Rabindranath Tagore: Een biografische Schets

Part 4

Chapter 43,879 wordsPublic domain

Kom, o vrouw met uw vroom gemoed! kom in het wit gekleed met het offerwater; steek, met loshangend haar, het licht aan op het altaar en open dan de deuren van uw hart in stil gebed.

Kom met het offerwater, vrome vrouw, o kom!

Nu is de tijd van scheiden daar.

Kom, o vrouw met uw minnend hart! kom met uwe tranen.

Laat uw rouwvol gelaat een regen van zegen doen dalen op den weg, die mij van hier leidt.

Laat de angstige aanraking van uw gezegende handen een wijding geven aan de laatste oogenblikken van mijn aardsch bestaan.

Kom met uwe tranen, bedroefde vrouw, o kom." [9]

En over liefde, welke is "der vrouwen-al", heeft Tagore gezegd: "Ik geloof, dat liefhebben is het aanbidden van dien éénen geheimzinnige. Maar we doen het slechts onbewust. Elke soort van liefde is het onmiddellijke resultaat van een universeele kracht, die zichzelf door het menschelijk hart tracht uit te drukken. Liefde is de tijdelijke verwerkelijking van dien zegen, welke bij den wortel zelven ligt van het heelal. Anders heeft liefde geen beteekenis. In de physieke wereld trekt de aldoordringende aantrekkingskracht het groote zoowel als het kleine gelijkelijk aan. Op dezelfde wijze nu bestaat er in het rijk van den geest een universeele aantrekking van vreugde. Het is door deze aantrekkingskracht, dat we schoonheid in de natuur bespeuren en liefde in onszelven. De eindelooze zegen, die in het hart der natuur is, bespeelt onze harten. Indien we de liefde in onze harten beschouwden afgescheiden van de liefde in het heelal, dan wordt zij zonder beteekenis. Liefde is zegen, is zaligheid".

Tagore's philosophie van de vrouwenbeweging, zooals die belichaamd is in het realistisch-idealistische drama Chitra, moge wellicht te radicaal schijnen zelfs voor de radicale feministen in het Westen; merkwaardig is het, dat de intrige in toto genomen is uit een episode van het Mahabharata, dat Hindoe-epos, hetwelk terug dateert van 2000 jaren voor den Christelijken tijd.

Ik moet thans goedmaken, wat ik in den eersten druk van dit boekje verzuimd heb n.l. het volle licht te doen schijnen op Tagore als kindervriend. Hetgeen ik hierover terloops zeide in verband met de school te Shanti-Niketan was niet voldoende, vooral met oog op het feit, dat liefde voor kinderen een beminnelijke karaktertrek is van de Bengali in het algemeen. In The Crescent Moon, in 1917 door Frederik van Eeden vertaald onder den titel van De Wassende Maan en in enkele vertellingen over kinderen, is deze schoone eigenschap van den Bengali Rabindranath ten volle weerspiegeld. De vreugde in het kind komt o.a. zeer sterk uit in de Bengaalsche literatuur door de vele verhalen betreffende het kindje Krshna, de incarnatie van god Vishnu.

In de Indische Vaishnava- of Vishnuïtische gezangen, die in het geheel niet voor kinderen bedoeld zijn, vindt men dikwijls toetsen van hun fantasie. Ze brengen in het geheugen terug op wat wijze de kinderen den jongen god in hun midden verrasten, of het wonder der wereld in het stof aan hunne voeten vinden.

Zoo luidt een dikwijls geciteerde kreet der herdersjongens, die ontdekken, dat zij met Krshna gespeeld hebben en hem als een gewonen schoolmakker behandelden:

"Wel, denk eens aan hoe dikwijls we met u twistten en u namen toeriepen; hoe dikwijls wij op uw schouders reden en gij op de onze; hoe dikwijls wij het beste opaten en u slechts de kruimels gaven! Naamt gij toen deze dingen euvel op en liept gij weg?"

Men heeft slechts de magische lens om te keeren en de volwassen man of vrouw kan met dezelfde verbazing en gevoel van nieuwe ontdekking naar het kind zien. Zijn wijze van doen is tegelijk zoo onschuldig en geheimzinnig, zoo dwaas en wijs, zoo ongerijmd en beminnelijk.

"Rabindranath toovert ons als een echte goochelaar het paradijs der kinderwereld voor onze oogen met eenvoudige middelen: een weinig stof, een waterpoel, een bloem, wat inkt en papier", zegt Ernest Rhys in zijn Biographical Study.

