Rabindranath Tagore: Een biografische Schets

Part 5

Chapter 53,569 wordsPublic domain

Ik boog beschaamd mijn hoofd en dacht: "ik heb er niet voor gevochten, ik kocht ze niet op de markt, dat zijn geen waardige geschenken voor haar."

En den heelen nacht door wierp ik hen één voor één op straat.

Des morgens kwamen reizigers; zij raapten hen op en droegen hen naar verre landen."

Is het niet, of Tagore's intuïtie hem hier voorspelt, dat vreemdelingen die "dingen van wonderlijk aanzien en vreemde schoonheid" door de wereld zouden dragen en dat door die superieure gedachten de blik van heel de beschaafde wereld zich zou wenden naar Tagore's land en volk? Allengs wordt hij zich meer en meer bewust van de waardigheid van zijn werk en van de grootheid van zijn roeping. Vol nederigheid en toch met een edelen trots en met de verrukking van een toegewijd leven zingt hij nu:

"In de gehoorzaal der waereld zit de simpele grashalm op hetzelfde tapijt met de zonnestraal en de middernacht-sterren.

Zoo deelen mijn zangen hun zetels, in het hart der waereld, met de muziek van wolken en wouden.

Maar uw weelde, gij rijkaard, heeft geen deel in de sobere grootheid van het blijde zonnegoud, of van het weeke blinken der peinzende maan.

De zeegen van den al-omvangenden heemel wordt er niet oover uitgestort.

En als dood komt, verbleekt ze, en verschrompelt en verkruimelt tot stof."

Wij-Zang XVI toont ons, hoe het streven van waarachtige poëzie de gemeenschap inhoudt met het allerheiligste:

"Ik ben genoodigd tot het feest deezer waereld en zoo is mijn leeven gezeegend. Mijn oogen hebben gezien en mijn ooren gehoord. Het was mijn taak op dit feest mijn speeltuig te bespeelen, en ik heb gedaan wat ik kon.

Nu, dan, zoo vraag ik, is nu dan ten leste de tijd gekoomen, dat ik mag ingaan, en Uw aangezicht zien en U eeren met zwijgenden groet?"

De volgende anecdoten uit den loopbaan van den beroemden en gevierden dichter, die echter in zijn persoonlijken omgang zoo eenvoudig en beminnelijk is, zijn aardige aanwijzingen naar het latere feit, dat Tagore een groot en wereldvermaarde man zou worden. Te midden van stortvloeden van vijandige critiek kreeg Tagore, geheel toevallig, een inspiratie, welke zijn geest opbeurde en hem aanzette om hoogere hoogten te bereiken en tot een edeler vlucht in het rijk der poëzie. Zooals de ontmoeting van Nietzsche met Wagner een bron van inspiratie voor den eerste en een genoegen voor den tweede was, zoo was de ontmoeting van Rabindranath met Bankim Chandra Chattopadhya, den grootsten van alle Bengaalsche novellenschrijvers en dichter van de nationale hymne Bande Mataram, een bron van inspiratie en aanmoediging voor den jongen dichter--een genoegen voor den verteller. Zij ontmoetten elkander op een huwelijksfeest ten huize van Ramesh Chandra Dutt, staatsman, geschiedkundige en schrijver van vertellingen. Ramesh Dutt wond een krans van bloemen om den hals van den proza-dichter om hulde te brengen aan het grootste letterkundige genie van Bengalen. Chattopadhya deed echter onmiddellijk de krans af en tooide daarmede Rabindranath, zeggende: "Deze krans behoort hem toe--hebt gij zijn Sandhya Sangit' gelezen?" Ramesh Dutt antwoordde ontkennend, maar Bankim Chandra prees hemelhoog enkele gedichten uit het boek. Zulk een onbegrensde loftuiting van zoo'n hoogen oorsprong bracht bijna vreugdetranen in de oogen van Rabindranath. Zij deed hem alle pijn van de pijlen van onaangename critiek vergeten. Dit plastische eerbewijs van den grooten prozaïst beduidde voor Rabindranath meer dan de Nobelprijs voor hem later kon beteekenen.

