Rabindranath Tagore: Een biografische Schets

Part 3

Chapter 33,833 wordsPublic domain

Een bliksemstraal doorschoot het nachtlijk duister toen Upagupta zoo gesproken had. Vreesachtig vluchtte naar de stad de schoone lang nagestaard door oogen, droef en mat. -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- En maanden gingen onder storm en regen, zij hebben Upagupta nooit gestoord. De lente kwam; daar schetterden schalmeien-- de heil'ge schreed toen langzaam naar de poort.

Wie lag daar voor Mathura's hooge muren in 't stof der straten weenend uitgestrekt, van pijnen trillend en haar jeugdig lichaam met zwarte zweren schriklijk overdekt?

Der pest ten prooi, ach zij, de Bayadère! Door hare vrienden uit de stad verjaagd! Niet één heeft haar gelaafd de droge lippen, door woest verlangen naar één teug geplaagd.

Toen zette zich de monnik naast haar neder en nam haar smartlijk hoofd in zijnen schoot, en laafde haar en zalfde hare wonden: haar reddend uit de klauwen van den dood.

"Wie zijt gij dan?" vroeg toen de Bayadère. "Engel van medelij, ach, zeg mij nu!" ... "Ik heb u eenmaal vast beloofd te volgen zoodra het tijd is... en ik ben bij u". [4]

De Hindoe's van den ouden stempel werden op Rabindranath zeer ontstemd, daar zij dachten, dat hij de jeugd van Indië door de zinnelijkheid zijner liefdes-poëzie en liederen ging demoraliseeren; in het bijzonder gold dit de verzamelingen "Liefde" (Prem), "Jeugddroomen" (Jouban Sapna) en het lyrische drama Chitrangada. Tagore werd er van verdacht het romantisme van het Westen in Indië te willen invoeren en zich te willen afscheiden van den klassieken ernst, waarmee de Indische litteratuur de menschelijke hartstochten placht te behandelen. Maar in hun ijver om voor de Indische jeugd de zaligheid der Nirwana-onwetendheid te bewaren, vergaten die moralisten, dat in de geschriften van den jongen dichter niets was te bespeuren van de soms ruwe gemeenheid van een vroegeren Bengaalschen dichter, Bharat Chandra Rai Gunakar, die door de Bengaalsche jeugd maar al te ijverig werd gelezen.

Terwijl Tagore den tijd verdeelde tusschen het verblijf in zijn paleisachtig huis te Calcutta en dat in Shanti Niketan te Bolpur, kwam hij dáár in aanraking met de drukte, het rumoer en de politiek in de maatschappij, en hìer putte hij uit de inspiratie van de natuur en van de stilte de krachten voor zijn innerlijken groei. Intusschen vloeide steeds de stroom van stukken, opstellen, liederen en gedichten. Zooals de beide uitwendige krachten, vertegenwoordigd in Calcutta en Shanti Niketan, op elkaar inwerkten, zoo streden ook in zijn binnenste de tegenstroomingen der zinnelijkheid en des geestes om eindelijk te komen tot volkomen harmonie. In de periode van zijn twijfel, zijn vertwijfeling en onzekerheid schreef de dichter gedichten als "De roeping der Zorg", "Klacht van het Geluk", "Vertwijfeling der Hoop".

Eindelijk kwam de diepere tegenstroom der geestelijke natuur weder aan de oppervlakte en nu werd zijn leven ten volle van den geest dezer wedergeboorte doordrongen. Hij vond nu, wat hij steeds gezocht had. Van dezen ommekeer in zijn leven lezen wij in een brief: "Op een morgen van uit mijn verandah zag ik de zon opgaan boven het loof der boomen in den tuin; de schellen vielen mij van de oogen. Een zeldzame glans overspreidde de heele wereld rondom mij--zaligheid en schoonheid schenen over de gansche wereld als zeegolven te ruischen.... Toen bleef mij niemand of niets--wat het ook zij--onwelkom. Wanneer de lieden, wier gezelschap mij voorheen onaangenaam was, naderden, zou mijn hart mij vooruit hebben willen loopen om hun welkom te heeten. Zelfs de grove gestalten en gelaatstrekken van eenige arbeiders, die langs de straat gingen, hadden een innerlijken glans voor mij".