The Crescent Moon is verrukkelijk zoowel door den fantastischen achtergrond als door het universeele medegevoel van den schrijver. Elke bladzijde ervan geeft ons een schilderij genuanceerd met het bekoorlijke, het levend-getrouw nabootsende détail van een kindervriend.

We zien het jongetje zitten aan het venster om gade te slaan, hoe de schaduw van den banyan-boom (waringin) wriemelt over het water, dat in onrust geraakt is, als de vrouwen haar kruiken komen vullen aan den vijver. We zien hoe het kind de boeken van zijn vader neemt om erin te krabbelen, of naar diens schrijfpapier graait om er bootjes van te maken, en hoe het er naar uitkijkt als de avond komt en de oude visschersvrouw kruiden voor haar avondeten verzamelt langs den vijver, of hoe de nachtwacht met zijn lantaarn zwaait en voort wandelt met de schaduw naast zich. De schilderingen van het kind, dat gouden champa-bloemen verzamelt, die op den boschweg neergevallen zijn; van het kind dat aan het strand springt of in het stof neerzit om met een gebroken takje en eigen fantasieën te spelen, worden gevolgd door andere van den schreeuwenden deugniet, wiens gelaat en vingers beide bevlekt zijn met teer en inkt. Het gedichtje "De Banyan-boom" herinnert ons aan den jongen Rabi zelven, toen hij in de kamer opgesloten uren lang naar den tuin zat te kijken. Men vindt in dit kleine werkje een eindelooze sympathie met het kindje, dat in moeilijkheden verkeert, en met het jongetje, dat zich tegenover ouderen verongelijkt gevoelt. De dichter begrijpt de gulzigheid van het groeiende ding en de gretigheid van kleintje's lippen. Daarom worden de zwakheden der ouders op gelijke lijn gebracht met de onschuldige zondigheidjes van kinderen.

"Iedereen weet", roept hij het kind toe, dat zich verongelijkt acht, "hoe ge van lekkere dingen houdt--noemen zij je daarom snoepachtig?... Hoe dan", gaat hij voort, "zouden zij ons noemen, die van je houden?" De ironie van deze vraag wordt niet ten volle ingezien totdat men ontdekt, dat hierdoor de kinderverafgoder ontmaskerd wordt in zijn eigen liefde voor de heerlijkheid van den kleinen bengel. En in het liedje "Wanneer en Waarom" is wederom een andere lezing van baby's klacht en van de eeuwige philosophie van begeerte en verlangen en genot. Want, zegt de dichter:

"Als ik zoetigheid breng in je greetige handjes, dan weet ik, waarom er hoonig is in de bloemkelk en waarom vruchten heimelijk gevuld worden met zoet sap--als ik zoetigheid breng in je greetige handjes." [10]

In zijn geschiedenis van den fruitverkooper, in een van zijn prozawerken, welke zeer veel gelijkt op een hoofdstuk direct uit zijn eigen ondervinding, hebben we een dochtertje van den schrijver zelven, Mini, als de hoofdfiguur. Haar kinderlijke verlangens, haar ondeugendheid en haar grappigheid worden gecontrasteerd met de groote gestalte van den Kabuli- (dus een Afghaan) marskramer of fruitverkooper, die druiven en rozijnen en abrikozen aan de deur brengt.

De zak, dien hij draagt lijkt de wonderbaarlijke buidel van Fortunatus; voor de gedachte van het kind is hij mysterieus en onuitputtelijk, en het wordt een grap van den Kabuli, om wanneer Mini hem vraagt wat er in is, te antwoorden, dat er een olifant in zit.

"Een paar dagen later vond ik mijn dochter zitten op de bank bij de deur en al maar zonder ophouden sprekend tot den Kabuli, die aan haar voeten zat, glimlachend en luisterend. Ik merkte dat de slip van haar kleine sari vol amandelen en rozijnen was."

Zoo was het begin van de vriendschap tusschen het zonderling bij elkaar passend paar, een vriendschap saamverbonden door voortdurende lekkernijen. De vader van Mini sluit ook vriendschap met den Kabuli, Rahamat genaamd.

Ten slotte doodt Rahamat iemand, en wordt tot acht jaar gevangenisstraf veroordeeld. Als hij terugkomt, is het Mini's huwelijksdag.

"Ik herkende hem eerst niet. Hij had noch zijn zakken, noch zijn lang haar, noch zijn fijne, levendige manier van doen. Ten laatste herkende ik hem aan zijn lach.