Of de rechtgeloovige Bengali Tagore's vrome gedichten bewonderen of niet, er is geen twijfel aan, dat zij prachtig zijn in hun opvallende schoonheid. Eens deed zich voor den dichter vanzelf een kans voor om een beminnelijke wraak op zijn vader te nemen. Vele jaren voorheen las de Maharshi een van Rabi's godsdienstige gezangen uit zijn jongenstijd en de oude Tagore lachte. De poëet herinnerde zich dat alles in die jaren weer. Onverwacht ontbood de Maharshi zijn zoon, die toen in het landelijke werkzaam was, naar de stad, waar de vader toen ter tijd verblijf hield, juist met de bedoeling een bijzonderen zang, pas gecomponeerd, uit den mond van den auteur zelven te hooren. Toen hij er om gevraagd werd, begon Rabi-babu te zingen:

"Nawyawn tomarah payna dekhitay Tumi rawyacho nawyawnay nawyawnay! Hridawai tomarah payna janitay, Hridawai rawyacho gopawnay!" etc.

Het lied luidt--gedeeltelijk--in de vertaling als volgt:

"Mijn oogen kunnen u niet zien, en toch zijt gij altijd voor mijn oogen. Mijn geest kan u niet omvamen, maar in stilte doet gij mij altijd uw aanwezigheid gevoelen.

"Evenals die van een verdwaasde, zoo stormt mijn geest her- en derwaarts, beladen met de wereldsche verlangens van mijn hart, maar ik kan uw beminnende oogen steeds waakzame wacht zien houden in mijn slaap of in mijn droom.

"De van vriendschap verlatene en de verlorene kunnen zich altoos zeker gevoelen van u en van uwe liefde. Zelfs de daklooze zwerver heeft de troost van zijn huis te hebben in het ééne, dat gij voor ons allen hebt gebouwd." etc.

Toen de zang geëindigd was, zeide de Maharshi met een veelbeteekenende trilling in zijn stem: "Ongelukkig voor ons land waardeeren onze Engelsche heerschers niet en moedigen onze kunsten, onze nijverheid en onze cultuur niet aan; maar hier is een nederige huldiging van uw genie door uw vader; de zang was prachtig". En de oude man overhandigde hem een stuk papier. De dichter-zanger opende het en vond een cheque van 500 rupees (± $165,--) voor een gedicht van 24 regels. Dit was Tagore's eerste "Nobelprijs" voor poëzie.

In de stad Urbana, waar Tagore's zoon op school was om moderne methodes van landbouw te leeren, kwam Koomar Roy uit Chicago den dichter bezoeken, die in dien tijd in Amerika vertoefde. Na over verschillende nationale problemen van Indië gesproken te hebben, zeide Koomar Roy "Ik ben heelemaal van Chicago gekomen om u een bezoek te brengen, natuurlijk; maar hoofdzakelijk om u te verzoeken meer van uw werken te vertalen, zoodat de Westersche wereld de schoonheid van onze Bengali-litteratuur kan apprecieeren. Bengalen is niet geheel en al "bom" en "oproer", zooals de Engelsche bladen de wereld gelieven in te lichten.

"Ja, ik ben bezig meer van mijn werken te vertalen", zeide Tagore, terwijl zijn oogen naar het vloerkleed keken. "Ik ben werkelijk blijde te zien, dat Gitanjali, mijn eerste Engelsche boek, zoo goed ontvangen is."

"Ik heb een ander idee bij mijn verzoek aan u om meer van uw werk te vertalen", zeide Koomar Roy. "Namelijk dit: zoodra gij bekend wordt, ben ik er absoluut zeker van, dat ge vroeger of later den Nobelprijs voor poëzie zult winnen. Niemand anders in Indië en Azië heeft die lauweren gewonnen. Het zal Indië niet alleen een internationalen rang geven, maar zal een stap voorwaarts zijn op den weg van internationale broederschap en wereldvrede."

"Kunnen Aziaten voor den prijs in aanmerking komen?", vroeg Rabindranath.

"Ja, vast en stellig, en gij moet hem winnen."

"Ik ben niet in staat te zeggen of ik hem verdien of niet. Maar ge kent het vooroordeel--het vooroordeel tegen Aziaten. Indien Aziaten verkiesbaar zijn, waarom heeft onze Dr. Jagadis Chandra Bose, Indië's grootste geleerde in moderne tijden, hem niet gekregen?" zeide Tagore op verontwaardigden toon, terwijl zijn mooie donkere oogen flikkerden.