Met de verandering in den mensch veranderden ook toon en karakter zijner gedichten. Tot aan den rand gevuld met liefde voor God en voor deze wereld, voelde hij niets, schreef hij niets, wat niet door liefde-gedachten voor het geestelijk leven, voor de eeuwige schoonheid en liefelijkheid der natuur was doordrongen. De zon, de maan, de sterren aan den hemel, de boomen en de bloemen op de aarde, zij spraken tot hem in een taal van liefde voor het hoogste Wezen, wiens handwerk zij zijn.

Het vermengen van aardsche en hemelsche elementen is een typische karaktertrek van den Indo-Arischen geest. Daarom zal een Indiër, wanneer hij voorbeelden van Tagore's mystieke gedichten moet opnoemen, niet aarzelen om ook uit De Hoovenier, die "lyrische gedichten over liefde en leven", zijn keuze te doen. Deze gedichten zijn bloemen, die de dichter ons uit zijnen tuin aanbiedt; vandaar de titel. Westerlingen houden liever godsdienstige en minnedichten uit elkaar. De Oosterling daarentegen ziet ook in de aardsche liefde een afglans van de liefde tot God en zoo tracht ook Tagore den glans van het hoogere licht binnen te laten, opdat Gods licht onze aardsche vreugde en ons aardsch werk moge beschijnen en deze aardsche dingen veranderen in hemelsche. Tagore's minnedichten voeren ons op tot die geestelijke hoogten, waar menschelijke liefde door die hooge liefde doordrongen wordt en verandert van aanschijn. Zijn poëzie is in waarheid "het aardsche dialect van een hemelsche taal".

In een bloemlezing van Tagore's mystieke poëzie, door K. S. Ramaswami Sastri, vind ik o.a. het volgende heerlijke vers uit De Hoovenier:

"Gij zijt de avondwolk, die aan den hemel mijner droomen drijft. Ik kleur u en boetseer u altijd-door met mijn liefde-verlangen. Gij zijt mijn eigen, mijn eigen, Bewoonster van mijn eindelooze droomen.

Uw voeten zijn roozerood door den gloed van mijn hartsbegeeren, Sprokkelaarster van mijn zangen van zonsondergang. Uw lippen zijn bitterzoet door de smaak van mijn smarten-wijn. Gij zijt mijn eigen, mijn eigen, Bewoonster van mijn eenzame droomen.

Met de schaduw van mijn drift heb ik uwe oogen verdonkerd, Bezitster van de diepte van mijn blik! Ik heb u gevangen, mijn Liefste, en u gewikkeld in het net mijner muziek. Gij zijt mijn eigen, mijn eigen, Bewoonster van mijn onsterfelijke droomen." [5]

Wat een hemelsche verrukking klinkt er in het volgende gedicht, mede uit De Hoovenier:

"Toen zij met vlugge stappen voorbij ging, raakte mij de zoom van haar kleed.

Van het onbekende eiland eens harten kwam een plotselinge warme lente-adem.

Het wapperen van een vluchtige beroering bestreek mij, en verdween oogenblikkelijk als een losgerukt bloemblad in den wind.

Het raakte mijn hart als een zucht van haar lichaam en een fluistering van haar hart."

De populaire geest in het Indische volk zoekt steeds abstractie te vermijden. Hij verlangt naar een zichtbare verbeelding van God; vandaar dat er in de Indische schoonheidsontroering geen scheiding wordt gemaakt tusschen aardsche en hemelsche gevoelens. Het volk tracht steeds de aardsche dingen te interpreteeren op zijn eigen wijze, waardoor aan zijn Gods-verlangen wordt voldaan. Dinesh Chandra Sen vertelt in zijn boek over Bengali-litteratuur, hoe hij eens een zeventigjarigen Vaishnava (Vishnuïet) het volgende lied van Chandi Das hoorde zingen:

"Duister is de nacht en zwaar zijn de wolken.

Hoe kunt ge, geliefde, in zulk een nacht bij het pad komen?

Daar, in den tuin, zie ik hem in den regen staan.

Mijn hart breekt, bij het aanschouwen daarvan.

Ik zeg u, mijn dienstmaagden, voor vele mijner deugden heeft mijn geliefde mij een gunst betoond door hierheen te komen om mij te ontmoeten.

Binnen in huis zijn de ouders, en mijn schoonzuster is zeer wreed; ik kan niet onmiddellijk naar buiten snellen om hem te begroeten.

O, wat angst en pijn heb ik hem niet berokkend door hem te wenken hierheen te komen.

Als ik zie, hoe diep-ernstig hij mij lief heeft, dan zal ik met vreugde den last der schande op mijn hoofd dragen en mijn huis in brand steken.

