Ragatz en Pfeffers De Aarde en haar volken, Jaargang 1868
Part 1
DE AARDE EN HAAR VOLKEN.
RAGATZ EN PFEFFERS.
Een paar houtskoolschetsen uit mijne reisportefeuille.
Al ware het alleen om te kunnen medepraten—als ieder door reislust gekwelde en naar de parijsche tentoonstelling hunkerende, met tijdelijke middelen voorziene zoon van Nederland, had ook ik mijn offer gebracht aan deze modezucht, en rondgeslenterd door de verschillende straten van het tentoonstellingsgebouw, welhaast eene kleine stad te midden van het reusachtige Babel dezer dagen. Ik had genoten—maar toch ook getreurd; genoten bij de opeenstapeling van de wonderen der kunst en nijverheid, aangevoerd uit bijna alle landen der wereld; getreurd om de weinig fraaie figuur door ons vaderland ook hier weder gemaakt, en waarvan wij de oorzaken niet willen opsporen, om niet een al te onvoorzichtigen blaam te werpen op de industriëelen die geroepen, maar niet mede opgekomen waren om in deze de eer onzes volks te helpen ophouden: al moet de bekentenis van het hart, dat onze schilderschool ons in deze voor het maken van nog ongelukkiger figuur heeft bewaard. Zij toch heeft door hare inzendingen getoond, dat onder onze zonen van Apelles, zoo als men vóór vijftig jaar zich zou hebben uitgedrukt, het vuur voor het schoone nog niet is uitgebluscht, en dat zij hart hebben voor hunne kunst, liefde voor den geboortegrond, dien zij, vooral door hunne weergalooze landschappen, hebben recht gedaan en deden bewonderen in den vreemde. Maar overigens?—Och, de klagelijke klachte, door een onzer afgevaardigden ter Tweede Kamer in 1851 aangeheven over onze erbarmelijke houding op de londensche tentoonstelling van dat jaar, kon ook bij deze gelegenheid niet worden gesmoord—en ook in Parijs gold, wat toenmaals omtrent de expositie aan gene zijde van het Kanaal is beweerd, dat iedere bezoeker zich heeft moeten bedroeven over het klein getal voortbrengselen, dat, in een verloren hoek, van Nederland werd aangetroffen; terwijl het verwijt, uit een duitsch tijdschrift in dat zelfde jaar en in dezelfde Kamer door een ander onzer volksvertegenwoordigers medegedeeld, “dat het nu bewezen was dat Nederland zulke rijkdommen niet meer waardig was”, ook nu zou hebben kunnen worden aangevoerd, waar het scheen dat men onze koloniën alleen had willen laten schitteren door de afwezigheid harer voortbrengselen. [1] Het is te hopen dat bij een volgende wereldtentoonstelling op de houding, dan door ons vaderland aan te nemen, de woorden van Duitschland’s beurtelings vergooden en verwenschten Dichter niet zullen kunnen worden toegepast:
Es ist eine alte Geschichte, Doch bleibt sie immer neu.
Na een week aan de wonderen der tentoonstelling, en nog een andere aan het bezichtigen der kunstvoortbrengselen gewijd te hebben, die de stad der kunst bij uitnemendheid in haar midden bevat, was ik meer dan vermoeid van al het drentelen, van al de indrukken en al de aandoeningen, daardoor bij mij op gewekt. Ik gevoelde behoefte mij te gaan ontspannen te midden der vrije natuur en haar onverwelkelijk schoon, dat zich aan tijden noch wisselingen stoort, maar hoe duizendmalen ook genoten, altijd nieuw is voor hem die een hart heeft om het te waardeeren, oogen om het te zien, ooren om de geluiden en stemmen te verstaan; die van berg en dal, van boom en beek tot ons komen. In dit opzicht dweep ik met die trouwhartige bewoners van het Noorden, die in de voortbrengselen der natuur bezielde wezens meenen te zien, en plant en boom maar niet beschouwen als slechts een leven levende zonder eenig bewustzijn van hun bestaan. [2]
De vraag was nu waarheen? Was het wonder, dat de gedachte aan Zwitserland het eerst in mij opkwam, dat land der bergen en stroomen, vol majestueuzen ernst en tevens idyllische bekoorlijkheid, en waar, over eene kleine uitgestrektheid, de meest verschillende tooneelen; de treffendste contrasten vereenigd zijn? Ik was er door de tegenwoordige middelen van vervoer niet ver van verwijderd. Vooral van de baden van Pfeffers had ik hooren spreken, en van de liefelijke natuur en de “rustige rust” die men er geniet. Er is daar geen speelbank, en de badplaats is dus geen verzameling van den “beau monde” en van dien anderen “monde”, dien men gewoon is “demi” te noemen, en waarvoor de fransche geest weldra weer een anderen naam zal uitvinden à l’improviste. Mijn besluit was spoedig genomen, mijn koffer gepakt, en bij het instappen van den wagen, die mij zou voeren uit de stad des vermaaks, der mode, der beschaving, zoo als de Franschen—des zedelijken vervals, zoo als eenige vrome Schotten zeggen—riep ik haar het vaarwel toe met deze woorden uit Bérangers La Nostalgie:
Adieu, Paris, doux et brillant rivage, Où l’étranger reste comme enchanté!