"Wat het vooroordeel betreft", antwoordde Koomar Roy, "zijn de Amerikanen en de Britten de ergste zondaars. De continentale Europeanen hebben zulk een vooroordeel niet, en de kleine maar meer menschelijke staten als Noorwegen, Zweden en Denemarken hebben wegens de tyrannie der grootere machten een bijzondere sympathie voor de onderdrukte en overheerschte volkeren van Azië. En ge kunt er verzekerd van zijn, dat als het Nobelprijs-comité verneemt van de aangeboren schoonheid van uw geschriften, het geen oogenblik zal aarzelen zichzelf te eeren door u te eeren."

"Ge schijnt van plan te zijn om mij den Nobelprijs toe te kennen", zeide de dichter, terwijl nauwelijks een glimlach om zijn lippen speelde. "Gij zijt de eerste persoon, die het mij aan de hand doet. Prachtig, krijg ik hem, dan zal ik oogenblikkelijk een ambachtschool oprichten in verband met mijn school te Bolpur." Tagore lachte en vervolgde: "Maar we krijgen vanavond te veel verbeelding" en het gezelschap lachte mee.

Binnen tien maanden na dit gesprek werd aan Rabindranath Tagore de Nobelprijs voor dichtkunst toegekend.

Niet alleen Indië of Azië, maar de geheele wereld heeft reden om zich over het toekennen van den Nobelprijs voor "idealistische literatuur" aan den Indischen wijze te verheugen. "Die toewijzing", om de woorden van een Amerikaanschen schrijver te bezigen, "zal de menschen van het Westen aansporen te onderzoeken wat de menschen van het Oosten gezegd hebben en nog te zeggen hebben. Ze zal het Oosten aan het Westen vertolken zooals het Oosten nooit tevoren vertolkt was. Ze wordt alzoo een historische gebeurtenis, een keerpunt in het begrijpen van het eene halfrond door het andere." Ze wijdt ook in den dageraad van een nieuw tijdperk van vriendschap tusschen Oost en West, die zoo lang vijandig tegenover elkander gestaan hebben in eeuwenlange worsteling om materieele oppermacht en vergrooting van grondgebied. De wederzijdsche waardeering van de literatuur, kunsten en idealen van het Oosten en het Westen, zal de donkere wolken van internationale verbittering wegvagen en dien dag helpen brengen, waarop internationale vrede en internationale welwillendheid oppermachtig op aarde zullen heerschen. Indien de eindpaal van wereldvrede ooit bereikt wordt, dan zal die bereikt moeten worden langs den weg van een edelen wedstrijd in innerlijke beschaving tusschen het Oosten en het Westen, die leiden zal naar de verwerkelijking van de fundamenteele eenheid van het geheele menschelijk geslacht.

Indien door een noodlottig toeval alle aan gedachten rijke opstellen, filosophische verhandelingen, romans, aangrijpende korte vertellingen en drama's van Tagore werden vernietigd, dan zal men zich--zoolang er menschen in Indië wonen--den naam van Tagore als dien van een groot dichter van Indië herinneren, want hoe zou men zijn volksliederen kunnen vergeten! Zijn zangen hebben in het leven van Indië's volk zulk een onuitwischbaren indruk gemaakt, dat zij alleen met Indië zelf zouden kunnen vergaan. De redevoeringen der politieke agitatoren en de opstellen van hoofdartikelschrijvers zijn slechts speldeprikken vergeleken met de vurige of innige vaderlandsliederen des dichters. Zijn uitroepen zweepen de kleine rimpelkringen op tot ware golven van echt patriotisme, die in Indië tegen de rotsen van egoïsme en provincialisme slaan en deze vergruizelen, om zoodoende uit een menigte van tegen elkaar strijdende belangetjes een machtig, homogeen volk te vormen.

