatst en smartelijk Vaarwel!
REDEVOERING
UITGESPROKEN BIJ HET GRAF VAN J.F. WILLEMS, DEN 26^{sten} JUNI 1846.
Mijne Heeren en Kunstgenooten!
Door de Antwerpsche _Maatschappij ter bevordering van Nederduitsche Taal-en Letterkunde_ gelast, bij dit plechtig rouwfeest in haren naam het woord te voeren, is het met een diep gevoel van treurnis en van ontzag dat ik dezen heiligen grond betreed.
Het is dan waar: in den schoot dezer aarde slaapt Willems! Hier, onder onze voeten, rust hij voor eeuwig!
Dat statig hoofd, woonplaats van vernuft en geestkracht, ligt ontzenuwd en loodzwaar neergezonken op het steenen rustbed!
Stom is de tolk, wiens machtig woord in aller zielen overtuiging en moed storten kon,--stom de vaderlandsche nachtegaal, die het begeesterd Vlaamsch lied, als eene stem uit het roemrijk verleden, in onze harten zoo meesterlijk herklinken deed....
Het kind, dat, nog stamelend, reeds als een toegeheiligde Nazareër, als een voorbestemde Eliacim, van wedereisching droomde, van moedertaal en Vlaamschen roem voorspelde;--den jeugdigen man, die het verbasterd nakroost opriep uit den slaap der verloochening, en den vreemde uitdaagde tot den strijd voor Vlaanderens wedergeboorte: die op zijne breede schouders den kruisboom der algemeene dwaling laden dorst; die, vervolgd en gebannen, in de stilte der ballingschap het vaderland eenen onsterfelijken roem bereidde;--den ouderling, die, als een reus in geduld en wetenschap, de aarde der verledene eeuwen opgroef en doorwroette, om de verlorene parelen onzer letterkroon op te zoeken; die juichend over gansch Europa de vergetene diamanten weder glinsteren deed:--_Slag van Woeringen_! _Brabantsche Yeesten_! _Reinaart_! stralende gesteenten, door hem geslepen en beglansd in de diepte zijner eenzame nachten!...
Eilaas, het kind, den man, den ouderling, den dichter, den strijder, den geleerde--het nijdige graf heeft ze verzwolgen! Van hen blijft ons niets meer dan hun eeuwige roem en het goede, dat ze hebben gesticht.
Gentsche bodem, gewijde rustakker van Vlaamsche helden en vaderlandsche martelaars, aan Willems ook hebt gij eene plaats ingeruimd tusschen de gebeenten uwer roemrijke vaderen. Wij benijden u dien dierbaren schat niet. God heeft het zoo gewild.
Willems moest in zijnen dood zoowel als in zijn leven het ware beeld des vaderlands zelven zijn. De Antwerpsche grond droeg zijne wiege en hoorde zijne eerste zangen, Brabant werd verheerlijkt door zijne schoonste meesterstukken; op den grond van Vlaanderen heeft hij gezwoegd en geleden ... in den schoot van Vlaanderen moest Willems rusten; want, was hij ook niet een Vlaamsch held, een vaderlandsch martelaar? Zijne onvergankelijke nagedachtenis blijve aldus een band, door God zelf gesmeed tusschen alle gouwen, waar de Dietsche tale klinkt!
Met het vochtig oog op dit graf gericht, beseffen wij dieper wat wij hebben verloren; wij erkennen niet alleen, dat, sedert de uitverkorene ten hemel opklom, een glansrijk en arbeidvol tijdstip gesloten is; maar iedereen van ons gevoelt met angst, dat het Vlaamsche leger zijn opperhoofd verloren heeft. Inderdaad, zoolang de veldheer het volle leven genoot, stonden de Vlaamsche strijders als een ondoordringbare muur vóór den vijand geschaard, altijd gereed om het heiligdom der moedertaal tegen allen hoon te verdedigen, voor alle schennis te bewaren.... De veldheer sneuvelde, de band was verbroken!
Als verstomd door dit onverwacht verlies, zonder leidsman en middelpunt, liepen de Vlaamsche strijders gedeeltelijk uiteen en vergaten te waken bij het pand, dat aan hunne gemeene macht was toevertrouwd. De vijand sloop in het kamp en strooide er de verderfelijke zaden van mistrouwen en verdeeldheid.