Men vertrekt des avonds ten acht uren van Parijs. Den volgenden morgen omstreeks negen uren is men te Bazel, Zwitserlands Rijnpoort aan de zijde van Duitschland; ten twee uren te Zürich, het zoogenoemde Zwitsersche Athene. Daar nemen de betooveringen een aanvang: het landschap wordt hier eerst echt majestueus, terwijl de machtige stilte u onbeschrijfelijk aangrijpt. De spoortreinen gaan in de kantons Zürich en St. Gallen niet veel sneller dan de oude postwagens: maar niemand denkt er aan, daar over te klagen. Als ge het meer van Zürich voorbij zijt, gaat de tocht langs het Wallenmeer, een der frischste, blauwste en landelijkste meren van Zwitserland. Men heeft geen oogen genoeg: de honderd oogen van Argus zouden hier nog onvoldoende wezen. Men geniet eenige dier zeldzame oogenblikken in het leven, die men nooit vergeet, en bij wier herinnering het hart nog van verrukking klopt. Lachende dorpen gaan u voorbij, van den oever van het meer als tusschen boomgaarden tegen de helling der heuvelen opklimmende; de spoortrein voert u door slingerende tunnels heen, wier ruwe openingen in allerbekoorlijkste perspectieven groote kommen helder en doorschijnend water omlijsten, nu eens van het diepste en donkerste, dan weder van het verrukkelijkste smaragdgroen vonkelende. Aan de andere zijde van het meer verheffen geweldig hooge bergen hunne toppen, weerspiegelende in de kristallen wateren. Aan hunne voeten heeft men zelfs geen pad; als men echter scherp ziet, meent men hier en daar eenige strookjes gras te ontwaren; vervolgens, o wonder, ontdekt men op deze bijna microscopische schiereilandjes een aardig lilliput-achtig huisje, van welks schoorsteen de rook opwaarts kronkelt: een weinig verder heeft men een molen in miniatuur, welks fijn rad als door een zilveren draad in beweging wordt gebracht. Is het mogelijk? Wie zou daar durven wonen? De onvoorzichtigen! Zal het water, als het maar even onstuimig wordt, deze kleine wereld niet verzwelgen? En welk een eenzame verblijfplaats! Zou ooit een boot het durven wagen, zoo dicht bij deze steile, schrille rotspunten te naderen? Men staat verbaasd: maar te gelijker tijd zegt men bij zichzelven, dat men wel een van die Robinsons zou willen zijn—een ganschen zomer in stille afzondering gebannen te wezen in deze verrukkelijke, deze plechtige natuur!
Bijna met tegenzin bereikt men het kleine Wallenstad, dat zijn naam aan het meer geeft; men stoomt midden door twee hooge bergketenen van een verschillend voorkomen; te Sargans, in den linkerwand, ontsluit zich eene breede kloof, als om den Rijn genoegen te doen, die, ofschoon nog een kind, reeds woelig en onstuimig met vrij wat gedruisch over een bed van keijen naar het meer van Constanz voortwentelt. Ten vijf of zes uren bereikt men het doel zijner reis, en terwijl men uit den spoorwagen stijgt, heeft men Ragatz, zedig gegroepeerd op een tien minuten afstands van het station, aan den voet der bergen voor zich.
Op het eerste gezicht zou men Ragatz nauwelijks een honderd huizen geven. Het eerste van allen, op den zandweg, is de kerk, die zich niet bijzonder onderscheidt. Een fraaie, wit marmeren plaat komt halverwege boven den muur van het kerkhof uit: als men zich voorover buigt, kan men het opschrift lezen. Het is de graftombe van den wijsgeer Schelling, in Augustus 1857 overleden. Een beetje kunst, de herinnering aan een beroemd man, zijn geen onverschillige zaken: het is een soort van verwelkoming, die u gunstig stemt.