Overal worden Tagore's volksliederen gezongen. Wanneer des morgens bij zonsopgang stralen van goud uit den horizon neerschieten, hoort men zijn liederen gezongen door Sankirtan-gezelschappen, die door de straten trekken om de menschen te wekken, opdat zij deelnemen aan de heilige handeling God en het moederland te eeren. In den brandenden middag, wanneer de schaapsherders in de schaduw van den banyan-boom spelen, zingen zij Tagore's liederen. En verder, wanneer het Indische landschap zich baadt in de roode stralen der ondergaande zon, hoort men Rabindranath's liederen tot in de scheepswoningen der schippers en uit den mond der landlieden, die bij scharen huiswaarts keeren. Zij worden gezongen op nationale congressen, in de gymnastiekplaatsen, door de bedelaars op hun bedelgangen; zij worden gezongen bij huwelijken en bij religieuze handelingen.

Er zijn critici die beweren, dat Rabindranath's volksliederen te week zijn, te vrouwelijk om te voldoen aan de tegenwoordige nooden van Indië. Het is waar, dat Tagore niet de vurige hartstocht heeft van Hem Chandra Bandopadhya, noch de mannelijke kracht van Nabin Chandra Sen; het is ook waar, dat hij zich meer wendt tot de teedere gemoedselementen, en de andere tot de sterkere. Inderdaad zijn "Slaap niet meer" van den eerste en eenige strofen uit "De slag van Pallasi" van den tweede, machtige factoren geweest in de crisis van Indië. Toch moet een ieder, die meer afweet van de fantastische en diepzinnige natuur der Hindoes, erkennen, dat van beide

"Ontwaakt, staat op en grijpt naar de overwinning; werpt neer den staf der overheerschers!"

en

"Uw moederland lijdt honger en verkwijnt! Wie anders dan een plichtgetrouwe zoon kan zijner moeder zorgen lenigen!"

de laatste zich sterker tot de ziel der Hindoes wendt en een meer durenden invloed uitoefent. Rabindranath volgt beslist den laatsten weg. Hij idealiseert het moederland, doordat hij in zijn lezer even zoovele snaren als zijn gemoedsontroeringen aanslaat. Hij spreekt van zijn golvende rijstvelden, lachende bloesems en geurende bloemen, zingende vogels, murmelende beekjes, eerbiedwekkende bergen, rumoerige bazar's, vriendelijke huizen, gevulde rijstschuren en speelplaatsen vol lieve, kleine, naakte kinderen--en die alle bekleedt hij met de heilige liefde voor zijn moederland, Bharat Mata, zooals het in Indië heet. Onophoudelijk behandelt hij de zaak van Indië, op honderd verschillende wijzen, en steeds in onnavolgbaren stijl.

"O, moederland, ik geef aan u mijn lichaam; want u wil ik mijn heele leven wijden; ik stort om u mijn tranen, en mijn Muze zal altijd uwen roem en lof bezingen. En of mijn armen kracht- en hulploos zijn, zij zullen toch de daden wel verrichten, die uwe zaak alleen maar dienen kunnen; ofschoon mijn zwaard van schande roestig is, toch zal het ééns den band der knechtschap snijden, o, mijne lieve moeder!"

Op een andere plaats berispt hij het moederland, terwijl hij zegt:

"O, moeder, zult gij waarlijk uwe kind'ren als beed'laars aan de deur der vreemden sturen, die toch, wanneer zij zien den bedelstaf, beginnen hen te haten en met steenen naar hen te werpen in verachting? Zeg, o moeder!"

Hier protesteert hij tegen "de politiek van bedelarij" en spoort zijn landgenooten aan om zelve alle krachten in te spannen teneinde land en volk vooruit te brengen. In een essay heet het: "Wanneer het bereiken van een ideaal niet ook van onze eigen krachten afhangt, doch uitsluitend van de liefdadigheid van anderen, wordt zulks onwaardig en beleedigend voor ons, en voor den gever ook schadelijk...."

In een ander gedicht troost hij het moederland en berispt hij zijn landgenooten, die zich van de zaak van het volk hebben afgewend:

"Niets kunt gij van uwe kinderen hopen, Moeder; want zij zullen niets u geven, schoon gij hun in uwe groote goedheid alles geeft, wat gij ook maar bezit: lucht en water, rijst en geesteswelvaart. O vergeef den ondankbaren kinderen, die zooveel beloofd, en bij den eersten ademtocht reeds hun belofte breken!"

