Rabindranath Tagore: Een biografische Schets

Part 6

Chapter 62,749 wordsPublic domain

Of Tagore van den aanvang af éénstemmig door zijn landgenooten gewaardeerd werd als nationaal dichter? Neen; ook hij heeft, als alle profeten, in zijn eigen land verguizing en miskenning ondervonden. Men noemde hem, zooals ik reeds vermeldde, "overlooper" en "moreele lafaard", omdat hij zijn pen niet heeft laten leenen ten dienste van de politiek van het geweld. Iemand zeide: "als Tagore beproefd had gedichten te schrijven als de Raibatak of de Kurukshétra van Nabin Chandra Sen, dan zou zijn lyrisch brein uit elkaar gespat zijn vóórdat hij nog twee strofen daarvan had kunnen beëindigen." De grootste grief van sommige heethoofdige patriotten tegen Tagore was, dat hij hun met zijn gedichten geen bloedige visioenen voortooverde. Maar zij vergaten, dat meer dan eens een revolutionair als martelaar voor het vaderland stierf met een gebed of lied van Tagore op de lippen, en daaruit de kracht putte om den dood te overwinnen. Zij vergaten ook, dat het Tagore's lyriek en universalisme zijn geweest, die de aandacht en de bewondering van heel de wereld op Bengalen en Indië hebben gericht. Basanta Koomar Roy noemt Tagore een universeele nationalist, wiens vaderlandsliefde niet is exclusief en arrogant en welke de beschavingen van alle andere volkeren minderwaardig acht dan de vaderlandsche cultuur. Daarom weigert Tagore beslist om strijd als het eerste en laatste middel te erkennen om tot grootheid te geraken. Tagore's vaderlandsliefde is evenals zijn andere liefden: een "liefde, die wel de geliefde tot haar middelpunt kiest, maar daarnaast zachte vriendelijkheid over het heelal verspreidt en daardoor een duurzaamheid bezit, onaantastbaar door goden en menschen."

Men treft in elk land en onder elk volk--vooral daar, waar het nationalisme aan het opkomen is--een groep van menschen aan, die "strijd" in hun banier hebben geschreven.

Men zou op de vragen dier militante naturen "Waarom geen strijd? Is strijd niet het eenige op de wereld, dat jonge mannen tot geestdrift bewegen kan?" hartgrondig kunnen antwoorden: "natuurlijk, wèl strijd". "Natuurlijk", want daarover zijn wij menschen het roerend met elkander ééns, dat het leven één strijd is, een strijd, waar niemand buiten kan, niet alleen jonge mannen maar ook ouderen, àlle wezens zelfs. Zònder strijd zou het leven niet bestaanbaar zijn. Goed en kwaad, licht en donker, dat zijn de elementen, die elkaar voortdurend bekampen.... en ten slotte de volle waarde en schoonheid geven aan het leven. Ware dit anders, de geheele schepping zou gebleven zijn in den schoot van den Onnoembare.

Strijd is leven, strijd is zijn, strijd is; dat bedoelde reeds Heraclitus met te zeggen, dat alles ontstaan is door "vuur" als de kracht, die alle veranderingen en omwentelingen teweeg brengt en regelt. Positiever drukt hij zich uit met deze woorden: "Strijd is de vader van alle dingen".

De vraag rijst nu: "Wat is het ideaal van den mensch, levende in deze groote wereld, dezen macrocosmos vol tegenstellingen en strijd?" Is de eerste en grootste taak van den mensch deel te nemen aan dezen algemeenen kamp, zich vijandig te stellen tegenover de hem omringende wereld; of is er voor hem nog iets anders te doen dan in de allereerste plaats toegeven aan deze instincten, welke hij met de dieren gemeen heeft?