De hoofdstraat, waardoor de weg heenloopt, is met hôtels bezet. In de Tamina (de naam van een bergstroom, die door het dorp heendwaalt en zich in den Rijn ontlast); In den Thabor, (aldus naar een naburigen berg genoemd); In den Leeuw,—maar waartoe de andere namen opgesomd? Aan het einde der straat gaat men een kleine steenen brug over, en heeft men Hof-Ragatz, het groote hôtel, voor zich, waar in fraaie, met wit porcelein bekleede vijvers het lauwe water van de bron van Pfeffers, die drie of vier kilometers hooger nabij een oud klooster ontspringt, zich uitstort.
Op zekeren dag vroeg ik aan den baddoctor van Hof-Ragatz, waarin toch inderdaad, naar zijne meening, de kracht dezer wateren bestond? Met al het gewicht van een man van ondervinding en kennis, begon hij een geleerde, ofschoon tamelijk langdradige, uitlegging te geven, maar die hem, naar ik veronderstel, even weinig als mij scheen te voldoen, bij gebrek van een woord dat de zaak genoegzaam uitdrukte. Ik was zoo vrij hem in de rede te vallen:
“Een mijner vrienden, die hier ten vorigen jare de baden heeft gebruikt, noemde ze: levendmakende baden.”
“Juist,” hernam de doctor, terwijl hij in de handen klapte, “juist, dat is het ware woord. Men kan het niet beter uitdrukken: levendmakende baden.”
De huizen der hoofdstraat in de buurt der hôtels schoon nieuw opgetrokken, zijn volkomen karakterloos; maar zoodra men, hetzij links of rechts, de kleinere straten of stegen inslaat, bevindt men zich midden in het oude dorp, dat zich als voorheen op den landbouw blijft toeleggen. De woningen zijn er van hout, eenigen met overdekte galerijen, waaronder sleden en winterprovisie zijn opgestapeld. Een groot aantal zijn van buiten met een soort van maliënkolder bekleed, uit dunne repen pijnboomhout, op de wijze van vischschubben afgeslepen en saamgevoegd, bestaande. De boeren hebben een deftig en zachtzinnig voorkomen. Met genoegen leg ik hier de verklaring af, dat ik gedurende de drie weken, die ik hier doorbracht, niet één beschonkene heb gezien. Ik heb geen kind zien slaan, hetgeen meer dan alles voor de goedheid en het gezond verstand der inwoners pleit. Onderweg liet men nooit na, mij goeden avond of goeden morgen te wenschen, en dit geschiedde noch op nederigen noch op trotschen toon.
Op zekeren dag toen ik op weg naar de post het dorp doorliep, zag ik boven een deur een uithangbord: het berichtte stilzwijgend dat in dat huis een drukkerij was en een nieuwsblad werd uitgegeven. Ik klom eenige trappen op, die naar een kleinen boekwinkel voerden.
“Hebt gij in dit dorp, vroeg ik den eigenaar, een eigen nieuwsblad?”
“Ja mijnheer.”
“Wat behelst het?”
“De zaken die de gemeente, hare administratie, den landbouw aangaan, de officiëele stukken van het kanton en van Zwitserland; de voornaamste gebeurtenissen in het overige gedeelte der wereld; berichten omtrent den akkerbouw, de nijverheid en de kunst; eenige zedekundige opstellen, anecdoten, enz.”
“En heeft dat blad veel geabonneerden?”
“Bijna al de inwoners.”
“Zij kunnen dus lezen?”
“Allen, eenige ouden van dagen uitgezonderd.”
“En koopt men bij u nog al boeken?”
“Ik heb geen klagen.”
“Welke boeken slijt gij het meest?”
“Godsdienstige en geschiedkundige boeken.”
“Er zijn hier dus zeker goede scholen?”
“Twee: de een voor lager, de andere voor middelbaar onderwijs.”
“Is het onderwijs vrij?”
“Neen, de schoolplichtigheid is hier aangenomen.”
“Waartoe dient dit, als het onderwijs zoo algemeen is?”
“Ik geloof wezenlijk dat de schoolplichtigheid tegenwoordig niet meer noodig is; maar in den beginne was zij het wel degelijk.”