"Hallo! Rahamat, wanneer ben je gekomen?" zei ik.

"Gisteren kwam ik uit de gevangenis", antwoordde hij.

Ik vertelde hem, dat ik het erg druk had en dat hij beter deed met heen te gaan.

Daarop zeide hij, toen hij bij de deur stond: "Mag ik het kind nog eens weer zien?" Maar dit kon niet, en met een zwijgend onrustigen blik keek de man toen hij heenging. Hij keerde echter terug en naderbij komende, zeide hij:

"Ik heb deze druiven en amandelen en rozijnen voor het kind meegebracht. Wil je ze voor mij aan haar geven, alsjeblieft? Neen, je moet me er niet voor betalen. Juist zoo'n dochter als gij hebt, heb ik thuis eene, en het is uit herinnering aan haar gezichtje, dat ik wat fruit voor je kind breng. Ik kom niet om het te verkoopen..." Terwijl hij dit zeide duwde hij zijn hand in de plooien van zijn los wijd kleed en bracht een stuk vuil papier te voorschijn van ergens van zijn borst vandaan. Zorgvuldig vouwde hij het open en spreidde het uit op mijn schrijftafel. Ik zag een afdruk van een tengere handpalm op het papier, een eenvoudig merk, dat verkregen werd door de hand in lampezwart rond te wrijven. Met dit vreemde teeken van het kind op zijn borst was Rahamat gekomen om fruit in de straten van Calcutta te verkoopen, alsof de aanraking met het kinderhandje zijn hart tot rust zou brengen, dat door de pijnen der scheiding werd verscheurd."

Herbert Spencer zag in de vraatzucht van het kind slechts den onverzadigbaren honger van het dierlijke in den mensch op een lageren graad van ontwikkeling. Rabindranath Tagore daarentegen heeft daarin geleerd te vermoeden de eerste graden van ontwikkeling der verlangens, die, op een ander niveau van intelligentie, het pad naar den hemel zelven uitwijzen. De teekens zijn inderdaad duidelijk te lezen in zekere gedichten en in "Zegening" wordt daaraan een uitwerking gegeven van zoovele rechtstreeksche wenken:

"Zeegen zijn hartje, deze blanke ziel, die den kus des hemels heeft gewonnen voor onze aarde.

Hij heeft het zonlicht lief, hij bemint het zien van zijn moeders gelaat.

Hij heeft niet geleerd het stof te verachten en tuk te zijn op goud.

Druk hem aan uw hart en zeegen hem.

Hij is gekomen in dit land van honderd doolwegen.

Hij verkoos u uit de meenigte, ik weet niet hoe, en hij greep uw hand om den weg te vragen.

Hij zal u volgen, lachend en pratend, zonder een twijfeling in zijn hart.

Aanvaard zijn vertrouwen, leid hem recht en zeegen hem." [11]

Een enkel woord over een klein tooneelspel, dat in Nederland een enkele maal reeds is opgevoerd geweest en waaruit weder Tagore's vereering en eerbied voor het kind blijkt. Het is The Post Office, of in de vertaling van Henri Borel "De Brief van den Koning" geheeten.

"Een stuk als The Post Office van Tagore mist hevige tooneeleffecten en z.g. "pakkende" coups de théatre, zooals echte "tooneelrotten" die handig weten te schrijven", zegt Henri Borel in zijn inleidend woord bij zijn Nederlandsche overzetting. Inderdaad, zeer eenvoudig is het gegeven in het kleed van zeer eenvoudige woorden. Maar in het simpele gebeuren van het sterven van dien armen knaap ligt verborgen de oplossing van het tragische raadsel des heelen levens.

De beminnelijke Amal is het pleegkind van den dorpsbewoner Madhav. Hij lijdt aan een slepende ziekte en deswege moet hij op last van den dokter in huis blijven. Mistroostig ligt hij op zijn ziekbed bij het venster naar buiten te turen en houdt lange gesprekken met voorbijgangers: den wachter, den melkman, het oudje, Sudha het bloemenmeisje. Dit is het eerste bedrijf.

Amal, al zieker en zieker wordend, gaat voort vriendschap te sluiten met allerlei voorbijgangers, die schik hebben in de naieve kinderpraat van het knaapje, maar in hun hart een groot medelijden koesteren met den kleinen zieke. Vóór Amals huis is een nieuw postkantoor gebouwd. Het denkbeeld, dat hij een brief van den koning zou kunnen krijgen, wordt in den geest van Amal een realiteit en in het heerlijk besef, dat 's Konings brief inderdaad in het nederige huis is gekomen, sterft de zieke jongen.