Er doet zich echter deze merkwaardigheid voor: de mensch, levende in dit heelal van strijd, draagt in zijn eigen boezem een wereld, waarin de strijders als bittere vijanden tegenover elkander geschaard staan. Deze microcosmos, het heelal in hem zelven, maakt het mysterie van den mensch uit, is tevens het criterium van het mensch-zijn. Daaraan dankt de mensch de bijzondere plaats, welke hem in de schepping wordt toegekend door de denkende wezens, of zij Darwinisten zijn of geloovigen, die het bijbelsche scheppingsverhaal over het ontstaan van het menschelijk geslacht als openbaring van God-zelven beschouwen.

Daar nu, zooals we reeds zeiden, leven strijden beteekent, kan het niet anders of het ideaal van den mensch moet ook "strijd" heeten. Doch wij worden voor het dilemma gesteld: "Moeten wij den strijd beginnen in den microcosmos of in den macrocosmos?"

In het verschil van antwoord op deze vraag nu, ligt, mijns bedunkens, het wezenlijk onderscheid tusschen het Westen en het Oosten. Terwijl de Westerling, in het algemeen gesproken, meer den nadruk legt op den strijd in den macrocosmos, slaat de Oosterling meer den blik naar binnen en acht het als de eerste taak van den mensch om den strijd in zijn eigen, innerlijke wereld uit te strijden. Natuurlijk ziet men zich op sommige momenten in het leven geplaatst voor het feit, dat men den uitwendigen strijd moèt strijden. Ons innerlijk zegt dan: het kàn niet anders. In die gevallen moge men dan moed en begeestering putten uit de wijsheid van de Bhagavad Gîta, ofschoon de schoone wijsheid van dit gedicht door politici te veel wordt misbruikt als leuzen voor den uitwendigen kamp, terwijl ik geneigd ben dit werk eer te beschouwen als een schildering, een verbeelding van den strijd in ons binnenste. Doch zoolang wij ons, innerlijk, nog niet genoopt gevoelen den uitwendigen strijd te aanvaarden, zóólang, dunkt mij, is de voornaamste en eerste opgave van den mensch den strijd in zich-zelven te strijden.

Hoe moet men zich nu tegenover de uitwendige wereld gedragen, en op welke wijze moet men den strijd in zich-zelven voeren? Het antwoord op de eerste vraag geeft implicite het antwoord op de tweede, en ik meen dit gevonden te hebben in de serie van Tagore's "lectures", bijeenverzameld in het boek Sadhana, dat ik mijnen landgenooten ter lezing wèl aanbeveel. [18] Het ligt buiten het bestek van deze schets om uitvoerig dit boek te bespreken. Ik laat hier een kort resumé volgen van Tagore's vredelievende wereldinzicht, dat ik wilde stellen tegenover het offensieve van de patriotten der ijzeren garde.

"In Indië was het in de wouden, dat onze beschaving haar geboorte vond, en zij nam een bepaald karakter aan, overeenstemmend met haar oorsprong en omgeving. Zij werd omringd door het uitgestrekte leven der natuur, werd door haar gevoed en gekleed en had het innigst en voortdurend contact met haar wisselende aspecten.

Men zou kunnen denken, dat zulk een leven de verstomping van het menschelijk verstand en de verzwakking der prikkels om vooruit te komen tengevolge zou hebben, daar de standaard van het bestaan laag werd gehouden. Maar in het oude Indië vinden wij, dat de omstandigheden van het woud-leven den geest des menschen niet verwonnen en niet de ontwikkeling van zijn wilskracht verzwakten, doch slechts aan die ontwikkeling een bijzondere richting gaven. Daar de mensch in voortdurend contact was met den levendigen groei der natuur, was zijn geest vrij van de begeerte om zijn gebied uit te breiden door rondom zijn bezittingen begrenzende muren op te richten. Zijn doel was niet te winnen, maar te realiseeren, zijn bewustzijn te verbreeden door te groeien mèt en in zijn omgeving. Hij voelde, dat de waarheid al-omvattend is, dat er niet zoo iets is van absolute afgescheidenheid in het bestaan, en dat de eenige weg om de waarheid te kennen is: het dóórdringen van ons wezen in alle voorwerpen. De groote harmonie tusschen den menschelijken geest en den wereld-geest te realiseeren, dat was het verlangen der woud-bewonende wijzen van het oude Indië."--