Al de ellenden, die hij om mijnentwille geleden heeft, rekent hij tot zijn geluk; en het doet hem slechts leed, als hij mij droevig ziet."

Dinesh Chandra Sen vertelt verder: "Terwijl de oude man zong, hoorde ik plotseling zijn stem verstikt worden door zijn tranen. Nadat hij tot zich zelven gekomen was, vroeg ik hem naar de oorzaak zijner tranen. Hij zeide, dat het de zang was. De zang, zeide ik, beschrijft een gewone liefdes-affaire; en waar zou wel het aandoenlijke ervan liggen, dat een ouden man aanleiding kan geven tot zulk een uitbarsting van gevoelens? Hij verklaarde, dat hij dit niet beschouwde als een gewone liefde-zang. Ziehier zijn verklaring: "Ik ben vol zonden. Mijn ziel is bedekt met duisternis. In diepe droefheid wenkte ik Hem om tot mij te komen. De barmhartige God kwam. Ik vond Hem op mij wachtende bij de deur van mijn huis. Het kan voor Hem geen vreugde wezen om te komen tot een zondaar als ik ben--het pad is onrein, maar in groote genade sloeg de barmhartige God het pad in. De wereld, waarin ik leef, heeft geen deur voor Hem opengelaten. Betrekkingen en vrienden lachen mij uit, of zijn zelfs vijandig; maar wat kan een zondaar, denkende aan Zijn groote genade, anders doen dan mijn huis en alles wat ik heb te verlaten, en een sanyasin [6] te worden? De gedachte aan zijn barmhartigheid verstikte mijn stem.--"O, duister is de nacht en zwaar zijn de wolken; hoe kunt ge, geliefde, bij het pad komen?" Maar Hij stelt zich aan den regen bloot, en om den zondaar te helpen is Hij bereid te lijden."

"Tagore's mystiek leidt hem niet tot het ontvlieden van reine huiselijke vreugde en levensgeluk. Hij predikt niet die opdringerige zelfverloochening, die zich uit in de vormen van het ascetisme, maar de werkelijke zelfverloochening van een onzelfzuchtig en aan God gewijd leven", zegt Ramaswami Sastri.

Dit moge blijken uit gedicht XLIII uit De Hoovenier:

"Neen, mijn vrienden, een askeet word ik nooit, wat gij ook moogt zeggen.

Als zij niet samen met mij de gelofte aflegt, wordt ik geen askeet.

Ik ben vast beslooten nooit askeet te worden, tenzij ik een schaduwig hoekje vind en gezelschap bij mijn boetedoening.

Neen, mijn vrienden, ik zal nooit mijn haard en huis verlaten, noch mij terugtrekken in woudeenzaamheid, als er geen vroolijke lach echoot in haar schaduw, en er niet de tip van een safraan-geele mantel fladdert in den wind; als haar stilte niet verdiept wordt door zacht gefluister:

Ik word nooit een askeet." [7]

Tagore's vriend, Dr. Brajendranath Seal, zegt van hem met recht: "Hij is de eerste onder onze heiligen, die niet weigerde te leven, maar van uit het Leven zelf sprak, en dàt is waarom wij hem onze liefde geven".

Bijna bedwelmende levensvreugde en jubelende levensaanvaarding spreken uit het volgende gedicht:

"Verlossing is voor mij niet in verloochening. Ik voelde de omarming der vrijheid in duizend banden van lust.

Gij stort altijd de frissche dronk van Uw verschillend gekleurde en geurige wijn voor mij uit, dit aarden vat vullend tot den rand.

Mijn waereld zal haar honderde lampen met Uw vlam ontsteken en ze voor het altaar van Uw tempel zetten.

Neen, ik zal de deur mijner zinnen nooit sluiten. De lusten van zien en hooren en voelen zullen Uwe lust dragen.

Ja, al mijn illuzies zullen branden in vreugdeluister, en al mijn begeerten zullen rijpen in vruchten van Liefde." [8]

Wij hebben den teederen "zanger der liefde" leeren kennen en bewonderen en het zal thans belangwekkend zijn den dichter te zien optreden als voorvechter van de maatschappelijke rechten der vrouw. Een van de allereerste dingen, waaraan Rabindranath, als opvolger der sociale hervormers Ram Mohan Roy, Debendranath, Keshab Chandra Sen en anderen, zijn aandacht wijdde, was de verheffing van den toestand der vrouwen in Indië door middel van opvoeding. Hij heeft nimmer geloofd in de minderwaardigheid van de vrouw. Steeds heeft hij geloofd in wat Comte zegt: "Elke sexe heeft dat, wat de andere niet heeft; elk vult de andere aan en wordt door de andere aangevuld; zij zijn in niets gelijk en het geluk en de volmaking van beiden hangt af van vragen en ontvangen door de eene van wat slechts de andere geven kan".