Het tweede bedrijf.

"De brief van den Koning" ontleent zijn naam aan de illusie van Amal. Een der voorbijgangers, de dorpswachter, die de gong slaat ter aankondiging van de uren en wiens werk het arme kind bijzonder veel belang stelt, heeft hem dit verteld. De kinderlijke onschuld gelooft, dat het postkantoor des konings zóó nabij werd geplaatst voor het geval de koning hem een brief wil sturen. Het praatje gaat van mond tot mond en het ijdele dorpshoofd ergert zich over dezen waan, welken hij toeschrijft aan den hoogmoed van den pleegvader Madhav. Doch als hij het stervende kind met onnoodige hardheid komt lastig vallen, als de dokter bevel heeft gegeven alle deuren en vensters te sluiten, opdat niemand meer binnentrede en hem verontruste--dan wordt er aan de deuren gerammeid: de geneesheer des Konings treedt de woning binnen. Deze gelast licht en ruimte om den knaap te maken, overal bloemen in de kamer te zetten en doet den bullebak, het dorpshoofd, verwijderen, want.... de Koning zal zelf komen.

Thans is Amal omringd door menschen, die allen hem toegenegen zijn. Teeder en verheven, echt Tagoriaansch, is het slot:

"Wilt u een woord voor mij in zijn oor fluisteren?" vraagt Sudha aan den geneesheer des Konings.

"Wat moet ik hem zeggen?"

"Zeg hem, dat Sudha hem niet vergeten heeft". En in vreugde afwachtend die overweldigende gebeurtenis, de komst van den Koning zelven, omringd door liefdevolle wezens, gaat het kind het mysterie van den dood in.

Hoe eenvoudig en helder is dit dichterlijke tooneelwerk. Rabindranath Tagore had niet noodig zijn symbolen nader aan te geven met duidingen voor ons verstand. Misschien niet voor den louter verstandelijke, maar voor het rijke gemoedsleven is alles even klaar. Wie voelt hier niet, dat de Koning met het Hoogste Wezen moet vereenzelvigd worden?

Toch moet men achter "De Brief van den Koning" niet te veel allegorie zoeken. De bedoeling is minder intellectueel, maar meer emotioneel en eenvoudig.

W. B. Yeats typeert de waarde van het stuk heel juist met deze woorden: "De bevrijding, gezocht en gewonnen door het stervende kind, is dezelfde bevrijding heeft Mr. Tagore gezegd, die oprees voor zijn verbeelding, toen hij eens in den vroegen ochtendstond tusschen het lawaai van een menigte, die van een of ander feest terugkeerde, dezen regel uit een oud dorpslied hoorde: "Veerman, neem mij mede naar den anderen oever van de rivier". Zij kan op ieder oogenblik van het leven komen, ofschoon het kind haar ontdekt in den dood, want zij komt altijd, als het "Ik" niet langer zoekende naar winsten, die niet kunnen "geassimileerd worden met zijn Geest", in staat is te zeggen: "Al mijn werk is het Uwe" (Sadhana).

Het geheim van Rabindranath's volkomen meeleven met het kind ligt zeer dichtbij het geheim van zijn kunst als dichter. In zijn poëzie laat hij de onschuld van den kinderlijken geest spelen met leven, liefde en dood en de verschijnselen in de natuur. Hij weet, dat het genot in de voorstelling van den kindergeest op de wonderen der aarde wijst, die de philosophie zoo moeilijk weet te rangschikken. Hoe beeldrijk, hoe concreet de Indische gedachtengang altijd trachtte te zijn, kunnen we leeren, indien we een bladzijde van de Upanishads opslaan. Bij het leeren aan den jongen hoe hij komen kan tot het subtiele weezen van het grooter Zelf, zegt de vader hem een vrucht van den Nyagrodha-boom te brengen:

"Hier is er een, heer", zegt het kind.

"Breek het stuk".

"Het is gebroken, heer".

"Wat ziet gij er dan?"

"Deze zaden, bijna ondeelbaar".

"Breek er een van".

"Het is gebroken, heer".

"Wat ziet ge dan?"

"Niets, heer".

De vader zeide: "Mijn zoon, dat uiterst fijne Wezen, dat gij dan niet bespeurt, van datzelfde Wezen bestaat de groote Nyagrodha-boom.