Ook in de latere ontwikkeling der beschaving, zelfs in zijn materieele welvaart bleef het hart van Indië steeds met aanbidding terugzien naar het vroegere ideaal van zelf-realisatie, en naar de waardigheid van het eenvoudige leven van woudhermitage en trok het zijn schoonste inspiraties uit de wijsheid, aldaar vergaard.

"Het Westen schijnt trotsch te zijn op het denkbeeld, dat het de natuur onderwerpt, alsof we leven te midden van een ons vijandige wereld, waar wij elk ding, wat wij noodig hebben, te ontwringen hebben aan een ons ongenegen schikking der dingen."

"In Indië was het gezichtspunt anders; het omvatte de wereld met den mensch als één groote waarheid. Indië zette al den nadruk op de harmonie, die bestaat tusschen het individueele en het universeele. Het voelt, dat wij geen enkele verbinding hebben met het ons omringende, indien dit geheel en al vreemd aan ons was."

"De Indische geest heeft nooit geaarzeld om verwantschap met de natuur te erkennen, zijn onverbroken betrekking met het al. De fundamenteele eenheid in de schepping was niet eenvoudig een philosophische idee van Indië, het was zijn levensdoel om deze groote harmonie in gevoel en daad te realiseeren. Met meditatie en eeredienst, met regeling van zijn leven kweekte hij zijn bewustzijn op in die richting, dat elk ding en elk wezen een geestelijke beteekenis voor hem had. Aarde, water en licht, vruchten en bloemen, waren voor hem niet slechts physische verschijningen om tot gebruik te worden aangewend en dan terzijde gelegd. Zij waren hem noodzakelijk voor zijn reiken naar het ideaal van volmaaktheid, zooals iedere noot noodzakelijk is voor de volmaaktheid der symphonie. Indië voelde instinctief, dat de wezenlijkheid van deze wereld voor ons haar levensbeteekenis heeft; wij moeten hiervoor volgevoelig wezen en een bewuste betrekking daarmee in het leven roepen, niet alleen gedreven door wetenschappelijke nieuwsgierigheid of begeerte naar materieel voordeel, maar we moeten die realiseeren in den geest van sympathie en met een groot gevoel van vreugde en vrede."

"De man van wetenschap weet, van een zeker standpunt, dat de wereld niet slechts dat is, wat zij schijnt te zijn voor onze zinnen; hij weet, dat aarde en water in werkelijkheid het spel is van krachten, die zich aan ons voordoen als aarde en water--hóe, dat vatten wij slechts gedeeltelijk. De mensch, die zijn geestelijke oogen open heeft, weet op gelijke wijze, dat de groote waarheid omtrent aarde en water ligt in onze bevatting van den eeuwigen Wil, die werkt in den tijd en gestalte neemt in de krachten, welke wij in deze verschijnselen realiseeren. Dit is niet alleen kennis, zooals wetenschap is, maar het is een voorschrift van de ziel door de ziel. Dit leidt ons niet tot macht, zooals wetenschap doet, maar het geeft ons vreugde, welke het product is van de vereening van verwante dingen. De mensch, wiens bekendheid met de wereld hem niet verder leidt dan de wetenschap hem leidt, zal nooit begrijpen wat dit is, dat de geestelijke visie in deze natuurlijke verschijnselen vindt. Het water reinigt niet alleen zijn ledematen, maar het zuivert ook zijn hart; want dit raakt zijn ziel aan. De aarde steunt niet alleen zijn lichaam, maar zij verheugt zijn geest, want haar aanraking is méér dan een physisch contact--zij is een levend gezelschap. Wanneer een mensch zijn verwantschap met de wereld niet realiseert, dan leeft hij in een gevangenis, wier muren hem vijandig zijn. Wanneer hij den eeuwigen Geest in alle dingen ontmoet, dan is hij vrij, want dan ontdekt hij de volste beteekenis van de wereld, waarin hij geboren is; dan vindt hij zichzelven in volmaakte waarheid, en zijn harmonie met het al is gevestigd."