Een Engelschmanhater is Tagore in geenen deele: daarvoor is hij behalve een dichter ook een wijze, die, schoon met droefheid, toch met geduld en ootmoed het lot van een onderworpen volk draagt, omdat hij in de vernedering van zijn landgenooten God's voorzienigheid aanschouwt en in het duistere heden van zijn land voorvoelt den dageraad van een betere toekomst.

Liefde, zwier, deemoed en de geest van opoffering bezielen zijn patriotische gedichten; maar daarin is niet één spoor te vinden van toorn, ijverzucht en haat tegen wien ook in de wereld. Hierin verschilt hij van den radicalen nationalist van bloed en ijzer. In zijn ziekelijken haat tegen de Britten en in zijn verlangen dezen met al hun koffers en bagage uit Indië te verdrijven verliest de radicaal veel van het evenwicht, dat noodig is om helder en klaar te kunnen denken. Zoo staart hij zich welhaast blind op het uitwendige en vergeet ook kennis te nemen van de inwendige oorzaken, die leiden tot politieke misstanden en kwalen. Het is een slechte dokter, die alleen zachte zalf zou willen smeren op de huid van een pokkenlijder.

"Maar", bijt de radicaal terug, "indien van buitenaf de atmospheer en de omgeving de inwendige storingen teweeg brengen, welke uitbreken in een kwaal, dan kunt ge den patient wel genezen, maar hij zal toch weer instorten.

"Als die ééne patiënt sterft, laat hem dan sterven, maar maak de omgeving zuiver, opdat duizend anderen kunnen blijven leven."

"Ja, ge hebt gelijk," zal Tagore daarop antwoorden, "doch wanneer het inwendige niet gezond is, dan zal het een kwaal uitbroeden, hoe rein de omgeving ook moge wezen. Maar ik ga volkomen met U mee, indien gij hervormingen op uzelven wilt aanbrengen, die zoowel inwendig als uitwendig werken."

Het hedendaagsche probleem van Indië is, volgens Tagore, niet van politieken aard. De Hindoes zullen nimmer in staat zijn hun levensvoorwaarden hooger op te voeren, tenzij zij zich ontdoen van een zekere engheid van geest en zwakheid van karakter. Al het gif van onkunde, onverschilligheid en tweedracht in de Hindoe-maatschappij staan der volle ontwikkeling der Indiërs in den weg. Daartegen moet de strijd gestreden worden.

De Indiërs moeten zich oefenen in het uitbreiden van hun gezichtskring buiten het gezin en buiten het dorp tot wijder cirkels. Zij moeten de hagen van versleten gewoonten uitroeien en hun socialen bodem beploegen voor hoogere doeleinden dan alleen om "te tuinieren in het klein".

"Laat ons in de eerste plaats onze maatschappij van de tyrannie van bekrompen zeden bevrijden en haar wijden aan een geest van liberaliteit. Dat is onze eerste plicht", roept Tagore uit.

Het was met het oogmerk "den socialen bodem te beploegen" en de Indische maatschappij van "bekrompen zeden te bevrijden" door middel van inwendige verlichting, dat hij naar de eenzaamheid ging, niet om zijn dagen in ledigheid door te brengen, maar om in zijn Shanti Niketan-school menschen te vormen voor den dienst van het moederland. [17]

Het is, omdat Tagore den moreelen moed bezit, den vinger te leggen op de wonde plekken der Indische maatschappij, dat een Indiër zelf zich op deze hatelijke wijze uitliet over den dichter, voor wien God zijn voortdurende metgezel en Indië het voortdurende object zijner gedachten zijn: "Ik zou Tagore's gezicht niet eens willen zien: ik zou de straat niet eens willen oversteken om hem te ontmoeten. Zelfs een ongeletterde koopman in Indische goederen, die onder valsche beschuldiging naar de gevangenis is gebracht, staat in mijn achting hooger dan de groote dichter, een moreele lafaard, die zijn eigen woorden inslikt en daarna zich terugtrekt in de eenzaamheid."

Dat Tagore niet deelneemt aan actieve politiek van het oude regime, en niet de gebruikelijke methoden van den "nationalist" tot de zijne maakt, dat kan een groot deel zijner landgenooten hem niet vergeven.