Was Willems' dood dan geene harde beproeving genoeg?--Ach neen! Eene andere schitterende star moest den hemel onzer letterkunde nog ontvallen; Ledeganck moest ook op zijne verbrijzelde harpe het hoofd voor eeuwig te rusten leggen; de twee straalrijkste lampen in den tempel der Vlaamsche kunst moesten door het wreede noodlot worden uitgedoofd!
En, als wilde eene geheime macht afmeten tot hoeverre der Vlamingen standvastigheid gaat, als wilde zij beproeven, of onze vaderlandsche zaak tegen het geweld der losgebrokene stormen bestand is, wierp zij oneenigheid, tweespalt en verzwakking onder ons, terwijl onze harten nog ontsteld waren van rouw en droefheid.
God, op welk tijdstip toch! Nu het bedreigde vaderland op ons roept, als op de uitgelezensten zijner zonen; nu de zwangere onweerswolken op onze grenzen samendrijven, nu de vreemdeling op onzen geboortegrond zelven werktuigen gevonden heeft, om ons te verleiden tot de verzaking onzes voorgeslachts, onzer moedertaal, onzer zeden, onzes verleden, onzer toekomst; nu de tijd gekomen is om onze vijftienjarige beloften te vervullen; nu iedereen, die zijn land bemint, het oog op ons gericht houdt, om te weten of onze gloeiende zangen geene ijdele woorden waren; nu alles, menschen en gebeurtenissen, ons toeroept: "het uur is daar! toont wie gij zijt!" nu zijn wij oneenig! nu strijden wij met verdeelde krachten, als hadden wij nooit in dezelfde rangen de wapenen van woord en geest voor 's lands eere gevoerd; nu staan wij eendrachteloos en zonder beraad, verspreid rond het heiligdom van ons bedreigd volkebestaan!
Wie zal de verstrooide scharen weder vereenigen en ten strijde voeren voor moedertaal en vaderland? Wie van ons heeft door zijne ondervinding, door zijne lange loopbaan, door zijne wetenschap, door zijn kalm vernuft nu reeds het recht bekomen om aan de spits zijner broederen te staan?
Willems alleen bezat dit recht; hij was wel metterdaad onze wettige vorst in het rijk der vaderlandsche letteren, vermits dit rijk dreigt in te storten bij zijnen dood. O, Willems, Ledeganck, roemrijk bardenpaar, nu in de hemelzaligheid vereenigd, gij ziet wellicht met treurnis van uit den schoot der Godheid op ons neer; misschien vertroost onze dankbare hulde uwe schimmen niet gansch over het plicht vergeten, waarin eene onbesefbare dwaling ons gedompeld houdt.--Zoudt gij vreezen, dat de Vlaamsche scharen, door onderling mistrouwen verzwakt, eindelijk bezwijken zullen? Dat uw voorbeeld, uw arbeid nutteloos zal worden gemaakt?
Ha, neen! neen, niet waar? Gij verheugt u, omdat uw oog in het goddelijk boek der toekomst heeft mogen lezen: _Het Vlaamsche volk zal niet vergaan_! Gij lacht ons vroolijk toe uit den Hooge, omdat gij hoopt, dat hier, bij uwe graven, omgeven door den wasem, die uit uw heilig overschot opstijgt, wij onze harten openen zullen voor het volle gevoel van onzen dierbaren plicht; omdat gij hoopt, dat een straal der broederliefde ons verlichten zal; dat wij, overwegende wat uwe nagedachtenis van ons eischt, ons mistrouwen zullen afleggen om met vereende krachten te doen wat gij ons hebt voorgeleerd;--om den last te volvoeren, welken gij, betreurde barden, met uwen roem ons tot erfdeel naliet!
O, landgenooten, kunstvrienden, die uit alle gouwen van België hier op Arteveldes geboortegrond, bij Willems' laatste rustplaats, vergaderd zijt, o, mocht het zoo geschieden! Mocht in deze onze plechtige hulde aan de nagedachtenis van eenen dierbaren doode het vaderland de weldaad der herstelde eendracht vinden!
Zijn wij niet altemaal broeders in den Vlaamschen bloede? Is het niet dezelfde zucht, die onze harten jagen doet? Arbeiden wij niet te gader voor Vlaanderens grootheid?