Misschien kom ik op dit onderwerp, dat mij altijd na aan het harte ligt, terug, maar vóór alle dingen moet ik een bezoek aan de bron afleggen.
Men volgt den loop der Tamina bergopwaarts; men laat Hof-Ragatz liggen, gaat voorbij een zaagmolen, een fraaien waterval, en treedt een der rotskloven binnen, waar geen andere plaats is dan voor den stortvloed en een voor een klein bochtig pad, waar langs een reeks houten pijpen, uit holle boomstammen bestaande, heenloopt, en waardoor het water van de bron van Pfeffers naar Ragatz wordt overgevoerd. De vochtige overhangende rotswand van den tegenoverliggenden steilen, grijzen, met dicht boom- en struikgewas bezetten oever is in volmaakte harmonie met de wilde sprongen, het schuim en het woeste gedruisch der Tamina. Toch loopt men ongeveer drie kwartier dus voort, terwijl men nu en dan dicht tegen de rots aan gaat staan, om de karren met één paard en vier zitplaatsen te ontwijken, die in vollen draf komen aanrijden en u bij een kromming van den weg zouden kunnen verrassen. Van tijd tot tijd ziet men landlieden voorbijkomen, met blauwe of roode regenschermen, die zij nooit verzuimen mede te nemen, terwijl zij u in de volkstaal of in het fransch groeten, zonder dommen glimlach en zonder belachelijke nieuwsgierigheid; reizende muzikanten, met contrabassen en koperen instrumenten beladen; burgerlijke en boersche families; moeders en jonge dochters, zoo zwitsersche als duitsche, met blozende aangezichten, en van wie men gevoelt dat zij gelukkig zijn deze heldere, frissche lucht te mogen inademen.
Voorbij een door de natuur in de rots gevormden boog ontmoet men eenige arme drommels op krukken, die u aankondigen dat men het oude benedictijner klooster van Pfeffers nadert. Niets droefgeestigers, van nabij zoowel als van ver, dan het voorkomen van dat drie- of viertal gebouwen, zonder de minste kunst, die in de lengte zich in de steeds enger wordende bergpas van Pfeffers uitstrekken en haar geheel en al vullen. Indien men nog verder den loop der Tamina wil nagaan, zonder het klooster te betreden, moet men den berg tamelijk hoog bestijgen en niet tegen een vermoeiende klimpartij opzien. Deze weinig beteekenende gebouwen, het klooster, dagteekenen van de zeventiende eeuw. Na de opheffing der kloosters door de zwitsersche regeering, dat is te zeggen omstreeks 1840, heeft men ze als zieken-inrichting verpacht. En inderdaad is het meer een gasthuis dan een gewoon badhôtel. De pachter heeft geen cent uitgegeven om het een vroolijk voorkomen te verschaffen, en hij heeft gelijk gehad: het zou iets onmogelijks zijn geweest. Reeds bij het binnentreden wordt men door een onaangename lucht getroffen; vervolgens komt men in een langen, gewitten, laag gewelfden, vochtigen gang, waar het geen dag en geen nacht is; de deuren aan weerszijden geven slechts het uitzicht op zwarte keukens en naakte eetzalen, waar een groot aantal zoo mannelijke als vrouwelijke bedienden ronddribbelen, allemaal goede, beste menschen, maar die niet veel aantrekkelijks hebben. Oude klokken laten van tijd tot tijd een dof geluid hooren: zij schijnen uit gewoonte hare voormalige dienst te doen en hare oude meesters tot de vroegmis of den vesper op te roepen. Hoe dieper men doordringt, des te meer voelt men zich tegelijk door een killen en verstikkenden adem aangegrepen. Men zet den voet in kamertjes die eertijds als cel hebben gediend, en waar men nu, naar men wil, tot driehonderd patiënten kan logeeren. Het zijn wezenlijke zieken, die voor de deuren dezer kleine cachotten, als magere, bleeke, strompelende schimmen opdagen, terwijl het hun blijkbaar hindert dat men hen ziet. Hier is niets dat tot vroolijkheid stemt.