Lang vóór de komst van de moderne vrouwenbeweging was Tagore reeds een krachtig feminist. Echter is hij geen voorstander van onvoorwaardelijk vrouwenkiesrecht; hij is van meening, dat, indien de mannen hun plicht in politieke zaken hadden gedaan, de vrouwen in het geheel niet zouden hebben willen stemmen. Maar indien de mannen niet goed kunnen besturen, dan is het gerechtvaardigd, dat vrouwen aanspraak maken op stemrecht en er zelfs voor vechten. Het sterke feministische accent van de volgende vertaling van een zijner brieven, meer dan 25 jaren geleden geschreven, is de aandacht waard:

"Na behoorlijk nadenken, ben ik tot de conclusie gekomen, dat er in het leven van een man niet die volheid is, welke het leven van een vrouw kenmerkt. Er is een samenhang van eenheid in vrouwelijke taal, kleeding, gedrag en plichten. De hoofdoorzaak daarvan is, dat hier de natuur eeuwenlang haar rijk van werkzaamheid bepaald heeft. Tot dusverre heeft geen revolutie, geen verandering van idealen of van beschaving de vrouwen afgeleid van haar pad van onafgebroken verband. Ze hebben al dien tijd gediend, bemind, getroost en hebben niets anders gedaan. De bekwaamheid en schoonheid in deze verrichtingen hebben zich op bekoorlijke wijze verbonden met hare gestalte, met hare taal, en in haren gang. Haar sfeer van werkzaamheid en haar natuur zijn dooreen vermengd, gelijk de bloem en hare geur. Zoo heeft niets als harmonie in haar de overhand gekregen.

"Daarentegen is er zeer veel onevenwichtigheid in het leven van een man. De teekenen, dat zij door verschillende veranderingen en functies zijn gekomen, zijn kenbaar aan hun vorm en in hun natuur. De abnormale verheffing van het voorhoofd, het leelijke van den neus, de onbekoorlijke ontwikkeling van de kaken zijn alledaagsheden bij mannen, maar niet bij vrouwen. Had de man denzelfden gang gegaan gedurende de eeuwen, was hij geoefend in het doen van dezelfde verrichtingen, dan zou er als het ware een gietvorm voor mannen ontstaan en er zou een harmonie gekomen zijn tusschen zijn natuur en zijn werkzaamheid. In dat geval zouden ze het niet zoo hard gehad hebben in hun denken en in hun worstelen bij het vervullen van hun plicht. Alles zou zeer geleidelijk en prachtig voortgegaan zijn. En ze zouden een aard ontwikkeld hebben, en hun geest zou niet van het pad der plichten, bij de minst mogelijke aanleiding, weggelokt worden.

"Moeder Natuur heeft vrouwen gevormd in een gietvorm. De man heeft niet zoo'n oorspronkelijken band, zoodat hij niet tot eigen volheid rond een centraal idee ontwikkeld is. Zijn verschillende ontembare hartstochten en gevoelens stonden zijner harmonieuse ontwikkeling in den weg. Zooals het gebonden zijn aan maten de oorzaak van de schoonheid der poëzie is, zoo is ook de gebondenheid aan de maat van vastgestelde wetten de oorzaak van de algeheele volheid en schoonheid der vrouw. Daarom hebben de dichters steeds de vrouwen vergeleken met zang, poëzie, bloem en rivier, en hebben er nimmer aan gedacht mannen hiermede te vergelijken. De vrouw, evenals de schoonste dingen in de natuur, is in samenhang, goed ontwikkeld.... en goed opgevoed. Zonder twijfel, geen ongepaste gedachte en geen academische discussie kan het rhythme van een vrouwenleven verbreken. De vrouw is volmaakt".

De toestand van de vrouwen in het Oosten en in het Westen is een voortdurend thema van levendige discussie geweest. De Christelijke zendeling, met zijn diepe onwetendheid omtrent den geest van de Hindoe-maatschappelijke organisatie, ziet niets dan verachtelijke ellende in het lot van de Hindoe-vrouw. De orthodoxe Hindoe aan den anderen kant, met zijn gelijke diepe onwetendheid omtrent de buitenwereld, ziet op het lot van de Hindoe-vrouw als op iets, dat aan zegeningen niets te kort komt.