"Het is niet waar, dat Indië getracht heeft de waarde-verschillen in verschillende dingen (m.a.w. den strijd der tegenstellingen in den macrocosmos N. S.) te ontkennen, want zij weet, dat deze ontkenning het leven onmogelijk zou maken. Het besef van de superioriteit van den mensch in de scala der schepping (het bezit van den microcosmos, die den mensch stempelt tot een redelijk wezen. N. S.) is nooit in zijn geest afwezig geweest. Maar het heeft zijn eigen idee omtrent datgene, waarin zijn superioriteit in waarheid bestaat. Het is niet in de macht van het bezit, maar in de macht van vereening."

"Indië wist, dat wanneer wij door physische en geestelijke grenzen ons afscheiden van het onuitputtelijke leven der natuur; wanneer wij slechts menschen zijn, en niet mensch in het heelal; wanneer wij ons zelven uitsluiten van de levenwekkende en zuiver makende aanraking van het Oneindige..., dat wij dan verwarde problemen in het leven roepen." "Dan is het, dat de mensch zijn innerlijk perspectief mist en zijn grootheid meet met massa's en niet door zijn levende schakel met het Oneindige, zijn werkdadigheid beoordeelt naar haar beweeglijkheid en niet naar de rust van volmaaktheid--de rust, welke is in den met sterren bezaaiden hemel, in den steeds vloeienden, rythmischen dans der schepping."

"Onze betrekking met het al te realiseeren, in elk ding dóór te dringen door de vereening met God werd dus in Indië beschouwd als het uiterste eind en de vervulling der menschelijkheid.

Een mensch kan vernielen en plunderen, winnen en vergaren, uitvinden en ontdekken, maar hij is groot, omdat zijn ziel alles omvat. Het is een verderf voor hem, wanneer hij zijn ziel omhult in een doode schelp van verharde gewoonten, wanneer een blinde werk-woede rondom hun dwarrelt gelijk een wervelstorm, die den horizon met stof verduistert. Dat doodt inderdaad den waren geest van zijn wezen, welke de geest is van omvatting. In het diepste wezen is de mensch geen slaaf nòch van zichzelven nòch van de wereld; maar hij is een minnaar. Zijn vrijheid en volmaking liggen in liefde, welke een andere naam is voor volmaakt begrijpen. Door deze kracht van omvatting, deze doordringing van zijn wezen, wordt hij vereenigd met den al-doordringenden Geest, die ook is de adem van zijne ziel. Waar een mensch tracht zichzelven op te heffen, uit te steken boven anderen, door deze weg te duwen en uit te stooten, die tracht een onderscheiding te bereiken, waarbij hij zich laat voorstaan méér te zijn dan ieder ander, daar is hij vervreemd van dien Geest. Dat is, waarom de Upanishads hen, die het doel van het menschelijk leven bereikt hebben, beschrijven als "vrede-vol" en als "één met God", daarmee bedoelende, dat zij in volmaakte harmonie zijn met mensch en natuur, en daarom in ongestoorde éénheid met God."

Ziehier in korte trekken een levensbeschouwing, die overweldigend-grootsch is door haar levendigen, verheven zin voor universeele liefde, welke ook beteekent de elementen van ons lager ego te bekampen, den strijd in den microcosmos te volvoeren. Dit is de boodschap, die de groote dichter-philosoof, in wiens kunst de wijsheid van den vader, den "Maharshi", als het ware is geïncarneerd, te brengen heeft aan de menschheid in dezen door ontzettende oorlogen ontwrichtten tijd, vrucht ongetwijfeld van al te ver doorgevoerde levensbeschouwing, dat strijd van den mensch in den macrocosmos een levensbeginsel is.