Geloof het, mijn zoon. Dat, wat het uiterst fijne wezen is, daarin heeft alles wat bestaat zijn zelf. Het is het Ware. Het is het Zelf, en gij o Svetaketu zijt het". [12]

De practische philosophie van Rabindranath betreffende het kind komt in het kort hierop neer: Niets moge den ouders te veel zijn, geen moeite en geen opoffering om het kind tot zijn bestemming te doen komen n.l. tot mensch, en wel tot mensch in de juiste betrekking met het gansche heelal. Maar men mag de waarde niet overschatten van de uitsluitend materieele middelen, die wij aan de opvoeding van onze kinderen ten koste leggen. Een kind mag niet het medium zijn van onze eigen onzuivere verlangens en begeerten; wij mogen niet alleen maar de hoop koesteren, dat onze kinderen naderhand knappe koppen worden, binnen den kortst mogelijken tijd "binnen" zijn of betrekkelijk jong reeds in eigen auto's kunnen rijden en "voornaam" kunnen "doen". Als bolwerk tegen deze vrij algemeene zonde tegen de kinderziel heeft Rabindranath een nieuw en toch oud systeem van opvoeding opgebouwd in zijn Shanti Niketan-school. "Ten opzichte van de wijze, waarop kinderen tot kennis zullen groeien, gaat de bedoeling van den mensch geheel lijnrecht tegen de bedoeling van God in. Hóe wij onze zaken en bezigheden en in verband daarmede onze kantoren willen regelen en inrichten, daarin zijn wij volkomen vrij. Maar zulk een kantoor-achtige regeling is niet geschikt voor Gods schepping, en kinderen zijn Gods eigen schepping." [13]

Duidelijker dan betoogen heeft Rabindranath tot mij persoonlijk zijn levensbeschouwing betreffende het kind gezegd in deze weinige woorden, welke hij op een kinderportret heeft geschreven: "I bring Father's message to father".

Om de religieuze liederen in Gitanjali ofte wel Song Offerings en Wij-Zangen te begrijpen--ik spreek niet eens van de schoonheid daarvan te gevoelen, want zijn hiervoor wel regels en voorschriften te geven?--is in de eerste plaats noodig, eenigermate het wezen van Tagore's God te kennen. Henri D. Davray in een artikel in de Mercure de France heeft vrij juist, door middel van een parallel met het Christelijk Godsbegrip, het wezen van Brahma aangeduid, zooals deze geworden is na het werk der groote hervormers Ram Mohan Roy, Debendranath Tagore en Keshab Chandra Sen.

"De christelijke theologie", aldus Davray, "is altijd versomberd geweest door het idee van de zonde, van het oordeel en van de noodzakelijkheid van een verlossing. De christelijke God is een almachtig souverein en een geduchte rechter, zelfs in zijn barmhartigheid. Het anthropomorphe en almachtige Hoogste Wezen, dat zijn tijd doorbrengt met over ons te waken zonder ons krachtdadig te kunnen beschermen tegen de zonde, een Wezen, dat ons met een wreede hardheid veroordeelt om onvermijdelijke zwakheden en fouten, waarvan hij zelf de verantwoording draagt, zulk een God houdt spoedig op eerbied af te dwingen. Hij heeft ons niet geschapen, zooals men wel beweert! Maar wij hebben hem geschapen naar ons beeld. De cultus van zulk een godheid kan niet anders dan slechts uiterlijk en formeel wezen: de godsdienst, die ons slechts dezen onvoldoenden god kan aanbieden, lokt geen enkele universeele liefde uit, geeft geen enkele universeele vreugde; hij inspireert slechts zelden dit hevig en brandend verlangen naar een goddelijke aanwezigheid, dat is: de honger en de onleschbare dorst van de mystiek. In het Oosten daarentegen wordt God niet verbeeld in dergelijke zwakke grenzen; de godsdiensten zijn onpersoonlijk en vloeien samen met vele philosophische systemen, die ruimte laten voor bespiegelingen, waarin de kleine menschelijke persoonlijkheid geheel en al verdwijnt met al haar begeerten, moeiten, zwakheden en ellenden. In het Westen heeft men het geloof verloren in een God, die niet voldoet aan de diepste wenschen van het hart en het is het Oosten, dat der menschheid de uitdrukking aanbiedt van een geloof in God, dat verhevener is dan onze tijd ooit er een heeft geformuleerd.