Maar Tagore met zijn practische kennis van beide maatschappijen, is er zich van bewust, dat er goed en kwaad in beide is, en dat een juiste opvoeding de euvelen zal genezen en de goede eigenschappen zal versterken. Over de positie van de vrouw in het Oosten en in het Westen, zegt hij aldus:

"Van buitenaf geoordeeld voel ik, dat in de mate als de Europeesche beschaving voortschrijdt, de vrouw voortdurend ongelukkiger wordt. De vrouw fungeert in de maatschappij gelijk de middelpuntzoekende kracht bij de planeten. Maar in Europa blijkt deze middelpuntzoekende kracht van vrouwelijke energie vruchteloos om op te wegen tegen de centrifugale kracht van de waanzinnige maatschappij. De mannen zoeken schuilplaats in afgelegen hoeken en gaten van de aarde; zij zijn terneergebogen onder de verpletterende worsteling om het bestaan, welke ten deele ontstaat door kunstmatig geschapen behoeften. In Europa wordt een man totaal onwillig om zichzelven een gezin op den hals te halen; als gevolg daarvan zijn de gezinsplichten van de vrouw aan het afnemen. Het jonge meisje heeft lang op een minnaar te wachten, en de vrouw lijdt aan liefdesziekte, omdat haar echtgenoot afwezig is om den kost voor de familie te verdienen. De volwassen zoon aarzelt niet in het minst zijn moeders huis te verlaten. Zelfs, ofschoon haar opvoeding, traditie en natuur er tegen zijn, moet de vrouw in het Westen toch er op uit gaan om te werken en te worstelen voor het bestaan.

"Deze wanklank in sociale harmonie, is, naar het mij voorkomt, de voornaamste reden, waarom de vrouw in het Westen voor gelijke rechten met den man vecht. De vrouwelijke karakters in vele van Ibsen's stukken toonen wrevel tegen den huidigen staat van zaken, terwijl de mannelijke karakters dezen steunen. Dit brengt iemand er toe te denken, dat de positie van de vrouw in de hedendaagsche Europeesche samenleving geheel misplaatst is. De man heeft er een afkeer van om een tehuis voor de vrouw te bouwen, en is tegelijkertijd koppig in zijn weigering om haar gelijke rechten toe te staan, welke haar in staat stellen het strijdperk van vruchtdragenden arbeid binnen te treden. Bij de eerste gedachte moge het getal van vrouwen in de Nihilistische legers in Rusland verbijsterend schijnen, maar rijpere overweging overtuigt iemand van het feit, dat de tijd zoowat rijp is voor de strijdbaarheid van de vrouw in Europa.

"Kracht is het wachtwoord van de Europeesche maatschappij van heden ten dage. Er is geen plaats voor den zwakke, hetzij man of vrouw. Daarom beginnen de vrouwen zich te schamen over haar vrouwelijkheid en streven zij er naar haar kracht te toonen, zoowel van lichaam als van geest....

Het is onmogelijk voor een vrouw in een Europeesche familie om de verschillende volmaaktheden te bereiken, welke een vrouw kan doormaken in een Hindoe-tehuis. Daarom wordt het een ernstig ongeluk geacht een ongetrouwde vrouw in Engeland te wezen. Haar hart wordt zuur, en ze vindt troost in het "oppassen van jonge hondjes" of in het doen van "barmhartig" en "maatschappelijk" werk. Zooals soms de melk van de borst kunstmatig uitgeperst moet worden om de moeder gezond te houden, zoo moet ook de teederheid van een Europeesche ongetrouwde dame uitgeperst worden ten bate van liefdadigheidsorganisaties; maar het blijft in gebreke bij te dragen tot de ingeboren bevrediging van haar gemoed.

Ik ben bang, dat de hedendaagsche beschaving van Europa onmerkbaar zich uitbreidt over de onvruchtbare zône in het maatschappelijk leven. De buitensporige overvloed van weelde-artikelen verstikt de ziel van het tehuis--het tehuis, dat juist de verblijfplaats der liefde, teederheid en weldadigheid moest zijn--iets dat boven alles het wezenlijkste is voor een gezonde ontwikkeling van het menschelijk hart. In Europa verdwijnen de tehuizen en hotels zijn in aantal toenemende. Als we zien, hoe mannen gelukkig kunnen zijn met hun paarden, honden, kanonnen, pijpen en speelclubs, dan kunnen wij veilig de conclusie trekken, dat de levens der vrouwen langzamerhand gebroken worden. Vóór dezen plachten de mannelijke bijen den honing buiten te verzamelen en in de korf op te zamelen, waar de koningin oppermachtig heerschte. Nu verkiest de bij een cel te huren en op zichzelf te leven, zoodat hij alleen al den honing 's avonds op kan drinken, welken hij overdag verzameld heeft. Daarom is de bijenkoningin verplicht de wereld van strijd in te gaan om honing te verzamelen, opdat ze kan leven. Ze is nog niet in staat geweest aan de veranderde condities van leven en samenleving gewend te raken. Het resultaat is ongerustheid en gegons....