Kan echter deze dichter, die het Universum lief heeft, wel liefde gevoelen voor zijn land, dat toch slechts een klein stukje is van de wereld? Kan Rabindranath Tagore voor zijn volk wel een nationaal dichter zijn, een dichter van slechts een klein stukje der groote menschheid? Méér dan dit; Tagore is niet alleen nationaal dichter, maar hij is nationalistisch, doch zijn patriotisme is geen hoera-patriotisme. Hij vraagt voor zijn land en zijn volk geen politieke vrijheid in de eerste plaats, een vrijheid, die een eeuw, twee eeuwen kan duren, maar méér dan dit, want luistert maar eens naar zijn gebed voor zijn volk, vers XXXV uit de Gitanjali, dat in de Javaansche overzetting van Prins Mangkoe Nagoro luidt:

Hing don kang jatnjo tanpa-djrih mjang kang moeko toemengo,

Hing don kang kawroeh mardiko,

Hing don kang bawono tan pinétaq-pétaq hing papagerring groho,

Hing don kang witjoro timboel sing gandjoeto-lajaning njoto,

Hing don kang sedjo hadreng joen mangrang­sang mring paripoerno,

Hing don kang wenienging hili boedojo maksih doeroeng léno, handjog hing samódro-pasirring kang tototjoro,

Hing don kang jatnjo tinoentoen hing siro, loemebwèng ngen-angen mjang bowo, kangsani­tyoso melarken wiarnjo;

Hing swargo mardikéko, doeh Bopo, siro ma­rengno bangsambo manglilir sing néndranjo.

AANTEEKENINGEN

[1] Rabindranath Tagore, Wij-zangen, door Frederik van Eeden. W. Versluys, Amsterdam.

[2] De aanhalingen zijn genomen uit de van Eedensche vertaling der Gitanjali.

[3] Rabindranath Tagore, De Hoovenier, door Frederik van Eeden. W. Versluys, Amsterdam.

[4] Bewerking van Noto Soeroto.

[5] Rabindranath Tagore, De Hoovenier, door Fred. van Eeden. W. Versluys, Amsterdam.

[6] Sanyasin, "verzaker", "hij die noch haat noch begeert," Bhagavad Gita V, 3.

[7] Rab. Tagore, De Hoovenier, door Fred. van Eeden. W. Versluys, Amsterdam.

[8] Rabindranath Tagore, Wij-Zangen, door Fred. van Eeden. W. Versluys, Amsterdam.

[9] Uit het Engelsch door Mevr. Déwatia Noto Soeroto.

[10] Rabindranath Tagore, De Wassende Maan, door Fred. van Eeden. W. Versluys, Amsterdam.

[11] Rabindranath Tagore, De Wassende Maan, door Fred. v. Eeden. W. Versluys, Amsterdam.

[12] 12e Khanda, Khandogya Upanishad.

[13] Zie: Tagore's Opvoedingsidealen, door Noto Soeroto, Uitgeverij "Hadi Poestaka", Amsterdam.

[14] Rabindranath Tagore, Wij-Zangen, door Fred. van Eeden. W. Versluys.

[15] Rabindranath Tagore, Wij-Zangen, door Fred. van Eeden. W. Versluys, Amsterdam.

[16] Rabindranath Tagore, Wij-Zangen, door Fred. van Eeden. W. Versluys, Amsterdam.

[17] Noto Soeroto, Rabindranath Tagore's Opvoedingsidealen, Uitgeverij "Hadi Poeståkå" Amsterdam.

[18] Het boek Sadhana is intusschen in 1918 onder denzelfden titel door Fred. van Eeden in het Nederlandsch uitgegeven geworden bij W. Versluys, Amsterdam.

End of Project Gutenberg's Rabindranath Tagore, by Raden Mas Noto Soeroto