In het eigenlijke hôtel, Hof-Ragatz, komen zij, die voor genot op reis gaan; meer om rust te zoeken, den zuiveren dampkring en de schoonheid van het oord te genieten, dan wel om een ernstige badkuur te ondergaan. Maar hier in dit klooster: nieuwsgierige vraagallen! vraagt geen der gasten van Pfeffers naar zijne gezondheid. Onvermijdelijk zoudt gij een lijst hooren: kwaadsappigheid, gevoel van zwakte, hartklopping, maagpijn, benauwdheden, zwaarmoedigheid, slechte bloedsomloop, huiduitslag, volbloedigheid, aandoening der slijmvliezen... op zeer weinig uitzonderingen na al de kwalen waaraan de menschheid onderhevig is. Hij, die werkelijk in een lijdenden toestand verkeert, bekommert zich weinig om de schoone landschappen, ontwijkt het gezelschap der gelukkigen in Ragatz, trotseert de verveling, en slaat zijn tent hier in het kloostergebouw, zoo dicht mogelijk bij de bronnen, op.
Om deze beroemde bronnen te bezoeken, moet men een kaartje van een franc en een gids hebben.
Als de laatste deur van het laatste gebouw opengaat is de indruk onbeschrijfelijk. Hier zijn de versregels van onzen Klijn [3]
De logge poort barstte op:—ontzaglijk oogenblik! Daar stond ik vastgeklemd, daar half versteend van schrik,
volmaakt van toepassing. Eene jonge engelsche dame die haar echtgenoot bij den arm hield, ging een paar schreden voor mij uit; zij verloor haar flegma geheel en al en slaakte een kreet, waarin bewondering en ontzetting om den voorrang streden. Aan de beide boorden van de Tamina schieten geweldige rotsen op, alsof ze leven en zich bewegen: die van den rechter oever zich op die van den linker stortende, en deze zich buigende als om te vluchten, maar hier en daar zich pijnlijk krommende onder de ruwe aanvallen harer vijandinnen: het is een strijd van reuzen in de onderwereld!
Op sommige plekken zien deze rotsen er bleekwit als spoken uit: op hare ruwe, afgeknotte zijden ontwaart men geen grassprietje, zelfs geen zweem van mos. Een onwillekeurige, instinctmatige siddering maakt dat gij een paar schreden achteruit gaat, uit vrees dat zij naar beneden zullen tuimelen. Het onregelmatig uitgetande, afgebrokkelde gewelf, door hare breede randen gevormd, is verbazend hoog. Van afstand tot afstand ontwaart men door eenige ronde openingen den blauwen hemel, eenige zonnestralen, op gouden dunne draden gelijkende, en enkele heesters; de tegenstelling doet u huiveren: men zou wenschen liever eensklaps daar boven verplaatst te zijn. De ooren worden niet minder dan de oogen door een angstige gewaarwording overmeesterd. De Tamina bruist en buldert woedend tusschen de opgestapelde rotsbrokken door; hare schuimende vallen, hare beurtelings witte of sombere wateren stuiven met woest geraas den helschen afgrond uit. Te midden van deze wanorde en dit oorverdoovende geweld gaat men eenige honderde schreden voort op een soort van nauwen, vochtigen, houten trap, zoo goed mogelijk van leuningen voorzien, langs de rotsen aan de linkerzijde, en bereikt men een punt, waar men boven zich door het gewelf een grooter opening ontwaart. Men stuit voor een kleinen muur met twee lage deuren, waaruit een dikke rook u tegenwalmt; een dezer deuren geleidt naar de hoofdbron, den Ketel. Eer men er binnen gaat is het geraden zich gedeeltelijk te ontkleeden, om te voorkomen dat men in een bad van zweet geraakt, en een fakkel voor zich uit te laten dragen. De gang is zeer nauw. Een vijftig schreden verder blijft men op den drempel van een druipsteenrots staan, zes tot acht voet in diameter en met het water der bron gevuld, wier hitte zeven-en-dertig graden van den honderdgradigen thermometer bedraagt. De andere deur geleidt naar een kleine nis; waar op een peilschaal de afwisselende hoogte van het water der bron is aangewezen. Twee geweldig groote pijpen, op slangen gelijkende, komen uit de rots te voorschijn en voeren het water, de een naar het klooster, de ander naar Hof-Ragatz heen.
De reizigers, die elkander in dit somber verblijf ontmoeten, zijn ernstig gestemd en bewaren een diep stilzwijgen. Het is inderdaad iets geheel anders dan men zich voorgesteld had! Zwitserland levert niets verschrikkelijkers op. Zeker verhaal, dat men elkander in het oor fluistert, draagt er niet weinig toe bij om het verschrikkelijke nog verschrikkelijker te maken. Eenige jaren geleden bevond zich een heer met zijn vrouw en kinderen op het houten staketsel, dat rondom de rots heenloopt. Zij waren met hun negenen en in twee groepen verdeeld. Een der meisjes wilde van de eene groep naar de andere snellen. Plotseling laat een steen van het gewelf los en valt haar op het hoofd. De vader schiet toe, grijpt zijn kind juist op het oogenblik, dat het in den woedenden stroom dreigt neer te storten, en draagt het op zijne schouders tot aan de groote zaal van het hôtel: helaas! er was geen hulp meer noodig... Het meisje sluimert op het kerkhof van Ragatz, in de nabijheid van den ouden Schelling.