Dat een man, die om zijn gematigdheid en om zijn afkeer van geweld zelfs door zijn landgenooten voor "overlooper" wordt uitgemaakt, thans front maakt tegen de Britsche politiek, naar aanleiding van het Amritsar-bloedbad en voor de "eer van Engelsch ridder" te zijn bedankt, geeft te denken.

Het geeft ons een vaag vermoeden van ongehoorde geweldmaatregelen van dezelfde soort, waardoor de naam van het Britsche imperium in de ooren van onderdrukte volkeren zulk een schrikwekkenden klank heeft gekregen.

Mogen echter de Britsche politici van de gevreesde soort eens denken aan hetgeen Tagore over het imperialisme heeft gezegd: "Een groep van het menschelijk ras kan niet eeuwig sterk blijven door een andere groep van haar inhaerente rechten te berooven; Dharma (rechtvaardigheid) hangt af van de evenwichtige schikking der dingen. Wanneer dit evenwicht verstoord, de orde ontwricht wordt, dan begint de rechtvaardigheid te dalen. De Britten zijn machtig geworden door het bezit van het Indische Rijk, en indien zij wenschen, dat Indië zwak blijft, dan kan dat eenzijdig voordeel niet lang duren; dan is het gedoemd, om zijn eigen doel illusoir te maken. De zwakheid van het ongewapende, door honger en door armoe uitgemergelde Indië, zal de oorzaak worden van de ineenstorting van het Britsche Imperium."

"Slechts zeer weinige menschen kunnen een breeden blik hebben in politieke inzichten. Indien de inhalige Britsche politici begonnen te peinzen over de onmogelijke taak Indië in eeuwige onderwerping te houden, dan zouden zij terzelfder tijd de middelen vergeten om Indië voor langen tijd te onderdrukken. Want Indië eeuwig te willen behouden is een onmogelijkheid, omdat dit tegen de wet van het Universum is; zelfs de boomen moeten zich van hunne vruchten afscheiden. De poging om Indië te blijven binden aan de ketting der slavernij maakt de knoop slechts losser en verkort den tijd van mogelijke onvrijheid."

Doch Tagore is meer dan slechts Indisch nationalist, hij is een "universeele nationalist", een vertegenwoordiger van de wijd over de wereld verspreide humaniteit.

Zijn universalisme heeft den hoogsten graad van volkomenheid bereikt. Als een idealist van de twintigste eeuw gelooft hij aan de éénheid van het menschelijk geslacht--een éénheid in den rijkdom van haar verscheidenheid. Hij gelooft, dat het aanwezig zijn van de nationale, raziale, credale, continentale elementen en hun samenwerken in de menschelijke samenleving wezenlijk noodig is voor de ontwikkeling van de wereld, evenals de organen van het lichaam wezenlijk noodig zijn voor de normale ontwikkeling van den mensch. Hij is van oordeel, dat, evenals de taak van de roos ligt in de ontplooiing van haar bloembladen, zoo ook de roos der humaniteit slechts volkomen is, wanneer de verschillende rassen en volkeren hun geheel van elkaar verschillende karakteristieke eigenschappen ontvouwd hebben, die alle echter op den stam der humaniteit door den band der liefde zijn bevestigd.

Dit is de reden, waarom hij gelooft, dat het Oosten en het Westen hun bijzonder leven te leiden en hun bijzondere roeping te vervullen hebben--maar hun einddoel is hetzelfde. Zoo sprak hij op een banket, dat de litteratoren van Engeland en Ierland hem eens aangeboden hadden: "Ik heb geleerd, dat wij, ofschoon onze talen en onze zeden ongelijksoortig zijn, dat wij in den grond van ons hart één zijn. De monsumwolken, die zich vormen aan de oevers van den Nijl, bevruchten de ver verwijderde korenakkers aan den Ganges; gedachten moeten van de oostelijke naar de westelijke kusten gaan om een welkomstgroet in de menschenharten te vinden en om tot vervulling te komen. Oost is Oost, en West is West--God behoede, dat het anders zou worden--maar beide moeten tot elkaar in vriendschap, vrede en goede verstandhouding komen; hun ontmoeting zal des te vruchtbaarder zijn--die moet beide tot een heilig huwelijk leiden op het altaar der menschelijkheid".