Aanschouwt dit graf! Kan er wel een schooner altaar der broederliefde voor Vlamingen zijn? Ach, ontsteken wij daarop de gewijde vlam der eendracht; dat het onze gevoelens van oneenigheid als een zoenoffer ontvange en vertere!--Dan zal Willems' gebeente van blijdschap trillen onder den kouden steen; dan zal zijne zalige schim voor 's Heeren aanschijn juichen op die zegepraal.... En wij, wij zullen onze zonen in bedevaart naar hier geleiden, naar het Campo-Santo, waar de Vlaamsche helden rusten, om God te danken over de hier behaalde overwinning;--tusschen het gras, dat nevens de heilige graven zijne halmen opschiet, zullen wij onze kinderen doen knielen, hun spreken van den _Vader der Dietsche dichters altegader_[1], hun den welvaartszang van den Vlaamschen zwaan[2] leeren stamelen, en ze doen bidden voor moedertaal en vaderland!
REDEVOERING
UITGESPROKEN OP HET GROOT MUZIEKFEEST TEN VOORDEELE DER SLACHTOFFERS VAN DEN HONGERSNOOD IN VLAANDEREN (1847).
Mijnheeren en Mevrouwen!
Wij vieren heden het blijde feest der zedelijke wedergeboorte onzes vaderlands. Deze zaal weergalmt van vreugdeliederen,--nog klinkt aan ons luisterend oor het schoone gezang der verleidende vrouwenstem,--alles ademt hier voldoening en geestdrift.
* * * * *
Ach, de onweerstaanbare stem des gewetens en des plichts dwingt mij die vreugde te storen. Ik moet eenen snijdenden noodkreet tusschen onze jubeltonen mengen,--uwe gemoederen met pijn vervullen,--tranen doen storten misschien!
Maar indien gij met ontheffing onze blijde zegeliederen aanhoordet, zult gij toch uw hart niet sluiten voor de droeve stem onzer stervende broeders. Gij zult mij aanmoedigen, niet waar?--Ja, want het is in naam der heilige menschenliefde--dit schoonste kenmerk van der Belgen geslacht--dat ik een akelig graftooneel voor uwe oogen openspreiden ga.
Vlaanderen! Vlaanderen!--Die naam, zoo vermaard, was eens het zinnebeeld van rijkdom, van nijverheid, van kunstmin, van heldenmoed; in de gansche wereld wekte hij de gedachte op van een uitgelezen volk, dat met het zweet zijns aanschijns eene woestijn tot een aartsparadijs had herschapen.--Begroet als de geboortegrond der volksvrijheid, bewonderd als de wieg van een heldengeslacht, bemind als het tweede vaderland der kunsten....
Vlaanderen! Vlaanderen! Nu is die naam een gebed,--eene klacht, die oprijst uit een onmeetbaar graf--een doodsschreeuw, die vergaat op de lippen der stervenden; een laatst vaarwel, door onze bezwijkende broeders ons toegestuurd! Waar is nu het heldenvolk? het nijverig geslacht, dat zich uit de zandige vlakte den schoonen lusthof van Europa bouwde? Waar zijn de afstammelingen van De Coninck, van Artevelde, van Van Eyck, van Stevyn?
Eilaas, het grieft mij, dat ik de bloedige wonden mijns vaderlands ontblooten moet ... maar laat uw geest mij volgen,--ik zal u toonen, waar ze zijn en wat ze lijden!....
* * * * *
Hier is het koud, niet waar? Hier, in de stilte des doods, beklemt het hart zich met afgrijzen en met schrik.--Wij zijn in het rijk des hongersnoods.
Ziet gij ginds die halfnaakte menschenschimmen bij hoopen over de woeste velden dwalen en zoeken, gelijk de raven doen? Ziet, hoe machteloos zij hunne stramme leden over de sneeuw voortsleepen! Eene onuitsprekelijke pijn doorwoelt hun ingewand, hun oog is zonder leven, de aschverf der verkwijning ontkleurt hun aangezicht--zij hebben honger en zoeken voedsel. Daar valt er een, die niet meer op zal staan--nog een--nog meer! De hoopen verminderen; zij zaaien hunne lijken langs de baan; niemand ziet om naar den gevallen broeder; want ieder voelt ook de ijskoude hand des doods op zijnen verengden boezem drukken.--De hongersnood geeselt die levende geraamten voort; zij bukken het hoofd nog dieper in de wanhoop en dwalen sprakeloos verder--altijd verder;--misschien totdat de laatste gevallen zij!...