Ik kan mij dit verschrikkelijke voorval maar niet uit de zinnen zetten, terwijl ik bij het verlaten van het klooster de naburige hellingen opklauter. Verlangend om over deze vreeselijke gewelven voort te schrijden, betreed ik een pad, dat door zijn steilte doet duizelen en eertijds naar het dorp Pfeffers voerde, en het verwondert mij, bij het zien loslaten van eenige stukken steen, die voor mijne voeten naar beneden rollen, dat men hier, zoowel als in geheel Zwitserland, niet meer ongelukken te betreuren heeft. Aan den rand dezer afgronden hebben zich boomen geplant en dringen hunne wortels de rotskloven in. Moet niet de grond, ten gevolge van zware regens en schokkende stormwinden doorweekt, de losgewerkte steenen naar beneden in den afgrond laten tuimelen? Toch verzekeren de oudste lieden dat de dood van dat meisje het eenige ongeluk is, waarvan zij ooit hebben hooren spreken.
Bij mijn terugkomst vroeg de kellner van Hof-Ragatz, of ik het dorp Pfeffers had bezocht. Een dorp? Neen.—Hij wees mij de ligging op de kaart aan en na den maaltijd begaf ik mij langs een heerlijken weg, die, achter het hôtel, over de zijden van den berg heenslingert en door fraai geboomte beschaduwd wordt, derwaarts. Hoe hooger men stijgt, des te verder waart het oog naar alle kanten over het breede Rheinthal. Nabij den top kan men een weinig uitrusten in de schaduw van de bouwvallen eens ouden torens. Het dorp is niet verre verwijderd: men heeft daar nog een oud benedictijner klooster, dat thans in een krankzinnigengesticht is herschapen. Terwijl ik voorbijging ontdekte ik een half dozijn dezer arme ongelukkigen achter de getraliede vensters; zij lieten eensklaps dien doordringenden lach hooren, die mij diep door de ziel ging, te akeliger te midden van deze prachtige natuur. Het dorp, in een frissche vallei gelegen, loopt langs de andere zijde van den met pijnboombosschen overschaduwden berg naar beneden. Een poos lang vertoefde ik onder de warande van de herberg “de Duif”, om daar rustig de laatste uren van den dag te genieten, en eerst in den nacht keerde ik te Ragatz terug. Er lag over het landschap een ernst, die tot diep nadenken stemde.
Een uitzicht uit het uitmuntende hôtel, een der besten die in Zwitserland bestaan, is een waar genot; eene beschrijving er van bijna onmogelijk—en toch mag ik er niet van zwijgen, omdat de indruk van het geheel mij telkens medesleept en ik dien wil trachten te bewaren. Voor mijne voeten strekt zich eene breede vlakte uit, overdekt met landelijke woningen, vruchtboomen, golvend graan en groene grasperken. Die vlakte wordt doorsneden door den Rijn, die uit de omstreken van Splügen, ongeveer dertig mijlen van hier, neerdaalt en te midden van die vruchtbare velden henenglijdt, in het onschuldig en zoet gevoel zijner jeugd, zonder het minste voorgevoel van den gevaarlijken sprong, waaraan hij te Schaffhausen zal moeten gelooven, van de stijve millionairs, waarvoor hij zich zal moeten bukken onder de brug van Bazel, van de romantische avonturen, die hem wachten tusschen Bingen en Keulen, en van zijn droevig uiteinde in Katwijk’s dorre duinen.
Op zijn anderen oever verheffen zich amphitheatersgewijze de bloeiende heuvels van het kanton van Graauwbunderland, en boven die heuvels de rotsachtige en steile top van de Falknis, wier tooverachtige aanblik voldoende is om reeds in den morgen al uwe plannen voor den dag in duigen te doen vallen, even als die bergen van magneet, waarvan de oude reizigers spreken, welke de schepen deden vastliggen door het daaraan bevestigde ijzerwerk tot zich te trekken.