"Zoo is in het kort de tegenwoordige toestand van de vrouw in het Westen. En wanneer Engelsche philantropisten krokodillentranen storten over "den ellendigen toestand der vrouwen in Indië", dan sta ik verstomd bij zulk een verspilling van sympathie, vooral als die zulk een zeldzaam ding is als bij de Engelschen.

"Onze vrouwen doen onze huizen glimlachen van zoetheid, teederheid en liefde.... Wij zijn zeer gelukkig met de godinnen onzer huishouding, en zijzelve hebben ons nimmer van haar "ellendigen toestand" gesproken. Waarom zouden dan de bemoeiallen van overzee zoo slecht denken over de veronderstelde smarten onzer vrouwen? Men begaat vergissingen door zich te veel voor te stellen omtrent hetgeen anderen gelukkig of ongelukkig zou maken. Indien bij toeval de visschen philantropisten waren, zouden hunne teedere harten alleen voldoening vinden door het gansche menschelijke geslacht in de diepten der wateren onder te dompelen.

"Zonder twijfel, wanneer een Engelsche dame de kleine vertrekken ziet met het ruwe ameublement en de ouderwetsche schilderijen in de zenana (vrouwenverblijf), dan trekt ze dadelijk de conclusie, dat de mannen de Hindoe-vrouwen tot slavinnen hebben gemaakt. Maar ze vergeet, dat we allen te zamen op dezelfde wijze leven. We lezen Spencer, Ruskin en Mill, we geven geïllustreerde bladen uit en schrijven boeken, maar we zitten op een matras op den vloer, en we gebruiken een aarden olielampje om er bij te studeeren. We koopen juweelen voor onze vrouwen als we geld hebben, en we slapen binnen een met touwen vastgemaakt muskietennet, en op warme nachten bewaaieren wij ons met een waaier van palmblad.

"We hebben geen sofa's of hoogop gestoffeerde stoelen, maar we voelen ons niet ongelukkig, dat we ze niet bezitten. Maar tezelfder tijd zijn wij geheel en al in staat om lief te hebben en om bemind te worden. De westersche volkeren houden van huisraad, vermakelijkheden en de weelderigheden van het leven zóózeer, dat velen onder hen er niets om geven echtgenooten te hebben,--en zoo al gehuwd, dan positief geen kinderen. Bij hen gaat gemak boven liefde, terwijl liefde en een tehuis de hoogste dingen in ons leven zijn. Daarom moeten we vaak gemakken opofferen, opdat we kunnen genieten van het leven thuis en van liefde."

De edele taak in de menschelijke samenleving, welke Tagore aan de Hindoe-vrouw heeft toegedacht kan men behalve uit zijne beschouwingen nog het best aanvoelen uit het volgende gedicht:

"De moeiten en ellenden van den krijg zijn voorbij.

Kom, o vrouw met uw bekorende macht! kom mij reinigen en troosten; zegen mij met uwe aanwezigheid, die zacht is als balsem op mijn wonden.

Kom, bekoorlijke vrouw! kom met uw gouden schenkkan om mij te reinigen.

De marktdag is heen. De menigte heb ik verlaten en ik heb mijn hut in het dorp gebouwd.

O vrouw met uw edele inborst! met uw hemelschen glimlach en met een vermiljoen-roode lijn op de scheiding van uw haar.

Kom het eenzame huis zegenen en het liefelijk maken.

Kom met uw kruik vol wij-water, edele vrouw, o kom!

De zon schijnt hevig in den middag, en een vreemde reiziger is aan onze deur.

Kom o vrouw met uw zegenende kracht! kom met uw schenkkan vol honigwater en met de reine muziek uwer polsbanden, om den onbekenden gast te verwelkomen en te zegenen.

Kom met uw schenkkan vol honigwater, zegenrijke vrouw, o kom!

De nacht is donker en het huis is stil.