Op het altaar van zijn ziel plaatst het Westen zijn eigen beeld: den verachtten en onttroonden god, en biedt zichzelven een hoogmoedigen eeredienst aan. Het Oosten vindt zijn Godheid in de oneindigheid van het Heelal en in het diepste diep zijns harten en erlangt daardoor een wonderbare nederigheid."

De tegenstelling, of beter gezegd de éénheid van Paramatma en Jivatma, de ziel van het heelal en de ziel van het individueele leven, vindt men uitgedrukt in de twee eerste gedichten van de Gitanjali.

"Eindeloos hebt Gij mij gemaakt, naar Uw behagen.

Dit brooze vat leedigt Gij weer en weer en vult het telkens met versch leeven.

Oover heuvelen en dalen hebt Gij dit rieten fluitje gedragen en er eeuwiglijk nieuwe melodiën door geblazen.

Bij de onsterfelijke aanraking van Uwe handen doorbreekt dit kleine hart zijn perken en baart onzegbare uiting.

Uw oneindige gaven koomen tot mij enkel op deze mijn nietig-kleine handen. Eeuwen vergaan en steeds blijft Gij uitstorten en steeds is er ruimte te vullen." [14]

Dat de mysticus er naar streeft om de verschrikkingen van wereld en leven, zijn eigen menschelijke ellenden en tekortkomingen niet alleen te beschouwen, maar ook te ervaren als slechts de spectrale kleuren van het goddelijk Licht, lezen wij b.v. in Wij-Zang XXXX. Hier verlangt het hart naar het goddelijk Gevoel, dat alle vreugden en alle smarten als ééne groote Vreugde ervaart, doch het verlangen wordt op een wonderlijk-schoone wijze nog getemperd door een teedere menschelijkheid. Niettegenstaande het menschelijk gevoel nog terugschrikt voor "den wervel der vreeselijke vreugde", is die schrik nauwelijks merkbaar door de zuiverheid en gaafheid van het beeld.

"Dagen aan dagen bleef de reegen weg, o God, uit mijn dorre hart. Felnaakt is de horizon--zonder het dunste floers van een zachte wolk, zonder de flauwste zweem van een koele bui in de verte.

Zend uw woedende storm, donker van dood, als het U behaagt, en doe den heemel opschrikken van einder tot einder met bliksemstriemen.

Maar roep terug, o Heer! roep terug die zwijgende doordringende hitte, stil en fel en wreed, die het hart verzengt met vertwijfeling.

Laat de wolk van genade neederbuigen van omhoog, als de tranenrijke blik der moeder op den dag van des vaders toorn." [15]

Maar daar, waar alle kleine menschelijkheid weggeworpen wordt en waar voor hem "geen vrees meer overblijft in deeze waereld", wat is dat ontzettend en geweldig:

"Schoon is Uw polsband, sterren-versierd en kunstig gewrocht in duizend-verwige juweelen. Maar schooner is mij Uw zwaard met zijn bliksemende booglijn, als de uitgespreide wieken van Vishnoe's voogel, zuiver in eevenwicht in het toornig roode licht van de ondergaande zon.

Het trilt als het laatste teeken van leeven in smartverrukking bij den laatsten doodelijken slag; het blinkt als de reine Weezensvlam, die aardsche gevoelens verteert in een felle flikkering.

Schoon is Uw polsband, versierd met sterjuweelen: maar Uw zwaard, o Heer des Donders! is gewrocht met de uiterste schoonheid, verschrikkelijk om te zien of te herdenken." [16]

Den strijd tusschen den man en den dichter, de vertwijfeling, die Tagore moet gevoeld hebben toen de maatschappelijke mensch in hem de vraag stelde, wat voor "nut" zijn poëzie wel voor het vaderland en voor de maatschappij kan hebben, meen ik terug te vinden in gedicht III van De Hoovenier:

"Des morgens wierp ik mijn net uit in de zee.

Uit de donkere diepte haalde ik dingen op van wonderlijk aanzien en vreemde schoonheid.

Sommigen glansden als een glimlach, sommigen blonken als tranen, en anderen bloosden als de wangen eener bruid.

Toen ik huiswaarts keerde met mijn dagelijksche vracht, zat mijn lief in den hof en trok ijdelijk de bladen uit een bloem.

Ik weifelde een oogenblik, legde toen aan haar voeten alles wat ik opgehaald had, en wachtte zwijgend.

Zij oogde er naar, en zeide:

"Wat voor zonderlinge dingen zijn dat? Ik weet niet waarvoor zij dienen."